Iphigenie moet te Aulis geofferd worden door haar vader, den

heldenmoedigen koning Agamemnon. Godin Diana ontvoert haar in een wolk

en zet een hinde in haar plaats; de geredde wordt priesteres van Diana

te Tauris. Zij is verplicht--geholpen door andere gevangen Grieksche

vrouwen--iederen vreemdeling, speciaal iederen Griek, die op de

Scythische kust landt, bloedig te offeren. Zij vervult die taak met

afgrijzen, maar als in een droom, en daar men haar den dood van haar

eenigen broer Orest meldt, besluit ze, geen genade meer te kennen. Orest

en zijn vriend Pylades, daartoe genoopt door een uitspraak van het

orakel, begeven zich naar Tauris om het beeld van Diana[A] te

ontvoeren. Slagen zij daarin, dan zal Orest verlost worden van de

furiën, die hem vervolgen, sinds hij zijn moeder vermoordde, om den dood

van zijn vader te wreken. De vrienden worden gevangen genomen en moeten

nu door Iphigenie ter eere van Diana geslacht en geofferd ...

[A] De heer P. C. Boutens, uit wiens voortreffelijke Iphigenie-vertaling

wij hier en daar citeeren (Zie Wereld-Bibliotheek nr 06), heeft o. i.

zeer terecht geoordeeld, dat in een Nederlandschen tekst

zuiver-Grieksche namen beter passen. Zoo heeft hij Diana vervangen door

Artemis, Orest door Orestes, Iphigenie door Iphigeneia, etc. Wij houden

ons liever aan de benamingen die Goethe heeft gebruikt; wij doen dit ten

gerieve van hen die den Duitschen tekst wenschen na te slaan.

Dit is het tragische moment in de Grieksche tragedie: zal de zuster (in

haar onwetendheid) haar broer slachten? vraagt de toeschouwer zich af.

En een befaamd Engelsch criticus kan Goethe niet vergeven, dat hij dit

verschrikkelijke moment niet voldoende heeft benut, daarbij vergetend

dat voor Goethe (gelijk de lezer zal ontwaren) het zwaartepunt elders

ligt. Nu wordt deze knoop door Euripides als volgt opgelost(!): ....

_Door een toeval_ echter herkent Orest zijn zuster en zij (Iphigenie!)

verzint met echt-vrouwelijke geslepenheid (voor den Griek bereikt haar

vrouw-zijn een toppunt in hare geslepenheid!) een truc, om het

Diana-beeld te ontvreemden. De Scythen achterhalen de diefachtige

priesteres en haar genooten, en willen nu wraak nemen. Maar daar

verschijnt godin Minerva, die koning Thoas tot kalmte brengt door de

verzekering dat de drie Grieken den wil der Goden uitvoeren. Deze zijn

nu gered.--

Goethes werk echter laat zich, ook bij ernstig streven naar beknoptheid,

niet in zoo eng bestek vatten. De menschelijke passies zijn ons hier

niet _gegeven_, ze worden tot in fijne trekken ontleed, opdat men ze in

haar waren aard doorzie en de zelfoverwinning van de drama-helden

meeleev'. En het is zoo omzichtig geconstrueerd, dat ieder détail, hoe

schitterend ook op zich zelf, hoe scherp ook omlijnd, 's lezers aandacht

niet onderbreekt, maar naar den hoofdgang van de ontwikkeling verwijst;

toch blijken deze onderdeelen, ook in een résumé, onmisbaar:

I. Ofschoon reeds jaren priesteres in Tauris, blijft Iphigenie door

heimwee naar haar geboortegrond vervuld, en bidt voortdurend dat de

godin, die eens van den offerdood haar redde, haar nu moge redden

uit de verbanning. Arkas, de vertrouweling van den Scythenkoning

Thoas, meldt haar dat diens leger zegevierend thuiskeert, en klaagt

dat bij dit bericht haar blik zoo koel blijft. Zij antwoordt, dat

haar onnuttig leven haar een vroege dood is. Hiertegen protesteert

Arkas: heeft zij niet den eerbied des volks in haar tweede

vaderland verworven? heeft ze den koning niet zijn opgewektheid

hergeven? heeft ze het wreede gebruik, iederen vreemdeling te

slachten, niet afgeschaft? heeft ze niet juist daardoor Diana's

zegen over volk en land gebracht? Zij wijze het verzoek dat Thoas

haar zal doen niet van de hand: het is rijpelijk overwogen.

Nu nadert Thoas en zegt dat zijn verlangen, haar als zijn bruid in

zijn huis te voeren, nog gegroeid is, sinds hij zijn laatsten zoon

verloor, en vreest dat het volk hem, den kinderlooze, op den duur

niet zal willen volgen. Als echter Iphigenie blijft vinden, zijner

onwaardig te zijn, en hem waarschuwt dat hij haar misschien zal

ombrengen, als hij te weten komt, welke vloek op haar rust--zij

stamt uit Tantalos' geslacht, welks stamvader, nadat eens de goden

zich aan zijn ervaring-diepe, bont-zinrijke gesprekken hadden

vermeid, verdoemd is, wijl hij voor God te klein, voor mensch te

groot was gebleken; en welks nakroost door broeder- en moederbloed

zijn vloekwaardige begeerten koelde--belooft Thoas, dat hij afstand

van haar zal doen, als de mogelijkheid rijst, haar naar haar land

terug te voeren. Zij verzwijge hem nu haar afkomst niet langer. Met

toenemende uitvoerigheid verhaalt ze van de gruweldaden, waardoor

haar voorouders den haat der goden hebben doen ontbranden. Hij

blijft haar hoogachten, terwijl ze volhardt bij haar meening, dat

ze slechts den goden kan toebehooren. Thoas trekt nu wel, zooals

beloofd, zijn aanzoek terug, maar hij herinnert haar in woede aan

haar plicht, alle vreemdelingen, die op de kust landen,--er zijn er

juist twee gegrepen--bloedig te offeren. Hiertegen verzet zich heel

haar wezen, doch ze blijft rustig. Zij gelooft dat de Godin, die

haar eens in een wolk ontvoerde, niet zal dulden dat ze haar hand

met bloed bezoedelt:

Want de onsterfelijken minnen der menschen

Wijdverbreide vrome geslachten,

En zij verlengen het vluchtige leven

Gaarne den sterveling, willen hem gaarne

Van hunnen eigenen eeuwigen hemel

Medegenietenden zonnigen aanblik

Wel voor een wijle schenken en laten.

II. De vreemdelingen zijn Orest (haar broeder) en diens vriend

Pylades. Zij weten welk lot hen wacht, maar terwijl

Orest zich bitter beklaagt, en onder de kwelling van, "de furiën"

(_d. i._ van zijn wroeging wegens den moedermoord) krimpt, blijft

Pylades hopen. Hij verwijdert Orest, vreezend dat deze met zijn

drift het gesprek zal bederven, dat hij met de priesteres hoopt te

voeren. Tot zijn verrassing neemt Iphigenie hem de ketenen af en

spreekt tot hem in zijn eigen taal. Als ze hem naar zijn afkomst

vraagt, liegt hij dat zijn broer Orest door de wraakgodinnen wordt

vervolgd omdat hij hun broer heeft verslagen; dat echter Apollo hem

bij orakelspreuk genezing schijnt te beloven in den tempel Zijner

zuster, Diana, in Tauris. Zonder op zijn bede om genâ te letten,

ondervraagt ze hem over het lot van de Grieksche helden voor

Troje--zij-zelf moest indertijd te Aulis geofferd, opdat de Goden

in de zeilen van de Grieksche schepen zouden blazen--en ze verneemt

dat Troje wel viel, maar dat Agamemnon, haar vader, door den bijzit

van zijn gemalin is vermoord, omdat haar vader haar, Iphigenie,

heeft geofferd. Zij trekt zich ontdaan in haar tempel terug, en

hieruit leidt de slimme Pylades af, dat ze koning Agamemnon zeker

wel heeft gekend: zijn hoop wordt sterker.

III. Als ze weer uit den tempel treedt, ontmoet ze Orest. Ook zìjn

boeien slaakt ze, maar ze waarschuwt dat ze hem niet zal kunnen

sparen. Orest begint met Pylades' leugentjes te ontzenuwen: hij

noemt zijn waren naam, bekent Iphigenie dat hij zijn moeder heeft

vermoord, wordt opnieuw door de wraakgodinnen bevlogen. Door haar

oprechte woorden voelt hij, dat ze een edele vrouw is en tegen haar

zin hier vertoeft; hij maant haar, samen met zijn vriend "een plan

ter vlucht" te beramen, en snelt angstig weg. Uit zijn verhaal

leidt Iphigenie nu met stelligheid af, dat hij haar broer is; haar

vreugd openbaart zich niet in jubel maar in rustig dankgebed:

"O laat niet het langgewachte

Nog nauwelijks denkbare geluk gelijk

De schim van een gestorven vriend vergeefs

En driewerf smartlijker aan mij voorbijgaan!"

Dra komt Orest weer: hij wordt nog steeds door de furiën gekweld.

De priesteres vraagt hem: Orestes, kunt ge een woord des harten

hooren? waarop hij uitroept: Bewaar het liever voor een vriend der

goden. Ze deelt hem nu mede dat ze zijn zuster is, en hij herkent

de stem, maar gelooft nu, door zijn wroeging overmeesterd, dat door

haar mond een wraakgodin hem met valsche hoop wil tergen. Nu speelt

zich de "genezings-scène" af, die plaatselijk en ideëel het centrum

van het schouwspel vormt. Als Iphigenie al de lieve krachten van

haar schoone ziel geduldig benut, om hem te overtuigen dat ze

waarheid spreekt, gelooft hij, onrein als hij is, dat hij een hoere

in priesterkleed voor heeft:

"'k Vertrouw u, schoone met uw vleistem, niet.

'k Dacht, Artemis eischt kuische dienaressen

En wreekt de ontwijding van haar heiligdom.

Neem uw verleidende' arm weg van mijn borst!

En wilt ge een jonkman redden en beminnen,

En schoonst geluk in teederheid hem schenken,

Zet liever dan uw hart op mijnen vriend:

Hij is uw liefde waardiger".

Zij volhardt, en als eindelijk haar stem weer tot hem doordringt,

ziet hij in het feit, dat de vrouw die hem zal slachten zijn zuster

is, de oude vloek der goden in een nieuwen vorm, en verliest

waanzinnig van smart het bewustzijn. Maar voordat hij haar heeft

toegekrijscht:

"Ja, hef den dolk omhoog, ontzie mij niet,

Rijt open deze borst en geef den stroomen

Van 't bloed dat binnen in mij ziedt een uitweg!"

heeft hij haar gesmeekt:

"Ween niet! Gij zijt zonder schuld.

Van af mijn jongste jaren heb ik niets

Bemind als 'k u zoû kunnen minnen, zuster...."

Dit bewijst dat in zijn hart iets op haar reinheid heeft

geantwoord. Zij gaat Pylades zoeken.

Langzaam ontwaakt Orest uit zijn bedwelming, en droomt dat hij in

de onderwereld zich laaft aan Lethe's waatren: zijn voorvaderen

aanschouwt hij hier, niet meer twistend en moordend, maar in

vriendschappelijk verkeer, terwijl de kinderen "speleduiken om hen

heen". Zoo diep heeft Iphigenies reinheid op hem ingewerkt: hij

gelooft dat de vloek is opgeheven, en de furiën hebben geen macht

meer over hem. Nu Iphigenie met Pylades nadert, vraagt hij

verwonderd of ook zij reeds naar de onderwereld is gekomen.

Iphigenie smeekt Diana, die toch ook haar broer (Apollo)

jonkvrouwelijk mint: "(laat hem) Niet in den donkren nacht van

waanzin razen!" Onderwijl dwingt Pylades zijn vriend, te herkennen

"dit daglicht dat niet voor dooden straalt", en zich te haasten

voor de vlucht. Nu (nadat hij Iphigenies gebed hoorde) gelooft

Orest in de goddelijke genade, en dan komt die genade ook over hem.

Hij is vrij, omarmt zijn weergevonden zuster, en laat zijn

dankbaarheid in hartstochtelijke woorden klinken; die zijn een

doorbreken van het motief waarmede Pylades, aan het begin van het

tweede bedrijf, zijn veelbelovende jeugd herdacht. Daar heette het

o.a.:

"Ben ik niet steeds vol levensmoed en lust?

En lust en liefde zijn de sterke vleuglen

Tot groote daden".

Waarop Orest treurig antwoordt:

"Groote daden! Ja,

'k Weet nog hoe wij haar in de toekomst zagen!"

Hier jubelt hij: "De reuk der aarde geurt me als balsem tegen

Als noodde zij mij op haar open velden

Ter jacht naar levensvreugde en groote daden."

Reine menschelijkheid bewerkstelligde hier verzoening van

menschelijken euvelmoed.

IV. Uit de stemming van heiligheid en stilte, waarin de toeschouwer

is verzonken, rijst Iphigenie weer met fluisterende, plechtige

verzen, die geleidelijk in breedte toenemen. Ze bewondert Pylades,

die een plan ontworpen heeft om het Diana-beeld te ontvoeren, en

haar heeft voorgezegd welke rol ze daarbij

moet spelen: haar is alles rein. Ze heeft voor den slimmeling geen

woord van veroordeeling, doch ze betwijfelt of ze jegens Thoas wel

zal kunnen veinzen.

(De critiek heeft opgemerkt dat Goethe, die overigens zoover boven de

antieke opvattingen staat dat hij b. v. de schrikgodinnen symboliesch

opvat, en Orests bevrijding geheel innerlijk laat geschieden, hier zich

aan het oude verhaal houdt, en Iphigenie pogingen laat doen om het beeld

te ontvoeren, welks ontvoering haar broeder heet te bevrijden. Men meent

dat dit een dissonant is in het schouwspel, doch men wil Goethe daarvoor

wel vergiffenis schenken, omdat deze dissonant hem gelegenheid geeft, op

het laatste oogenblik nog nieuwe verwikkelingen in te voegen, zoodat de

spanning niet langzaam verkwijnt, doch op het laatste oogenblik als bij

tooverslag wordt opgelost. Wij meenen deze absolutie te mogen afwijzen:

indien Goethe slechts dit had willen bereiken, dan had hij--naar de

lezer aanstonds zal toegeven--het antieke motief niet noodig, wijl

alleen het plan tot ontvluchting, dat wèl geheel in de lijn van

handeling ligt, hiertoe reeds hadd' volstaan.--Neen, indien het

ontvoeringsplan niet deugdelijker te motiveeren valt, dan heeft de

critiek toe te geven dat hier een fout schuilt, een fout die zelfs niet

verantwoord ware, indien ze de bedoeling had, die de critiek er aan

toeschrijft. En het is nog erger dan de critiek meent: Want Iphigenie

weet dat, zedelijk, Orest reeds ìs gered, begrijpt dat haar verblijf in

Tauris bedoelde, deze redding te bewerkstelligen. Ze heeft in haar gebed

tot den goddelijken broer en de goddelijke zuster (Apollo en Diana) al

gezegd:

"En is aan mij uw wil die mij hier borg,

Eindlijk volbracht, en wilt ge mij door hem

En hem door mij uw godehulp verleenen,

Maak los hem uit de banden van dien vloek,

Dat reddings kostbre tijd ons niet ontga".

Dus: ze verwacht de redding _voordat_ de ontvoering heeft plaats gehad!

Het verweer kan ook in dit geval eenvoudig zijn en minder gezocht dan de

tegenwerping: Iphigenie is nog niet ontbolsterd als het schouwspel

begint: ze is niet de wijze vrouw, die ze in zich heeft. Het dramatiesch

gebeuren pas maakt haar vrij van Heidensch bijgeloof over de verhouding

tusschen mensch en Opperwezen. De ontvoering beramend, die voor haar een

leege formule is geworden, ziet ze een licht opgaan, dat haar

veroorlooft, afstand te doen van het haar overbodig geworden beeld;

eerst dàn heeft ze zich geheel ontplooid. Te voren was ze nog niet de

volkomen reine, die Goethe van haar wilde maken: anders zou ze

medewerking aan Pylades' list hebben geweigerd.)

's Konings vertrouweling komt eischen dat het offer nu spoedig

plaats vinde. Zij antwoordt (op Pylades' raad) dat het Diana-beeld,

door een van de vreemdelingen ontwijd, met versch geschept zeewater

moet worden gereinigd. Arkas zal verlof vragen, maar herinnert nog

eens aan Thoas' aanzoek, haar ernstig radend den koning, die haar

zoo lang gespaard heeft, niet ondankbaar te zijn. Nu voelt ze de

noodzakelijkheid, den koning voor te liegen, als een nieuwen vloek,

en ze smeekt de goden: "Redt mij,--En redt Uw beeltenis in mijne

ziel!"--In haar echoot nu het zwaar-sombere Parcenlied ("Het lied

der Moiren") dat haar voedster eens zong, en dat haar voor oogen

stelt hoe de goden wreed spelen met den sterveling. Maar ze beseft

dat dit niet kan zijn, en vertrouwt dat ze ook uit de

noodzakelijkheid tot liegen zal worden gered.

V. Intusschen heeft de koning bij geruchte vernomen dat de gevangen

Grieken hem een laag leggen, en door het zenden van gewapenden

verijdelt hij hun pogen. Hij ontsteekt in hevigen toorn tegen haar

die hij voor zoo heilig hield. Hij heeft berouw van de genade die

hij haar steeds heeft bewezen. Zoo is voor het drietal de kans

verbeurd op ontsnapping door uiterlijke middelen; slechts een

zedelijk middel kan nog baten.

Iphigenie weet niet dat de koning van Pylades' plannen is

onderricht; ze heeft _voor zich zelf_ besloten, van list afstand te

doen en eischt van den woedigen Thoas, dat deze ook ditmaal het

bloedoffer achterwege zal doen blijven. Tegenover de wetten van

Tauris beroept ze zich op de wet der humaniteit

"de wet waarbij

Ons elke vreemdling heilig is",

's Konings toespeling op een zekere list, die hij heeft ontdekt,

ontwapent haar niet: een reine ziel behoeft geen list. Zij durft

den koning wel bekennen, dat haar broer Orest met zijn vriend naar

Tauris is gezeild, om op Apollo's maning het beeld van diens zuster

Diana te rooven, waarmede dan Orest zijn bevrijding uit de macht

der wraakgodinnen zal verdienen. Ze legt drie menschenlevens in 's

konings handen: "Verderf ons--als ge 't moogt". Deze, hem

onbegrijpelijke, reinheid overstelpt Thoas en doet hem wankelen

in zijn wraakbesluit. Hij ontstelt nog meer als Iphigenie, zijn

aarzeling ongunstig uitleggend, zegt dat hij haar het eerst moet

straffen, daar zij haar broer en Pylades door haar openhartigheid

in het ongeluk heeft gestort; en hem herinnert aan zijn belofte:

haar te laten gaan, nu de kans op terugkeer naar 't vaderland zich

voor haar opent. Zij, de in het nauw gejaagde, ~eischt~ dat hij van

het heilige beeld en van zijn hoop op haar bezit afstand doe. Zulke

hooge eischen laten hem edel denken van zich zelf:

"Ik de barbaar,

De ruwe Scyth, zoû luistren naar de stem van

Waarheid en menschelijkheid, die een Helleen....

niet vernam?--Maar:

Onzoenlijk als zich tegen water 't vuur

Vechtende weert en sissend zijnen vijand

Tracht te verdelgen, zoo ook weert de toorn

Zich tegen uwe woorden in mijn borst."

IPHIGENIE: Als 't heilig licht der vredige offervlam

Waarom de blijde dank zijn lofzang heft,

Laat zoo voor mij ook uw genade stralen.

THOAS: Hoe vaak heeft deze stem mijn hart vermurwd!

IPHIGENIE: Reik mij de hand. Is 't vrede tusschen ons?

THOAS: Gij eischt zooveel in zulk een korten tijd.

IPHIGENIE: Om goed te doen is overleg niet noodig.

THOAS: Maar al te vaak komt uit het goede 't kwaad voort.

IPHIGENIE. Het is de weifling die het goede slecht maakt. Bedenk u

niet, hoor naar uw hart, geef toe.--

Daar komt Orest, met de Scythen slaags geraakt, het zwaard in de

vuist aangestormd, en raadt Iphigenie te vluchten, zoolang het nog

tijd is. "In mijn tegenwoordigheid (roept Thoas, het zijne

trekkend) voert straffeloos | Geen man 't ontbloote zwaard".

Iphigenie belet een tweegevecht door Thoas aan Orest voor te

stellen als haar tweeden vader: zoodoende dringt zij stilzwijgend

bij Thoas op genade aan. Orest vraagt of Thoas vrijen aftocht

toestaat, maar Iphigenie beweert: "Uw blinkend zwaard verhindert

dat ik antwoord". De twee mannen zijn ontwapend. Arkas komt melden

dat de Hellenen wijken; Pylades poogt vergeefs Iphigenie mee te

tronen. Thoas heeft nu het heft in handen, maar gebiedt niettemin

wapenstilstand. List en geweld heeft Iphigenie beschaamd door haar

kinderlijk vertrouwen.

Thoas eischt van Orest bewijs, dat hij werkelijk Iphigenies broeder

is. Orest wil een tweegevecht doen beslissen: de koning late zijn

dappersten man met hem strijden; Thoas heeft in dit duel zèlf wel

liefhebberij. Maar Iphigenie wil zulk bloedig bewijs niet, en toont

den koning op Orests lichaam vlekken en litteeken, waaruit blijkt

dat hij haar broer is. Maar, zegt de koning, mag ik wel vergeven

dat de Hellenen mij Diana's beeld wilden ontrooven? Hierop

antwoordt Orest: dat hij nu inziet wat de orakelspreuk van Apollo

bedoelde: Niet Apollo's zuster Diana, maar zijn eìgen zuster moest

hij brengen naar Hellas' kust: en zal de koning haar rein vertrouwen

niet beloonen?

"Geweld en list, de hoogste roem der mannen,

Zijn door de waarheid dezer hooge ziel

Beschaamd, en reinheids kinderlijk vertrouwen

Beurt bij een edel man zijn zeker loon".

Iphigenie geeft den doorslag:

"Zie ons aan! Ge hebt niet vaak

Gelegenheid tot zulk een eedle daad,

Weigeren kunt ge 't niet; zeg aanstonds ja."

De koning overwint in zijn ziel de wet van de bloedwraak en zegt:

Gaat dan. Maar zoo wil Iphigenie niet van hem scheiden: ze belooft

dat ze de onderdanen van hem, die zich als een tweede vader jegens

haar heeft gedragen, (wel verre van ze te offeren) steeds eerbiedig

en gastvrij zal ontvangen. Ze zegent den koning en smeekt zijn

zegen af, die hij thans niet meer kan weigeren.

--De tegenstelling tusschen de ruwe, domme, onbeschaafde Scythen en de

slimme, edele, bij de Goden geliefde Grieken is hier vervangen door een

andere tegenstelling; die, tusschen den passioneelen, aan zijn driften

verslaafden mensch en de reine, "humane", bezadigde Iphigenie, die door

haar onschokbare goedheid het betere in Thoas en Orest opwekt en tot

leven brengt: zoo zorgt het Ewig-Weibliche dat de mensch niet sterft aan

zijn eigen onvolmaaktheid. Want--gelijk in Egmont aanschouwelijk werd

gemaakt--de kiem van het verderf schuilt hier in het Ik, en slechts in

het menschelijk hart is daarvan redding te vinden.

Dat had Goethe ervaren gedurende zijn verblijf in Weimar. Zelf in de

macht van driften die hem verlamden door hun onderlingen strijd;

"gesotten und gebraten" van staatszaken; opgejaagd door laster en

afgunst, gebroken door miskenning, geprikkeld door gebrek aan

peins-stonden, door onderdrukten scheppingsdrang en kwijnende

gezondheid; had hij ten slotte maar één verlangen gekend, een verlangen

naar iets onbestemds, dat ten slotte werd een verlangen naar _rust_. En

deze rust, aanvankelijk gevonden in de "engels-armen" van Charlotte, was

hij gaan toeschrijven aan haar reinheid, welke allen die met haar in

aanraking kwamen rein moest maken. Het ideaal dat hij zich van haar,

"zijn zuster", gemaakt had, vond aan de omgewerkte Iphigenie-mythe een

passende gestalte. In de genezings-scène verschijnt voorwaar een wezen

dat eeuwig ongekend was gebleven, indien het niet een verschijningsvorm

had gevonden. Weinig vermoedde Goethe, dat hij zich ook in dit geval

redde door het behagen, dat hij vond aan iets, dat hij zelf had

geschapen!

De eerste, de proza-lezing van Iphigenie, die hij, overstelpt door

ambtsbezigheden, in korten tijd neerschreef en deed instudeeren, werd

spoedig na haar voltooiing opgevoerd. Hij zelf speelde de Orest, Corona

Schröter de Iphigenie, Knebel de Thoas. Deze opvoering beleefde veel

succes, maar wij mogen (door het vervolg geleerd) dit voor een

aanmerkelijk deel toeschrijven aan het voorkomen van "den mooien Goethe

in Grieksche dracht"--waarvan de brieven en de dagboeken uit dien tijd

ons verhalen. Hoewel naar den inhoud in hoofdzaak gelijk aan de

Iphigenie die wij thans kennen, mocht het werk Goethe niet bevredigen.

Er ontbrak iets aan, gelijk aan alles dat hij in dien tijd praesteerde.

Pas nadat hij, twee overzettingen in rhytmiesch proza verwerpend, het

stuk "met oneindig veel moeite, iederen zin in zich klinkend latend, 's

avonds voor het naar bed gaan overpeinzend wat hij in den vroegen

ochtend zou schrijven" had gesteld in verzen, en wel in vijfvoetige

jamben, beschouwde hij zijn werk als af. En deze Iphigenie genietend,

begrijpen wij wat er aan haar voorgangsters ontbrak.

Ter adstructie van de ook in deze bladzijden gehuldigde meening, dat

Goethes herstel niet door zijn verblijf in Italië werd bewerkt, maar

reeds te Weimar intrad, en onder den mooien hemel, in de poëtische

omgeving werd bekroond, beweert George Henry Lewes, dat de versificatie

aan dit schouwspel geen element van beteekenis heeft toegevoegd. Schreef

Goethe niets reeds in de eerste lezing verzen, terwijl hij (meedoend aan

de toen woedende mode) meende proza te schrijven? En zoo ja, heeft hij

dan in Italië iets anders gedaan als het werkstuk optoetsen?

Hiertegen is in de eerste plaats aan te voeren, dat een vergelijking van

de twee lezingen reeds toont, dat hier inderdaad heel wat meer is

geschied: Wat een op sommige plaatsen haperende schets was, werd een

levend tafereel. Iphigenie was nog niet geboren, zoolang ze lag

omsponnen met stug "natuurlijk" proza; evenmin als Goethe--hoewel op

zich zelf gelijkend--onder den "ijzeren Noordschen hemel" zich zelf kon

worden. Een sprekend en vaak geciteerd voorbeeld--een uit

velen!--verschoone ons van verdere uitweiding op dit punt: Hier worden

vier verzen uit den aanhef van Iphigenies openingsmonoloog geplaatst

naast de overeenkomstige proza-lezing:

~Definitief:~

Und an dem Ufer steh ich lange Tage

Das Land der Griechen mit der Seele suchend,

Und gegen meine Seufzer bringt die Welle

Nur dumpfe Tone brausend mit herüber.

~Proza:~

Mein Verlangen geht hinüber

nach dem Schönen Lande der

Griechen, und immer möcht'

ich übers Meer hinüber.

Wie voelt niet dat het eerste het echte is? dat het niet anders mocht

luiden? dat in de proza-lezing Goethe zelf aan het woord is, in plaats

van Iphigenie? dat de versvorm door woordkeus en rhytme zeer picturaal

werkt?--Geen wonder. Goethe had den hier weergegeven toestand pas in

Italië doorleefd, toen hij aan de oevers van het blauwe Gardameer zich

eenzaam voelde als Iphigenie aan de zee.

Maakt nu het stille rhytme met zijn zachte en toch krachtige caesuren,

den inhoud hier pas tot wat hij is, de versvorm levert ook dit voordeel

op, dat hij het logiesch geraamte van den inhoud voelbaar maakt,

verschillende étapes in de ontwikkeling van een bepaald thema merkbaar

afrondt, door fijne analogieën in woordklank en versmaat, in verband

tegenover of naast elkander plaatst, zonder ze ruw te scheiden: zoodat

de scherpe rubriceering der ideeën den plechtigen gang van het geheel

niet stoort. Zoo wordt in de passage:

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 16 / 29 段