kans zien, er den lezer eenig idée van te geven, zonder een résumé, nog
veel uitvoeriger dan dat van "Iphigenie"; het kan ons doel niet zijn,
den lezer oppervlakkig in te lichten. Wie onze beschouwingen over
Iphigenie heeft verteerd, dringt gemakkelijk zonder nadere voorbereiding
in Tasso door en is tegen vele tegenwerpingen van de critiek gepantserd;
hij begrijpt waarom men ook Tasso een "dramatiesch gedicht" wil
noemen.--Niemand geloove dat wij dit laatste drama ten achter stellen
bij allerlei werken, die wij wel uitvoeriger bespreken. Wij meenen dat
het, wat gedétailleerde karakterteekening betreft, nog boven Iphigenie
staat, en daardoor op min-aandachtige naturen heviger werkt. Daar het
echter een speciaal geval--een achterdochtigen, zich overschattenden
dichter aan een hof--behandelt, zouden wij het willen noemen: minder
universeel dan Iphigenie.
Na herhaalde uitnoodiging liet deze zich verleiden, de hertogin-moeder,
die zich in Italië bevond, tegemoet te reizen. En dit doet zeker niet
denken aan een verbond tusschen de Voorzienigheid en Goethe. De
impressies van zijn eerste oponthoud in dat land hadden hun taak
volbracht: hij bezat ze thans als de ideeën die ze hadden gewekt, en
voor de oorspronkelijke, ongemengde sensaties was hij niet meer
ontvankelijk. Die hadden te lang en te lief ook in zijn herinnering
gerust, dan dat het weerzien niet tot ontnuchtering moest leiden. En
terwijl Goethes blik voor veel schoons bleef gesloten, zag hij nu in
Italië veel scherper het leelijke, onreine, waarover hij zich vroeger
met luchtigen humor had heengezet.
In het kille regenweer lijkt Venetië hem nu een slijkige kikkerpoel,
waar de Duitsche "Redlichkeit" ontbreekt, waar bijgeloovige, leelijke,
luidruchtige papen baasje spelen. Slechts in half-duistere "Spelunken"
_d.i._, in verdachte koffiehuizen, met onfatsoenlijke avonturiers, kan
hij zich vermaken. Hij pruttelt over de opkomende Fransche revolutie,
over het vele geld dat hij in Italië kwijtraakt, bekijkt schilderijen en
gebouwen met koele oogen, vindt grimmige voldoening in de studie van
zeedieren, leeft een moment op, als zijn knecht op het Jodenkerkhof een
gebeente vindt, dat deze komiekelijk een jodenkop noemt; in
werkelijkheid een schaapschedel, zoo gebarsten, dat ze zijn
onderstelling "alle schedelbeenderen zijn vergroeide wervels" bevestigt.
Na de hooggestemde Romeinsche Elegieën volgen nu de stekelige, bitse,
pijnlijk spottende _Venetiaansche Epigrammen_, die een schat van
cyniesch genuanceerde levenswijsheid bevatten. Hij verlangt naar zijn
tuintje, naar Christiane, den "magneet die hem naar 't Noorden trekt".
Maar hij is er nauwelijks, of hij laat zich weer van zijn steenen en
bloemkoolen sleepen. Hij volgt den hertog, die generaal-majoor in het
Pruisische leger is geworden, naar 't kamp in Silezië, en maakt van
daaruit reisjes door Slavisch Europa, opmerkend en afkeurend, veel
merkwaardigs--zij het ook negatief-merkwaardigs--ontmoetend. "Ver van
alle beschaving" denkt hij voortdurend aan de uitwerking van zijn ideeën
over dier- en delfstofkunde. In de oneindige natuur ontbreken tenminste
de Eidola _d. i._ dwaalbegrippen, die de menschen onderling verdeeld
houden.
Hij is door een toeval tot de meening gekomen dat de kleurenleer van
Newton fout moet zijn. Eigenlijk tegen zijn wil gaat hij aan het
onderzoeken, en vindt zich gesterkt in zijn overtuiging. Hij gelooft te
weten, dat hij het vooroordeel van de schoolgeleerden en van de volgzame
massa niet plotseling, doch tactvol-geleidelijk, moet te keer gaan. Een
jaar na zijn Metamorphose der Pflanzen geeft hij zijn "_Beiträge zur
Optik_" in 't licht. Door systematische beschrijving van een reeks
vernuftige proeven, tracht hij twijfel te wekken omtrent de juistheid
van de ook in onzen tijd gangbare licht- en kleurtheorie. Duidelijke
teekeningen op afzonderlijke cartons vergemakkelijken het volgen van de
proeven. Nu trachten bevriende professoren hem van verdere
leeke-dwaasheden terug te houden. Niet-bevriende professoren halen hun
schouders op en spotten. En dit, terwijl ieder lichtverschijnsel voor
hem schijnt te pleiten, terwijl sommige schilders, die hun verven naar
zijn voorschriften over hun werk verdeelen, de mooiste effecten
bereiken!
Met taaie verbittering construeert hij nu aan zijn groote
"_Farbenlehre"_ die ook in onze dagen niet mag gelden, maar slechts door
enkele vakmannen behoorlijk wordt gekend, en nog nooit afdoende is
weerlegd. Zeker heeft hij zelf bijgedragen tot de miskenning, die dit
sublieme werk trof, en wel door den schijn te wekken, alsof hij er een
natuurwetenschappelijk vraagstuk behandelt, terwijl het is een
_wijsgeerig_ vraagstuk, dat buiten den gezichtskring van de meeste
physici valt: gelijk de schrijver van deze bladzijden--voor zoover hij
't nog niet wist--heeft ervaren, toen hij op dit punt bij natuurkundigen
van professie voorlichting trachtte te vinden. Doch wat moeten zulken
ook denken van een auteur, die in een als wetenschappelijk aangekondigd
boek begint met een lyrische beschrijving van het Italiaansche landschap
en dan, alsof er niets gebeurd is, aankondigt: "Ik laat een gordijn over
deze schildering vallen, opdat zij ons niet in de ~rustige beschouwing~
store, waarmede wij nu een aanvang willen maken!"
Intusschen werd het ernst met de Fransche revolutie: de bloedige
Septembermaand van 1792, de onthoofding van Lodewijk XVI en Marie
Antoinette schrikten hem op uit zijn zelf-cultuur. Veler oogen richtten
zich naar hem; men verwachtte van hem een wijze uitspraak. Hij gaf die
voorloopig niet en boette daardoor nog meer in van zijn leiderschap, dat
hij reeds ten deele aan Schiller had moeten afstaan.
Hij had jarenlang getracht, de gebeurtenissen in Frankrijk maar ten
halve ernstig te nemen. Het voorspel van de omwenteling zag hij zoo, dat
hij het wilde behandelen in een operette. Het ontwerp daarvoor zette hij
later--om zijn tooneelgezelschap aan een stuk te helpen--in het blijspel
"_Grosskopta_" om, dat hier buiten bespreking blijve. In "_Der
Bürgergeneral_" meende hij aan te toonen, welk koddig en bevredigend
verloop zoo'n opstootje zou hebben in een verstandig geregeerden staat,
als Weimar. Maar tot zijn ontsteltenis merkte hij, dat hoogstaande
mannen als Knebel, Herder, Klopstock, Wieland, Schiller de nieuwe ideeën
meer of minder waren toegedaan, en vol geestdrift wisten te vertellen
van een "morgenrood" dat daar in Frankrijk straalde. Dat hij er zich
niet mee wilde inlaten, de revolutie eerst als een grap, later als een
rampzalige misdaad beschouwd wenschte, schreef men toe aan zijn
zelfzuchtige gevoelloosheid.
Te onrechte! Het kon hem slechts aangenaam zijn, zooveel mogelijk voor
anderen te leven, daar onbaatzuchtigheid en ontzegging--volgens zijn
opvattingen--met God vereenigen en slechts hij, die voor zijn liefde
geen wederliefde vraagt, Gods liefde waardig wordt. Bovendien: hij
hield van hetgeen men in die dagen "de lagere standen" noemde: vele
geestelijke eigenschappen, die hij voor zich zelf begeerde, vond hij in
den minderen man; zóo sterk dat hij zich altijd moest hoeden voor groote
woorden, als hij over de volharding, den moed, de eerlijkheid, de
fierheid van het volk sprak. Nooit heeft hij zich heengezet over het
gevoel, dat hij leefde ten koste van anderer armoe, dat het Muzenhof te
Weimar het merg van de arbeiders opzoog. Hij oordeelde ook dat er
beterschap moest komen in de verhouding van vorst tot volk: hij was te
Weimar aan het werk gegaan om van dit kleine staatje een aanmoedigend
voorbeeld in dezen te maken.
Maar hij kon niet toegeven, dat heilzaam-doelmatige hervormingen zouden
intreden, wanneer het volk zich zelf trachtte te helpen. Regeeren was
voor hem een kunst, die zich slechts door enkele uitverkorenen,
toegerust met veel wetenschap, ervaring, zelfkennis liet beoefenen. Hij
wist wel, dat ook menig vorst die kunst niet verstond en hij vond dan
ook dat Carl-August--en niet alleen deze!--inderdaad zijn voorlichting
behoefde. Doch dat er weinig loffelijks te verwachten viel, als het volk
handelend optrad, hij besefte het niet alleen, hij zag 't voor oogen!
Het Fransche volk (meende hij) handelde niet kalm, doch opgezweept en
geleid door demagogen, die in den regel het oog op eigen voordeel
hadden. Het joeg idealen na, die slechts warhoofden of door angst
verblinde lieden konden boeien. "Vrijheid!"--alsof staatsburgerlijke
vrijheid zoo overwegende waardij heeft voor menschen, die hun
hinderlijke begeerten en instincten niet kennen of beheerschen; om nog
niet eens te spreken van de verborgen demonische machten, die den mensch
beïnvloeden. "Gelijkheid!"--alsof voor den natuurkennenden denker ooit
twee individuen aan elkaar gelijk kunnen zijn; alsof niet ieder voor
zich moet streven naar gelijkheid--niet met zijn buurman maar met den
Hoogste! "Broederschap!"--- die den onwillige met geweld wordt opgelegd.
"Het welzijn van de Menschheid!"--alsof die "Menschheid" niet een doode
abstractie ware, op zijn hoogst een verzameling van individuen die--hoe
rijk ook--slechts in eigen Ik ten slotte hun geluk konden vinden.
Zooals eens de Lutheranen, zoo drongen nu de Fransozen rustige
beschaving, historiesch geworden toestanden gewelddadig terug. En zoo
iets dergelijks ooit mocht geschieden, dan toch slechts door ter zake
kundigen, die weten wat zij, op straffe van mislukking, hebben te
sparen. In dezen zin was Goethe _Freund des Bestehenden_. Wie (zoo vroeg
hij bezorgd) wie zal de stuurlooze massa tegen zich zelf beschermen, als
al het oude is afgebroken?
Kortom, de nooden des volks bij ondervinding kennend, kon hij als
nuchter en evolutionair denkend staatsman vóor noch tegen, als
Heldenvereerder en redelijk menschenvriend slechts tegen de omwenteling
zijn. Vooral toen de Duitsche vorsten, door ongerustheid bevangen, de
gewetensvrijheid in hun staten gingen beknotten, hun hervormingsgezinde
naburen bedreigden, de studenten in verzet brachten. Maar zij die het
volk onder den duim wilden houden door het te bedriegen, omdat het volk
toch zoo dom leek en zoo dwaas, vonden in hem een bestrijder. De gravin
in _Die Aufgeregten_, die niet moede wordt op rechtvaardigheid aan te
dringen, sprak naar zijn hart: Revoluties (zei hij) ontstaan altijd door
de schuld van de regeering.
Zijn gedachtehouding was van dien aard, dat de gunstige gevolgen van de
groote omwenteling hem moesten verrassen. Maar zijn vrienden, die in 't
wilde declameerden over De Vrijheid, hadden die evenmin voorzien. En
terwijl zij, na hun landgenooten te hebben opgezweept, moest inbinden,
toen over het rijk der broederschap het bloed begon te stroomen, kon
Goethe zijn standpunt onveranderd handhaven.
Mede onder den drang van de émigrés, wapenden zich de Duitsche vorsten
tegen de republiek, die met de in hun oogen heilige tradities had
gebroken, en daardoor ook voor hen gevaarlijk werd. De plotselinge
oorlogsverklaring van Fransche zijde, die hierop volgde, bracht ook den
hertog van Weimar aan 't hoofd van zijn Pruisische curassiers in 't
veld. Niet omdat de zaak zelf hem warm maakte, doch louter uit
vriendschap voor Carl-August, besloot Goethe den krijg mee te maken.
Bovendien: aan het hoofd van een zegevierend leger Frankrijk binnen
stormen, de operaties van maarschalken en diplomaten van nabij doorzien,
voortdringen tot het brandpunt der omwenteling,--al deze zeldzame
ervaringen zouden zijn zelfopvoeding voltooien: hij mocht ze zich niet
laten ontgaan.
Op weg naar de grenzen stapte hij in Frankfort af, bij zijn moeder,
thans een alleenwonende weduw, die hij in geen dertien jaren had
bezocht. Vaak genoeg in al die jaren, bij al die reizen, hadd' hij
gelegenheid gehad om enkele dagen aan vrouwe Aja te geven; meermalen had
hij verlangd, voor de verdrietelijkheden en de teleurstellingen die hem
troffen soelaas te zoeken bij zijn kloeke, wijze, alles begrijpende
moeder. En hij zou dan ook herhaaldelijk naar Frankfort zijn gevlucht,
indien niet die wijze vrouw zijn moeder ware. Maar juist als moeder
vormde zij het machtig-reactionaire element in zijn levensloop. Zij zou
hem _uit_ de klem hebben gered, terwijl het steeds bewuster zijn streven
werd: niet door terugtreden maar door volkomen afwikkelen van elke
nieuwe moeilijkheid zich te bevrijden. En zoo kon hij eerst naar zijn
moeder gaan, toen aan hem geen mensch meer iets te redden vond: toen
heel zijn levensstrijd zich voortaan in zijn geheime binnenste moest
voltrekken. Als alle groote mannen verrichte hij zijn vurigste,
beslissendste en hoogste daden verre van de geliefde moeder. Maar weinig
dichter-moeders hebben hierin zoo verheven kalm berust als Elisabeth
Goethe ...
Hij beschouwde dit bezoek als een proefneming: Kon hij te Frankfort
voldoende vrij leven?--Hij bleef maar negen dagen.
In het kamp van de verbonden Duitschers bemantelde hij door
hulpvaardigheid, vroolijkheid, koelbloedigheid, zijn eenigszins
twijfelachtige positie van werkeloos pottenkijker. Maar toen hij
oneerbiediglijk de staatslieden begon te vergelijken bij
tooneeldirecteuren die veel bedillen, maar zelf niet meespelen, voelde
hij zich vrijer. Zijn kleurtheorie liet hem geen rust: het geschutvuur
en visschende soldaten stelden hem voor merkwaardige lichtverschijnsels.
Hoewel het weer àl ongunstiger werd--Jupiter Pluvius, de regengod, leek
waarempel wel Jacobijn geworden, zoo plaagde hij de Duitschers!--hielden
kleine overwinningen den moed in de soldaten. Goethe had zijn vrouw
beloofd, haar iets moois mee te brengen uit ... Parijs. Maar de slappe,
planlooze leiding kwam den verdedigers van tucht en orde--die intusschen
de Fransche landlieden schaamteloos beroofden--op de nederlaag bij Valmy
te staan. Gedurende de beruchte kanonade reed Goethe, ondanks de
waarschuwingen van de officieren, naar de uiterste gevechtslinie, waar
kogels en kartetsen hem om de ooren borrelden en gierden. Hij wilde de
kanonkoorts leeren kennen, en hij was te zeer volbloed onderzoeker om
daarbij op zijn leven te letten. Hoogst opgewonden keerde hij terug:
sinds Straatsburg had hij maar zelden gerild. Toen dien nacht de
vorsten, alvorens zich op den vochtigen grond uit te strekken, hem
vroegen wat hij van den toestand dacht--hij was in het kamp beroemd om
zijn snedige antwoorden--sprak hij plechtig: Mijne Heeren! van hier en
heden begint een nieuw stadium in de wereldgeschiedenis; en Gij kunt
zeggen dat Ge er bij zijt geweest!
De verbondenen moesten nu al de behaalde voordeelen stuk voor stuk
prijsgeven. Gedurende den afschuwelijken terugtocht, door allerlei
ontberingen doodziek geworden, nam Goethe, nadat de hertog er lang op
had aangedrongen, van het leger afscheid. Onderweg bereikte hem een
zwervende brief van zijn moeder, waarin deze polste of hij bereid was,
zich tot lid van den Stadsraad in Frankfort te laten aanwijzen. Hij
bedankte. Gelukkig dat de oude Caspar het niet beleefde!
Na vier maanden nu hier dan daar gelogeerd te hebben, bij verschillende
oude vrienden, die hem verwilderd vonden, en bij nieuwe kennissen, op
wie hij den indruk maakte een vroom katholiek te zijn, keerde hij naar
Weimar terug. Daar vond hij het huis, dat de hertog hem eerst in
bruikleen, later ten geschenke had gegeven, heel naar zijn smaak
verbouwd: een enorme vestibule, in Italiaanschen stijl, met antieke
beelden in de nissen, breede marmeren trappen, zalen waar hij zijn
geliefde schilderijen zou hangen; op de eerste verdieping de eenvoudige
werkkamer met aangrenzende bibliotheek; en verder de ruimten die hij tot
laboratorium en voor natuur-historiesch museum zou inrichten.--Om zijn
ergernis over het om zich grijpen van de revolutie te verdrijven, zette
hij zich aan zijn _Reineke Fuchs_, den "leeken-bijbel" die hem
gelegenheid gaf, menige bijtende spotternij te loozen, zonder dat men 't
hem kwalijk mocht nemen. Kort daarop nam de hertog ontslag uit dienst,
en toen was ook Goethes rol in het revolutie-tijdperk gespeeld.
Door vele geschriften trachtte hij zijn opvatting over de nieuwe
richting, die ook in Duitschland tierde, ingang te doen vinden. Een
ternauwernood bedwongen onrust spiegelt zich in deze geschriften
hinderlijk af. Op Grosskopta en den tendentieusen Bürgergeneral is reeds
gewezen. Het fragment _Das Mädchen von Oberkirch_ en _Die Unterhaltungen
der Auswanderer_ met _Het sprookje_ spreken voor zich zelf. Daarentegen
dient het treurspel _Die Natürliche Tochter_ uitvoeriger doordacht.
Het behoort tot de drama-groep Iphigenie-Tasso. De Trilogie, waarvan het
deel moest uitmaken (die echter in verband met nader te noemen
omstandigheden onvoltooid bleef), zou genoemde drama's _o. i._ in waarde
nabij zijn gekomen en, wat feitelijken inhoud en toepasbaarheid op het
werkelijk leven aangaat, hebben overtroffen. Doch vele Goethe-kenners,
die den dichter zijn standpunt tegenover de revolutie kwalijk nemen,
laten, als zij De natuurlijke dochter aanroeren, hun gewonen speurzin
varen. Zij, die Goethe roemen omdat hij zijn levensondervindingen in
zijn werk neerlegde, kunnen hem niet vergeven, dat hij de
zuiver-intellectueele ondervinding, in het boven besproken tijdvak
opgedaan, niet rechtstreeks, doch na ze te hebben verwerkt, in een drama
belichaamde. Zij achten het bijvoorbeeld een fout, dat noch de
omwenteling, noch het land waarin de handeling verloopt met name worden
genoemd; dat de groote gebeurtenissen van dien tijd in het stuk
rechtstreeks bijna geen rol spelen. De lezer die onze bespreking van
Iphigenie heeft gevolgd, begrijpt dat wij aan dit bezwaar weinig
hechten. Wij beweren dat van Goethe, gegeven zijn aanleg, niets anders
te verwachten viel. Ten eerste omdat hij de hier belichaamde ideeën
altijd _als ideeën_, nooit als zakelijke ervaringen heeft bezeten. Ten
tweede omdat voor Goethe, die omstreeks dien tijd bewustelijk
individualist was geworden, de groote gebeurtenissen in belangrijkheid
verre ten achter stonden bij de processen, die zij te voorschijn riepen
in de kleine _d. i._ de zedelijke wereld: in één ontvankelijke
menschenziel. Daardoor moest het stuk iets ontijdelijks, iets wezenlijks
krijgen. Zonder dat toespelingen op de Fransche revolutie er geheel in
ontbreken, moest het _verwijzen naar_ politieke woelingen in het
algemeen. Sinds Egmonts lieveken Clare vergeefsche moeite deed, om de
groote massa voor haar gevangen minnaar in 't geweer te brengen,
wenschte Goethe de massa, en met haar alle rumoerige gebeurtenissen, van
't tooneel te weren. De massa, die zelf niet oordeelt en van geen
zelfbedwang weet, kon geen kunstmotief zijn voor den denker, die slechts
in den met helder zelfbewustzijn strijdenden mensch, in het innerlijke,
in de zelfoverwinning behagen vond.
Goethe ontwierp zijn Natuurlijke Dochter (en de twee stukken die er op
moesten volgen) toen hij kennis had gemaakt met de (zoogenaamde)
_Mémoires_ van Stéphanie-Louise de Bourbon-Conti. Hij heeft echter de
karakters van de hoofdfiguren, en daarmede de motieven van hun doen, zoo
aanmerkelijk veranderd (hij deed dit reeds, toen hij nog meende zijn
historische gegevens te "dramatiseeren") dat ook in dit opzicht het
treurspel een geheel onafhankelijke schepping is. Overigens: de
personages, hoe scherp ook omlijnd, zweven in de atmosfeer van Goethes
gedachteleven. Ze staan ons voor oogen zooals ze zijn, maar bovendien
zooals ze zich verhouden tot 's dichters levenswijsheid. Slechts de
kunstenaar die het wezen der dingen bevroedt kan deze twee werelden
dooreenweven, zonder dit hier en daar uitdrukkelijk te constateeren.
Vrij en verantwoordelijk handelen de menschen in Goethes "classieke"
stukken, en toch ook weer gebonden aan een hooger beginsel. Zoo handelt
ook de mensch, wanneer men hem beschouwt in zijn geheimzinnige relatie
tot de eeuwige voorzienigheid.
De dichter heeft de stroom van plechtige gedachte, die zich door dit
treurspel mengelt, voelbaar gemaakt door de praegnante gedrongenheid van
zijn taal, die van den lezer of hoorder strenge aandacht vergt, terwijl
op vele plaatsen het lidwoord ontbreekt, en diepzinnige uitdrukkingen,
vreemde woordverbindingen, alliteraties en half-verhulde rijmen hem
beurtelings spannen en bekoren. De personen in dit spel spreken dus een
opvallend "onnatuurlijke taal". Alle kunst en alle cultuur is ten slotte
onnatuurlijk. Indien dit niet zoo ware, konden wij beiden missen. Een
bekwaam snelschrijver, die een belangrijk gesprek heeft genotuleerd en
zoo "natuurlijk" mogelijk, nl. letterlijk weergeeft, is daarom nog niet
een dramaturg. De gevoelens die Goethes figuren hier vertolken zijn
echter volkomen menschelijk--hoewel ook al weer niet zonder meer
"natuurlijk". Slechts het dier heeft natuurlijke gevoelens en de mensch
is mensch, om daar met hulp van zijn rede bovenuit te streven. Juist
door hun eigenaardige taal worden deze personen geheven naar de sfeer,
waarin het essentiëele, het eigenaardige zich laat _bespeuren_ en 's
menschen plaats in het wereldverloop zich openbaart. Zij zijn typiesch
en blijven toch geïndividualiseerd. Zij zijn geheel waar, en toch zal
men ze nooit zoo ontmoeten.
Begrijpelijkerwijze is de oppervlakkige leeken-critiek van den rap
oordeelenden schouwburgbezoeker daardoor in de war geraakt. Deze meende
dat Goethe symbolen, voorbeelden wilde geven. Er is ook al weer iets van
aan: iedere ziel, tot op haar kern doorschouwd, opent den toegang tot
vele gelijkgestemde zielen. De leeken-critiek werd in haar meening
gesterkt, doordien de dichter alleen aan zijn heldin een naam (Eugénie)
heeft gegeven. Verder treden in het treurspel nog op "de secretaris",
"de graaf", "de koning" enz. Dit beantwoordt aan een verschil in
belichting. Slechts Eugénie staat in hevige kleuren en ten voeten uit
ons voor oogen. De lieden die haar omgeven liggen half in schaduw. Nu,
iemand dien men slechts ten deele kent, noemt men eer bij zijn
maatschappelijke kwaliteit dan bij zijn naam. Men denke aan "den
dokter", "den conducteur", en zij hiermede genezen van den waan, dat "de
hertog" in De Natuurlijke Dochter eigenlijk het type van een hertog, van
alle mogelijke hertogen moet voorstellen.
Hier volgen nu de groote lijnen van dit treurspel, die natuurlijk
omtrent de fijne schakeering van ieder détail niets zeggen:
--Eugénie, de natuurlijke dochter van den hertog en een vrouw van
koninklijken bloede, is in stilte opgevoed tot ridderlijke kracht en
vrouwelijke zachtheid; kunstzinnig en vertrouwend op het edele in den
mensch. Na den dood van haar moeder verzoekt de hertog den zwakken
koning, wiens vijand hij tot dan toe was, haar als prinses te erkennen.
De koning belooft, dit op zijn verjaardag te zullen doen. Zij ontvangt
nu van haar vader een kistje met kleinoodiën en gewaden, die haar op
dien dag zullen tooien. In een hoog gestemd sonnet zegt zij haar
dankbaarheid aan den koning uit. Ze heeft beloofd, het kistje niet
voorbarig te zullen openen, maar ze doet 't toch en toont dan hoe
nieuwsgierig en pronkziek vrouwtje ze bij al haar ridderlijkheid is
gebleven.
Haar juffrouw-van-gezelschap, verloofd met den secretaris van haar
broer, weet niet te zwijgen en zoo komt haar broer alles te weten. Deze,
een doorbrenger, is zeer ontsticht over het gevaar dat zijn erfdeel
dreigt. Hij gelast zijn secretaris, Eugénie te verdonkeremanen, desnoods
te doen vermoorden, en ter verwezenlijking van dit plan wordt de partij
des oproers misbruikt.
De gouvernante acht het gevaar onontkoombaar en besluit Eugénie te
geleiden naar "de eilanden". (Men denkt hierbij meestal aan Engeland)
Een prelaat maakt den hertog, haar vader, wijs dat zijn dochter, die
reeds eenmaal op een roekeloozen tocht van haar ros was gestort en voor
dood werd opgenomen, nu werkelijk een ongeluk heeft gekregen en daarbij
zoo verminkt is, dat men hem het lichaam niet dorst toonen en haar
onmiddellijk heeft begraven. De hertog, die eerst in een klooster wil
gaan, nu hij zijn geliefde dochter moet missen, komt onder den invloed
van den geestelijke, tot het typiesch-Goethe-achtige besluit, verder te
leven en haar, na een deugdzaam leven te hebben gesleten, in de
eeuwigheid weer te zien, voorgoed naast zich te hebben.