DERDE ZANG: De waard legt zijn gasten uit, dat volgens hem de zoon

zijns vaders positie moet voorbijstreven; zijn vrouw beweert met

trots dat haar zoon eens het toonbeeld van een goed burger zal

worden, als zijn vader hem maar niet door voortdurende critiek

verlamt. Zij gaat Hermann opzoeken en onderwijl betoogt de waard,

dat vrouwen toch echte domme kinderen zijn. De apotheker toont, dat

hij het standpunt van zijn gastheer beter vat.

VIERDE ZANG: Nadat moeder haar uitgestrekte, kostelijke landerijen

doorzocht heeft, treft zij Hermann op een bank onder een perenboom,

vanwaar hij een onbelemmerd vergezicht geniet naar de vermoedelijke

verblijfplaats van het vreemde meisje. Hij heeft blijkbaar geweend,

en zegt zijn moeder op haar bezorgde vraag, dat hij mét de

vluchtelingen lijdt, en dat hij zich verplicht voelt onder dienst

te gaan om zijn vaderland te verdedigen: laat vader dan nòg zeggen,

dat ik geen eergevoel heb.... Als nu de moeder over Hermanns

plannen ten hoogste verwonderd blijkt, valt hij, nadat hij nog

getracht heeft zich goed te houden, haar om den hals, en beklaagt

zich smartelijk over de miskenning van vaders kant, die hem zoo

vaak ontmoedigt. Zonder overgang wijst hij op zijn _dakkamertje_,

waar hij het zoo eenzaam heeft: een echtgenoote ontbreekt hem. Hij

ontkent niet langer dat hij het verdreven meisje begeert, maar,

wanhopend aan vaders toestemming, smeekt hij de waardin, hem maar

ten strijde te laten trekken. Geen denken aan! zij vermaant hem,

zijn vader vriendelijk toe te spreken--die is tegen den avond

altijd ontvankelijker gestemd--en verder op de hulp van dominee te

rekenen.

VIJFDE ZANG: In het zaaltje zitten de drie mans nog steeds bij een

glaasje te kouten. De geestelijke bepleit voorzichtig Hermanns

zaak: schoon is het, steeds naar beter te streven, maar juist den

landman past het, ook in vele gevallen rustig bij het oude te

volharden. Ligt in de onrust van den stedeling niet een groot

gevaar? Gezegend Hermann, en de gelijkgestemde vrouw, die hij zich

eens zal kiezen!--Nu komt de moeder met Hermann aan de hand binnen:

zij brengt den waard onder 't oog, hoe vaak deze Hermann gezegd

heeft, zich zelf een bruid te nemen. Nu heeft hij gekozen: het

vreemde meisje. En als je hem dat meisje niet geeft, dan blijft hij

eeuwig vrijgezel! Hermann herhaalt, dat zijn hart rein en stellig

heeft gesproken. Maar de vader zwijgt en nu staat de predikant op

om iets te zeggen:

De vader moet bedenken dat altijd het _oogenblik_ beslist, ook

wanneer langdurig overleg is voorafgegaan. De wensch verhult ons

wel eens het gewenschte, dat uit Gods hand soms in vreemde gestalte

verschijnt. Daar Hermann een brave en verstandige jongen is, heeft

de liefde hem tot man gemaakt en is over zijn lot thans

beschikt.--De voorzichtige apotheker echter biedt zijn diensten aan

om bij de vluchtelingen naar het meisje te gaan informeeren. De

vader zegt, dat hij dan maar voor zijn kinderachtige vrouw en zijn

zwakken zoon moet bukken. Apotheker en predikant--de laatste op

Hermanns verzoek--gaan naar het kamp. De verliefde Hermann rijdt

hen naar het dorp en wacht met kar en paard in de schaduw van de

linden. Hij verzuimt niet, den twee huisvrienden een nauwkeurige

beschrijving van het meisje te geven. Terwijl nu dominee met den

oudste, den arbiter van de vluchtelingen, een praatje maakt en

verneemt, hoe flink Dorothea een troep soldaten, die het op de eer

van haar en haar gezellinnen hadden voorzien, heeft afgeslagen, hoe

flink zij zich heenzet over het verlies van haar verloofde (die te

Parijs op het schavot stierf) gaat de apotheker haar

zoeken..........

ZESDE ZANG..... en vindt. Als dominee haar ziet, getuigt hij dat in

een zoo schoon lichaam een schoone ziel moet wonen, en gaat Hermann

waarschuwen. Deze--bekropen door de vrees dat Dorothea al verloofd

is--neemt de goede tijding nogal kalm op. Enfin, hij moet dan zelf

zijn geluk maar beproeven, meent de apotheker.

ZEVENDE ZANG: Hermann kijkt den wagen, die de twee mans huiswaarts

voert, _peinzend_ na: en plotseling staat Dorothea voor hem. Zij

gaat water halen uit de bron. Hij helpt haar en zij lachen hun

spiegelbeelden in het water vriendelijk toe. Geboeid blijven zij op

den rand van de bron zitten en babbelen met elkaar. Zij vraagt hem,

hoe hij zonder zijn wagen hier in de buurt komt en hij, niet

durvend spreken van liefde, vertelt dat zijn moeder reeds lang een

meisje zoekt dat haar als een dochter begrijpt. En daarvoor wilt ge

mij hebben? dus helpt ze hem uit den nood. Welnu, zij vindt dat een

alleenstaand meisje liever moet dienen dan rondzwerven en volgt

hem, nadat zij van haar lotgenooten, van de kraamvrouw en de

kinderen ontroerd, afscheid heeft genomen.

ACHTSTE ZANG: In maanlicht gaan ze saam op weg. Een menschenkenner

hadd' uit hun gesprek haar wederliefde gevoeld, maar Hermann blijft

doen alsof hij werkelijk een dienstmaagd in huis haalt. Op haar

verzoek licht hij haar in omtrent de karaktereigenschappen van haar

aanstaande meesters, en waarschuwt dat zijn vader wel eens wat

lastig is. Ze vraagt in welke verhouding ze tot hém zal staan. Hij

neemt haar hand en--voelt haar verlovingsring. Laat je hart 't je

zeggen, brengt hij uit. Als ze een hellend, met ruwe steenplaten

bevloerd pad afdalen, verstuikt ze haar voet en valt in zijn armen.

Maar hij drukt haar niet vaster aan zijn borst dan noodig is om

haar te steunen. Nu moet ze nog even op adem komen. Een onwêer

dreigt.

NEGENDE ZANG: Intusschen zitten Hermanns ouders en vrienden

geduldig te wachten. Als het paar eindelijk binnentreedt, schijnt

de deur bijna te klein voor de hooge gestalten. Hermann stelt

Dorothea voor en waarschuwt tersluiks den predikant: ze meent dat

ze hier als dienstmaagd komt! Maar reeds heeft de waard gezegd, dat

zijn zoon een goede keus heeft gedaan, en dat het ook haar wel niet

moeilijk zal zijn gevallen, een zoo flinken jongen te volgen. Dit

klinkt haar natuurlijk als gemeene spot in de ooren: ze bloost en

barst in tranen uit. De wijze predikant doet, alsof hij haar sussen

wil: ze moet zoo'n grapje niet ernstig nemen en zich niet al te

gevoelig toonen. De list gelukt. Ze bekent dat ze zoo onaangenaam

is getroffen, omdat ze Hermann liefde toedraagt, terwijl de woorden

van den vader het haar nu onmogelijk maken, zijn wederliefde door

harden arbeid te veroveren. Ondanks de inmiddels uitgebroken

onwêersbui wil ze gaan zooals ze is gekomen. De waard ziet nu een

ongezocht kansje om toch nog een "fijne" schoondochter te krijgen

en roept barsch: Ik ga naar bed!--Maar terwijl de moeder Dorothea

vasthoudt, opent Hermann zijn hart, en bewogen omarmen de geliefden

elkaar. De waard vraagt Dorothea zacht vergiffenis voor het leed

dat hij haar heeft berokkend, en hij moet zijn tranen bedwingen

terwijl hij haar kust: de vrouwen weenen. De verstandige predikant

wil nu Dorothea den ring van Hermanns moeder aan den vinger

schuiven, en constateert met goed-gekunstelde verbazing, dat ze al

een verlovingsring draagt. Zoo dwingt hij haar, de tragische

geschiedenis van haar eersten beminde te vertellen, en hoe deze,

zijn leven voor zijn idealen op het spel zettend, haar de vrijheid

gaf, een ander rein gelukkig te maken. Zonder nu aan het idealisme

van den jonkman die vergeefs op het schavot stierf onrecht te doen,

betuigt Hermann dat hij juist in dezen roerigen tijd zijn aardsche

goederen: Eigendom, vrouw, ouders, wet en ook zijn Godsdienst meer

dan ooit trouw wil blijven. Hij hoopt dat alle Duitschers dit

zullen doen: daardoor wordt het 't mijne meer dan ooit te voren!--

Dit is een van de weinige groote gedichten, die Goethe zelf altijd met

genot herlas. Nog voordat het verscheen, schreef hij zijn moeder dat er

een vrouw Aja in dichtvorm op komst was. Zij vond haar portret

verrukkelijk! Een exemplaar van het epos droeg ze steeds op zak; een

ander exemplaar in groene zij gebonden, gaf ze 's Zondags aan enkele

intieme kennissen in handen, zonder het ooit uit het oog te verliezen.

De dichter kon den vierden zang, die zooveel van zijn eigen

jongensverdriet bevat, nooit voordragen zonder dat zijn ontroering hem

totaal overmande.

XXV

WILHELM MEISTERS LEHRJAHRE.

Indien wij (op het voetspoor van vele geleerden) Wilhelm Meister zouden

beschouwen als een welvoorziene collectie van brokjes zelfbeschrijving,

door Goethe ingevolge een vroeger gedane belofte verstrekt; brokjes

zelfbeschrijving, die wij hier aan de hand van dagboek-fragmenten,

brieven, mededeelingen van derden konden blootleggen, verklaren,

zuiveren van phantastische bijmengselen.... dan zou deze zedenroman

onder dusdanige behandeling misschien meer inlichtingen omtrent 's

dichters aanleg, onuitgesproken bedoelingen, toevallig of opzettelijk

verzwegen ervaringen loslaten dan zijn overig werk.

Niet alleen wijl zijn wordingsgeschiedenis zich uitstrekt over twintig

jaren: de periode van snelle lotsverwisselingen, die na "Werther" begint

en in den tijd van Schiller verloopt. Niet alleen wijl de schrijver in

dit zeer omvangrijke en uitvoerige proza-verhaal zich door zijn strenge

stijlprincipes niet liet weerhouden van realistische "Kleinmalerei", het

te-pas-brengen van tallooze bijpersonen, die wel de aandacht van den

lezer afleiden, maar hém gelegenheid verschaffen zijn fijne,

humoristische mensch- en wereldkennis te toonen, en zich in alle stemmen

waarover hij beschikt te doen hooren. Ook niet wijl de auteur--naar

achttiend'eeuwsch gebruik--in dit boek op critieke oogenblikken zèlf te

voorschijn springt, om te melden waar hij sommige brieven of vergeelde

dagboekblaadjes heeft opgediept, of om een illuzie te verscheuren met de

glimlachend geuite explicatie, dat en waarom hij zeker intiem gesprek

maar niet woordelijk zal navertellen: Niet alleen om deze redenen

meenen wij, dat onze oogst aan biographische feiten en hypotheses

overvloedig zou zijn; maar vooral omdat wij weten dat in Goethe, toen

hij Wilhelm Meister ten deele had geschreven (vóór den Italiaanschen

tijd) een nieuw kunstbegrip overwon, in overeenstemming waarmee hij zijn

werkplan wijzigde, het reeds voltooide stuk nogal slordig omwerkte, en

daar enkele gedeelten uitlichtte, om die verderop weer in te schakelen.

Zoo bestaat dus deze roman uit twee helften, die niet scherp gescheiden

naast elkander liggen, maar tot op nawijsbare hoogte zijn

aaneengevlochten; de eerste (geschapen onder een stuwende inspiratie)

met sprekende, niet beschreven karakteranalyse, en een doorzichtigen

verhaalgang, vol stellig omlijnde teekening, vervult den lezer "met zoet

en innig welbehagen, met een gevoel van lichamelijke en geestelijke

gezondheid"; de tweede, (bijeengegaard onder den drang van een met dat

doel gesloten contract en het niet aflatende manen van welmeenende

vrienden) paedagogiesch, betoogend, met uitweidingen en opzettelijk

aangebrachte allegorieën, die het evenwicht verbreken, die bij eerste

lezing benevelen en op dwaalpaden voeren. Twee helften, ieder een

levensblik belichamend, niet harmoniëerend, kwalijk aaneengelascht. En

juist op de nauw verborgen voegplaatsen, en op de plekken waar de

restaureerende knutselaar brokken van de eene helft heeft weggekapt om

voor kostbaarder brokken van de andere helft ruimte te krijgen, juist

dàar zouden wij leeren wat de dichter van Iphigenie en Hermann und

Dorothea vermocht en niet vermocht; juist van daar uit zou een

verreikend panorama over zijn Oeuvre ons opnieuw gegund zijn. Immers:

uit iemands fouten leert men zijn deugden kennen (zoo luidt, met een

kleine wijziging, de moraal van Wilhelm Meister).

Doch gelukkig de steller van deze bladzijden, die Wilhelm Meister heeft

genoten, voordat het hem inviel zich aan zulk vergelijkend onderzoek te

begeven! en die (met Schiller) kan verklaren dat deze roman, door de

inwerking van het schòone, een zedelijke crisis bij hem heeft te

voorschijn geroepen. Want niets bederft het boek zoo grondig als de

hier geschetste napluis-methode, ... hoe zeer ze ook, volgens sommige

vermaarden, het intellectueel genot moge verhoogen.

De argelooze lezer, die eerst ondergaat en vervolgens misschien

onderzoekt, heeft niet veel hinder van allerlei passages, welke het

critiesch vernuft misplaatst acht. Want voor zoover deze gedeelten niet

op zich zelf bekeken schoon zijn, of boeien door hetgeen er aan

voorafgaat, stemmen zij den lezer dankbaar door de wijsheid die er in is

neergelegd: als ons gevoel is verzadigd of verstrooid, geniet ons

intellect. In een van zijn "tamme Xeniën" beantwoordt Goethe het

verwijt, dat zijn werken zooveel onbeteekenende verhaaltjes bevatten,

door te beweren dat die verhaaltjes de functie vervullen van

leesteekens. Wie ooit is ingesluimerd bij eenig beroemd brok modern

beschrijvend proza, en toen is gaan twijfelen aan de zuiverheid van zijn

kunstgevoel; daar toch ieder woord, ja het geringste accentje van gezegd

brok proza juist en prachtig is; díe is op weg om te beseffen de

eminente waardij van de "leesteekens" welke Goethes proza bevat. En in

Wilhelm Meister hebben al die leesteekens een eigenaardigen, kunstig

gekozen toon, waardoor de lezer, wachtend op de dingen die komen, voor

die dingen wordt ontvankelijk gemaakt, waardoor hem tevens het idee

wordt bijgebracht, dat er tijd verloopt tusschen twee bepaalde

voorvallen. Ziedaar bijvoorbeeld de beteekenis van de "_Biecht eener

schoone ziel_" die de twee helften der roman verbindt: De

zielsgeschiedenis van Freule von Klettenberg (door Goethe uit enkele

gegevens intuïtief na-geschapen) brengt practiesch werkzamen

godsdienstzin in het verhaal, introduceert nieuwe menschen, en houdt den

lezer op passende wijze bezig, terwijl in den held "de groote

geneesmeester", de tijd, toetast.

Wilhelm Meister, rijk koopmanszoon, op het kantoor van zijn vader

werkzaam, haat zijn beroep en wil zich wijden aan de kunst,

speciaal aan de tooneelkunst. Hij is altijd in theaters te vinden,

heeft een liaison met Marianne, een gevierde actrice, met wie hij

wil vluchten. De vader ontwerpt een groote zakenreis voor hem,

hopend dat deze zijn handelsgeest zal ontwikkelen. Een klant heeft

een paard aangeboden ter afdoening van een vordering die de firma

op hem heeft: Wilhelm zal het halen. De dochter van dien klant

blijkt aan den haal met den acteur Melina en op den terugtocht

treft Wilhelm de voortvluchtigen aan, geboeid, door soldaten

geëscorteerd. Hij weet den gevangenen allerlei hinderlijke

formaliteiten te besparen, en merkt dat Melina een zeer lagen dunk

heeft van het tooneelspelersberoep. Niettemin doet hij bij de

ouders van het meisje een goed woord voor hem en het huwelijk wordt

beklonken.

Thuisgekomen, wordt hij door een collega voor Marianne

gewaarschuwd, doch hij blijft op haar vertrouwen, ook als ze niet

zijn echtgenoote wil worden, en op den avond, voor de vlucht

bepaald, zegt ongesteld te zijn. Hij pakt een halsdoek van haar mee

om dien nacht toch iets van de geliefde te bezitten. Onderweg

ontmoet hij muzikanten, hij laat ze bij Marianne's venster spelen,

hij droomt daarbij, niet vermoedend dat zij op dit oogenblik bezoek

heeft van den rijken wulpschen Norberg. Hij kust haar drempel, en,

zich voor het laatst omkeerend, ziet hij een man uit haar huis

sluipen, gelooft echter dat dit een spooksel is van zijn

overspannen verbeelding. Op zijn kamer wil hij de gekaapte halsdoek

zoenen en er valt een briefje van Norberg uit, dat hem beter

inlicht omtrent Marianne's bezoeker.

Na langdurige ziekte gelooft hij zich een ander man, verbrandt zijn

gedichten en al wat hem aan de kunst of aan Marianne herinnert. Hij

wil nu een ijskoud koopman zijn en jarenlang koestert hij dien

waan. Hij onderneemt eindelijk de groote zakenreis: en

onophoudelijk vestigt zijn aandacht zich op het tooneel, totdat hij

Melina ontmoet, die hem geld ter leen vraagt, teneinde er een stel

verpande requisiten mee op te koopen, en een eigen troep saam te

stellen. Indien niet de vriendelijkheid van de toonelisten en de

verlokkelijkheden van de actrice Philine hem aan den troep, tot

welks vorming hij zooveel heeft bijgedragen, hadden gebonden, dan

zou hij toch de gelegenheid om als artistiek leider op te treden

hebben aangegrepen. De liefde van de als jongen gekleede Mignon,

die hij uit de handen van een wreeden kunstemaker redt, en die hem

nu als een vader beschouwt; de aantrekkingskracht van een ouden

harpspeler, wiens liederen hem ontroeren, en die hij tegen de harde

wereld wil beschermen, dragen hiertoe veel bij. Het gezelschap

speelt eenigen tijd op het slot van een baron. De conversatie met

de ontwikkelde lieden die daar verkeeren roept zijn geestdrift voor

de hooge-kunst weer wakker, vooral als majoor Jarno hem op

Shakespeare wijst, welke dichter zijn gevoel vaster maakt en hém

meer tooneelspeler dan ooit. Hij besluit, den handel vaarwel te

zeggen.

Nadat in een korte, warme scène gebleken is hoe de vrouw van den

baron hem bemint, trekt hij voort met zijn troep, die door roovers

wordt overvallen en geplunderd. Hij, die zich met nog slechts één

kunstbroeder heeft te weer gesteld, ligt zwaar gewond aan den weg,

liefderijk verzorgd door Mignon en Philine. Een edele dame met

reisgezelschap rijdt voorbij: zij doet hem door een heelmeester

verbinden en als hij tot bewustzijn komt, meent hij in haar iets

heiligs te zien. Terwijl hij geneest, maakt hij plannen om zijn

goede helpster te zoeken, doch de onmogelijkheid hiervan ziet hij

weldra in.

Nu tracht hij de leden van zijn troep--wier lafheid hij intusschen

heeft leeren doorzien--bij een bevriend directeur, Serlo, onderdak

te brengen. Hij hoopt Serlo te bewegen tot het opvoeren van

Shakespeares drama's. Deze neemt dit aan, mits Wilhelm zelf als

acteur toetreedt: hij zal de leiding hebben van de

Hamlet-opvoeringen. Hij maakt studie van Hamlet--levert de beste

beschouwingen die ooit over dit treurspel geleverd zijn--en de

opvoering er van slaagt buiten verwachting. Maar na de eerste

successen neemt zijn enthousiasme af, onder den invloed van het

materiëele werk, aan zijn nieuw beroep verbonden, van het weinige

begrip dat het publiek blijkt te bezitten, van de karakterloosheid

zijner kunstbroeders: Nu komt hij in Melina's vaarwater. Welke

richting zal hij inslaan? zal hij een levend-doode pessimist

worden?[A]

[A] Deze regelen waren reeds geschreven, toen ik van uit Zürich

telegrafiesch de mededeeling ontving, dat door een held(!) van de

wetenschap, door "Gymnasial-professor" Dr. Billeter het manuscript is

_ontdekt_ van Wilhelm Meister (tot zoover hier door ons geresumeerd),

zooals het vóór de omwerking luidde. Wij konden het Ms. niet raadplegen

en onze beschouwingen houden er dus geen rekening mede.

Hier eindigt het gedeelte van den roman, dat wij in bovenstaande

uiteenzettingen "de eerste helft" noemden. Wilhelms lot heeft een zeer

verrassenden keer genomen, en wie hem van nabij kent, verwondert er zich

over dat hij, die zooveel liefde voor het tooneel toonde, niet blijft op

de planken, waar hij succes beleeft, ook al zijn er factoren die hem

ontnuchteren....

Na van onze inleidende beschouwing kennis te hebben genomen, vermoedt de

lezer reeds dat Goethe aanvankelijk van plan was, Meister in de

beoefening en de bevordering van de tooneelkunst zijn levensdoel te doen

vinden. Terecht! de roman was destijds sprekend getiteld Wilhelm

Meisters zending als acteur ("theatralische Sendung"). De strijd:

staatsman of kunstenaar? die zich in Goethe vóor zijn vertrek naar

Italië voltrok, was er in verbeeld--op een eenigszins ander terrein

overgebracht. Toen kwam voor hem de ontstellende en daarna rustgevende

zekerheid, dat hij nooit schilder zou worden, terwijl hij daar toch

zooveel jaren op had gehoopt, daar zoo volhardend voor had gewerkt. Een

man met zuiver gemoed en kloek verstand kan dus tot op rijpen leeftijd

een roeping voelen, die zijn roeping niet is; maar door de dwaling moet

hij toch altijd tot iets goeds komen! Dit is een van de lessen, die

Goethe uit dit geestesavontuur trok. En hij wilde zijn romanontwerp

pasklaar maken om deze wreede doch leerrijke ervaring te belichamen.

Goed, maar er is een groot verschil tusschen Wilhelm en Goethe: Wilhelm

heeft overweldigend succes als tooneelist, Goethe mislukt als schilder.

Geen nood! Wilhelm was in staat, den Hamlet zoo heerlijk te vertolken,

wijl hij zelf was een angstige, zoekende, twijfelende Hamlet, en slechts

zich zelf had te geven. Hij was als tooneelspeler _slechts naturalist_,

nabootser van de natuur (d. w. z. van hetgeen hem de natuur leek). Iets

nieuws vrij scheppen kan hij immers niet. Hij is geen hoog kunstenaar,

doch een rijk-begaafd, gevoelig man, een van de soort die zich

onmogelijk maakt door den artist uit te hangen, maar die het in goede en

bevredigende daden toch ver kan brengen.

Nu komt een eind aan den innerlijk-logischen samenloop van zijn

lotgevallen. Goethe, meer en meer theoreticus geworden, zal hem

beleeraren:

Door een behendig ingevoegd toeval gaat over zijn verleden

eensklaps een nieuw licht op: nu blijkt dat een bond van edele

menschenvrienden, die zich ten doel stelt, veelbelovende

jongelieden in 't geheim moreel te steunen, van beginne af zijn

schreden heeft bewaakt en hem menigmaal een teeken heeft gegeven,

dat hij wel niet kon vatten, maar dat toch zijn gedachten "schwül"

maakte. (Soortgelijke Bonden met onbestemd-humanitaire strevingen

bestonden op het eind van de achttiende eeuw; Goethe zelf was

sedert 1870 met hart en ziel vrijmetselaar). Op het slot van

Lothario komt Meister met dezen "Bond van den toren" in aanraking,

en hij krijgt op zijn aanleg een beteren kijk. Hij had zich naar

dit slot begeven, om Lothario een afstraffing toe te dienen, voor

het vele leed dat deze aan Aurélie, Serlo's zuster, zou hebben

berokkend; hij heeft haar dit bij haar sterfbed beloofd, toen hij

de zorg op zich nam voor den kleinen Félix, dien hij voor een zoon

van Aurélie en Lothario houdt. Hij keert naar zijn woonplaats terug

om Félix en Mignon te halen en zijn tooneelrelaties af te wikkelen:

en nu deelt de oude Barbara--die eens zijn Marianne diende en

beheerschte--hem onder aanvoering van bewijsstukken mede, dat

Marianne hem nooit ontrouw is geweest, door zijn ontrouw ten doode

werd gekweld en dat de kleine Félix is ... zijn eigen zoon. In den

toren van het kasteel wordt hem nu met plechtige ceremoniën

verklaard dat zijn leertijd is afgeloopen, en hij ontvangt er zijn

"leerbrief", die de lessen uit zijn verleden bevat. Hij mag den

geheimzinnigen "Abbé", die de plechtigheid leidt, een vraag stellen

en nu uit hij de vrage die hem het meest op 't hart ligt. Niet: Hoe

zal het mij nu verder gaan of iets dergelijks; maar: Is Félix

werkelijk mijn zoon? Hieruit blijkt dat zijn leertijd werkelijk is

volbracht. De natuur zelf heeft hem den vrijbrief gegeven; hij

bekommert zich meer om zijn kind dan om zich zelf.

Wij zullen Wilhelm niet volgen in de vele leerrijke verwikkelingen, die

hem op een beter leven moeten voorbereiden. Wij laten het den lezer

over, door te dringen in de aandoenlijke geschiedenis van Mignon en in

het geheim van den rampzaligen harpspeler, dat zich mét het hare

ontsluiert. Wij zien den held, van vele lieve vrienden verlaten, met

zijn zoon aan de hand de wereld in trekken: met den ontluikenden Félix

die hem duidelijk maakt hoeveel hij nog heeft te leeren, en hoe hij met

name blind is geweest voor de natuur, die den jongen steeds nieuwe

vragen ingeeft. Wij verlangen naar het samenspel van deze twee

levensharmoniën; wij wenschen dat de zoon een man, en dat de vader, tot

nog toe in den greep van de omstandigheden, nu werkelijk een vrij Held

zal worden......

Dit geschiedt in de "_Wanderjahre_", die wij hier niet zullen bespreken,

omdat bespreking in klein bestek, tengevolge van de deerlijke

verstrooidheid waaraan deze roman lijdt, onoverkomelijke moeilijkheden

oplevert. Het zou dan allereerst noodig zijn, de talrijke kleine

vertellingen, die Goethe door het boek heeft gezaaid omdat zijn uitgever

om copy verlegen was, zorgvuldig van het geheel te scheiden. Het is ons

natuurlijk allerminst onbekend, dat er critici zijn, die in de

onmiskenbare sporen van decadentie, onverschilligheid en, in een man als

Goethe, onechte romantiekerigheid van de Wanderjahre blijken van

hyper-genialiteit met den vinger weten aan te wijzen; doch ons oordeel

houdt stand tegenover hun vernuft.

In den Faust zal de lezer den ideëelen ondergrond van de Wanderjahre in

sterkeren kunstvorm aantreffen.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 22 / 29 段