Daar kwam bij, dat Goethe Schiller beoordeelde naar zijn drama "De

Roovers", waarin veel wapengekletter, geroep om vrijheid, inbreuk op wet

en regel voorkwam. Dit drama behoorde tot de Sturm-en-Drangsfeer, die

hij was ontgroeid; die hij haatte sinds hij een hoogere richting had

ingeslagen, en voor dat betere vruchteloos huldiging zocht bij een

publiek, dat zich gaarne hield bij het wapengekletter en wat dies meer

zij. Daar gingen de ideeën van de Fransche revolutie, mede tengevolge

van het heillooze Sturmen-en-Drängen, in Duitschland veld winnen, daar

werd zoowaar de heer "_Chille_" (sic), de schrijver van "Robert, chef de

brigands" tot burger van de Fransche republiek benoemd; het verband

tusschen Schillers drama en de nieuwe richting viel niet meer te

loochenen! Goethe wist niet, dat Schiller, gelijk velen, door de

gebeurtenissen in Frankrijk was bekeerd, geloofde dat de gemeene man

eeuwig blind was, nog in geen eeuwen rijp voor de vrijheid; en hoopte de

menschen door het schoone op te voeden.

Maar onverwacht leerden zij elkaar inniger kennen. Een avond, ze hadden

een natuurwetenschappelijke lezing bijgewoond, wandelden ze samen op, en

Schiller maakte de opmerking, dat men met _fragmentarische_ beschouwing

van de natuur toch eigenlijk niet veel verder kon komen. Goethe was

getroffen, zegde zijn meening dat men van het Geheel naar de Deelen moet

gaan, noodde den sympathiek luisterenden professor op zijn kamer, wierp

daar met enkele pennestreken zijn "oerplant" op 't papier.

"Dit is geen ervaring", zei Schiller die in het wijsgeerige altijd op

correctie gesteld was, "dit is een Idee!" Goethe, voor wiens

geesteshouding dit weinig verschil maakte, merkte ironiesch op, dat het

hem aangenaam was, te vernemen dat hij werkelijk ideeën had; en (voegde

hij er diepzinnig aan toe) "ideeën die ik met mijn oogen kan zien".

Toen kwam het gesprek op de wetten van het schoone en alras bleek dat de

twee mannen, die tot dan toe elkander vreemden waren geweest, op dit

gebied naar hetzelfde doel streefden; hoewel natuurlijk niet te

loochenen viel, dat zij dit doel niet van denzelfden kant beschouwden:

wat dan ook uit hun woordenkeus en gevoelstoonaard bleek. Maar vooral

verheugde het Goethe, uit Schillers zeggen te begrijpen, dat deze kunst

en gedachte niet koesterde wijl beroep, broodnood of liefhebberij dit

zoo wilden, maar omdat zijn leven, d. i. zijn persoonlijkheid er van af

hing. Met dezen man moest hij zich vereenigen tegen de domme wereld, die

zich wilde vermaken!

Toen kwam de brief, waarin Schiller bekende, dat hij de ontwikkeling van

Goethes genie al jaren met de grootste deelneming volgde; en van diens

geheimste bedoelingen en strevingen een schets gaf, die toonde hoe ver

hij met zijn fijn en geduldig vernuft in Goethe was doordrongen. "Gij

vat de heele natuur samen (lezen wij in dezen brief) om over het op zich

zelf staande licht te krijgen; in het Al-geheele van haar

verschijningsvormen tracht gij een verklaringsgrond voor het individu te

vinden. Van het eenvoudigste organisme stijgt Gij schrede voor schrede

tot de meer ingewikkelde, om eindelijk het ingewikkeldste van allen, den

mensch, genetiesch uit de bouwstoffen van het gansche natuurgewrocht op

te bouwen.. Wat Gij echter bezwaarlijk zelf kunt weten (daar het Genie

zich zelf altijd het grootste geheim blijft) dat is de prachtige

overeenstemming tusschen Uw wijsgeerig instinct en de zuiverste

resultaten van de speculeerende Rede. Oogenschijnlijk kunnen er geen

twee grooter tegenstellingen bestaan dan de speculatieve geest die van

de eenheid, en de intuïtieve die van de veelheid uitgaat. Zoekt echter

de eerste met kuischen en trouwen zin de ervaring, en zoekt de laatste

met eigenmachtig vrije denkkracht het Wetmatige, dan kan het niet

missen, of zij komen elkaar halverwege tegemoet".

En zij kwamen elkander tegemoet. De "egoist" Goethe was ontdooid. Hij

schreef dat hij voor zijn verjaardag, die juist in die week viel, geen

schooner geschenk had kunnen wenschen dan zulk een brief; hij zeide

openlijk dat Schiller nu nog een stapje verder moest gaan; dat hij hem

noodig had, wijl hij altijd in half-duister tastte en niet onderscheidde

wat er in hem omging. En onuitgegeven essays kwamen over en weer los.

Schiller bracht een poos onder Goethes dak door, en bekende blijmoedig

dat het zeer lang zou duren, eer hij de vele ideeën, welke de ervaring

en het profetische gemoed van zijn gastheer in hem hadden gewekt, zou

hebben uitgewerkt; maar geen enkel idee mocht verloren gaan!

En Goethe? Juist in dien tijd voelde hij zich sterk geïsoleerd.

Carl-August beslistte wel eens in belangrijke zaken zonder hem om raad

te vragen; beoordeelde letteren en tooneel naar Franschen smaak, heulde

meer dan nuttig was met de émigrés; wilde in zijn bekrompen huizing den

koning van Pruisen ontvangen; liet--zonder het te weten--soms merken dat

hij toch eigenlijk de vorst was, hetgeen Goethe hem betaald moest zetten

door zeer onderdanig te doen; waaruit Carl-August dan weer begreep, dat

Goethe toch eigenlijk een egoist was. Wieland toonde zich gebelgd omdat

Goethe, door medewerking aan Schillers maandblad, zijn "Teutsche Mercur"

ondergroef. Met de wispelturige familie Herder leefde hij in onmin,

vooral sinds hij den inhaligen predikant in een administratief geschil

ongelijk moest geven, en deze, het onmogelijke eischend, niet waardeerde

dat het mogelijke voor hem werd gedaan. Weldra zou Herder van den man,

dien hij als een jongeling aan zijn borst had gedrukt, beweren:

"Humaniteit en Christendom zijn bij hem contrabande en belachelijke

veroordeelen". Wat Goethe hem betaald zette, door enkele jaren nadien

zijn zoon door hem te doen "bevestigen".

Zulke onaangenaamheden hielp Schiller hem dragen. Om hem henen rees een

nieuwe lente, en vele zaden ontsproten thans tot vroolijk bloeisel: hij

ging weer aan het dichten. De proletariesch-voortvarende Schiller hield

hem aan het werk, was gewoon te strijden tegen den remmenden invloed van

lichaam, atmosfeer, stemming, stoffelijke omstandigheden. Met

verwondering zag Goethe op tegen dien man, die van week tot week

merkbaar vooruitging, die bij theevisite of terwijl hij zijn nagels

besneed even groot was als aan de studeertafel. Hij nam op diens

aandringen half-vergeten fragmenten weer ter hand, en Schiller, die de

mechaniek van het denken zoo goed kende, werkte er zich in, wist te

zeggen, waarop nauwelijks geschetste lijnen moesten uitloopen. Goethe

liet zich door hem gaarne besmetten met theoretische wijsbegeerte, en

begon, als hij, zijn werkplannen in te richten naar het resultaat van

zijn bespiegelingen. Gelijk Lessing indertijd de grenzen tusschen

beeld-en dichtkunst had afgebakend, zoo trachtten de twee

dichtervrienden na langdurige discussie uit te maken, waar epische

poëzie ophoudt en dramatische poëzie begint. Goethe schreef een studie

over dat vraagpunt, en toen een goede kennis hem, terwijl hij

voortwerkte aan zijn Faust, van Italië vertelde, liet hij het

Germaansche drama liggen, en schreef een essay over Laakoon. Hij wilde

weer naar het Zuiden, zijn wetenschap van dat land en zijn kunst

volmaken, om er een monumentaal boek over te schrijven. Maar Schiller

oordeelde dat hem voorloopig nog genoeg stof ter bewerking overbleef,

mits hij zijn herinnering maar wilde ontginnen, en complotteerde om hem

in Duitschland te houden: wat gelukte. In zijn dankbaarheid voor dit

alles wist Goethe op zijn beurt zich voor zijn makker op te offeren:

toen Schiller arbeidde aan zijn Wallenstein, onderving hij diens

journalistieke beslommeringen, en besprak ieder tafereel met hem. Deze

samenwerking maakte Schiller op zijn manier "realistiesch"! Van zijn

derde reis door Zwitserland bracht Goethe plannen mee en locaal-studies

voor een epiesch gedicht over Willem Tell, maar toen zijn aandacht voor

die stof verflauwde, gaf hij zijn portefeuille aan Schiller over, die er

tot zijn verbazing gladweg een drama uit samenstelde. Daarentegen gaf

Schiller zijn vriend en mededinger den stoot tot het dichten van

ballades: _De bruid van Corinthe, De Toovenaarsleerling, de God en de

Bajadere, De Schatgraver_.

Er zijn schrijvers die het noodig achten te betoogen, dat men in de

literatuur-geschiedenis van alle landen vergeefs zal zoeken naar de

weergâ van een dergelijke vriendschap. Wij mijden dien weg; liever

wijzen wij er op, dat de meest egoistische ideeënvrek bij zijn

opgeslotenheid niet beter is gevaren dan deze twee dichters, die voor

elkander geheimen noch naijver hadden.

Goethe hield nu ook voortdurend voeling met Jena, de universiteitsstad,

die nu wel niet een "Muzenhof" (gelijk Weimar), maar toch een

verzamelplaats van echte geleerden was geworden, waar mannen van zeer

uiteenloopenden aanleg als Schelling, Hegel, de Humboldts, Loder,

Hufeland, elkander steunden en waardeerden, vurig streden tegen een

groep bekrompenen, die hen voor gedoopte heidenen aanzagen.

In deze omgeving kregen Schiller en Goethe kracht, om hun ergernis over

menschen en richtingen, die langzamerhand de overhand namen, eens

duidelijk uit te spreken. Directe aanleiding daartoe was het te niet

gaan van het tijdschrift "Die Horen".[A] Schiller had het willen maken

tot een manifestatie van het echt-menschelijke dat in zeer verschillende

talenten en overtuigingen is aan te wijzen: "Hoe meer (zoo zeide hij in

een circulaire aan de medewerkers) de bekrompen belangen van het

tegenwoordige de gemoederen spannen, samendrukken en onderwerpen, des te

dringender is de behoefte, om door een algemeene en hoogere aandacht

voor hetgeen dat puur-menschelijk is en verheven boven den invloed der

tijden, de gemoederen weder vrij te maken en de politiek-verdeelde

wereld onder de banier van waarheid en schoonheid te vereenigen". Maar

de weinigen die het tijdschrift lazen waren geenszins tevreden, en in

het gekakel dat zij ten beste gaven meende Goethe een klank te

herkennen, dien hij al meer had vernomen, telkens als hij het waagde een

goed werk te publiceeren. De aanhangers van de verschillende literaire

scholen sloten onderling vrede en liepen tegen de twee vrienden te hoop.

Men beweerde dat de Duitsche literatuur in een stadium van verval

verkeerde, en wenschte terug de gouden eeuw van Lessing. Zoo bleek dat

de verschillende richtingsleuzen eigenlijk voorwendsels waren, die veel

wansmaak moesten bedekken. En Goethe meende toch ook wel iets gedaan te

hebben voor de Duitsche literatuur! Hij voelde zijn ouden strijdlust

terugkomen. Hij haatte weer. Hij haatte de volgelingen van Nicolaï. Hij

haatte de pedante voorloopers van de romantische schilder- en

dichterschool, die in zijn classicisme een reactie zagen naar het

heidendom, en die hunnerzijds de poëzie nu onder de controle stelden van

het geloof, gelijk dit in de mystieke middeleeuwen was geweest; die het

onbestemde waas van de middeleeuwen verheerlijkten, terwijl hij naar

steeds beslister omlijnde vormen streefde; die gereed stonden om zich

bij groepen tot het Katholicisme te bekeeren, en die verkondigden dat

alle kunstenaars monnik moesten zijn, omdat er wel eens monnikken waren

geweest die goede kunst hadden voortgebracht. Hij haatte de zwakke,

middelmatige aanstellers, die hem collega dorsten noemen. De vinnigheid

van de Venetiaansche Epigrammen was nog maar een zwak voorproefje van

hetgeen den kerels nu wachtte!

[A] _Letterlijk_: Dienaressen van Zeus, die den toegang tot den

Godenberg openen en sluiten.

Schiller en Goethe hadden elkander al eens getroost met kleine

gedichtjes, waarin de een of andere bengel die byzonder lastig was

geweest werd afgestraft. Nu wilden zij met een honderdtal van die

stekeldichtjes de hinderlijkste personen treffen, en daarna in even

korte, maar ernst-zware uitspraken boekstaven wat zij daar tegenover

hadden te stellen. Tusschen Jena en Weimar ging een schrijfboek heen en

weer, waarin zij beurt om beurt hun uitvallen luchtten. Vaak hokten de

strafrechters samen, broeiden, vonden, knutselden samen: men weet nu

niet meer wie de schrijver van elk vers is. De meest tweeregelige

_Xeniën_[A] in den vorm van het Grieksche distichon verschenen in

Schillers _Muzenalmenak_ van 1797. Sommige stegen als lichtgevende

kogels omhoog, anderen schroeiden, weer anderen werden slechts

opgeworpen om het oog te verstrooien. Zij brachten hevigen schrik onder

de beklaagden; men verwachtte dat het nu jaar in jaar uit zoo zou gaan,

dat men nu niet meer ongestraft zich kon aanstellen als "geestelijk

poortwachter, een ieder halt! toeroepend die geen pas kon toonen". Geen

enkele partij bleef gespaard. Zoodra wij ons zelve niet ontzien, meenden

de "Dioskuren", mogen wij heilig en profaan te lijf. Sansculotten zoowel

als piëtisten werden bespot, geprikkeld, uitgekleed, vertrapt. Ook

Goethes beste vrienden hadden te lijden: Jung-Stilling, die bij zijn

bijbel was verdwaasd, Lavater, die schijnheilig en heerschzuchtig was

geworden, Stolberg, die voorheen tyrannenbloed begeerde, maar nu elken

vrijgeest heiden schold.

[A] _Letterlijk_: Geschenkjes van een gastheer aan zijn gasten.

Natuurlijk bleef wraak niet uit. Er verschenen heel wat parodieën,

anti-xeniën, tegengeschenken, die persoonlijke aanvallen in den zelfden

trant beantwoordden, die Goethes huwelijksleven bezwadderden, die van de

onjuiste onderstelling uitgingen, dat Goethe en Schiller op dezelfde

wijze waren te treffen als gewone literaire straatjongens. "Het is

grappig, te zien wat dit soort van menschen eigenlijk heeft geërgerd

(schreef Goethe aan zijn vriend) en waarmede zij meenen een ander te

ergeren; hoe laf, leeg en gemeen zij een hun vreemde Existentie

beschouwen, hoe zij hun pijlen op den buitenkant van iemands lichaam

richten, en hoe weinig zij vermoeden in wat onneembaren burcht hij

woont, die zich zelf en de dingen altijd ernstig neemt". Hij wilde

terughouwen: De wansmaak bleek nog erger dan hij te voren had gemeend.

Hij had spoedig een soort van comedie "De gouden bruiloft van Oberon"

gereed, waarin hij zijn belagers opnieuw ongenadige straffen toediende.

Maar Schiller vond dat het nu mooi was: tegen domheid stonden zelfs de

goden machteloos. Het stuk bleef liggen, en werd later in Faust

verwerkt.

De "dichtervorsten" besloten, het bij dit eene "dolle waagstuk" te

laten, en voortaan met monumentale schoonheid den menschen te toonen hoe

het eigenlijk moest; zij wilden, allen tegenstanders ten spijt, hun

proteus-achtigen aard thans in de gestalte van het edele en goede doen

verschijnen.

Wijze moeder Aja was over dezen inkeer geestdriftig verheugd, al had ze

het land aan de literaire "zonder-broeken".

XXIV

Bilde, Künstler! rede nicht

Nur ein Hauch sei dein Gedicht

HERMANN UND DOROTHEA.

Schillers invloed en voorbeeld zetten Goethe aan tot onophoudelijk

doelbewust werken, op alle gebieden die zijn geest tot dan toe hadden

verlokt. En zulk werken bracht mede dat hij onafgebroken gestemd was op

de harmonie van het Eene dat veelvuldig zich openbaart, dat hij menschen

en gebeurtenissen met rustigen blik doorzag. Zoo is dan begrijpende rust

het hoofdkenmerk van het epische gedicht _Hermann und Dorothea_, dat in

deze periode ontstond, en dat techniesch zoowel als psychologiesch tot

Goethes volmaakste werken behoort. Men zal bij oppervlakkige lezing

glimlachen om de bewering, dat een man, die in geen enkele wetenschap

vreemdeling was, buitengewoon veel menschen, verdorven, brave en

verheven menschen goed kende, en menig spannend avontuur had beleefd,

zijn glorie zou vinden in een zoo eenvoudig verhaal van zoo weinig

bladzijden druks. Men ziet voorbij, dat in die weinige bladzijden druks

Goethes standpunt is neergelegd--niet polemiesch doch beeldend--tegenover

een groote drijfveer van de omwentelingsgszindheid, die hem zooveel

droeve uren had bezorgd; men ziet dit voorbij doordat de raad, dien de

dichter zijn landgenooten geeft, zich niet rechtstreeks laat voelen of

volgen. Men vergeet, dat in die enkele bladzijden druks wel een dozijn

tragische spanningen worden ontbloot, gepeild, opgeheven, die ieder

voor zich zelf konden dienen om in een modernen horizonloozen roman

uitgeplozen te worden, en alsdan vele lezers te overprikkelen of

wanhopig te maken. Men vergeet het, doordien deze spanningen, gelijk

Goethe ze te boek stelt, den lezer wel intens doch slechts voorbijgaand

treffen: wreedheid en naastenliefde, gemeenheid en adel, woede en humor

zijn in dit epos zoo gegroepeerd, dat zij elkander dragen, dat de

ontroeringen die ze stichten tot een genietelijke eenheid samensmelten.

Dit moet echter niet zoo begrepen worden: dat de dichter met fijne

vaardigheid en gereede kunde de "classieke rust", die hij in oude

beeldgroepen had bewonderd, op de poëzie "toepaste", teneinde daarmede

den lof van typiesch-Duitsche esthetische snuffelaars te oogsten; doch

zoo: dat de dichter o.a. de antieke beeldgroepen had bewonderd, wijl ze

iets hadden van de gelaten schoonheid, die hij in zich voelde worden.

Zijn verlangen naar zulke schoone gelatenheid ontsproot uit een

wijsgeerigen levenskijk--de lezer kent ze in grondtrekken--welke als

zoodanig den classieken beeldhouwer wel zal hebben ontbroken; daar ze

slechts volgen kon op de storing in het intellectueele evenwicht, die

met de Christelijke zelfbespiegeling samenhangt. Door Iphigenie en Tasso

was een langdurige evolutie naar deze schoone gelatenheid bekroond. In

Hermann und Dorothea deed Goethe een poging, enkele menschen, strijdend

om hun heil, voor te stellen: niet in doorzichtige gewaden die hun

vormen en hun zielen nauw omhullen, doch in moderne kleedij en in het

coloriet van zijn tijd. De vraag, of hij daar directe aanleiding toe

vond in een verhaal dat hem ter oore kwam, of in het heldhaftig gedrag

van Lili, eens zijn verloofde, kunnen wij onbeantwoord laten: Hij moest

deze poging vroeg of laat wagen. Eéns moest hij trachten, ook de

uiterlijke omstandigheden, die gewoonlijk de roeringen van een

menschenziel begeleiden, en die hij, krachtens zijn aanleg, uit zijn

zuiverste drama's had gebannen, met een psychiesch gebeuren te verweven

en te vergeestelijken, zoodat relaas en werkelijkheid elkander naderden,

zoodat zijn innerlijk ook de realiteit doordrong.

Doch hierdoor was de keuze van het milieu, waarin zijn gedicht zou

spelen, van de menschen die hij zou oproepen, vrij streng bepaald:

Grootsteedsche menschen kon hij niet gebruiken, want die omhangen en

omsnoeren hun ziel gelijk hun lijf; ze willen te sterk individueel

ontleed worden, om met korte duidingen zich te laten verheffen in de

sfeer des geheels. Gewone boeren daarentegen zijn in den regel nog niet

toe aan de verfijning--ze moge al of niet bewust zijn--die een

ziels-conflict mogelijk en belangwekkend maakt. En zoo moest en mocht

Goethe hier menschen geven zooals hij ze graag had: menschen op de grens

van stads- en landleven, instinctief maar maar toch voor redeneering

vatbaar; praatgraag en toch besloten genoeg om eigenzinnig te zijn;

vertrouwelijk en toch op hun hoede; gesteld op hun bezit maar toch mild;

vurig bij geval, maar doorgaans gematigd; natuurlijke menschen, eventjes

door den stroom des tijds geraakt, maar zoo verknocht aan het ras, dat

op het vruchtdragen van een boom of de veredeling van een gewas

jarenlang moet wachten, om tegen allerlei nieuwigheden rotsvast te

staan. Ze hebben alle hun eigenaardigheden, deze lieden, maar ze blijven

toch algemeen-menschelijk genoeg om in geen enkelen tijd byzonder vreemd

te schijnen. Het zijn echt kleinburgerlijke Duitschers, maar zooals

Goethe ze behandelt voelen lezers van iederen stand en van elken

volksaard zich bij hen tehuis: als een hunner eigenaardigheden naar

voren springt, vergeet hij nooit te toonen, hoe zulk een eigenaardigheid

uit het algemeen-menschelijke is ontstaan.... En dit zonder ook maar één

moment te preeken of te betoogen; de wijsgeerige strekking, die hij

noodig heeft om de overgangen zacht te doen verloopen, is gegeven mét de

groepeering van de personen. Plechtig, geurend, kleurend, klinkend

glijden de tooneelen door onze verbeelding. Wij aanschouwen de menschen

zóó levendig dat wij meenen ze te grijpen; en niettemin zijn ze zoo

wazig geteekend, dat duizend verschillende lezers zich duizend

uiteenloopende Hermanns zullen phantaseeren.

Dit gedicht, in de wereld-literatuur een verschijning van groote

voornaamheid, is na den Werther, het eerste werk van Goethes hand dat er

bij de groote massa insloeg en dat in volks-edities op vodderig papier

werd verkocht. Het spreekt tot den eenvoudige zoowel als tot den

kunstgevoelige en den geleerde; evenals de natuur. Het is voor dezen een

trouwe kameraad en voor genen een tonige rijkvormige ets, of een vonk

oeroude levenswijsheid.

Daarom juist is het Goethes glorie!

Naarmate wij dieper zijn doorgedrongen in 's dichters persoonlijkheid,

naarmate de werken die wij in nauwe overeenstemming met dit verder

doordringen vermelden, zuiverder zijn: voelen wij minder behoefte aan

critische of afwerende beredeneering van die werken. Vandaar dat de

lezer hier zonder meer een korte inhoudsopgave van Hermann und Dorothea

zal vinden en voor het overige naar het origineel en naar zijn eigen

gevoel zij verwezen:

EERSTE ZANG: Benauwde middag in nazomer. De waard van "Den Gouden

Os" zit met zijn vrouw op een bank voor zijn deur. Zij kijken naar

de thuiskomst van hun medeburgers, uitgetrokken om de boeren te

zien, die door de Franschen uit hun hofsteden aan den overkant van

den Rijn zijn gejaagd. Hermann, hun zoon, is den vluchtelingen met

een wagen vol levensmiddelen en kleeren tegemoet. Apotheker en

Dominee zetten zich ook op de bank. De eerste scheldt op de wreede

nieuwsgierigheid van zijn stadgenooten, de laatste verontschuldigt

ze. Het gesprek wordt in in de koelere gelagkamer voortgezet bij

een glas Rijnwijn. De apotheker klinkt niet mee. De waard, aan

aardsche goederen hangend als hij, raadt dat hij zich angstig maakt

voor de naderende vijanden; doch vertrouwt dat de Rijn hun

doortocht zal stremmen. Bovendien zal de vrede wel gauw worden

geteekend, en hij hoopt dan ook de bruiloft van zijn zoon Hermann

te vieren. Juist nadert deze op zijn dreunenden wagen.

TWEEDE ZANG: Dominee leest op Hermanns gezicht dat er iets

byzonders met hem is voorgevallen; doch over zijn toespelingen

praat deze heen. Hij verhaalt van zijn ontmoeting met de

vluchtelingen: hoe een meisje dat een ossenwagen bestuurde, waarin

een pas bevallen vrouw lag, hem om linnen had gevraagd voor moeder

en zuigeling, en hoe hij haar zijn heelen voorraad levensmiddelen

had afgestaan, ter verdeeling onder haar lotgenooten: daar zij

beter dan hij wist wie onder hen gebrek leed. Het is toch maar goed

vrijgezel te zijn, meent de apotheker, dan ontkom je gemakkelijker

aan gevaren. Waartegen Hermann _ernstig_ aanvoert, dat juist in

zulke barre tijden een meisje den steun van een man, de man

vrouwelijken troost behoeft, en hij liever vandaag dan morgen

trouwt. Dat doet zijn moeder goed: zij herinnert, dat zij haar man

de hand heeft gereikt op de puinhoopen van het afgebrande

ouderhuis. Ook de vader hoort Hermann graag van trouwen spreken,

maar waarschuwt dat het moeilijk is, zonder een duit te beginnen,

en dat de man een arm meisje ten slotte als een dienstbode gaat

beschouwen. Waarom kiest Hermann niet een dochter van den rijken

koopman, hier vlak bij, tot bruid? De aangesprokene bekent, dat hij

eenmaal zijn oogen naar een van buurmans dochters heeft opgeslagen;

hij heeft echter gezworen daar nooit weer een voet in huis te

zetten, omdat de meisjes er met zijn boerschheid spotten. Als nu de

waard toornig uitroept, dat hij een fijne, een rijke schoondochter

wenscht, die clavier kan spelen, verlaat Hermann eerbiedig zwijgend

de kamer.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 21 / 29 段