Und deine Wünsche klug in eins zusammen.
PYLADES: Was ist des Menschen Klugheit, wenn sie nicht
Auf Jener Willen droben achtend lauscht?....
zeer voornaam aangeduid hoe Orest en Pylades, hun karakters en daarmee
hun gedachten tegenover elkaar plaatsend, toch ook samen bouwen aan een
hoogere synthese, die Goethe-zelf verkondigt. Een voorbeeld in ons
résumé wijst aan, hoe de dichter motieven, die zeer ver van elkaar staan
verwijderd, in symmetrie weet te brengen. Elders weer worden
knallend-korte en gejaagde vraag-en-antwoordreeksen door hun metrum
zachtkens opgenomen in de langere, statige versmassa's, waardoor dus,
zonder dat de nerveuze angst of de spanning van de sprekers ongebeeld
blijft, de eindindruk van den hoorder is plechtig. Binnen de
lenig-gevoegde crystallen schubben van dit curas kan sluwheid, kan
woede, liefde, vroomheid, bloeddorst, wellust, kan iedere menschelijke
aandrift uitklinken, zonder dat de strakke en toch weeke schoonheid van
het geheel er onder lijdt. De nuanceeringen en de klankverbindingen in
Goethes taal zijn hier zoo fijn, dat zelfs de ideale voordrachtkunstenaar
ze niet alle ten gehoore kan brengen, dat ze slechts bestaan voor den
geest van den zeer aandachtigen en gevoeligen lezer. Vandaar dat Goethe
kon zeggen: Ik ben er nog nooit in geslaagd een volmaakte voorstelling
van Iphigenie bij te wonen. En zoo subtiel mòest de vorm zijn, wijl hij
slechts dan in overeenstemming bleef met de handeling van dit schouwspel.
Deze handeling ware ons niet geopenbaard, indien ze niet had gevonden
een even fijne materie: het rhytmiesch woord, de ijle atmosfeer van
echte verzen. Waar bleef de bekoring van vele Goethe-gedachten, in dit
stuk en elders uitgesproken, zonder haar versvorm, die menigeen
willekeurige kunstvaardigheid dunkt? Men denke zich Wanderers Nachtlied
in proza! men verandere in iederen zin één enkel woordje, en men zal
bespeuren dat heel het lichte bouwsel ineenschrompelt, gelijk de fijne
flamboyante webbe eener spin, waarvan een hangdraad is geknakt.
Is het dus waar, dat Goethe reeds te Weimar rhytmiesch proza schreef en
niet gewoon proza, dan heeft dit slechts deze beteekenis, dat hij een
vaag, een onbewust voorgevoel had van wat het moest worden; zooals hij
onbestemd besefte ook wat hij nog van zichzelf moest maken.
Schiller heeft met schijn van juistheid betoogd, dat Iphigenie eigenlijk
te zeer epiesch is om een drama te mogen heeten. De kwaal b. v. waaraan
Orest lijdt zou zijn te weinig uiterlijk zichtbaar, doordien Goethe de
wraakgodinnen interpraeteert als gewetenswroeging. "Geen Orest zonder
furiën", is de slotsom van dezen beoordeelaar: Wat men gewoonlijk
handeling noemt, geschiedt hier achter de coulissen en slechts de
zielsprocessen, die van deze handeling het gevolg zijn, komen aan het
voetlicht. Voor Iphigenie is maar één woord: Ziel!--En men heeft, deze
redeneering besluitend, voorgesteld Iphigenie te noemen een "dramatiesch
gedicht", en het als zoodanig te bewonderen.
Dit voorstel zou ons allicht onverschillig laten, ware het niet op een
overweging gegrondvest, die de verdienste van Iphigenie onderschat. Het
is niet zoo, dat de figuren van dit drama eenvoudig de zaal in
declameeren wat ze gevoelen, hopen, vreezen; doch zoo, dat ze geen woord
spreken, dat niet rechtstreeks in de ziel van hun medespelers slaat, en
daar een nawijsbare verandering te weeg brengt; geen woord, dat niet in
hun eigen ziel met ongedwongen dialectiek een ontwikkelingsproces
bewerkstelligt. Heel het stuk is een logiesch aaneensluitende keten van
zielsgebeurtenissen; samenvloeiend in de genezings-scène, en daaruit
weer ontspringend; zielsgebeurtenissen die den hoogstaanden toehoorder
tot op het allerlaatste moment (den voorlaatsten regel) in spanning
houden: dit is toch wel hándeling, maar onzichtbare handeling,
ontastbare, wij zouden bijna zeggen: muzikale handeling.
Of liever: het is een harmonie van twée handelingen: de eene wordt
kortelijk aangeduid omstreeks het Parcenlied, maar loopt door het heele
stuk. Het is de evolutie van het menschelijk Godsbegrip; te vatten
tusschen deze twee uitspraken:
"In vrees voor de goden
Leef 't menschengeslacht!"
en:
"Want de onsterfelijken minnen der menschen
Wijdverbreide vrome geslachten,
En zij verlengen het vluchtige leven
Gaarne den sterveling, willen hem gaarne
Van hunnen eigen eeuwigen hemel
Medegenietenden zonnigen aanblik
Wel voor een wijle schenken en laten".
Deze twee uitspraken van Iphigenie omsluiten de gedachtelijke sfeer,
waarin zweeft de aardsche sfeer, de tweede handeling, die begint bij het
gruwelijk verhaal over de misdaden harer voorvaderen, dat Iphigenie in
het eerste bedrijf aan Thoas doet, en, daarmede in symmetrie, eindigt
in het visioen van Orest, die zijn voorvaderen vreedzaam vereenigd ziet:
Het is de evolutie van ruwe wraakzucht, die bloed voor bloed eischt, tot
de idee van de humaniteit, die uitgaat van de onschokbaar-ware,
ewig-weibliche Iphigenie, en die in het "Vaarwel" van Thoas een
melodieuze oplossing vindt.
Deze twee motieven, elkander steunend en aanvullend, zijn zoo wonderlijk
dooreengeweven, en deze dooreen-strengeling doet de spanning van den
lezer zoo zeer stijgen, zijn vervoering bij het slot des te edeler
makend, dat ik mij, na herhaalde lezing, meermalen on-naïef heb
afgevraagd: Is dit menschenwerk of Gods-gewrocht?
En heeft niet Goethe meermalen uitgesproken, dat hij waande God te
hooren als hij sprak?
In trouwe: Een menschenleven dat, na dwaling en kommer, één drama als
Iphigenie mag voortbrengen, is rijk gezegend en verdient de huldiging
van allen, die in den dienst van de Waarheid hun heil zoeken.
Zoo verwondere het niemand dat de Iphigenie zoo weinig succes had, in
den tijd dat Schillers Roovers de planken deden daveren. Pas twintig
jaar na de definitieve voltooiing werd het te Weimar nogmaals opgevoerd,
gevend Goethe dus dit merkwaardig gevoel: de onmiddellijke praesentie
van een lang overleefden gemoedstoestand.
Aan de mogelijkheid van een goede opvoering heeft Goethe na zijn
terugkeer uit Italië altijd gewanhoopt, en de vertolking, in 1827 door
den tooneelspeler Krüger gegeven, dorst hij niet bijwonen, al werd deze
speler door zijn besten vriend, door Zelter aanbevolen.
~DERDE BOEK~
[Illustratie: CHRISTIANE VON GOETHE
(Op 36 jarigen leeftijd)
_Naar de krijtteekening van F. Bury_]
XX
Wundern kann es mich nicht, dass
Menschen die Hunde so lieben,
Denn ein erbärmlicher Schuft
ist, wie der Mensch, so der Hund.
VENET. EPIGRAMME, 74
Goethe had het manuscript van zijn "Schmerzenskind" Iphigenie naar
Weimar gezonden, doch bewonderende brieven van zijn vrienden bleven uit.
Het schouwspel dat van zijn in Italië gewonnen zielsvrede en louteren
kunstsmaak trouw getuigt, werd in zijn definitieven vorm niet begrepen;
men betreurde vooral dat hij het (immers "natuurlijke") proza had
vervangen door verzen; men kon niet toegeven dat juist daardoor
Iphigenie als kunstwerk zichzelf was geworden, men voorzag niet dat het
juist zoo tot de schoonste scheppingen van den menschengeest zou worden
gerekend. Men verbeet zijn teleurstelling. De uitgever klaagde dat de
nieuwe Goethe-editie slecht verkocht; tusschen het Duitsche publiek en
den eens toegejuichten dichter was het uit. Nu bleek, dat de instemming
van het publiek slechts het bekoorlijke oppervlak had gegolden. Weinigen
voelden Berlichingens schitterende ruwheid, Clavigo's berouw, Egmonts
loyauteit, het goddelijke in Iphigenie als openbaringen van de ~zelfde~
zoekende dichterziel. Nu ging Goethe soortgelijke détails minachten, of
wel: hij plaatste ze zoo, dat ze aanhoudend en onmiskenbaar wezen naar
de idee van zijn drama's, naar de kern van zijn genie. Van toen af gaf
vluchtige lezing van zijn werk geen genot meer en werd dus nagelaten.
Zijn naaste vrienden herkenden hem niet, toen hij--in Weimar terug--weer
naar Italië verlangde en zich met moeite schikte in de bekrompenheid van
het duistere provincie-stadje dat hij was ontgroeid. Niemand had hem
meer iets te geven. Geen vertrouweling hielp hem zijn gemoed verkennen.
Als hij--met iemand in gesprek--voelde dat men hem niet de woorden uit
zijn mond raadde, dan werd zijn taal zoo ingewikkeld, beknopt, hortend,
dat zijn toehoorder er heelemaal niets meer van vatte. Stil ging hij
zijns weegs, met effen gelaat voortpeinzende over de problemen, hem door
zijn verruimde inzichten gesteld. Hij behoefde voor de fijnere contreien
van zijn geestesleven niet de instemming van anderen. Hij beoordeelde de
dingen naar een nieuwen maatstaf en begreep best dat de wereld zich bij
het oude hield. Hij was geworden Wetgever, niet wet-houder. Hij stond
onbevreesd alleen. Hij stond gaarne alleen. Hij verhaalde veel schoons,
doch gaf zich nooit geheel. Hij leek een koude, eenzelvige,
ondoorgrondelijke "Jupiter".
Nu kon ook zijn onzuivere liefde voor Charlotte von Stein niet meer
stand houden. Te voren had een dwaalbegrip reeds verwijdering aan het
licht gebracht: De ruim veertigjarige "vriendin", in wier genegenheid
het streven naar ongedeeld en verzekerd bezit een zelfstandig bestaan
was blijven voeren, had zijn vertrek naar Italië onedel uitgelegd. Zoo
weinig was ze doorgedrongen in haren dichter, dat ze diens bijgeloovige
vrees voor mislukking van zijn zooveel jaren gekoesterd plan buiten het
geding liet, en zijn langdurig stilzwijgen--waarover ze natuurlijk
terecht bedroefd was en ontstemd--opnam, zooals een coquette van lage
afkomst dit zou hebben opgenomen. De ironie der feiten wilde, dat Goethe
destijds nog voortdurend van haar was vervuld, een nauwkeurig dagboek
voor haar bijhield en--eenmaal te Rome--zich eerst richtte tot God en
onmiddellijk dan tot haar. Tot de vrouw die hem platweg zou
"afschrijven", zoodra ze zijn adres kende.
Kort daarop bereikte haar het biechtboek dat haar wantrouwen ongezocht
logenstrafte; zoodat ze alléen verantwoordelijk bleef voor de laakbare
bijmengselen van haar stellig gerechte verontwaardiging. De
uitgewisselde explicaties brachten een slechts schijnbare verzoening tot
stand. Wolfgang von Goethe voelde zich vrij man en had voortaan geen
liefde doch vriendschap haar te bieden.
En hetgeen ze altijd beweerd had van hem te wenschen--zuivere
vriendschap--dat wees ze nu terug. Ze had vriendschap gewenscht, zoolang
ze meende dat hij "meer" verlangde. Maar haar berekening, die bij een
middelmatig man wellicht ware opgegaan, mislukte hier. In stede van zich
geheel aan haar te verslaven werd hij, door haar tactiek, meester van al
zijn drangen, en dus teruggeschonken aan zich zelf. Zij verloor hem,
doordat hij haar liefdevolle leugen tot waarheid maakte!
En nu begon deze leugen zich te wreken. Zij moest zich bekennen dat haar
overgave (deze moge dan al of niet zakelijk zijn geschied) bij haar
gevoelens voor Goethe allerminst opoffering, doch behoefte, doch plicht
was geweest. Ze moest rouwen, toen die overgave niet kon duren; terwijl
hij haar rouw niet kon zien, haar klachten niet kon vernemen, daar hij
zich aan het amoureuse verlangen naar Vrouwe von Stein had ontwrongen,
meenend haar dus doende te _dienen_. Hij moest haar dien koelen,
vochtigen, noordschen zomer onbewimpeld spreken over zijn gehechtheid
aan Italië en over het gamma van warm-menschelijke genietingen, dat het
woord Italië voor hem beduidde; zìj moest dit aanmerken als een
beleediging, zonder dat hij 't begreep. Als ze hem noodigde op haar
slot, bracht hij vrienden mee om--alleen te kunnen blijven.
De kwijnende Charlotte werd tot het uiterste gebracht toen haar zoon
Fritz (die eens in Goethes huis had gewoond) haar bevestigde het
lasterlijk gerucht, dat zijn pleegvader in handen was gevallen van een
aanlokkelijk doch minderwaardig vrouwspersoon, genaamd Christiane
Vulpius. Ze schreef hem een brief, waarin ze al haar grieven luchtte en
hem openhartig stelde voor het ultimatum: die of ik. Hij smeekte haar om
haar vriendschap, riep zijn omgeving tot getuige, dat hij door "het
zoete geheim" als mensch niet was gezonken, verzocht haar, het arme
schepseltje de gevoelens niet te misgunnen waarop zij immers geen
aanspraak maakte. Doch ze wees zijn vriendschap stilzwijgend af. Ze
ging tegen zijn raad in voort, haar zenuwgestel (dat bij het verlies van
haar zoon Ernst reeds was geschokt) te ondermijnen door overmatig
gebruik van koffie. "O!!!" schreef ze welsprekend op zijn brief. En haar
vergeefsche liefde werd nog geëxalteerd, toen ze hem in haar verbeelding
trachtte zwart te maken, en zich voorstelde hoe eenzaam naar de ziel hij
moest leven naast dat minderwaardige vrouwspersoon.[A] Hij bleef haar
vriendschap zoeken en als er een smakelijk gerecht op zijn tafel kwam,
zond hij haar als voorheen een deel van dat gerecht. Zij onderschatte de
waarde van zulke attenties, zooals de meeste vrouwen in dit geval zouden
doen.
[A] Den strijd, die zich in Goethes innerlijk afspeelde, schreef ze
zonder meer op rekening van Christiane en toen hij onder den invloed van
Schiller weer aan het dichten ging, zeide ze, dat hij den indruk maakte
van "iemand die jarenlang op een onbewoond eiland heeft gezeten en er nu
aan denkt, naar huis terug te keeren."--Welk "huis"?
Jaren naderhand bewerkten de Schillers een toenadering: en weer zond hij
haar bijna iederen ochtend een briefje, als woonde hij nog in zijn
droomtuin aan de Ilm.
En nu "het zoete geheim".
Kort na zijn terugkomst maakte hij een wandeling door zijn park, toen de
23-jarige Christiane Vulpius hem een smeekschrift aanbood namens haar
broeder, den auteur van "Rinaldo Rinaldini", die reeds een en ander aan
Goethes protectie te danken had. Ze was dochter van een misdadigen
dronkaard, trachtte door bloemenmaken een onafhankelijk bestaan te
vinden en hoopte dat de almachtige Geheime Raadsman haar broer aan een
emplooy zou helpen.
Toen deze zijn blik liet gaan langs de weeke lijnen van haar kleine,
ronde gestalte, langs haar overvloedige lichtbruine lokken, haar groote,
lachend-blauwe oogen, haar vol gelaat en heur goeien mond--kon hij wanen
een meisje voor te hebben, zooals hij er te Rome vaak had verlangd. Toch
leek haar uiterlijk niet Italiaansch. Maar de dichter, die zich
verbeeldde in den "heldentijd, toen goden en godinnen minden, toen het
zien de begeerte, toen de begeerte het genot meebracht", vond behagen
in het naïef-snaaksche natuurkind, dat bezorgd naar hem opkeek. Hij
voelde dat 't hem wèl was in haar nabijheid, en vroeg haar, vaak tot hem
te komen. Hij sprak niet tot haar als een verlekkerde wellusteling, doch
als een die bijna veertig jaren heeft gehunkerd naar rustig geluk, die
ten diepste beseft dat vraag-looze zinnelijkheid, als die der
antieken--doch dan door nadenken geheiligd--mooier is en menschelijker
dan de verfijnde huichelarij of de gekunstelde natuurlijkheid van zijn
tijdgenooten. Hij wenschte met Christiane een zoo mogelijk getrouwe maar
vluchtige vereeniging; en voelde toch zoo zeker dat zijn sympathie voor
"het arme schepseltje" dieper wortelde, dat hij Vrouwe von Stein bad,
hem door haar liefde te behoeden voor een huwelijk--want nog steeds
duchtte hij den huwelijken staat. Doch Charlotte schreef hem
vinnig-verwijtende brieven en weigerde. En naarmate de laster gemeener
werd, begaf hij zich dieper in het liefdeleven dat hij in zijn
_Romeinsche Elegieën_ zinvol zou vergeestelijken tot in de sfeer van
zijn glorieuse wedergeboorte; die hij voltrokken achtte, toen hij, de
kindervriend, in haar schoot zijn kind voelde leven. Hij sloot een
"gewetenshuwelijk" met haar. Hij liet haar--en dit kenschetst de achting
die hij haar had leeren toedragen--met dit kindje op schoot als een
Madonna (naar een Italiaansch schilderij) op doek beelden.
Zijn zoon, August, werd door Herder gedoopt en door den hertog ten doop
gehouden, al was hij onecht. De vrome doch niemand bemoraliseerende
moeder Aja (hoewel betreurend dat ze nu haar kleinkind niet "ins
Anzeigeblättchen" kon laten zetten) zegde zich ten hoogste ingenomen met
den jongen, dien haar "Hätschelhans" bij zijn "Bettschatz" had
"gefabriceerd"; hetgeen hier in deze termen wordt herhaald om er den
lezer op te wijzen, dat hij, tot goed begrip van Goethes gedragslijn,
los zich heeft te maken van hedendaagsche _fatsoens_begrippen.
Niet wijl eenige "fijn-beschaafde", wel-opgevoede en wie-weet geleerde
vrouw beter zou hebben gepast bij dezen gerijpten, bezonken denker, die
op zich zelf een geheel vormde en niet kon huichelen, een "wederhelft"
in den gangbaren zin des woords te behoeven; want toen als nu zou zulk
een hoogstaande vrouw naast een echtgenoot van Goethes aard en leeftijd
een vernederde slavin of een kwellende "miskende" zijn geworden....
Doch opdat de lezer zich naar behooren wapene tegen den laster van de
Weimarsche "Muzenkolonie", den laster die--van smetteloozen vader op
zondenvrijen zoon zich voortplantend--nog in onze dagen schalt. De
zelfde edele zielen, die voor een courtisane als Vrouwe von Stein
respect hadden, ook nadat deze in haar kunstloos drama "Dido" haar
verhouding tot Goethe onbewimpeld bloot had gegeven; en zelfs het
spelletje dat ze met haar ongelukkigen minnaar speelde rechtvaardigden;
die hebben geen voorbarigheid te gewaagd en geen leugen te kras geacht
om Christiane's positie te ondergraven, en haar intrêe in de burgerlijke
samenleving te verijdelen. En dit onder aanvoering van Herders gade, die
de lezer reeds eenmaal als etherische Psychê in den Bond der Heiligen
heeft ontmoet. Doch mochten zij ook straffeloos babbelen dat Goethe zijn
dienstmeid had getrouwd--het vreemdsoortige kind uit de achtste Elegie
een dienstmeid!--de geschiedschrijver, die de gezond-eenvoudige,
hulpvaardige, trouwe Christiane vereert, zooals vrouw Aja haar eens
vereerde (vooral nadat Goethe haar, vreezend dat op een voorgenomen reis
een ongeluk hem zou overkomen, naar Frankfort had gebracht)--de
geschiedschrijver boekstaaft met vreugde dit welsprekende feit: dat zij
bijna twintig jaren lang het wettelijk huwelijk, door Goethe gewenscht,
tegenhield omdat ze zich eerst, terwille van man en kind, in de oogen
van de "fijne" wereld door voorbeeldig en bescheiden gedrag wilde
zuiveren.
Onpartijdige Goethe-vorschers hebben reeds lang toegegeven dat zij was
een brave, een interessante figuur; een goede, zuinige huisvrouw, die
perfect zorgde voor 's dichters kind, lichaam, tafel en kelder. Men ziet
voorbij dat zij dit alles deed op een wijze, die den zoekenden,
geplaagden, vaak ziekelijken, eenzelvigen, voor zijn vrijheid beduchten
kunstenaar paste; en hiermede heeft bewezen dat ze fijner begaafd was
dan de meeste kunstenaarsvrouwen en--Goethekijkers. Men waardeert niet,
dat zij hem begrijpend terzijde stond bij zijn botanische en physische
proefnemingen, terwijl Goethe--- die door de geleerden was uitgebannen
gelijk Christiane door de maatschappij--juist op dit punt uiterst
prikkelbaar was. En wil men ten slotte beweren dat zij--zoo héél anders
als Charlotte von Stein--zijn ziel in de eenzaamheid liet, dan zij
verwezen naar zijn gedichten "_Die Metamorphose der Pflanzen_" en "_Die
Metamorphose der Tiere_", die hij ten behoeve van zijn lieve
medewerkster heeft geschreven; naar de Romeinsche Elegieën die haar
bezingen, zoo diepzinnig en bevallig als wel zelden een minnaresse werd
bezongen. Zij is als het eenvoudige, ware, dat den roeping-zoekenden
Faust herhaaldelijk lokte, maar dat hem pas op het einde van zijn
avontuurlijken loopbaan ten deel viel.
Ze heeft Goethes borst eens met haar lichaam beschermd tegen de degens
van Fransche plunderaars. Maar wie zal bepalen, hoeveel
levensgevaarlijke _toewijding_ door deze daad werd bekroond?
[Illustratie: De gebeurtenissen in dit hoofdstuk
verhaald loopen van 1790 tot 1803]
XXI
Wunderthätige Bilder sind meist
nur schlechte Gemälde: Werke
des Geists und der Kunst sind für
den Pöbel nicht da.
Hij die de wereld vanuit een nieuw gezichtspunt gaat beschouwen, en zijn
levenswijze dra naar die nieuwe wereldbeschouwing heeft gevoegd,
zal--als de eerste blijdschap is geluwd--bespeuren dat zijn ziel van het
initiatief zijns Geestes nog niet is doordrongen, dat zijn gemoed zich
nog niet uit de oude verhoudingen heeft bevrijd. Zijn eigen Ik verzet
zich tegen den ommekeer in zijn gedragslijn; zijn innerlijk lijdt smart,
terwijl zijn denken triumpheert. Deze uiteenrukking van heel zijn wezen
verbittert en verwart hem. En de menschen die hij lief heeft moeten het
ontgelden.
Zoo ging het Goethe, toen zijn Italië in zijn herinnering was verbleekt.
Meer dan hij aanvankelijk meende had hij behoefte aan een
vertrouwelinge, die in zijn ziel kon lezen; hij bleek niet terstond in
staat, zijn huwelijk met Christiane te beschouwen als was hij een
verlangende halfgod die een menschdochter heeft ontvoerd. De edellieden
van de Muzenstad maakten hem het leven zuur met hun laster, en hij moest
stil bekennen dat inderdaad zijn natuurkind zijn subtielste aspiraties
niet begreep. Hij vergat wel eens, dat hij dit te voren had geweten, en
dat het hem eer had verlokt dan afgestooten.
[Illustratie: GOETHE
(in 1791)
_Naar de teekening van Lips_]
Zoo kon hij aan zijn huiselijken haard niet altijd de gemoedsrust
vinden, noodig bij de proefnemingen maar vooral bij de geduldige
beschouwing, die zijn natuurwetenschappelijke hypotheses hem
voorschreven. Trouwens, hij was niet een natuuronderzoeker in den zin
dien men tegenwoordig vaak aan dat woord hecht. Hij behoorde tot de
zoekers die hij later "de omvattenden", en met een groote mate van trots
"de scheppenden" zou noemen. "Deze gaan van ideeën uit, en verkondigen
reeds bij voorbaat de eenheid van alles: het is daarna de taak van de natuur
zich in deze ideeën te voegen". Hij was niet de drooge-feitenverzamelaar,
die pas een conclusie trekt (of zegt te trekken!) als hij zich op
volkomen gekend terrein bevindt. Uit de klaarheid van zijn zelfbewustzijn
ontstonden de eischen, waaraan het diepverborgen leven der natuur had
te voldoen. Pas als zulk een hypothese in groote trekken vaststond,
ging hij ze controleeren. De feiten leken hem dan echter zoo ver af,
dat hij ongerust werd en neiging had, den gang van zijn onderzoek te
verhaasten: juist als de werkelijkheid hem in 't gelijk wilde stellen.
De nog vreemde verhoudingen dus, waarin hij leefde, zoowel als de
gevolgen van zijn werk-methode, joegen hem vaak op reis. Hij bezorgde
intusschen met groot plichtsbesef de uitgave van zijn werken. _Tasso_
kwam gereed.[A] Van de bestaande Faust-fragmenten maakte hij een
afgerond geheel. Zijn gedichten werden geschift en bij-geteekend, om het
achtste deel van zijn Oeuvre te vullen. Sommige aanteekeningen en
brieven uit zijn Italiaanschen tijd smolt hij om in een opstel over
"_Eenvoudige nabootsing der natuur, manier, stijl_", dat zijn pas
gewonnen inzichten in het wezen van de kunst--grootendeels door
voorbeelden uit de plastische kunsten toegelicht--scherp formuleert en,
ongezocht, ook de evolutie van zijn kunstopvattingen. Zijn gewone
uitgever wilde zijn keurige "_Poging, om de Metamorphose der Planten te
verklaren_" (1790), de verhandeling die bestemd was om de moderne
plantkunde te beheerschen, niet "hebben": de goede man had een befaamd
botanicus er over geraadpleegd. Een ander uitgever drukte het boeksken
toen bij wijze van speculatie, in de hoop, daardoor ernstige werken van
Goethe in zijn fonds te krijgen.