Eugénie, in de havenstad aangekomen, wil haar vaderland niet verlaten en

kan niet gelooven dat de koning, die zich zoo goedgunstig heeft getoond,

haar kwaad wil. Verschillende lieden die ze om hulp vraagt, laten haar

na vage beloften in den steek, als de gouvernante het verbannings-decreet

overlegt. De koning heeft door haar verwijdering de partijen met elkaar

willen verzoenen. Slechts één reddingskans is haar gelaten: ze mag

blijven als ze huwt met een man uit den burgerstand. De "Gerichtsrat"

heeft haar zijn hand geboden, doch ze bemint hem niet, meent dat ze

zich niet in burgerlijke verhoudingen kan schikken. Door een monnik,

dien zij om raad smeekt, gewaarschuwd, dat een algeheele ommekeer in

haar vaderland op til is, besluit zij de bescherming die de Gerichtsrat

haar aanbood te accepteeren. Ze heeft begrepen wat deze bedoelde toen

hij haar uiteenzette, dat echtgenooten, in het gezin vereenigd, hoe arm

ook en hoe verdrukt, voor het geraas van de buitenwereld onschendbaar

zijn, dat in hùn harten slechts het ware geluk is te vinden. Hier

spreekt een grondtoon van Goethes geloof:

"Denn, wenn ein Wunder auf der Welt geschieht,

Geschieht's durch liebevolle, treue Herzen".

Zoo pas heeft ze nog ondervonden dat het volk, door haar te hulp

geroepen, haar leed niet begrijpt. Ze heeft gezweefd tusschen het

verlangen naar iets dat buiten haar staat (een rang, haar vaderland) en

de liefde tot haar Ik. Nu zal zij trachten haar persoonlijkheid te

redden en zelfs degenen die haar willen treffen bij te staan. Doch, ze

heeft den Gerichtsrat slechts vriendschap te bieden. De huwelijksband

wordt gelegd om haar te redden. Voorloopig moet hij, die haar bemint,

haar als een zuster beschouwen. Op een klein landgoed, dat hij bezit,

zal ze zich terugtrekken, en hij zal geduldig afwachten totdat ze hem

roept. Zoo moet hij zelfs van haar blik afstand doen, om haar misschien!

eens te winnen. Wel wetend hoe zwaar dit offer is, wil hij toch ernstig

trachten het te brengen. Ze volgt hem naar 't altaar en, door zijn

edelmoedigheid verteederd, geeft ze hem te hooren dat later een inniger

toenadering van haar te wachten is.--

Goethe heeft de vergissing begaan (hij zag 't te laat in) dit drama te

doen opvoeren, voordat de twee vervolgstukken gereed waren, die te zamen

al zijn ideeën over de Fransche revolutie zouden bevatten. Toen is het

publiek het gaan beschouwen als een soort van voorspel, als een lange,

eentonige inleiding tot de bloedtooneelen en avontuurlijkheden, waarop

het zich had gespitst. Deze echter kon Goethe niet geven. Te Berlijn

vonden de schouwburgbezoekers "dit onsterfelijke meesterwerk zeer

vervelend"; ze oordeelden dat men er "drommels goed bij moest opletten,

daar er niets in gebeurde"; te Jena werd het wel zoo ongeveer

uitgejouwd. Die natürliche Tochter moest vallen, wijl de groote massa

Goethes blik op de dingen niet begreep. Men vond het stuk "zoo koud als

marmer", terwijl hij zelf bij de repetitie in tranen uitbarstte en de

spelers verzocht te pauseeren. De meening van het publiek verrastte hem

niet--heel het treurspel heeft tot leitmotief dat onder de menschen het

ware niet is te vinden--maar ze ontmoedigde hem. Hij heeft er verder het

zwijgen toe gedaan en de schets van het verdere verloop zelfs ten deele

vernietigd. Wel een bewijs dat hij dit, zijn "rijpste en krachtigste

werk"--als de veeleischende Herder het ietwat overdreven noemde--heeft

geschreven, ten deele om er zijn tijdgenooten mee van dienst te zijn. En

dit in de jaren dat men hem het scherpst van egoïsme beschuldigde.

XXII

Wer Kunst und Wissenschaft besitzt

Hat auch Religion.

GOD EN WERELD.

In den loop van de voorafgaande bladzijden moesten wij hier en daar

eenig onderdeel aanroeren van Goethes levensbeschouwing, zijn

natuurwetenschappelijken arbeid, zijn kunstopvattingen, zijn wijsgeerig

getoonde sentimenten. Nu ons relaas het tijdstip heeft bereikt, waarop

zijn meeningen over allerlei groote vragen hem definitief bewust werden,

waarop hij--de dichter--zich uitsluitend ging wijden aan

natuurwetenschappelijk onderzoek, schijnt het gewenscht vele draden, die

wij tot nu toe lieten vallen, op te nemen en naar behooren dooreen te

leggen. Goethe heeft meermalen getracht, al de uitkomsten van zijn

denken tot één geheel te verwerken. Dit verwondert ons niet van den man,

die onophoudelijk zijn papieren ordende en herordende om goed te

overzien wat zijn lijden had opgeleverd; en menig fragment uit zijn

nalatenschap, menige passage in zijn wetenschappelijke boeken wijst

hierop. Zulk samenvatten echter kon hem niet afdoende gelukken, wijl hij

den allerlaatsten grondslag van zijn overwegingen--de gedachte

zelf--niet bezat, altijd meer had gegeven om het _gevoel_ dan om het

_betoog_ van een waarheid, zich steeds in gelijkenissen uitdrukte, en

zoo met gevoelvolle beelden het punt omspeelde waar alle weten

ontspringt en samenvloeit. Men heeft hem terecht een "esthetiesch

idealist" genoemd; wij verstaan hierdoor een denker, die de grond-ideeën

(welke de leek met abstracties _verwart_) wel kent, doch ze slechts kent

als gevoelens, als _aandoeningen_: Onverwacht borrelden de beelden op

uit zijn bewustzijn.

I. DE PEINZER.

I. Voordat Goethe zijn "heer en meester" Spinoza kende, gingen zijn

sentimenten in de richting van diens wijsbegeerte; ook toen hij hem nog

verfoeide. Later verliet hij zich gaarne op Spinoza, omdat deze met

strenge betoogen aannemelijk maakte de ideeën, die hij zelf in stilte

koesterde. Dat de jonge Goethe juist Spinoza tot leidsman, bijna tot

voorvechter koos, is in een speciaal opzicht typiesch voor zijn

geestesaanleg. Immers de Hollandsch-semitische philosoof is wel streng

en sober in woordkeus, wel nauwkeurig in redeneertrant, maar een fijn

logicus in den modernen zin des woords toont hij zich zelden. Zijn

"geometrische methode" is een soort contrôle-middel, een uiterlijk

ordenings-principe, dat hij zich willekeurig oplegt. Uit den aard van

zijn onderwerp vloeit het niet voort. Hij is een intuïtief vinder, een

fijngevoelig ontleder van zijn eigen aandoeningswereld. En juist

daardoor (niet alleen dus door den schijn van exactheid) kan hij den

ontluikenden jongeling leiden. Hij heft diens liefste gevoelens in de

sfeer van zijn edel en gerijpt gemoed, en toont dat ze daar passen. De

vredeslucht waait er Goethe tegen; terwijl hij in _eigen boezem schouwt_

meent hij _de wereld_ nog nooit zóo duidelijk te hebben gezien. Men

lette op dit veelzeggend beeld!

II. Want het verklaart: waarom de ontspoorde Leipziger student, de

dichter die wel techniek maar geen onderwerpen heeft, besluit zijn

werken tot "een groote biecht" te maken, tot een reservoir dat al zijn

vreugde en zijn kommer zal bevatten. Hij zelf motiveert dit

besluit--waaraan hij zich heel zijn leven zal houden--al byzonder

slecht. De reden er van kan niet gelegen zijn in de dorheid van de

poëten, die hem tot voorbeeld dienden; niets belette hem, die zoo

critiesch tegenover hen stond, sappiger te zijn. Ook niet in de

onbelangrijkheid van zijn omgeving. Neen, het proces dat zich in zijn

onbewuste wezen afspeelt komt hierop neer: hij tracht (wat de grijze

schrijver van _Wahrheit und Dichting_ wel weet) zijn pijnen,

hartstochten, verlangens, de menschen die hij haat of niet begrijpt,

thuis te brengen in de sfeer des Geheels: In de sfeer van het blijvende,

noodzakelijke, essentiëele houden de hartstochten op "lijdingen" te

zijn. En Goethe vindt deze sfeer in eigen boezem. Dit is dan ook de

ruime wereldblik dien hij in Spinoza prijst, zoodra hij (omstreeks den

Werther-tijd) diens Ethica (_d. i._ niet Moraal, doch Levensbegrip)

leert kennen.

III. Zijn overgave aan Spinoza--terwijl hij diens werken niet

stelselmatig bestudeerde, maar ze oplettend doorbladerde--was toch niet

een geloof. Zij berustte aanvankelijk op de gerubriceerde, rustig

gebouwde en samenhankelijke uiteenzetting van zijn lievelingsidée (God

en natuur zijn niet te scheiden), die hij bij dien denker aantrof; doch

al spoedig op zijn steeds toenemend vertrouwen in een van de voornaamste

(voor hem en voor Spinoza eigenlijk _de_ voorname) menschelijke kenbron,

nl. het intuïtieve weten, de rechtstreeksche aanschouwing van de

Waarheid. Deze kenbron wordt door Spinoza gerechtvaardigd met dit

betoog: De toereikende, wezenlijke kennis van eenige attributen Gods kan

leiden tot de kennis van het Wezen der dingen. Gods liefde tot ons

menschen manifesteert zich door ons innerlijk verwant-zijn, dat is ons

deel-hebben aan God; door ons vermogen hem te kennen en zoodoende in

Gods wijsheid rust en welbehagen te vinden.--Hoe echter Gods liefde te

verwerven? Wij moeten God volkomen onbaatzuchtig liefhebben, zonder te

verwachten dat God ons wederkeerig zal beminnen. Want door zulks te

verwachten zouden wij aan God een hartstocht toeschrijven, die hem niet

kan passen, daar God de volmaaktheid in zich zelve is, en degeen die

zich door hartstocht laat leiden zich afhankelijk stelt van iets anders.

God bemint ons echter in zooverre wij opgaan in het Geheel, d. i. in God

zelf; want hij is alom en heeft behagen in eigen volmaaktheid, waartoe

wij gaan behooren in zooverre wij ons overgeven. Deze overgave geschiedt

doordien onze Geest zich voortdurend bezig houdt met de liefde tot God.

Nu, deze liefde is het streven naar wezenlijke kennis van de wereld, de

natuur, onze eigen aandoeningen; die de strekking heeft, ons van onze

hartstochten te bevrijden, dezen hun plaats aanwijzend in de sfeer van

de noodzakelijkheid, die wij door onze innerlijke verwantschap aan God

kennen.

Maar: gelijk wij op het terrein van ons levensgedrag door deugd (_d. i._

vrijheid) ons verheffen en de goddelijkheid benaderen; zoo maken wij ons

op het terrein des intellects, door oplettende beschouwing van de eeuwig

werkende natuur, waardig, aan haar scheppend vermogen deel te erlangen.

Dan geeft ons innerlijk antwoord op teekenen uit de buitenwereld.

"Indien ik de wereld niet reeds door voor-besef in mij had gedragen

(aldus Goethe tot Eckermann) dan ware ik met ziende oogen blind

gebleven, en al mijn vorschen en ervaren ware een totaal vergeefsche

bemoeiing. Het licht is daar en de kleuren omgeven ons, maar droegen wij

geen kleuren en geen licht in ons eigen oog, wij zouden die ook buiten

ons niet waarnemen".

2. DE DICHTER.

IV. Hiermede is dit gezegd: de dichter, in deugdzaamheid, in

onbaatzuchtigheid, in de grootst bereikbare innerlijke reinheid

scheppend, brengt zins-beelden voort, welke even waar, vast, evenwichtig

en noodzakelijk zijn als natuurgewrochten. Goddelijke gewrochten dus,

die den dichter over zijn eigen lijden onderrichten en hem bevrijden.

"Wanneer ik sprak (laat Goethe zijn Prometeus zeggen) waande ik God te

hooren, en meende ik God te vernemen, dan sprak ik zelf". De kunst, zoo

opgevat, is dus niet nabootseres van de natuur, doch duidster van de

natuur. Het schoone is dan een openbaring van geheime natuurwetten, van

een eeuwig-werkenden Geest, die--indien hij geen gestalte aannam--eeuwig

verborgen ware gebleven. Door de kunst vindt de enkeling zich in de

ruimteloosheid weer; door haar wordt overgave genot. Zij maakt het

mogelijk, zich in het Geheel te verheugen, door dit Geheel in het

kleinste te aanschouwen. Want de Geest des Geheels is

"das Ewig-eine

Das sich vielfach offenbart".

V. Begrijp nu dat de jonge, angstig zoekende Goethe de kiem van deze

ideeën in zich droeg. Zie dan zijn offerande, waarmede hij kinderlijk

wijsneuzig God _rechtstreeks_ zegt te vereeren; zie hem vluchten in de

ongerepte natuur of bij natuurlijke menschen, als hij zich uit den druk

van hartstocht of uit de kwelling van onbegrijpelijkheid wil bevrijden;

zie hem later in de uitbeelding van natuur-sentimenten, van ongetemde

menschen verkwikking zoeken; begrijp in dit licht zijn uitroep: Natuur,

natuur! niets zoo natuurlijk als Shakespeares menschen! Te Straatsburg

rijst het beslissende woord in hem op: God en de natuur zijn niet te

scheiden. En van dezen kant nadert hij de Sturm-und-Drangbeweging, die

in alle opzichten een terugkeer tot de natuur voorstaat. Men had zoo

lang dat groote onbekende geheel naar menschelijken maatstaf gemeten en

gekeurd; nu zou men de gekunstelde begrippen "goed en kwaad" afschaffen,

teneinde, omgekeerd, de ontzenuwende beschaving te oordeelen naar

natuurlijke begrippen. Uit dezen gezichtskring ontspringt Werther, die

herhaaldelijk tegen de heerschende moraal protesteert. Maar in de

motieven, die Goethe tot de beweging drijven, ligt reeds een aanleiding

tot scheiding opgesloten. De uiterste toespitsing van de

Sturm-und-Dranggevoelens geeft het geval Werther te aanschouwen: Zij

willen aanpassing aan de uiterlijke natuur, geheelen ondergang desnoods

in de uitleving van aangeboren hartstochten; ik echter zoek de edele,

verborgen kern van de natuur, die ook in het menschenhart woont. Goethes

moraal wordt: zie de uit uw wezen voortvloeiende wetten in

overeenstemming met de wetten des geheels. Doch daartoe moet alles

overwonnen worden, wat den mensch afhankelijk maakt van de buitenwereld.

_Zelf_beperking en ontzegging wijzen dus den weg tot heil. Zelfs God kan

niet buiten de wetten gaan, die uit zijn wezen voortvloeien,--zoo luidt

een woord van Spinoza dat Goethe diep ontroert. Hij heeft tot dan toe de

natuur beschouwd, ja, maar "van buiten naar binnen". Hij heeft in zijn

indrukken gezocht naar het noodzakelijke, dat is het Goddelijke. Nu gaat

hij bewustelijk den tegengestelden weg op. Aan het _begrip_, dat uit

zijn onbewuste wezen ontspringt, gaat hij _vorm geven_. Zooals het

Eeuwig-Eene zich openbaart door een natuurlijken (waarneem- en

zichtbaren) vorm aan te nemen, zoo moet nu zijn innerlijk zich

manifesteeren. Het omhult zich daartoe met motieven uit de ervaring, of

(zooals Schiller eens zeide) Goethe gaat den mensch _opbouwen_ uit zijn

natuurlijke bestanddeelen. Aanvankelijk _reconstrueert_ hij figuren,

zooals hij ze in hun geheel heeft waargenomen; later (van Egmont, of

liever: reeds van Carlos af) geeft hij figuren die hij vrij schept. Door

toenemende zelfzuivering leert hij zich steeds nauwkeuriger bedienen van

het nieuwe orgaan, dat uit zijn eigenaardige Godsvrucht is geworden:

_het intuïtieve intellect_. En nu herroept de lezer den glimlach, dien

hij zich veroorloofd heeft bij onze vraag, of Iphigenie is menschenwerk

of Gods-gewrocht.

VI. Goethe tracht met dit "orgaan" voortdurend naar eenzijn met het

hoogste, zoodat gedurende lange tijdvakken de kracht om van het goede af

te wijken hem schijnt ontvreemd. Hij voelt zich rechtstreeks in Gods

greep. Gelijk Egmont zweeft hij slaapwandelend van daad tot daad. Hij is

(naar Jacobi's uitdrukking) een _bezetene_. Eerbiediglijk beschouwt hij

zijn dichtkunst als noodzakelijke manifestatie Gods, als een

natuurkracht. Half-sluimerend gaat hij des nachts naar zijn lezenaar en

schrijft met potlood, diagonaalsgewijs zijn liedjes op flarden papier,

die hij aantreft. Voordat hij zich ter ruste legt, verwijdert hij den

inktpot, vreezend dat het krassen van zijn veder hem zal schrikken uit

zijn scheppingsdroom. 's Morgens bekijkt hij zijn werk, zooals een kloek

de kuikens bekijkt, die ze heeft uitgebroed: hij heeft het voortgebracht

en ziet het niettemin voor het eerst.

Wisset nur, dass Dichterworte

Um des Paradieses Pforte

Immer leise klopfend schweben,

Sich erbittend ew'ges Leben.

VII. In de instandhouding van deze geheimzinnige innerlijke kracht,

waarin zijn reinste neigingen en ideeën zijn saamgevloeid, m.a.w. van

zijn ~Persoonlijkheid~, zoekt hij zijn hoogste geluk. Zijn eenig geluk.

Genot der zinnen is hem niet ontzegd, mits het niet op zich zelf een

doel wordt, mits het bijdraagt tot zijn leering, zijn opgewektheid, het

evenwicht zijner lichaamskrachten. Maar vrij moet hij staan tegenover

genot en have; hij moet er desnoods afstand van kunnen doen, ook ten

behoeve van misdeelden. Zij die buiten de mate, door hun persoonlijkheid

gesteld, naar aardsche goederen haken, zullen deze ten slotte verachten

en "alles" ijdel vinden, wat zondig is: Immers Geest en materie, ziel en

lichaam, gedachte en uitgebreidheid, zijn noodzakelijke

dubbel-verschijningen van het Universum, die gelijke rechten hebben, en

_te zamen_ als stedehouders van God zijn te beschouwen. De natuur, aldus

gezien, heeft evenmin een kern als een schaal. En toch heeft ieder zich

ter dege af te vragen: ben ik kern of schaal?

VIII. Want in de ongrijpbare kern van natuur leven Entelechiën, dat zijn

krachten, wier wezen is werkzaamheid. "Als ik (dus) tot aan mijn

levenseinde rusteloos werk, is de natuur wel verplicht, mij een anderen

zijnsvorm aan te wijzen, wanneer de tegenwoordige mijnen geest niet

langer kan bevatten". Maar niet ieder is op deze wijze persoonlijk

onsterfelijk: Om mij in de toekomst als groote entelechie te

manifesteeren, moet ik er een zijn: mijn werkzaamheid mag dus nooit

verslappen.

Dit is het inzicht dat Goethe in zijn later leven verwierf, nadat hij

geweldige hartstochten en begeerten had moeten overwinnen, om niet van

zijn blijvende goed, zijn persoonlijkheid, te vervreemden. Hij ging naar

Italië om dezen strijd uit te vechten. Te midden van de werken der

antieken, die het individueele (dat den mensch uiterlijk onderscheidt

van soortgenooten) met het persoonlijke (dat den mensch aan God bindt)

vereenigen, vatte hij het besluit: zich voortaan slechts met dingen van

blijvenden aard bezig te houden. Allengs kreeg de wereld minder vat op

hem en kon hij vrienlijk afstand doen van veel genot, veel lof, veel

instemming. En hij keek zoo rustig de wereld in, dat (naar getuigenis

van tijdgenooten) van zijn verschijning wel evenveel invloed uitging als

van zijn werk. Deze gemoedsrust, waarmede hij velen gelukkig maakte,

sproot voort uit de begrippen, die hij na veel lijden had

voortgebracht.

3. DE NATUURBESCHOUWER.

IX. Is dus zijn werken als scheppend kunstenaar hem geen liefhebberij

maar welbewust een heerlijke plicht, welker vervulling zijn

persoonlijkheid vormt, volmaakt, en hem Gode welgevallig doet zijn;

hetzelfde geldt van zijn arbeid als natuuronderzoeker. Hij vorscht naar

het noodzakelijke in de natuur teneinde zijn zedelijk leven vaster, zijn

kunst dieper, zijn godsdienst vruchtbaarder te krijgen. Al deze uitingen

streven naar hetzelfde. Wie Goethe als kunstenaar of als mensch

hoogstelt, moet de grondslagen van zijn natuurbeschouwing kunnen

waardeeren. Of liever: Men kent Goethe volstrekt niet, zoolang men niet

zijn kunst en zijn wetenschap, als factoren van zijn zieleheil, even

ernstig neemt.[A] Hij zelf deed het stellig: hij wist dat van deze twee

zijn leven afhing.

[A].... "Immers er bestaat geen noodzakelijk verband tusschen de

intellectueele kracht waarvan een of ander onderzoek getuigenis aflegt,

en de daarmede verkregen resultaten. Vaak genoeg ligt een juiste

verklaring betrekkelijk voor de hand, zoodat zij door een

wetenschappelijken flaneur zonder veel moeite kan worden geraden;

terwijl de ernstige denker, beter dan de ander doorgedrongen in het

omvangrijke materiaal, nog geen kans ziet die verklaring streng toe te

passen, en dus aan een andere die naderhand blijkt onjuist te zijn de

voorkeur geeft. Zoo raadde Bacon de mechanische warmte-theorie, en

Goethe de descendentieleer; zonder dat zij daarom in de geschiedenis van

physica of zoölogie op een hoogeren rang aanspraak zouden hebben dan

anderen, wier ernstiger onderzoek aan hun gelukkig instinct in den weg

stond".--Goethe heeft het allemaal als wetenschappelijk flaneur

"geraden". Deze goedkoope oplossing wordt verstrekt door den psycholoog

Prof. Heymans, in zijn overigens van zooveel eruditie getuigend werk:

"Schets eener critische geschiedenis van het causaliteitsbegrip in de

nieuwere wijsbegeerte." Inleiding, p. 2--De vraag is nu naar een

psychologie van het "raden".

Reeds als kind zoekt hij de natuur te begrijpen. Als student in de

rechten volgt hij bij voorkeur allerlei colleges over natuurwetenschappen.

Onwillekeurig tracht hij naar verkeer met natuurgeleerden, omdat die,

ieder op eigen gebied, zoo goed de détails kennen, en hem, nog voordat

hij heeft onderzocht, een algemeen idee kunnen verschaffen van het

feiten-materiaal. De beschrijvingen, die hij levert van zijn tochten

door woud en gebergte, zullen in den negentiend'eeuwschen mensch liefde

tot de grootsche vrije natuur wekken. Op uren dat jonge studenten zich

nog in hun bed omkeeren, zien wij den reeds wereldberoemden Goethe door

sneeuw en regen naar Loders theatricum anatomicum flaneeren, waar hij

soms de eenige toehoorder is. Als nu toevallige aanleidingen zijn

sluimerende begeerte naar stellige wetenschap van de natuur doende

maken, ziet hij zich lijnrecht geplaatst tegenover zijn tijdgenooten,

die hem niet als medegeleerde willen erkennen--en wier spotternijen

nog tot op den huidigen dag schijnen te gelden. Toch is hij de man, die

de kennis van de organische natuur tot een _wetenschap_ heeft omgevormd.

X. Met de Renaissance begon een ietwat strengere beoefening van sommige

wetenschappen: en de mensch, met vele nieuwe instrumenten "het onbekende

veroverend", ontdekte, verkende zooveel vreemde landen, gewassen en

menschen, zooveel wemelende sterren, gedierten en verschijnselen, dat

men op het einde van de achttiende eeuw ernstig verlangde naar _orde_ in

de menschelijke kennis. Het spreekt wel van zelf, dat men bij die

ordening aanvankelijk op een verkeerde manier te werk ging. Voor zoover

men niet, gelijk de encyclopédisten, aanstuurde op een veelomvattend,

overzichtelijk résumé van alle in den loop der eeuwen verzamelde

gegevens, ordende men de gegevens naar _uiterlijke_ kenteekenen. Zoo

bracht Linné de planten in "systeem" door ze te rangschikken naar het

aantal meeldraden etc. dat haar bloem vertoonde, naar den vorm van kelk

of blad. Deze methode, zelfs als ze door een talentvol geleerde wordt

toegepast, brengt, op zich zelf beschouwd, de wetenschap niet verder;

immers men heeft eerst het bewijs te leveren, dat dergelijke kenteekenen

iets zeggen omtrent het wezen van de voorwerpen waaraan men ze vindt; de

geheele rubriceering valt ineen, zoodra blijkt dat een bepaald uiterlijk

kenmerk bij voorwerpen van verschillenden _aard_ wordt gevonden. Zij

doemt de wetenschap tot onvruchtbaarheid; zij kweekt kamergeleerden en

aan den anderen kant charlatans, die haar fouten vermoeden maar te zwak

zijn om ze te corrigeeren, en door hun volslagen bandeloosheid het

menschelijk weten in discrediet brengen; zoodoende een mysticisme, het

menschelijk denken vijandig, aankweekend, dat met ware Godsvrucht weinig

heeft uitstaande. Aldus de stand van zaken in Goethes jonge jaren. Nu,

hij schiep een wetenschappelijke werk-methode, die in onzen tijd wel

door alle ernstige onderzoekers stilzwijgend of uitdrukkelijk wordt

gehuldigd, maar die in zijn tijd ontsteltenis wekte.

XI. Hij wenscht nl. dat de onderzoeker door langdurige beschouwing van

de natuur: aandachtig, belangeloos, onbevangen, zich vertrouwd make met

het intieme leven en werken van de natuur, zooals het zich uit in de

gedaanten en gestalten, die hare schepselen aannemen en noodzakelijk

moeten aannemen. Voelt hij met zijn intuïtief kenvermogen den Geest,

waarvan alle levende wezens de verschijning zijn, zooals het volmaakte

kunstwerk de verschijning is van de zuivere kunstenaarsziel, kent hij

aldus de wereld van binnen naar buiten, dan is voor hem het oogenblik

gekomen om van gedragslijn te veranderen. Hij heeft al wat hem gegeven

is ontleed; nu gaat hij zelf geven. Naar den maatstaf, dien hij aan de

ware werkelijkheid heeft te danken, gaat hij scheppend te werk, en

contrôleert nu door opzettelijke proefneming of de _typische_

natuurgewrochten, zooals hij zich die denkt, mogen beschouwd worden als

vertegenwoordigers van het wezen der dingen, van het blijvende in de

bonte en warrelende wisseling der verschijnselen:

"Anschaun wenn es dir gelingt

Dass es erst ins Innre dringt

Dann nach aussen wiederkehrt

Bist am herrlichsten belehrt".

Zoo ontwikkelt zich wetenschap uit poëzie.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 19 / 29 段