esthetische eenheid in den roman Wilhelm Meister te demonstreeren.
Overbodige moeite! De aangeklaagde bekent: immers Goethe geeft toe dat
deze roman is een alleronberekenbaarst product, waarin men vruchteloos
naar een kern zoekt, en welks sleutel de schrijver zelfs niet bezit.
Maar, laat hij in een gesprek met Eckermann op deze bekentenis volgen:
is het dan niet genoeg dat ik mijn lezers een rijk stuk leven van nabij
laat zien? Het gewone leven heeft toch ook geen tendenz; een tendenz
bestaat slechts voor het verstand. Deze redeneering echter gaat in dit
geval maar ten halve op.
Inderdaad, een roman behoeft niet aan de strenge eischen van soberheid,
eenheid, concentratie te beantwoorden, waaraan een voortreffelijk drama,
zeg Iphigenie, voldoet. Roman en drama zullen een zelfde stuk leven niet
op de zelfde wijze aanvatten; de roman geeft meer détail, meer
achtergrond, uitvoeriger bespreking van de wisselwerking tusschen
karakter en omstandigheden, dan het drama.
Nu staat dit vast: niet alle personen en toestanden die wij ontmoeten
spelen in ons leven een nawijsbare, ingrijpende rol. In verband met
onzen aanleg kan hun taak wel eens deze zijn: ons voorbijgaand of
langdurig bekoren, ons voor een poos van onzen levensweg verwijderen. Er
is niets tegen, dat met het bestaan en de inwerking van zulke personen
of omstandigheden in het levensrelaas van een romanheld rekening wordt
gehouden. Nog sterker: Iemands leven kan een ononderbroken dwaling zijn;
iemand kan een werkelijk groot man wezen en lijden aan deze eene
tragische fout: dat hij zijn dienaren niet weet te kiezen. Deze fout zal
zijn levenswerk verijdelen. Het leven van zulk een groot man zou het
onderwerp kunnen uitmaken van een roman, waarin de held onverstoorbaar
zijn idealen hoedt en van de zelf-gekozen belagers niets merkt: ze gaan
buiten zijn levenskern om, die toch het aandachts-centrum in het boek
vormt. Maar ook in dit geval--een uiterste!--behoort het feit dat
sommige, dat véle personages buiten de hoofdhandeling staan tot.... de
hoofdhandeling. En deze dieper liggende eenheid moet op een of andere
wijze voelbaar worden. Natuurlijk, slechts een wijs en talentvol auteur
brengt dit tot stand....
Maar nu is verklaard, waarom ons stijlbeprip niet al te hevig in verzet
komt, ook al bespeuren wij dra, dat in de eerste helft van Wilhelm
Meister, stylistiesch geoordeeld, veel te veel ruimte wordt besteed aan
de schildering van enkele op zich zelf kostelijke en onvergetelijke
figuren; als daar zijn: de snaaksche, volstrekt zedelooze en toch
zedelijk charmante tooneelspeelster Philine; het onvergetelijke
zondekind Mignon; de grijze, vloekbeladen harpspeler. Deze figuren staan
buiten de hoofdlijn, maar op de gevoelens en de stemmingen van den held,
die (men zal het bij eenig nadenken toegeven) mede zijn lot bepalen,
hebben zij vaak leidenden invloed, en zoo dragen zij toch _indirect_ tot
de handeling bij. Wij zijn Goethe ten zeerste dankbaar voor de
kennismaking die hij ons met deze buitengewone menschen veroorlooft: zij
leven jaren nadat wij den roman opzij hebben gelegd nog als gewaardeerde
kameraden in ons gemoed. Bovendien beschijnen zij de vaak prozaïsche en
ietwat gekunstelde achttiend'eeuwsche atmosfeer, waarin Wilhelm ademt,
met een vaag licht, dat zweemt uit een nauwelijks vermoede wereld. En
wij vragen ons af, waarom de schrijver zijn phantastischen held niet in
deze andere wereld deed leven, die toch beter bij hem past? Deze vraag,
die, essentiëel genomen, voor ons alle een levensvraag is, beantwoorden
wij, naarmate onze ervaring van jaar tot jaar toeneemt, steeds
nauwkeuriger en afdoender. Want dit (het zij terloops vermeld) is een
schoone kwaliteit in dezen roman: de ontluikende jongeling, de rijpe
man, de moede grijsaard vinden er ieder voor zich hun levenservaring in
bevestigd. Ziedaar de beteekenis van Goethes onbevangen blik op de
menschen en van zijn "niemand bemoraliseeren", gelijk moeder Aja het hem
heeft ingeprent. Hiermede hangt het "volslagen gebrek aan eenheid" dat
wij bespraken ten nauwste samen. En hier ligt dan de aanleiding tot den
vaak herhaalden dooddoener, dat Wilhelm Meister is een onzedelijk boek,
of (zooals de mystieke Novalis zegt) een moreel-ongodistiesch boek; een
aantijging die voor zich zelf spreekt......
Maar nu schieten wij op in het tweede gedeelte, en wij bespeuren daar
wel degelijk een tendenz, al heeft de schrijver die, wie weet hoe
onbewust, met groot talent verhuld. Deze strekking vergoedt, zooals wij
reeds opmerkten, de vele benevelende uitweidingen. Doch waar de
gebeurtenissen zich al spoedig onvermijdelijk groepeeren om een vaste
ontwikkelingslijn, juist dàar kwetst het invoeren van enkele tamelijk
overbodige personages en voorvallen ons stijlgevoel. En op dit gedeelte
laat zich Goethes redeneering ook bezwaarlijk toepassen. Of........
Of moeten wij aannemen, dat de schrijver (die in de teekening van de
karakters hoogst zelden zijn eigen meening als zoodanig mengt) op deze
wijze heeft willen aanduiden, dat Wilhelm zelf, nadat zijn eerste
hartstochten zich hebben gelegd, en de warmte van zijn gevoelens is
gedaald, nadat hij voorloopig tot inkeer is gekomen, de dingen
tendentieuzer ziet dan voorheen, ze meer rechtstreeks met zijn eigen
levensloop in verband brengt, en daardoor sommige personen, wier nut
voor zijn levensloop twijfelachtig schijnt, minder warm in zijn gemoed
sluit?
Dit zou de uiteenloopende kleuring van beide romanhelften begrijpelijk
maken. En men neigt tot zulke opvatting, als men ervaart dat Goethe in
die Wahlverwantschaften de handeling veel sterker concentreert, de
nevenpersonen en de uiterlijke omstandigheden nauwelijks aanduidt, en
dit dan hieraan toeschrijft: Dat hij dàar met grootdeels gevormde
karakters heeft te doen, die, als hun intiemste heil gemoeid is, meer op
zich zelf rekenen en letten dan op anderen.
XXVI
Nun weint die Welt, und sollten wir nicht weinen?
EPILOG.
Nadat hij vrouw en kind aan zijn moeder had voorgesteld en nogmaals een
reis naar Zwitserland had gemaakt, bleef hij een tiental jaren vreedzaam
in Weimar. Hij werd gemakzuchtig, ging zelden uit, en onderhield slechts
met enkele vrienden conversatie. Hij nam équigage en had er liefhebberij
in, zelf de paardenmarkt te bezoeken. Overigens maakte hij zoo weinig
beweging, dat hij tamelijk corpulent werd. Een neiging om zijn
lichaamskracht te sparen, teneinde ongestoord zijn drukken geestesarbeid
te kunnen voortzetten, was over hem vaardig. Hij onderwierp zich zoo
stipt mogelijk aan de dag-indeeling, die hij zich had voorgeschreven.
Hij stond om zeven uur op en werkte tot elf onafgebroken. De morgenuren
waren hem altijd het vruchtbaarst, terwijl een man als Schiller 's
nachts dichtte, zijn brein verhittend met champagne. Om elf uur
gebruikte hij een kop chocolade en ging dan tot twee aan den slag. Dan
kwam zijn kleine August dikwijls onder zijn venster, en mocht happen
naar een stuk taart, dat zijn vader aan een koordje liet zakken: sinds
ze samen naar Ilmenau waren geweest droeg de jongen een mijnwerkerspak.
Om twee uur middagmaal: gewoonlijk eenige vrienden aan tafel of een paar
acteurs, met wie hij over tooneelzaken had te spreken. Hij at
overvloedig en beperkte zich daarbij, hoewel van huis uit een zoetekauw,
tot ernstige, zware spijs. Hij nuttigde twee of drie flesschen lichten
rijnwijn per dag: voor dien tijd niet veel, voor een Rijnlander bepaald
weinig. Langdurig behartigde hij de belangen van zijn maag, hield
opgewekte, uitbundige tafelgesprekken. In den namiddag ontving hij
bezoeken in verband met de vele leidende functies die hij bekleedde, en
tegen den avond begaf hij zich vaak naar den schouwburg; men begon
toentertijd veel vroeger te spelen dan thans. Van acht tot negen souper,
waarbij hij wat groente en wat fruit gebruikte. Om tien uur bedtijd; men
zegt dat hij een talentvol slaper was. Hufeland, de ook thans nog om
zijn Langleefkunst bekende arts, weet te berichten, dat Goethe een
"prachtige" spijsvertering bezat, en zich in een even prachtige
bloedvorming verheugde.
[Illustratie: GOETHE-SCHILLER GEDENKTEEKEN]
Hij bemoeide zich in die dagen met velerlei dingen: Als leider van het
tooneel te Weimar spaarde hij geen arbeid om den smaak van het publiek
te louteren, om den aanleg van zijn spelers te veredelen. Sedert 1800
werd hij hierin terzijde gestaan door Schiller, die door den hertog in
staat was gesteld, zich geheel aan het Duitsche drama te wijden. Enkele
jaren daarop stichtte hij een tooneelschool, met aanvankelijk een dozijn
jonge leerlingen; die school bezat maar één leeraar: Goethe, de
directeur. Bij den aanbouw van een nieuw theater betoonde hij zich een
zoo handig architect, dat de hertog hem halsstarrig in den aanbouw van
een nieuw paleis bleef betrekken. Langzamerhand kreeg hij daarbij alle
draden in handen, en mengde zich ten slotte in de arbeidsvoorwaarden van
de werklieden: hij schafte de ploegbazen, die zich een deel van de
loonen toeëigenden, af, en nam de arbeiders rechtstreeks in dienst.
Hij liet nu ook zien dat hij nog iets anders kon als Xeniën brouwen. Hij
bracht herhaaldelijk het werk van jonge schilders op tentoonstellingen
bijeen, schreef voor hen prijskampen uit; en de onderwerpen, die hij
jongen kunstenaars opgaf, getuigen dat hij waarlijk niet alleen de
richting die hem persoonlijk lief was beschermde. Toch trachtte hij
eenheid te brengen in de verschillende kunststrevingen, die hij om zich
heen zag opkomen; maar slechts in zooverre als hij eischte dat ieder
kunstenaar in zijn soort echt gevoel en kundige phantasie uitte. Bij de
beoefening van de theoretische schoonheidsleer--een wetenschap, die hij,
na den vroegtijdig overleden Winckelmann, gemàakt heeft--vond hij een
heerlijken steun in den Zwitserschen schilder Heinrich Meyer, met wien
hij reeds te Rome vriendschap had aangeknoopt. Deze man met zijn
eenvoudig en trouw karakter, met zijn helder verstand en zijn groote
ontwikkeling (wij kunnen hem hier helaas geen recht doen wedervaren)
woonde herhaaldelijk bij hem in, verzamelde gegevens voor het boek over
Italië, dat hij noch steeds wilde schrijven, en voor zijn ander boek
over _Winckelmann en zijn eeuw_. Zelden ontmoette hij iemand die hem uit
korte aanduidingen zoo goed begreep, ook den dichter in hem. Met hem
redigeerde hij zijn kunst-wetenschappelijk tijdschrift "_Die Propyläen_"
dat echter maar weinig succes had, ondanks zijne en Schillers
doorwrochte bijdragen weinig invloed oefende, na twee jaar ter ziele
ging en den uitgever op een gevoelig verlies kwam te staan.
Hij kocht zich een landgoed en deed minder aangename ervaringen als
grondbezitter op, zoodat hij blij was, het ten slotte van de hand te
kunnen zetten.
Veel zorg baarde hem de universiteit te Jena: Pruisen wist door
schitterende aanbiedingen zijn beste hoogleeraren weg te lokken, en ook
de _Litteraturzeitung_, een invloedrijk blad, dat door die professoren
werd beheerd, en dat veel goed deed aan den naam van de universiteit.
Met koortsigen ijver, zijn toch reeds ziekelijk gestel ondermijnend,
streed Goethe voor de stichting van een nieuwe Litteraturzeitung; de
"echte", die hij zelf met groote opofferingen redigeerde, enkel en
alleen om den roep die van Jena uitging te handhaven.
Hij wist wel dat dit alles niet bevorderlijk was aan zijn poëzie, maar
hij troostte zich met de verwachting, dat ook uit deze ervaringen wel
iets goeds zou groeien. Zijn "Natürliche Tochter" werd bij stukken en
brokken voltooid. Rustig zette hij, daarin door Schiller bijgestaan,
zijn wetenschappelijk onderzoek voort, steeds in lange gesprekken
allerlei geleerden raadplegend. Zijn groote Kleurenleer, die in 1810
gereed kwam, beslaat vijftienhonderd bladzijden druks. Al wat er sedert
de grijze oudheid over dit onderwerp was verschenen had hij aandachtig
bestudeerd, en in onderling verband doorzien; het historische gedeelte
van zijn kleurenleer is een voorbeeld van wat een geschiedenis van
beschaving en wetenschappen zou kunnen zijn.
Maar zijn populariteit werd er niet grooter op. De zware massa's
ervaring, die hij in zijn uitdrukkingen steeds sterker concentreerde,
maakte dat zijn werk slechts voor weinigen geheel toegankelijk bleef.
Hij wist dat en zei het openlijk: mijn zaken kunnen niet populair
worden. Zijn teruggetrokkenheid, zijn princelijke manieren, zijn
bevelende houding, waarvan men wel voelde, dat hij ze niet zou nalaten
indien hij eens minder hoog ware geplaatst, maakten hem gehaat bij
degenen die niet konden verdragen dat zij geestelijk zijn minderen
waren. Slechts enkele uitverkorenen werden gedoogd in den kring van
intellectueelen, in wier midden hij voordrachten hield over kunst- en
natuurwetenschap. Toen b. v. de blijspeldichter Kotzebue aan het hof
werd ontvangen zei hij: Ja, wel aan het wereldlijke hof, maar niet aan
het geestelijke! Kotzebue trachtte zijn ongenoegen te luchten door
Schiller tegen hem uit te spelen en een speciale Schiller-vereering met
zwaar-allegorische feestelijkheden op touw te zetten. Hij vond
medestanders in overvloed, ook onder de dames die kort te voren nog tot
Goethes kring behoorden. Schiller besloot zich ziek te houden. Maar
Goethe, met een ziekte onder de leden, barstte in woede uit, jammer
genoeg. Kotzebue had daar veel pleizier van, ook al werd het feest, men
zegt door Goethes ingrijpen, van hoogerhand onmogelijk gemaakt.
Nauwelijks had Goethe het scheiden van de achttiende eeuw vroolijk
gevierd, of hij werd ernstig ziek. Hij verkeerde meermalen in
doodsgevaar, en hij moest dagenlang blijven staan om adem te kunnen
halen. Een halsgezwel, dat zich over de wang voortzette, hield zijn
linkeroog gesloten. Vijf etmalen lag hij buiten kennis. Men vreesde dat
hij een beroerte zou krijgen. Toen kwam in velen, die hij had gekwetst
of op een afstand gehouden, de vriendschap weer boven. De hertog nam een
werkzaam deel in zijn verpleging, en rustte niet voordat de doctoren die
hij hoog stelde om het ziekbed stonden. Ook vrouwe Von Stein had
medelijden met haar voormaligen vriend, die misschien in de vergiftigde
omgeving van "dat mensch" zou sterven. Maar dat mensch verzorgde hem,
gelijk geen ander het had kunnen doen, en toen hij, eindelijk door de
crisis heen, haar, zijn "lieve kleine", en zijn zoon ontwaarde, schoten
de tranen hem in de oogen. Van toen af besloot hij, haar ondanks alle
tegenwerking in de wereld te doen erkennen. Tot groote ergernis van
vrouwe Von Stein, die hij zijn dank voor de betoonde belangstelling liet
overbrengen, vertoonde hij zich met Christiane en kind in een open ar,
en bij verschillende feestelijkheden aan het hof liet hij haar
meegenieten; toen nu de kleine August mét den hertog in een
allegorischen optocht een rol had gespeeld, bleef tegenbezoek van de
vorstelijke familie niet uit. En meer en meer kreeg Goethe de lijderes
lief, die hem nog vier kinderen baarde, welke tot zijn grenzelooze smart
òf dood ter wereld kwamen, of spoedig na hun geboorte stierven.
Er was groote toeloop van vrienden bij zijn herstel. Zijn huis bleef een
tijdlang vol gasten: de boter werd bij vaten tegelijk betrokken, en dit
in een tijd, toen zijn zuinige vrouw zich wel eens behielp met een japon
van moeder Aja, die dan "zoo goed als nieuw" heette. Hij had nu
gezelligheid noodig, want hij was zeer prikkelbaar geworden, wond zich
op bij zijn werk, kon niet lang achtereen thuis blijven. In zijn
zwaarmoedigheid benijdde hij Herder, zijn kwelgeest, die zoo pas
begraven was. Hij sloot zich in die dagen nauw aan bij Riemer, den
huisonderwijzer van zijn zoon, een zeer kundig man, later tot
hoogleeraar bevorderd, en beroemd geworden om zijn "Mededeelingen over
Goethe". Nog grooter voldoening beleefde hij aan zijn omgang met den
gebrilden metselaarsbaas-componist Zelter; deze was de eenige, die
sedert zijn terugkeer uit Italië verlof kreeg, hem met "du" aan te
spreken. Zijn grootste vertrouweling: fijngevoelig maar--en dit deed
Goethe zoo goed--verre van sentimenteel; een kernachtige volksman, "een
heerlijk man", als men zich maar eenmaal over zijn weinig sympathieke
verschijning (Goethe had het land aan brillen) had heengezet. Zelter
werd zich door zijn aanraking met Goethe pas goed van zijn gaven bewust,
die hij altijd voor zich en zijn naasten verborgen had gehouden, maar
die de profeet van Weimar tot zijn verwondering terstond raadde. De
correspondentie tusschen deze twee mannen is een zoo onverholen
uitwisseling van teedere gevoelens en benamingen, dat hij die--de
briefschrijvers niet kennend--ze inziet, op menige bladzij waant, een
zoete liefdeshistorie te lezen. Dit heeft in onzen tijd geleid tot
onderstellingen, die op de reinheid en op de cultuur-historische kennis
van de onderstellers een eigenaardig licht werpen.
Allerlei mannen en vrouwen, die meenden met kunst of wetenschap ook maar
iets uitstaande te hebben, trachtten, als ze in de buurt van Weimar
kwamen, natuurlijk tot de bezienswaardigheid Goethe door te dringen. Zoo
o. a. Madame du Stael, die toen haar boek over Duitschland schreef en
meende dat geen groot man in staat zou zijn, haar nìet te ontvangen.
Goethe ontweek haar, maar bezweek ten slotte voor haar aandrang, waarbij
ze haar vrouwelijk charme ook liet spreken. De ruim twintigjarige
dochter van Maximiliane Brentano, de zonderlinge Bettina, had een
merkwaardige hoogachting voor hem opgevat: aan zijn moeder, die haar
veel over haar beroemden zoon sprak, vertelde zij dat ze, als Mignon op
Wilhelm Meister, verliefd was op Wolfgang, en dat ze in jongenskleeren
naar Weimar wilde trekken. Bij haar eerste bezoek aan hem, wilde ze....
op zijn schoot inslapen. Goethe verdroeg haar verregaande en
compromitteerende dwaasheden eenigen tijd met grootmoedig geduld, maar
hij moest haar de deur wijzen, toen ze zich tegen Christiane
onbehoorlijk gedroeg. Zij is hem steeds blijven aanbidden, ontwierp
later een standbeeld van hem, en schreef een boek over Goethe, zijn
"Briefwisseling met een kind(!)", dat op zich zelf beschouwd wel
romantiesch bekoorlijk is, maar voor den critischen geschiedschrijver
toch zeer verdacht en ten slotte verfoeilijk wordt, als hij bedenkt dat
dit boekje niet brieven maar vrije bewerkingen van brieven geeft, en
wemelt van malle beweringen, leugenachtige voorstellingen, verdraaiingen
van feiten. Het zal wel lang duren, voordat de minder critische, de
valsch-gevoelige publieke opinie zich ten opzichte van Bettina zal
hebben gewijzigd......
Sommige bezoekers werden intusschen met blijdschap ontvangen: Goethe kon
zeer beminnelijk zijn, wat bij zijn stijve manieren en zijn ernstige
zwarte kleeding sterk opviel. Maar onsympathieke kijkers behandelde hij
uit de hoogte: hij dwong ze urenlang over het weer te praten of hij
bespotte ze met lijdelijk verzet, zooals bijvoorbeeld dien Engelschman,
die zich had aangemeld om "Goethe te zien". Nadat deze ontvangen was met
het gewone: "Ik vraag verlof, U den Geheimraad Goethe voor te stellen",
werd hij overbluft met de kalm geacteerde mededeeling: "Zoo ziet u me
van voren, zoo van opzij, zoo van achteren.... en kan ik U nu nog verder
van dienst zijn?"--Dergelijke bezoekers, als ze niet zeer scherpzinnig
waren, strooiden natuurlijk praatjes over hem rond, verkondigden dat hij
geen hart had, en alleen voor standbeelden nog iets kon voelen. En ook
zij hebben tot de vorming van Goethes reputatie bijgedragen!
Na de mislukking van zijn Eugénie raakte hij aan het kwakkelen, maar hij
verdroeg zijn pijnen kalmer dan te voren. Begin 1805 kreeg hij het
voorgevoel, dat òf hij of Schiller spoedig moest sterven. En nauwelijks
was Christiane, die hun zoon een eindweegs naar Frankfort zou geleiden,
afgereisd, of ze moest in allerijl terug: Goethe was ingestort. Hij leed
nu aan een byzonder pijnlijk nierkoliek, en men kon hem van uit de verte
hooren schreeuwen. Nauwelijks echter was voor hem het doodsgevaar
geweken, of de uitgeteerde Schiller werd bedlegerig.
Goethe, zijn voorgevoel bevestigd vindend, durft hem niet bezoeken. Met
betraande oogen rent hij in zijn tuin heen en weer; heeft hij zich in
zijn kamer opgesloten, dan hoort men hem snikken. Een oogenblik schijnt
het alsof de vrienden elkaar zullen behouden. Maar als Goethe goed op de
been is, sterft Schiller, die niet meer kan spreken of schrijven, snel
af. Men durft Goethe niet zeggen dat zijn tien jaar jongere vriend niet
meer is. Meyer vlucht het gastvrije huis uit, vreezend dat hij zijn
verdriet ontijdig zal verraden. Goethe denkt nog dat Schiller ziek is,
en ligt 's nachts op zijn kamer te huilen. Maar den volgenden ochtend
voelt hij uit den eigenaardigen nadruk die Christiane op de uitdrukking
"zeer krank" legt, dat hij niet meer mag hopen. Hij durft het stoffelijk
overschot niet zien: "Zoo'n vernieling!" roept hij uit, als men 't hem
vraagt. Hij gelooft dat het nu met hem gedaan is. De helft van mijn
leven weg! schrijft hij aan Zelter. In zijn wanhoop tracht hij Schillers
_Demetrius_ te voltooien, om tenminste nog geestelijk mét hem te zijn.
Maar hij is gebroken; het werk mislukt, en nu is de vriend voor goed
dood. Hij wil een groot drama maken om Schiller te herdenken. Het lukt
niet. Het middel, dat hem nog altijd had geholpen in het verzetten van
zijn smart, faalt thans. Later gelukt 't hem Schillers _Lied van de
Klok_ in den juisten toonaard voort te zetten met een "Epiloog", die de
ziel van zijn bondgenoot ontvouwt en van het nageslacht voor hem
opeischt den roem, dien het leven hem slechts ten halve gaf.
Maar toen hij op het eind zijner dagen, omstreeks 1830, den schedel van
zijn vriend in handen kreeg, had hij ook voor dezen grooten slag een
compensatie gevonden. En in een gedicht, zacht als de adem van een
slapend kind, spreekt hij het uit, dat deze leege hulze, die niemand
meer kon liefhebben, al had zij nog zoo schoone kern bevat, in hém
alleen een verkwikkend warmtegevoel wekte, als ontsprong een levensbron
uit den dood:
Geheim Gefäss, Orakelsprüche spendend!
Wie bin ich werth, dich in der Hand zu halten?
Dich höchsten Schatz aus Moder fromm entwendend,
Und in die freie Luft zu freien Sinnen,
Zum Sonnenlicht andächtig hin mich wendend.
Was kann der Mensch im Leben mehr gewinnen,
Als dass sich Gott-Natur ihm offenbare,
Wie sie das Feste lässt zu Geist verrinnen,
Wie sie das Geisterzeugte fest bewahre......
Woorden die den begrijpenden lezer van ons hoofdstuk "God en wereld"
alleszins duidelijk zullen zijn, en die bewijzen, hoezeer in Goethe leer
en leven waren éen geworden.
Nooit hebben twee kunstbroeders elkaar zoo oprecht en zoo krachtig
gesteund. Geen wonder: kent men nog een paar dichters, die zoo stellig
wisten, _dat ze in zich zelf iets Hoogers dienden_?
[Illustratie: 14 October 1806]
XXVII
Gott habe ich und die Kleine
Im Leid erhalten reine........
Een verblijf te Karlsbad bevrijdde hem van zijn kwaal; deze was met
korte tusschenpoozen meermalen teruggekeerd, en had zijn stemming, die
zeer leed onder den lagen luchtdruk, bedorven. Hij vond destijds veel
troost in vadervreugd: zijn zoon leerde graag en bleek vooral voor talen
en voor wetenschappen waarbij iets te zien viel, o. a. voor
delfstofkunde, goeden aanleg te hebben. August was een beste kameraad
voor zijn vader (gelijk Félix voor Wilhelm Meister) en liet zich door de
intriges van vrouwe Von Stein--die, zinspelend op de verhouding tusschen
Goethe en Christiane, hem allerlìefst een toevluchtsoord aanbood, als
zijn te huis tè vreugdeloos mocht worden--niet van zijn ouders
vervreemden. Goethe gaf hem in alles volle vrijheid, en hoeveel invloed
hij niettemin op hem had blijkt bijvoorbeeld hieruit, dat de jongen als
gymnasiast halsstarrig weigerde verzen te maken of te vertalen, omdat
vader dit eens in zijn bijzijn sterk had afgekeurd.