Dit is Goethes _synthetische methode_, waarbij inductie en deductie,

analytiesch en synthetiesch schouwen zinlijkheid en rede, phantasie en

verstand elkaar afwisselen, steunen, ja elkaar in waarde en evenwicht

houden.

Door de scheppende phantasie wordt de ervaring, bevorderd, het vinden en

het uitvinden _voorgelicht_. Zoo begrijpt de Straatsburger student welke

détails, blijkens den geest des geheels, aan de cathedraal ontbreken, en

ziet: de oorspronkelijke teekening stelt hem in het gelijk!

Men wilde indertijd niet toegeven, dat een wijsgeer-dichter, krachtens

zijn dichterschap, baanbreker op het terrein van de natuurgeleerdheid

kan wezen. Thans zal geen ter zake kundige meer ontkennen dat de

wis_kunstenaar_, de botanicus, de ontdekkingsreiziger, de arts, de

chirurg, de onderzoeksrechter, de advocaat, ieder naar hun aard,

krachtens hun scheppende phantasie werken.

XII. Bestaat nu voor Goethe de waarneembare natuur uit de gestalten, die

een werkzaam Wezen aanneemt, dan is het begrijpelijk, dat twee

verschijnselen voor hem rechtstreeks met dat innerlijke van de natuur

samenhangen, nl.

de vorm en de kleur

der dingen. Aan deze twee verschijnselen te zamen wijdde hij een leven

van studie. Het resultaat van deze studie waren zijn _Morphologie_ (d.i.

de leer van de organische natuurvormen, die bij Goethe begint) en de

_Farbenlehre_ (kleurenleer).

XIII. Als hij medewerkt aan Lavaters boek over gelaatsuitdrukkunde en

diens enorme verzameling portretten doorloopt, is hem reeds de

voor-onderstelling gerezen: er is niets in de huid, dat niet in 't

gebeente zit,--een meening die hij in zijn "Bijdragen over dierschedels"

in genoemd boek nader uitwerkt. Hij ziet (zooals vele moderne

anthropologen) in den beenderbouw van den mensch het toonaangevende

element in diens lichaamsvorm. De anatomie, voornamelijk de osteologie

(beenderleer), blijft hem sindsdien boeien. Zoodra zijn positie hem

daartoe in staat stelt, gaat hij ze onder de grootste geleerden uit zijn

omgeving ernstig beoefenen. Den 27sten Maart 1784 gelukt hem de

belangrijke ontdekking van het _os intermaxillare_ (tusschenkaaksbeen,

waarin de boven-snijtanden zijn geplaatst) bij den mensch. Vol vreugde

schrijft hij over deze ontdekking een tractaat: een toonbeeld van

wetenschappelijke zeggingswijs, dat hij beschouwd wenscht als een soort

van proefschrift, hetwelk hem toegang tot de geleerde wereld moet geven.

Teekeningen van mensch- en dierschedels--door een van zijn leerlingen

aan de teeken-academie vervaardigd--toonen de verschillende

vergroeiingen van het tusschenkaaksbeen, die hij heeft waargenomen.

Doch men weigert hem het plaatsje waarop hij aanspraak maakt. Alle

anatomen (uitgezonderd zijn leermeester) blijven het bestaan van dit

beenstuk in den menschenschedel ontkennen. Ook onze landgenoot Petrus

Camper, de grootste ontleedkundige van zijn tijd, door Goethe als een

universeel licht gewaardeerd, en die het overigens eens was met alle

waarnemingen, neergelegd in het anonyme geschrift, hem toegezonden door

den wederzijdschen vriend Merck. Pas een halve eeuw later doet Goethe

zijn opstel drukken: al dien tijd wacht hij op erkenning.

XIV. De ontdekking van het os intermaxillare was voor Goethe en zijn

tijd van groote beteekenis. De geleerden, die natuurlijk niet blind

waren gebleven voor de overeenkomst tusschen 's menschen lichaamsbouw en

den lichaamsbouw van de hoogere dieren, konden toch geenszins aannemen,

dat mensch en dier in dit opzicht variaties zouden zijn van het zelfde

grond-type. Zij hadden daartegen formeel-godsdienstige bezwaren, terwijl

zij wijsgeerig te laag stonden om deze overeenkomst te waardeeren en te

verwerken. Enkele op zich zelf staande onderzoekers, die er toen reeds

anders over dachten, worden pas in onzen tijd gehuldigd. Algemeen

beweerde men dat het tusschenkaaksbeen, dat bij den aap wèl, bij den

mensch niet zou voorkomen, als het ware een scheidingslijn uitmaakte

tusschen mensch en beest; hieraan klampte men zich halsstarrig vast,

aldus weer eens bewijzend, hoe aanmerkelijk overigens eerbiedwaardige

vaklieden zich laten beïnvloeden door religieuze en pseudo-wijsgeerige

vooroordeelen. Goethe echter, die overal bespeurde "het Eeuwig-Eene, dat

zich veelvuldig openbaart" kon, juist wijl hij besefte dat de kern der

natuur den mensch--en dus ook hem--"in het harte leefde", in zulk een

scheidingslijn niet gelooven. Ze kòn er niet zijn, en het os

intermaxillare _moest derhalve_ ook bij den mensch worden aangetroffen.

Zijn ideeën over zedelijkheid hadden van een eventueel te bewijzen

verwantschap tusschen mensch en dier niets te vreezen; ook wist hij wel,

dat het verschil tusschen hoogere en lagere wezens niet in eenig détail

doch in het _geheel_ moet worden gezocht. En vandaar zijn vreugde toen

hij mocht beweren, dat voor vergelijkende studie van dier- en

menschenschedels de vermeende scheidingslijn niet stand hield. Want nu

kon ieder hooger dier (morphologisch) beschouwd worden als een toon in

de groote harmonie, die men als geheel moet bestudeeren, indien men niet

wil dat iedere toon een doode klank blijft. Na tien jaren van

voortdurend onderzoek--in Italië had hij de schoonheid van het

menschelijk lichaam leeren liefhebben, en zoo was de studie van de

ontleedkunde hem een doorloopende genieting[A]--gaf Goethe zijn _Eerste

ontwerp van eene algemeene inleiding in de vergelijkende anatomie,

uitgaande van de Osteologie_ (1795). In dit werk beschrijft hij den

grondvorm, die zich in alle hoogere dieren weerspiegelt, en die dus de

basis uitmaakt, waarop werkelijke kennis van de uiteenloopende

diervormen dient te berusten. Zijn _Morphologie_ (1820) belichaamt deze

gedachte uitvoeriger.

[A] Men geniete de Romeinsche Elegieën ook vanuit _dit_ gezichtspunt.

XV. Goethes zoeken als plantkundige gaat in dezelfde richting. Sedert

den tijd, dat hij telkens de vrije natuur invluchtte om daar tot

bezinning te komen, leeft hij vertrouwelijk met de planten. En als hij,

eenmaal te Weimar, zich als minister aan landbouw en aan boschcultuur

heeft te wijden, in zijn toovertuin vruchten en bloemen teelt, de

zelfgekweekte fijne asperagis aan Charlotte zendt, met boom en struik

van zijn liefde spreekt, bezit (zooals hij zich gaarne uitdrukt) het

plantenrijk hem geheel: het "zimplifiziert" zich in zijn ziel. Ook hier

leert hij, langs den bekenden weg in eigen boezem schouwend, het _Eene_

kennen, dat zich veelvuldig openbaart.

Naar de _oerplant_ zoekt hij. Oerplant mag niet verstaan worden in

analogie met het moderne woord _oerdier_, waardoor wordt aangeduid een

levend wezen, slechts onder 't microscoop waarneembaar, dat uit één cel

of uit enkele cellen bestaat. Het microscoop is in Goethes tijd nog zeer

onvolmaakt, en van de verdwijnend kleine kiemdiertjes wist men weinig

of niets. Goethe heeft ze, zoo niet nauwkeurig gekend, dan toch vermoed;

doch wij meenen dat zijn begrip "oerplant" zich niet hadd' gewijzigd,

indien hij er nauwkeuriger kennis van hadd' bezeten. Een plant of een

dier is voor hem de verschijning van een geest, die zich het materiaal

uit zijn omgeving eigen maakt, het organiseert. Het is de

_vormverovering_ van een "wezen". De cellen nu zouden voor hem het te

organiseeren materiaal zijn geweest, waaruit zijn oerplant zich zou

vormen; en niet om de geaardheid van het materiaal, doch om den vorm is

het hem te doen.

Na zijn terugkeer uit Italië begrijpt hij dat deze oerplant, hoewel in

alle planten aanwijsbaar als "voorbeeld", niet op zich zelf bestaat. Zij

is het beginsel (niet een abstractie, maar een voorafgaandelijk

principe) waarnaar alle planten zich vormen: dat het plantenrijk dan ook

overzichtelijk maakt, echter op geheel andere wijze als Linnaeus dit

beproeft.

Want de organen die, in zekere getale en in bepaalde groepeering

voorkomend, in het plantenkundig stelsel van Linnaeus merkteekenen zijn,

waaraan men een bepaalde plant herkent en waarnaar men ze benoemt, deze

organen zijn voor Goethe (en voor de moderne plantkundigen) niet

vaststaande vormen, die reeds in het zaadje liggen opgevouwen, zich dan

óntvouwen, en, verder groeiend, principiëel niet veranderen (Linné). Al

deze organen als bloem- en kelkbladen, meeldraden, stampers etc. zijn

volgens Goethe wijzigingen van het eenige oorspronkelijke plant-orgaan,

het oerblad. In de Metamorphose (d. i. in den ontwikkelingsgang "van

zaad tot nieuw zaad") vormt het oerblad zich geleidelijk om tot de

veelsoortige onderdeelen, bloem en bloesem, blad en vrucht, die men aan

de volwassen plant waarneemt. En merkwaardiger wijze (merkt Goethe op)

herhaalt de vorm van blad en vrucht zich in den vorm van een geheele

plant, wat bijvb. duidelijk uitkomt als men de kroon van een appelboom

met blad en met vrucht van dien boom vergelijkt.--Dit is het tooverwoord

dat de plantkundige vormenleer tot een wetenschap heeft gemaakt en

waaromtrent de vermaarde Geoffroy St. Hilaire (een van Darwins

voorloopers) getuigt: dat Goethe "de geniale dwaasheid beging een halve

eeuw te vroeg met zijn ontdekking te komen, toen er nog geen botanici

waren die ze konden bestudeeren en begrijpen".

XVI. Maar de grondgedachte, door Goethe de metamorphose der planten

genoemd, reikt veel verder dan het beperkte gebied, waarop hij ze

aanvankelijk toepaste. Evenzeer als men Linné's opvattingen benutte bij

de studie van geheel de levende natuur, is dit met Goethes inzicht het

geval. En heeft Linné's principe aanleiding gegeven tot de beruchte

_préformatie-leer_, waarvan de consequentie is, dat moeder Eva van alle

menschen die na haar zijn geboren, en tot in lengte van tijden geboren

zullen worden, de kiemen in elkaar gewikkeld met zich droeg--Goethes

idée bevatte de leer van de _ontwikkeling_. De meeste stellingen, later

door Darwin aan een maniacaal rijk mensch- en diermateriaal

gedemonstreerd: de beteekenis van arbeidsverdeeling en specialiseering

van bepaalde organen, van den strijd om het bestaan, van aanpassing, van

omgeving, van pathologische afwijkingen die als kenmerken van bepaalde

vergroeiingen zijn te beschouwen, heeft Goethe ongeveer driekwart eeuw

vroeger reeds uitgesproken. Hiermede zij niets afgedongen op de

oorspronkelijkheid van Darwin. Integendeel: wij zijn van oordeel dat

Darwin, indien hij zich voldoende aan den idealist Goethe hadd'

gespiegeld, allerlei populaire platheden, die in zijn leeringen

stilzwijgend liggen opgesloten, voor zoover hij ze niet uitdrukkelijk

heeft verkondigd, zou hebben vermeden. Een ernstige vergelijking

tusschen Goethe en Darwin zou kunnen illustreeren, hoeveel de

dichter-wijsgeer voor heeft op dezen vakman. Een wijsgeerig en

sentimenteel houdbare evolutie-leer moet o. i. tot Goethe teruggaan.

XVII. Het zou te ver voeren, Goethes werkzaamheid op het gebied van

delfstofkunde, geologie ("de beenderleer der aarde") en weerkunde

breedvoerig te bespreken, en gewag te maken van zijn vruchtbare

opmerkingen aangaande de waarde, die aan de opgraving van

voorwereldlijke dieren is toe te kennen.

Wij naderen thans zijn kleurenleer en hebben te wijzen op zijn

scherpzinnige doch ook scherptongige bestrijding van Newton: "Kan men

grooter dwaling begaan (zoo heeft hij gedurende de laatste helft zijns

levens in velerlei toonaard gevraagd) dan te meenen dat het klare,

reine, eeuwig ontroebele licht uit donkere kleuren is saamgesteld?" De

lezer wete dat, volgens Newton, zuiver wit licht al de kleuren bevat,

die men aanschouwt, wanneer zulk licht (onder bepaalde voorwaarden) door

een driehoekig prisma dringend, op een wit scherm wordt weerkaatst.

Goethes belangstelling in kleurverschijnselen kwam tot uiting in den

tijd dat hij schilder trachtte te worden, en langs theoretischen weg

trachtte te bereiken wat anderen door hun natuurlijken aanleg

gemakkelijk valt: dat de kleuren en de lichten en schaduwen die op het

doek worden gelegd tezamen rustig en harmoniesch doen. Hij merkte dat

zijn leermeesters volstrekt niet weergaven de kleuren van de voorwerpen

die zij nabeeldden, doch door oordeelkundig gebruik van contrasteerende

kleuren en belichtingen naar bevrediging van het oog instinctief

streefden: dat dus het oog van den beschouwer eigenlijk andere kleuren

waarneemt dan, objectief bekeken, op 't doek aanwezig zijn; dat het oog

de kleuren ten slotte zelf maakt. Wanneer in het algemeen het oog door

een bepaalde kleur wordt getroffen, _eischt_ het de daaraan

"tegengestelde" kleur: ziet men bijvoorbeeld een helder rood ding, dan

bespeurt men, zoodra men den blik afwendt "in zijn verbeelding" dezelfde

gedaante groen; de zon, bij zuiveren dampkring aanschouwd, wekt in het

oog zoodra men het sluit, een zwart beeld. Op dergelijke verschijnselen

heeft Goethe het eerst de aandacht gevestigd; hij heeft ze buitengewoon

nauwkeurig beschreven en benoemd in zijn groote "Farbenlehre". Zij

hebben aanleiding gegeven tot de ontdekking van de z.g. physiologische

en subjectieve kleurverschijnselen. Joh. Muller, de vader van de

nieuwere physiologie, getuigt dat hij de ontdekking van zijn

"spezifischen Sinnesenergiën" aan vierjarige studie van de Farbenlehre

dankt.

Over den grondslag van Goethes kleurtheorie zijn de geleerden echter

minder te spreken. Door een toeval ontdekkend dat het Newtonsche

spectrum zich onder bepaalde omstandigheden niet vertoont, is deze, na

langdurige proefneming, gaan meenen dat het spectrum niet ontstaat door

_ontleding_ van wit licht, maar naar gelang het eenige licht dat

denkbaar is (door Newton wit licht geheeten) door een dikker of een

dunner gedeelte van het driehoekige prisma dringt. Voor Goethe bestaat

er slechts licht en niet-licht (gewoonlijk duisternis geheeten). Kleuren

ontstaan bij een bepaalden graad van verduistering van het licht. In

absoluut licht zouden wij niets zien; absoluut licht ware absolute

duisternis. Het licht wordt slechts zichtbaar aan zijn tegenstelling; en

waar licht en duisternis samensmelten ontstaan de zoogenaamde "gekleurde

randen", die in Goethes theorie, vooral in zijn eerste boekje over dit

onderwerp, een groote rol spelen. Verduistering van Het licht heeft

plaats doordien het medium, waardoor wij het Licht zien (glas, de

dampkring, een membraan enz.) min of meer troebel is. Zoo is de kleur

van den hemel bij zekere samenstelling van de atmosfeer blauw, zweemt

bij zwaren of troebelen dampkring naar indigo en violet, bij zeer

verdunden dampkring echter naar rood-geel (bijvb. de zoogenaamde

Sirocco-lucht, die Goethe in Italië waarnam). Hiermede houdt verband de

leer van de _gekleurde schaduwen_: wanneer bijvb. op sneeuw, waarvan men

te voren zag dat ze helder wit was, een schaduw (verduistering) valt,

dan ziet men er niet een zwarte doch een blauwige tint over heen

glijden, als gevolg van de vermenging van licht en duisternis.

Intusschen, het kan onze taak niet zijn, in een boek als dit een theorie

te gaan verdedigen, die door de mannen van het vak nauwelijks behoorlijk

is onderzocht. Na er enkele grepen uit te hebben gedaan, wenschen wij

niet in détails te treden, omdat de kern van de zaak verre buiten den

gezichtskring ligt van hen, die wij ons gaarne als lezers van dit boek

voorstellen: het vermelden van meer byzonderheden zou een soort van

kennis kunnen kweeken, tot welker bevordering wij ons niet gaarne

leenen.

Maar gaarne constateeren wij hier, dat Goethe deze quaestie naar onze

meening te uitsluitend als een natuurwetenschappelijke heeft beschouwd,

en zich te veel heeft verlaten op de juistheid van zijn experimenten.

Proeven bewijzen in dit opzicht niets. Een proef kan bewijzen dat men

een bepaald verschijnsel goed heeft waargenomen, of een onderdeel van

dit verschijnsel goed heeft geïsoleerd. Maar een verklaringsgrond voor

dat verschijnsel volgt niet uit de proef; die kan slechts voortvloeien

uit het Geheel onzer ideeën, en door zijn plaats in dit Geheel wordt

zijn juistheid bewezen. Zoolang men zich op het gebied der proefnemingen

verschanst, is het zeer wel denkbaar dat eenzelfde verschijnsel door

twee of meer tegengestelde gronden zich verklaren laat. Inderdaad is ons

gebleken, dat vele kleurverschijnselen, waarvan Goethe meende dat de

Newton-theorie ze niet kon bereiken, zoowel deze theorie als de zijne

dulden. De physicus neemt deze verschijnselen waar, maar de

wetenschappelijke wijsgeer slechts kan den strijd over de

verklarings-theorieën beslechten. En dan past het, hier in herinnering

te brengen, dat Schelling het Newtonsche spectrum "een echt spectum" (d.

i. een spook) heeft genoemd, dat Hegel zoowel als Schopenhauer de leer

van de Engelschen wiskunstenaar een "Barbarei" heeten, en dat Hegel (die

Goethes theorie in hoofdzaak beaamt, en als "wijsgeerige kleurenleer"

verkondigt) het tot Goethes verdiensten rekent: "het prisma naar den

duivel te hebben geholpen".

* * * * *

Teekenend voor Goethes wereldbeschouwing is het volgende: Toen in 1830

te Parijs de Juli-revolutie was uitgebroken, kwam hij de kamer van zijn

secretaris Eckermann binnenstormen, roepend dat de vulkaan tot eruptie

was gekomen, dat alles stond in vlammen, dat nu eindelijk de zaken niet

meer konden worden behandeld met gesloten deuren.--Ja, een vreeselijke

geschiedenis! antwoordt de secretaris, maar hoe kon het in de gegeven

omstandigheden en onder zoo'n ministerie ook op iets anders uitloopen

dan op de verdrijving van het vorstelijk huis?--Mijn waarde, zegt nu

Goethe, wij schijnen elkaar niet te verstaan: ik spreek heelemaal niet

van die luidjes, ik heb het over heel wat anders. Ik spreek over den

voor de wetenschap zoo belangrijken strijd tusschen Cuvier en Geoffroy

St. Hilaire, die nu in de Académie tot een voldongen uitbarsting is

gekomen!--

De synthetische methode van natuuronderzoek, waarvoor ook hij 50 jaren

had gestreden, had in Frankrijk post gevat. Ondanks de bloedige

gebeurtenissen was de vergaderzaal van de Académie vol. En dit maakte

den meer dan tachtigjarigen Goethe zoo jongensachtig blij, dat hij op de

revolutie niet lette.

XXIII

Lieve hemel! Daar kruipen er toch zooveel

tegen de Parnassus op--laat ze meekruipen!

FRAU AJA.

Hongerig en ontevreden was Schiller naar Weimar gekomen, in de

verwachting een hapje of wat te mogen meeëten aan de hertogelijke ruif,

die al zoo veel groote geesten in het leven hield. Hij had te voren

kennis gemaakt met Carl-August, die hem bij die gelegenheid tot

staatsraad benoemde. De weggeloopen officier van gezondheid (in wien men

den dichter had willen dooden), lang en tenger, met zijn bleek-blauwe,

hemel-zoekende oogen, uitgeteerd door honger en ziekte, zwervend van

vriend tot vriend, boekjes vertalend voor een prijsje, vertaalwerk

uitbestedend aan literators die nog meer honger hadden dan hij; en toch

steeds door schuldeischers opgejaagd; vertrouwend op zijn bruikbare

kwaliteiten als geschiedschrijver, dichter, wijsgeer, tooneelprutser,

criticus, meende op een emplooy te mogen hopen.

Goethe reisde toen in Italië, doch overal voelde zijn bewonderaar den

invloed van zijn arbeid; nu eerst begreep Schiller dat deze dichter

tevens een groot staatsman, een vindingrijk geleerde, een zorgzaam

paedagoog was; en hij sprak het uit dat Goethe meer als mensch dan als

dichter werd bemind. Toen nu de arme zoeker zich verliefde in Charlotte

von Lengeveld, die zeer bevriend was met Frau von Stein, verwachtte hij,

spoedig tot Goethes kring te worden toegelaten. En gedienstige geesten

ontwierpen allerlei plannen, die toenadering tusschen de twee groote

mannen moesten uitlokken. Doch juist in dien tijd was Goethe allerminst

gesteld op de kameraadschap van een intellectueel, wiens bedoelingen hij

aanstonds doorgrondde. Toch reeds afgemeten in zijn manieren en koel

tegenover vreemden, hield hij zich gedurende de eerste ontmoetingen met

Schiller zoozeer op een afstand, dat deze wanhoopte, ooit intiem te

worden met den belangwekkenden causeur, die zich in ieder verdiepte maar

zich nooit geheel gaf, en dusdoende (zoo meende Schiller) planmatig zijn

eigenliefde streelde.

Door Goethes toedoen kreeg Schiller (die met een werk over den afval der

Nederlanden een goeden naam als historicus had verworven) een

buitengewonen leerstoel voor geschiedenis aan de hoogeschool te Jena; en

toen hij in alle bescheidenheid te kennen gaf, dat hij zich voor die

taak nog niet bekwaam genoeg achtte, beduidde de minzame Olympiër hem,

dat men al onderwijzend leert. En zij bleven elkaar vreemd. Schiller

moest aan de voorbereiding van zijn colleges zooveel tijd geven, dat

zijn levenswerk op den achtergrond raakte; zijn oude bitterheid tegen

den verkwistenden, luien Goethe, die er zoo warmpjes in zat terwijl hij

zich afsloofde, borrelde weer op: Die man zit mij in den weg!

Inderdaad waren zij antipoden, en (zegt Goethe) tusschen

geestes-antipoden ligt meer dan de doorsnêe van den aardbol. Indien men

nu bedenkt dat Goethe, àls poëet, natuurvorscher was geworden; en dat

Schiller, nadat hij reeds als mediesch student in allerlei

natuurwetenschap had uitgeblonken, daar een soort minachting voor had

gekregen, en zich uitsluitend aan de cultuur zijns geestes hoopte te

wijden: dan voelt men hoe dit verschil in levensgang op een

diepwortelend verschil in aanleg wijst. De denker Goethe was passief;

zijn ideeën ontstonden in de duisternis van zijn onbewuste wezen; hij

moest aarzelend tasten en geduldig wachten, totdat zijn ideeën waren

voltooid en hij ze als beelden aanschouwde. Doch "dan had hij ook maar

aan zijn levensboom te schudden en de rijpe vruchten vielen in de

menigte!" Schiller was als denker actief: hij bestudeerde en beheerschte

de verrichtingen van zijn brein; hij werkte berekenend met zuivere

begrippen, en met constructies van begrippen, die hij bouwde. En daarna

zette hij met overleg die constructies om in beelden, zijn denken

prikkelend met allerlei stimulanten. Schiller bereidde zijn werken met

zijn vrienden voor, doorsprak, doordacht zijn plannen met hen. Goethe

wist nauwelijks wat er in hem gebeurde, en merkte dan plotseling dat er

iets in zijn ziel was _ontstaan_. Goethes dichten geschiedde

instinctief; hij wilde geven natuurlijke menschen wier onbewuste

verwantschap met God zich kond deed; zijn ideaal lag in argelooze

uitleving van loutere menschelijke instincten. Doch Schillers dichten

geschiedde strikt intellectueel; hij trachtte te maken menschen die

overwegend Goddelijk en maar eenigszins natuurlijk waren; in vrije

zedelijkheid, zedelijke vrijheid zocht hij zijn ideaal. Hij had in de

levensperiode die achter hem lag aanleiding te over gehad, om de

werkelijkheid te haten en te ontvlieden, om bij voorkeur in het rijk van

gedachte en schoonheid te verwijlen. En hij moest een volgzaam discipel

worden van Kant, die leeraarde dat de mensch de natuur maakt tot wat ze

hem dunkt te zijn, dat de mensch vrijheid heeft, de natuur te

onderdrukken en te dwingen. Dit boekstavend had hij Goethe geërgerd:

deze immers had de werkelijkheid doorgaans nogal goedmoedig genomen, zag

in de natuur een milde moeder, die men vooral moet leeren kennen zooals

ze werkelijk is. Zijn levensloop was niet zóó, dat deze overtuiging

daardoor kon worden aangetast: hij had het geluk gehad, het leven in

velerlei richting te genieten, had naar hartelust gestudeerd, had menig

volk van nabij leeren kennen, had vele ambten, ook zeer hooge ambten,

bekleed, verkeerde gemeenzaam met denkers en heerschers, bezat de

middelen om een ongewenschte omgeving te verlaten, toen dit voor zijn

ontwikkeling noodig was. Voor hém geen reden om aan de werkelijkheid te

twijfelen.... Heel anders Schiller, die, toen hij tot zuivering van zijn

smaak Griekenland moest bezoeken, zich mocht te vreden stellen met van

Grieksche helden te--lezen.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 20 / 29 段