houden: hij gaf te zijnent voor een aantal voorname dames, waarbij zich
later de weduwe Von Schiller en vrouwe Von Stein voegden--zij verdroegen
de tegenwoordigheid van Christiane terwille van den man, die van dit
schepsel zoowaar veel scheen te houden!--lezingen over kleuren,
magnetisme, plantkunde; aan de natuurwetenschap gaarne moralistische
beschouwingen knoopend, zooals de lezer die weldra in Die
Wahlverwantschaften zal leeren kennen. Men wete dat zulke bijeenkomsten
in dien tijd mode waren, maar men zal zich niettemin afvragen, of deze
deels lichtzinnige en venijnig lasterende dames wel veel stichting
hebben gevonden in hetgeen "de mooie Geheimrath" met zijn krachtig
muzikaal geluid--jammer genoeg had hij de hebbelijkheid, vaak met een
hand langs oogen en voorhoofd te strijken--ten gehoore bracht. Spoedig
moest hij de savantes gelegenheid geven een kwartiertje voor de les te
causeeren over de politiek; want door iedereen en overal werd zeer
bezorgd over de nieuwste staatkundige gebeurtenissen gesproken. Hij deed
daar niet graag aan mee, maar als men hem aan den babbel wilde hebben,
bracht men hem op zijn gemak, door een tafel met teekengerei voor hem
klaar te zetten: hij had zijn gedachten graag bij het teekenstift,
wanneer het gesprek ging over allerlei misstanden waartegen hij zich
vruchteloos had verzet:
--Bedachtzaam maar vlot veroverde Napoleon Europa. West-Duitschland kon
hem niet meer ontgaan en nu wilde hij door geven en nemen Pruisen
isoleeren, om het later, bij gunstige gelegenheid, des te makkelijker in
te palmen. Weimar en de andere Thüringsche staatjes waren door allerlei
banden vast aan Pruisen gebonden: Carl-August vervulde opnieuw een
belangrijke functie in het Pruisische leger. Goethe had gaarne
gezien--en hij heeft het o. a. in _Hermann und Dorothea_ gezegd--dat de
Duitschers _als Natie_ in opstand waren gekomen tegen de Fransche
heerschappij; maar tot zijn ergernis liet deze natie zich kalmweg
versplinteren, totdat Napoleon door een beslissenden zet, de stichting
van een Rijn-statenbond onder zijn protectoraat, een wanhopige
oorlogsverklaring van Pruisen uitlokte: die hij best kon gebruiken.
Weldra bleek dat het in den omtrek van Weimar tot een hevig treffen zou
komen: de wederzijdsche troepenmassa's trokken zich daar samen en
stichtten bij voorbaat groote verwarring in de residentie. Carl-August
was bij zijn regiment, en op Hertogin Louise na vluchtte het hof. Goethe
bleef waar hij was; hij nam zelfs geen maatregelen om zijn collecties en
zijn papieren te bergen: _evenmin_ als Egmont kende hij gevaar.
Het Duitsche leger werd bij Jena geslagen, de ontredderde Pruisen
vluchtten door Weimars straten, gevolgd door overmoedige Franschen, die
de stad bezetten en aan het plunderen sloegen. Goethe kreeg een
twintigtal huzaren in huis, wier officier (Lili's zoon) hem veiligheid
beloofde; de manschappen gedroegen zich nogal kalm en waren vermoeid
genoeg om spoedig in te slapen. Maar in den nacht van 14 October beukten
een paar plunderaars de voordeur kapot en eischten toegang. Riemer
meende ze met wijn en buit zoet te houden, maar ze wilden den heer des
huizes spreken. Deze trad hun tegemoet, indrukwekkend in zijn witte
slaaprok--zijn "profetenmantel"! Zij bonden in, maar later vonden zij
den weg tot zijn kamer, snuffelend naar kostbaarheden. Reeds stoven ze
met getrokken degens op hem aan, toen Christiane, dapper en bijdehand,
de wapens afwendde, snel een stadgenoot riep die in het achterhuis een
onderkomen had gevonden, en met diens hulp de kerels uit het vertrek
zette. Pas den ochtend daarop kreeg men ze weg: ze hadden geslapen op
het bed dat Goethe voor hun Maarschalk gereed hield!
Tot juiste waardeering van dit moment, bedenke de lezer o. a. dat de
menschheid twee groote werken van Goethe in het geheel niet, zijn
grootste werk slechts gedeeltelijk zou bezitten--om nu gemakshalve van
zijn natuurwetenschappelijke gewrochten en van vele kleine gedichten en
novellen niet te spreken--indien hij (die toch een waardiger dood had
verdiend) den 14den October niet was gered door het vrouwspersoon, dat
men spottend noemde "dame Vulpia", ofte wel "de dikke wederhelft". (Deze
laatste vinding is van Schillers weduw, die pochte, bij zekere
plechtigheid, waartoe slechts vrijmetselaarsvrouwen toegang hadden,
Christiane's bijzijn te kunnen afkoopen met een glas--zegge één
glas--punch).
De Fransche opperbevelhebbers toonden dat het incident hen pijnlijk had
getroffen en ze zonden een briefje, waarin zij "den grooten Goethe"
verzochten, zich niet bezorgd te maken. Hij kreeg een schildwacht voor
zijn deur en een van zijn "Italiaansche" vrienden, die inspecteur-generaal
van de musea was geworden, werd nu bij hem ingekwartierd. Hij verschonk
den hem opgedrongen gasten in enkele dagen 12 vaten wijn, en hij maakte
totaal twee duizend daalders onkosten voor de heeren. Natuurlijk heeft
men zijn positie, welke hem in staat stelde vele stadgenooten, die tot
op het hemd waren uitgeschud, van dienst te zijn, op smadelijke wijze
verklaard.
Terwijl nu de stad in vlammen stond en de kogels floten over zijn
woning, begaf hij zich in overpeinzingen die tot resultaat hadden het
volgend biljet aan den hofpredikant Günther:
Dezer dagen en nachten is een langgekoesterd plan bij mij tot
rijpheid gekomen; ik wil mijne kleine vriendin, die zoo veel voor
mij heeft gedaan en ook deze uren van beproeving met mij
doorleefde, ten volle en burgerlijk erkennen als de Mijne. Zeg mij,
waardige geestelijke heer en vader, of het zoo is te schikken, dat
wij zoo spoedig mogelijk, Zondag of eerder, trouwen. Welke stappen
hebben wij daarvoor te doen? Kunt Gij de inzegening niet zelf
verrichten? Ik zou wenschen dat ze in de sacristy van de stadskerk
geschiedde. Gelieve brenger dezes zoo mogelijk antwoord mee te
geven.
Er is een echo van het gedicht Hermann und Dorothea in deze
huwelijksplechtigheid op puinhoopen, die twee dagen later plaats vond.
August en Riemer waren de eenige getuigen. In de trouwringen stond
veelbeteekenend 14 _October_ gegraveerd.
En van toen af gold Christiane de vrouw van den huize, al zweeg de
laster niet. Ze had dit geluk duur gekocht: de moeizame verpleging
gedurende Goethes langdurige ziekten, het doodsgevaar waarin ze zich
wierp om haar man te redden, de gemeene behandeling die ze van de
Fransche officieren had te verdragen.... ziehier nog slechts een deel
van den prijs. Johanna Schopenhauer (moeder van den wijsgeer), die uit
een groote stad kwam en in Weimar een nieuwelinge was, hielp Christiane
over de eerste verlegenheid heen, toen ze aan "de wereld" officiëel werd
voorgesteld: Ik kon doen alsof ik van de vroegere verhouding niets wist,
schreef ze haren zoon. Maar de bruigom betaalde de felicitaties met een
stereotyp en hooghartig: Ze is altijd mijn vrouw geweest!
Napoleon had zich als een brieschende leeuw aangesteld, toen hij
Carl-August niet te huis trof, en hij wilde het landje doen boeten voor
den weinig diplomatieken vorst, die verzuimd had den Imperator zijn
opwachting te maken. Maar hertogin Louise (de vrouw die niet bang was
voor zijn 200 kanonnen! zooals hij het uitdrukte) bracht hem door haar
bewonderenswaardig optreden tot betere gedachten. Carl-August nam--wat
Goethe hem reeds vóor den oorlog had aangeraden--ontslag uit Pruisischen
dienst; Weimar sloot zich aan bij den Rijnbond; met een hooge
oorlogschatting werd de vrêe gekocht.
Goethe voelde zich na de huwelijksplechtigheid vroolijk en mild gestemd.
Had hij de Fransche bevelhebbers al kort te voren op het hart gebonden,
de instellingen van de universiteit, die immers mede tot zijn levenswerk
van de laatste twintig jaren behoorden, te sparen--nu trachtte hij zijn
tweede vaderland naar vermogen met werken des vredes over de geleden
verliezen te troosten. Men spotte niet als men verneemt, dat zijn
schouwburg hiertoe veel moest bijdragen.
Nu werd Christiane ook in den familiekring te Frankfort gevoerd en ze
verwierf er zich veler vriendschap. Moeder Aja schreef haar zoon: "Je
mag God danken. Zoo een lief--heerlijk onverdorven schepseltje Gods
vindt men zeer zelden--en wat ben ik nu gerust over alles wat jou
betreft".
[Illustratie: De roman "Die Wahlverwantschaften"
--werd in October 1809 voltooid--]
XXVIII
Elkeen bespeurt in dezen roman een
diephartstochtelijke wonde, die, al
genezend, aarzelt zich te sluiten,
een hart dat vreest te genezen.
GOETHE, DAGBOEK.
DIE WAHLVERWANTSCHAFTEN
Maar nauwelijks was hij van al deze ontroering bekomen, zoodat hij
rustig kon schrijven aan de voortzetting van Wilhelm Meister, of een
nieuwe slag trof hem: juister gezegd, hij schiep zich uit onverschillige
omstandigheden het dreigement, dat hem in verband met zijn verleden en
zijn karakter juist toekwam.
Om beter te kunnen werken, zonderde hij zich eenigen tijd in het stille
Jena af, maar--vertrouwelijke gesprekken met natuurlijke menschen
behoevend--ging hij vaak op thee bij den boekhandelaar Frommann, die een
pleegdochter, Wilhelmina Herzlieb (meestal Minchen of Minna genoemd),
huisvestte. Het meisje, toen achttien jaren oud, een bloeiende
schoonheid, verstandig voor haar leeftijd, met veel "ziel", had als kind
op zijn schoot gespeeld. En met vriendelijke deelneming volgde hij hare
rijping tot vrouw.
Goethe, nagenoeg zestigjarige grijsaard, werd deels om zijn uiterlijk,
deels om zijn faam, onophoudelijk door de "Weiblein" gezocht: men zou
gemakkelijk een dozijn jonge en halfjonge dames kunnen opsommen die toen
en veel later ernstig werk van hem maakten en hem gaarne hadden gevolgd:
Wie des Goldschmieds Bazarlädchen
Viel gefärbt' geschliffene Lichter,
So umgeben hübsche Mädchen
Den beinah ergrauten Dichter....
Aldus gevoelde ook dit meisje zich tot hem aangetrokken en hij merkte
dat zijn vaderlijke genegenheid zich ging ontwikkelen in deze richting:
het moest voor zijn eer als echtgenoot weldra gevaarlijk worden, langer
met haar om te gaan. Hij meed het huis harer pleegouders, ook al
verveelde hij zich dus doende ondragelijk in de uren dat hij niet
werkte.
Nu wilde het toeval dat hij den dichter Werner--die hem was nagereisd en
relatie zocht met zijn tooneel--aan de familie Frommann voorstelde op
den avond dat deze het in den zin kreeg, een poëtenkransje te vormen,
dat, als sprak het van zelf, bij den boekhandelaar zou vergaderen. Wat
deze levendige, welbespraakte man voorstelde werd zelden bestreden, en
zoo kwam Goethe weer al te vaak in het huis dat hem verboden was: het
lag in zijn aard, zich aanvankelijk niet te verzetten tegen dezen
samenloop van bekoorlijke omstandigheden. Werner had zijn belangstelling
gewekt voor het sonnet. Hij eigende zich dezen versvorm toe, en ook
(niet: bij voorkeur) in de "Beschränkung" zijn meesterschap
"_toonend_"--in de vormen die hij zelf koos bleef zijn meesterschap voor
oningewijden meestal verborgen--nam hij deel aan de dichterkampen, die
zijn nieuwe kennis organiseerde. Het kon niet uitblijven: in zijn
mooiste sonnetten huldigde hij Minna als zijn "dame", o. a. ook (het zij
terloops gemeld) in de charade welker eerste letters het woord HERZLIEB
vormen, en die Bettina Brentano _n. b._ op haar bescheiden persoontje
betrok. Zich bij den sonnettist Petrarca vergelijkend, moest Goethe wel
inzien, dat hij met meer hoop huldigde dan de Italiaansche meester. Zijn
phantasie zette zijn belangstelling voor Minna nu om in een dweepende
liefde, welke zijn vrienden met droefheid waarnamen en hij zelf met
schrik en schaamte. Dit duurde totdat men het meisje naar een
verafgelegen kostschool zond....
Alleen met zijn gevoelens, kwam hij tot bezinning. En voor de zooveelste
maal in zijn strijdvervuld leven moest hij trachten, deze gewelddadige
scheiding door een zelfoverwinning te bekrachtigen.
Men mag veilig aannemen, dat zijn liefde tot Minna niet verder reikte
dan een zeer oppervlakkige en voorbijgaande neiging, zooals ze
hartstochtelijke menschen vaak overvalt, zonder dat dit hen verontrust.
Maar ook dit kon zijn geweten niet toelaten na zijn huwelijk met
Christiane, dat zooveel heiliger en deugdelijker rechten deed gelden op
zijn persoonlijkheid. En hoe ernstig hij dan ook met zich zelve te rade
ging, dit moge den lezer blijken bij kennisneming van den roman _Die
Wahlverwantschaften_, in welken zijn zelfoverwinning beslag kreeg.
Hij heeft deze zelfoverwinning niet getoond, als een zielegebeurtenis
van een door hem na-geschapen persoon; zij heeft hem aanleiding gegeven
tot de vrije vorming van geheel nieuwe personen, die haar gezamenlijk en
in verband met andere factoren naar een hooger levensplan dragen.
Oorspronkelijk bestemd voor de novellenreeks over de zedelijke tucht,
die in de Wanderjahren voorkomt, dijde het gegeven onder de bewerking
zoodanig uit, dat zelfstandige behandeling ervan gewettigd werd. Om zich
tot arbeid te dwingen,--want men scheurt niet gaarne zijn binnenst
vaneen als men zestig jaren is geworden--sloot hij een contract met een
uitgever nog voordat het boek was geschreven, en in volstrekte
afzondering, zonder vrouw en kind te zien, werkte hij totdat de laatste
proef was gecorrigeerd: Eerst toen keerde hij tot de zijnen gelouterd
terug.
Goethe heeft eens gezegd dat Die Wahlverwantschaften de eenige roman is,
waaraan hij bewustelijk volgens een bepaalde idee heeft geconstrueerd,
en dat geen van zijn voortbrengselen zooveel doorleefde gebeurtenissen
bevat: wel te verstaan, niet zooàls hij ze heeft doorleefd. Aanleiding
te over voor scherpzinnige critici, om naar de doorleefde idee van dit
werk te gaan snuffelen; maar--anders zou men den heeren scherpzinnigheid
ontzeggen!--die idee zoo te begrijpen, dat ze ruimte laat voor
gewichtige aanmerkingen op het boek zelf, die de heeren dan--want anders
waren zij geen Goethe-vereerders--konden besluiten met een hartgrondig:
Doch het goede in den roman (de mooie bijpersonen en de
natuurbeschrijving, weet u?) weegt tegen dit alles op.
Deze methode pleit niet voor de onaanvechtbaarheid van de grond-idee,
die men voor Die Wahlverwantschaften heeft gevonden. Men heeft de
behandeling van dit boek veel te geleerd willen maken en--voor den dag
er mee!--Goethe heeft in zijn later leven zulke spitsvondigheid wel eens
aangemoedigd, door al wat hij schreef met een waas van symboliek te
omhullen, en openlijk uit te spreken dat hij zich door sommige
commentators gevleid voelde.
Om de idee van den roman waarlijk te vatten bedenke men twee dingen:
Het eerste is dit: de dichter wilde de boven-omschreven levenservaring,
die voor hem dezen algemeenen kant had, dat de mensch meester over zijn
affecten moet worden om den naam mensch te verdienen, in zijn boek
uitvechten, ze aan vrij-geschapen personen verbeeldend.
Het tweede is dit: hij wilde die levenservaring voor al _begrijpen_, en
nam daartoe natuurlijk de wetenschap van zijn tijd te baat. Allerlei
occulte verschijnselen als dierlijk magnetisme, gedachte-overbrenging,
mesmerisme, all-Magnetismus _e. d._--die thans door vele geleerden met
een glimlach ongedaan worden gemaakt, en door andere geleerden tot op
zekere hoogte gewaarmerkt, maar nauwelijks verklaard--nam men toen als
vaststaande aan. De geniale charlatan Mesmer was, vooral in hoogere
kringen, een tijdlang minstens zoo gevierd als Blériot in onze dagen.
Men meende te weten dat sommige stoffen binnen den mensch voeling
hielden met verwante stoffen op aarde, of op de sterren, of ook wel in
andere menschen. Heel het geschapene was doortrokken van een magnetiesch
fluïdum. Zoo mag het den lezer niet verwonderen, dat (in den
onderhavigen roman) een Engelsch geleerde in Ottilie teekenen waarneemt,
die op de nabijheid van steenkolen heeten te wijzen. Verwante menschen
trokken elkaar aan gelijk de hemellichamen, of gelijk de uiterste fijne
deeltjes, waaruit (naar men beweert) alle materie is saamgesteld. Twee
menschen--op deze wijze bijeengekomen--waren daartoe gedreven door
krachten, die aan hun contrôle ontsnapten, en eigenlijke liefde gold pas
in de tweede plaats mee. Ze vormden samen één, een magnetische celle;
zoo treft men in Goethes boek een paar geliefden (tot elkaar
gedrevenen) aan, waarvan de eene aan den linkerkant hoofdpijn krijgt als
de andere die aan den rechterkant heeft. Niets belette den auteur, het
algemeen geloof aan zulke verschijnselen te deelen: ze pasten in het
geheel van zijn denkbeelden, en overal heerschte ten slotte dezelfde
Geest. Bovendien stond hij zelf bijna machteloos onder den invloed van
atmosfeer-schommelingen. En ook het Onafwendbare, dat voor geen
redeneering wijkt, had hij in bijna al zijn verliefdheden ervaren. Wie
zal zeggen in hoeverre hij, eenmaal met zulk geloof behept, in de zoo
pas verhaalde gebeurtenissen aan den lijve iets als magnetisme meende te
voelen?
En hier heeft men nu (voorloopig althans) de naakte idee van het eerste
deel, die de uitbeelding van de volgende omstandigheden voor Goethe
meebracht:
--Een huwelijk uit vriendschap: Charlotte en Baron Eduard hebben
elkaar eens bemind, doch zij werd door haar onvermogende ouders
gedwongen een andere partij te kiezen, en Eduard had een rijke
vrouw getrouwd. Nu worden beiden door het afsterven van hun
echtgenooten weer vrij en hij vraagt haar hand. Nadat ze hem in
aanraking heeft gebracht met haar mooie nicht Ottilie, die hem
echter onverschillig laat, stemt ze toe en ze leven nu rustig naast
elkander voort. Eduard verlangt dra naar meer gezelschap en is van
plan zijn vriend, den "hoofdman", die het niet breed heeft, bij
zich in huis te nemen, en als rentmeester aan zijn bezittingen te
verbinden. Charlotte ontraadt het hem, vreezend dat een derde hun
geluk zou verstoren. Zij heeft haar dochter en haar nicht immers
ook verwijderd om dezelfde reden! Maar Eduard dringt aan; ze geeft
toe.
De hoofdman komt, werkt veel samen met haar echtgenoot, en slechts
's avonds heeft ze gezelschap aan beiden. Er worden dan zeer
nuttige gesprekken gehouden over wetenschap, en bij deze
gelegenheid zet de hoofdman de beteekenis uiteen van het woord
Wahlverwantschaft (als willekeurig voorgestelde, onderlinge
aantrekking van atomen) dat uit een scheikundeboek is voorgelezen:
Als twee scheikundige lichamen vereenigd zijn, en een derde komt in
de nabijheid, dat op een van de twee eerstgenoemde lichamen een
sterker aantrekking oefent dan het lichaam dat er mede is
vereenigd, dan valt deze verbinding uiteen, en de twee
laatstgenoemde vereenigen zich. Schertsend past de uitlegger deze
theorie toe op verhouding tusschen Eduard, Charlotte en hem....
(Wanneer de lezer nog enkele regels in ons résumé is gevorderd, zal hij
zich misschien afvragen.... of neen, hij zal uitroepen: Een dwaas
kunstje van Goethe, door een afgetrokken redeneerinkje bij voorbaat
aannemelijk maken wat hij straks in werkelijkheid laat gebeuren!
Oppervlakkig onhandig: deze redeneering in den mond te leggen aan den
persoon, die in deze gebeurtenis de hoofdrol speelt! Zoodanige lezer
gelieve te bedenken, dat heel het boek van geheimzinnige voorgevoelens
en voorteekenen is vervuld. En hij vergete niet, dat redenaties, als
zooeven verhaald, in den hier beschreven tijd aan de orde van den dag
waren; dat Goethe zijn ervaring met Minna zelf voelde en doorleefde in
verband met deze theorie!)
Thans neemt Charlotte haar nichtje, dat op de kostschool niet
begrepen en vaak geplaagd wordt, weer in huis. Nog voordat Ottilie
een woord heeft gesproken, vindt Eduard haar een aardig, een
onderhoudend meisje. In verband met hun bezigheden verdeelen de
vier personen zich weldra in twee groepjes. Charlotte is veel samen
met den hoofdman, die haar behulpzaam is bij het aanleggen van haar
park, terwijl Ottilie schriftelijk werk verricht voor Eduard, en de
kunst verstaat zijn gebrekkig fluitspel goed op het clavier te
begeleiden, daarbij vooruit voelend welke fouten hij zal maken.
Overigens behaagt het zachte meisje allen door haar voorkomendheid
en door haar zich-invoelen in de omgeving. Eduard sluit zich steeds
nauwer bij Ottilie, Charlotte sluit zich onwillekeurig bij den
hoofdman aan.
Ter gelegenheid van Charlotte's jaardag komen de graaf en de
barones op het slot logeeren, en een vriend, Mittler, wiens
specialiteit het is, familietwisten te beslechten en bij te leggen,
vertrekt overhaast nadat hij gewaarschuwd heeft, dat deze twee
echtschenners ongeluk zullen aanbrengen. Hij houdt een vurige
lofrede op het huwelijk: de schuld die de gehuwden jegens elkaar
hebben kan in der eeuwigheid niet afgedaan!
Als nu de lichtzinnige graaf met den hoofdman kennis maakt en hem
een mooie betrekking bij een van zijn vrienden in het vooruitzicht
stelt, merkt Charlotte eensklaps, hoe diep de genegenheid tot den
hoofdman zich reeds in hare ziel heeft gevestigd: Ze barst in
tranen uit. Hoe het tusschen hen staat blijkt nog scherper als
zij--door Eduard, die naar Ottilie verlangt, alleen gelaten--met
hem uit spelevaren gaat, waarbij hun boot vastraakt, zoodat de
hoofdman haar naar land moet dragen; hij kan zich niet weerhouden
haar te kussen! Ze verhelen hun gevoelens nu niet meer voor
elkander, doch ze besluiten hun liefde waardig te dragen en te
scheiden.--Op het slot speelt zich intusschen iets dergelijks af:
Ottilie verricht eenig schrijfwerk voor Eduard en het blijkt dat ze
onwillekeurig zijn handschrift nabootst. Ze zegt daar trotsch op te
gaan, en het volgend oogenblik omarmen ze elkaar. Dien nacht
sluimert Eduard onder Ottilies venster in. Hij merkt tot zijn
vreugd, dat zijn vrouw den hoofdman niet onverschillig is, en hoopt
dat een spoedige echtscheiding hem het bezit van Ottilie zal
verzekeren. Kort daarop aanvaardt de hoofdman zijn nieuwe
betrekking en Charlotte, die verwacht dat hij daar met een
geschikte vrouw in relatie zal komen, doet afstand van haar liefde.
Ze mag nu verlangen dat Ottilie het huis verlaat, opdat de vrede
niet verder verstoord worde. Hiertegen verzet zich Eduard. Hij gaat
dan liever op reis, echter onder voorwaarde dat Charlotte voor haar
nichtje zorg zal dragen. Dan zal hij van zijn kant tegen zijn
eventueele genezing zich niet verzetten. Maar Ottilie kan hem niet
ontberen.
Mittler komt op het slot om de echtgenooten weer tot elkaar te
brengen, en verneemt hier dat Charlotte een kindje verwacht. Tot
zijn verwondering is de in eenzaamheid wonende Eduard wanhopig, als
hij hem deze boodschap brengt, en besluit deze, in krijgsdienst te
treden. Zoo eindigt het eerste boek.
--Hiermede is de knoop gelegd en--om het beeld vast te houden--deze
knoop is door de geboorte van het kindje strak aangetrokken. Toch
ontwikkelden de gebeurtenissen zich tot hier toe zoo geleidelijk, dat
men ook bij herhaalde lezing niet altijd precies kan zeggen, waar een
bepaalde richting-verandering in den verhaalgang intrad,--zonder
intusschen ook maar een oogenblik te betwijfelen, dat alles zoo mòest
zijn. Er is hier werkelijk aanwezig een kracht, die de menschen leidt,
maar die kracht wordt als zoodanig nergens genoemd of beschreven. Zij
behoort tot de diepverborgen beweeggronden van de handeling, wier
bestaan de doorsneêlezer niet eens vermoedt, en wier constructie de
moeilijkste, de verantwoordelijkste, de ondankbaarste taak is van den
hoogstaanden auteur.