De marteling die Charlotte von Stein hem (met zijn toestemming en

medewerking) gedurende een tiental jaren heeft opgelegd, heeft hem wel

geleerd, in alle levensverschijnselen vooral het geestelijke en

innerlijke te zoeken en te genieten; doch deze leering heeft hem

overspannen en vernederd. Immers een ruwe scheiding tusschen de drangen

zijns lichaams en de aspiraties zijns geestes was hem bevolen:

"harmonie" tusschen het zedelijke en het zinnelijke liet zich alleen

door vervloeking en verdrukking van een dezer fundamenteele

levensuitingen bewerkstelligen. Aan dezen verwarrenden strijd komt voor

hem onder den zeer klaren Italiaanschen hemel een eind; de luchtige

liefde die hij te Rome geniet is een evenwicht herstellende revanche

voor de leerrijke doch op den duur ongepaste slavernij te Weimar. En,

eenmaal aan de verwarrende coquetterie van Charlotte ontkomen, overwint

hij den twijfel, die hem de voltooiing van allerlei werkstukken heeft

belet. Eindelijk weet hij dan onder woorden te brengen: wat een oprecht

en eeuwig kunstwerk onderscheidt van de kunstvaardige doch oppervlakkige

nabootsing van de natuur; schoone natuur of leelijke natuur.

--Een beeld, een schilderij, een drama heeft STIJL (dus spreekt hij het

uit) wanneer het is beslist gesteld en strak omlijnd en in zijn kleinste

détails aan inhoud rijk; wanneer het in "edelen eenvoud en stille

grootschheid" weergeeft de typische gestalte, die het _wezen der dingen_

aanneemt en _noodzakelijk_ moet aannemen; zoodat zulke zinnelijke

belichaming van het ware, hoe tastbaar en waarneembaar ook, den

beschouwer een afspiegeling dunkt van het _oerverschijnsel_, dat

rechtstreeks stamt uit Gods werkplaats en een voor-besef inboezemt van

al wat geweest is en komen kan; van het Eene, dat veelvuldig zich

openbaart, en dat den mensch onbekend zou blijven indien het niet

_verscheen_.

Hiermede is verklaard dat Goethe zijn bewondering voor de overblijfselen

van antieke kunst zegt door ze _natuurverschijnselen_ te heeten;

menschenwerk, ja, doch even onberispelijk en geweldig als het van God

rechtstreeks geschapene; en toch niet een nabootsing van de natuur,

maar: waardige uitlegging van de natuur.

Onder den indruk van de antieke en de betere Renaissance-bouwkunst

(vooral het werk van Palladio) maakt hij van zijn bewondering voor de

Gothiek--die in den loop der jaren snel is verflauwd--definitief zich

los. Met grimmigen spot hekelt hij de pijpsteel-architectuur, die

grootsch met groot verwart, en het grootsche zoekt te bereiken door

domme opeenstapeling en herhaling van hetzelfde motief; die God tracht

aan te raken door met spitse torens den hemel gewelddadig te bestormen;

die met haar pilaren van opeengeplaatste heiligen juist den onzin waard

is, die er in wordt geleeraard.

In den tijd dat hij zich meer dan ooit dichter en profeet voelt zingt

hij geen geestdriftige zangen, schrijft hij tamelijk koele brieven, legt

zich toe op de studie van gesteenten, infusoriën en lagere planten. Dit

is geen liefhebberij van hem, zooals zijn vrienden wanen; geen poging om

motieven te ontwerpen voor mooie arabesken en vlakversieringen, zooals

zijn leermeester Tischbein verwacht; en het is geen "kunst van het

genieten", die (gelijk een groot Goethe-kenner beredeneert) hem er op

Sicilië toe brengt voor de historische uiteenzettingen van zijn geleider

het oor te sluiten en alleen te letten op landbouw en plantenweelde. Hij

zoekt als natuurvorscher bevestiging van zijn hypothese: dat de

veelsoortige vormen en gestalten in het mineralen-, het planten-, het

dierenrijk zijn terug te brengen tot enkele _oer_-verschijnselen,

waaruit zij zich zonder schokken en volgens de wetten die den

wereldgeest inhaerent zijn, hebben ontwikkeld. Als dichter, als

natuurvorscher, als kunstrechter zoekt hij door idee-belichaming, door

onderzoek, door overpeinzing het wezen der dingen te naderen.

Zijn pogen om alle dingen, menschelijke en ook natuurlijke, als een

openbaring van het goddelijke te beschouwen, neemt een aanvang in zijn

studententijd, voordat hij Spinoza kent; het is in zijn werk _d.i._ de

uiting van het onbewuste binnen hem, na te wijzen. Doch pas in Italië

heeft hij met zijn denken dit onbewuste doorgrond; begrijpt hij dat hij

met dit onbewuste wortelt in den goddelijken wereldgeest, en daardoor

dingen kan _bevroeden_, die hij nooit heeft waargenomen of ondervonden.

Hiermede is zijn dichterlijke intuïtie voor zijn denken gerechtvaardigd,

gaan deze twee hoofdrichtingen zijns geestes voortaan in harmonie. Van

den twijfel of hij naar de natuur moet werken of moet uitspreken zijn

idealen, van dien twijfel is hij genezen. Hij weet, dat hij in zijn werk

niet, naar den gewonen zin des woords, natuurlijk behoeft te zijn. Hij

moet menschen en toestanden na-scheppen zoo, dat hun daden overtuigend

en beslist zijn als de werkelijkheid; maar ook wijzen op het gemoed, dat

ze schiep en dat deel heeft aan het goddelijke, oneindige. In dezen

geest zal hij, steeds meer doelbewust, zijn vroeger ontworpen en ten

deele uitgewerkte drama's gaan zuiveren en voltooien.

Als hij--kort nadien--de hier geopperde stijl-formule aan Schiller

zendt, voegt hij er aan toe, dat hij, ze herlezend, het gevoel krijgt

dat hij met een kinderschopje de zee wil leeghappen. Natuurlijk! Want

deze formule is een gewaagde poging om zijn onbewust werkend

scheppingsvermogen--dat alle formules naar den duivel wenscht--met zijn

redeneerend verstand te benaderen. Hij gaat deze formule niet

"toepassen", maar ze hergeeft hem het vertrouwen in zijn, nu gelouterde,

intuïtie. De lezer zij er derhalve op bedacht, dat ook in de hier

volgende drama's elementen leven die met dit kunstbegrip spotten.

[Illustratie: Het treurspel Egmont, in 1775 te Frankfort

ontworpen, werd in 1787 te Rome afgesloten.]

XVIII

EGMONT

Dit treurspel werd ontvangen in de Sturm-und-Drangperiode. De auteur van

den Götz had toen alleen het plan, de geschiedenis van een vrijheidsheld

te dramatiseeren. In de meening dat het verleden van Duitschland uiterst

arm was aan helden, wier karakter hij zijnen tijdgenooten ten voorbeeld

mocht stellen, was hij in de Nederlandsche historie gaan zoeken en had

daar eigenlijk--niet gevonden.

Immers, bleef hij, zijn eerste drama samenstellend, aan de

geschiedkundige gegevens nagenoeg getrouw, hier bleken belangrijke

afwijkingen hem geboden. Goethes Egmont heeft één karaktertrek slechts

gemeen (maar hij bezit hem in veel hooger mate!) met de ietwat

dubbelzinnige figuur, die in onzen grooten bevrijdingskamp een

ongezocht-pijnlijke doch uit chauvinistiesch oogpunt zeer dankbare

decoratieve rol speelde; een karaktertrek welke pas sympathie verdient,

als hij niet samenhangt met de neiging om van twee wallen te eten,

doch--gelijk in het treurspel--op zich zelf staat. Bedoeld is het ziende

blind zijn voor een groot en nabij gevaar, het onvoorwaardelijk toegeven

aan den lust tot (hier onschuldige) genieting, ook al leidt deze

genieting rechtstreeks en manifest naar ondergang; de karaktertrek,

kortom, die den Held van dienst is als hij roekelooze ondernemingen

waagt en die "het demonische", naar Goethe het meermalen noemde, vat

geeft op den mensch.

Ouder gewoonte heeft Goethe hier weer een uiterlijk bewegingsmotief van

een karakter opgelost in en vervangen door een ondeelbaren grondtrek van

een schooner karakter: De historische Egmont valt in Alva's handen,

doordat hij--te zeer gehecht zijnde aan zijn vrouw en zijn elf

kinderen--niet durft vluchten; Goethes Egmont daarentegen tengevolge van

de hem aangeboren glimlachende besluiteloosheid, van zijn onverzettelijk

goed-geloof, door een soort van levenslust, die hem doet wanen dat niets

in staat is hém te treffen. Niet Alva's verraad brengt zijn ondergang,

maar zijn innerlijke tegenstrijdigheid die dit verraad mogelijk maakt.

Terwijl hij zich gereed stelt om te vechten voor de vrijheid van een

volk, blijkt (en ziedaar het door Goethe niet uitgewerkte tragische

element) dat zulke vrijheid, als met geweld van wapenen zich laat

veroveren, hém zeker niet zou baten, daar hij immers de vrije

beschikking over zijn groote natuurlijke gaven mist.

Goethe voelde destijds zich in de sfeer van het demonische gerukt.

Hoewel bij ondervinding wetend dat zijn liefde noch hem noch de

uitverkorene gelukkig kon maken, had hij zich gebonden aan Lili. Hoewel

begrijpend dat haar gemoed en haar omgeving hem nooit zouden bevredigen,

had hij haar gezocht, nadat hij haar was ontvlucht, bleef hij aan haar

gehecht nadat de verloving was verbroken. Geen redeneering, geen

vriendenraad, geen vast besluit, slechts de conceptie van een

waarschuwend beeld kon hem bevrijden: Egmont! En de historische stof

moest zich aanpassen aan zijn sentimenteele behoeften van dat oogenblik.

Terwijl de hertogelijke kamerheer (die hem als het ware naar een nieuw

leven zou voeren) zich liet wachten, behield hij zijn bezinning door

koortsig werken aan dit beeld. Te Weimar stokte de uitvoering, daar de

conceptie haar heil volbracht had; slechts de bekoorlijke scènes werden

te boek gesteld. In Italië voltooide Goethe het werk--denkelijk meer om

zijn auteursplichten te vervullen (de complete en geautoriseerde uitgaaf

van zijn "Schriften" zou alles bevatten wat hij in zijn

voor-classicistische periode had ontworpen) en om het genot, weer-jong

wordend, te blijven in den toon van het begin, dan om de pas-opgevatte

kunst-principes te openbaren.

Zoo zijn in dit stuk het wapengekletter en het cinematographische

gewirwar en het Shakespeare-pathos van Sturm-und-Drang; de losheid, de

diplomatie, het ambtelijk pedantisme, de zwartgalligheid en de

vluchtig-schoone gezichtseinders van de ministerjaren; en de bezonnen

levenskijk, het streven naar symmetrische rust, naar inhoudzware

kortheid van Goethes Italiaansche periode aan te toonen. En al deze

momenten strijden om de heerschappij over den Egmont.

Een rad met zoo veel assen kan slechts stilstaan of uiteenspatten. De

thema's, in een stuk dat als harmonie bedoeld is, die elkaar niet

steunen, die, na gestreden strijd, niet opgaan in een rustig Geheel,

doen elkaar te niet. Een straatgevecht kan, als het op zich zelf geen

functie heeft, wel voeren naar een hartroerende sterf-scène of naar een

luidruchtig triomf-festijn, doch niet naar de plechtig stille

binnenkamer, waar twee bevriende groote mannen (Willem de Zwijger en

Egmont) in precieus gekozen bewoordingen, met het doffe rhytme van

onderdrukten hartstocht, uitspreken de diepste levensbeginselen, die hen

voor eeuwig scheiden. En zoo is dit treurspel een los samenhangende

mengeling van prachtige brokken, welker plaatsing in het geheel wel door

afzonderlijke redeneering te verdedigen valt, maar die niet

_onmiddellijk_, d. i. voor het oog van den toeschouwer, samenvloeien.

Echter een doelmatig gevonden muziek, die de ruimten tusschen de

verschillende sferen waarin de Egmont zich beweegt overbrugt, en zoo den

overgang van het een in het ander voor de ziel des toeschouwers

geleidelijk maakt, doet het als gehéel tot zijn recht komen. Als

zoodanig is Beethovens compositie van Egmont bedoeld. Doch ook de

schouwburgbezoeker die voor muziek even gevoelig is als voor dramatische

effecten, en die dus in staat zou zijn dit nieuwe geheel onverdeeld te

genieten, moet dit genot derven, daar Schiller, het stuk voor het

nationale tooneel te Weimar bewerkend, (en deze bewerking wordt

doorgaans opgevoerd) er sommige passages en personen uit heeft

geschrapt, waardoor muziek en dramatiek elkander niet geheel meer

dekken.

--Het grondgegeven van dit treurspel: de luchthartige, zwierige,

dappere, vertrouwende Egmont, door het volk bemind maar niet begrepen,

die ondanks vele gemotiveerde waarschuwingen op Alva's komst blijft

wachten en door beulshanden sterft; hadde zich beter geleend tot een

tragedie dan de Götz-cronyk. Götz is een eerlijke vechtersbaas, die wel

weet dat de wereld het land aan hem heeft, doch met zijn achterwerk naar

de wereld gekeerd op de vensterbank plaats neemt, daar door een uiterst

onwelvoeglijke verrichting doet blijken wat hij van de wereld denkt, en

het voor 't overige laat aankomen op zijn beproefd zwaard. Het tragische

is, dat de domme, zenuwachtige Keizer Maximiliaan hem dit zwaard uit

handen slaat, liever dan te buigen voor zijn ziele-adel. Doch dit is,

welbeschouwd, niet te verwonderen: in dergelijken vorm ontmoet men het

tragische bijna dagelijks. Egmont echter begrijpt de wereld niet,

terwijl de wereld hem over 't geheel niet kwaad is gezind: landvoogdes

Margareta en ook Alva's zoon, die zijn vijanden moesten zijn, vinden hem

een sympathieken vent en willen hem graag helpen. Maar de menschen,

vrienden en vijanden, die hem liefhebben en willen redden, hebben iets

spokigs voor hem: hij kan niet gelooven dat hij ze hoognoodig heeft. De

hem omringende wereld (zou Goethe later in een ander verband zeggen)

blijkt telkens in tegenspraak met zijn persoonlijkheid, met het ìn hem

levend ideaal van de dingen, omdat het idee dat hij van God heeft,

datgene wat hij van God vermag te begrijpen nog zoo verre van God

verwijderd blijft. En de macht die hém neervelt, het onbegrepene in den

mensch, dunkt hem een afschuwelijke macht der duisternis, half

sluipmoordenaar, half straffende voorzienigheid. Vandaar dat Egmonts

ondergang binnen ons meer gedachten in beweging brengt en dus

aangrijpender is dan de ondergang van Götz, al is de laatste uitvoeriger

verbeeld.

Gedurende de jaren dat Goethe van 't geloof aan het demonische was

vervuld, had hij die macht der duisternis in al haar verschrikkende

onafwendbaarheid, "die door geen verstand of rede is op te lossen",

voelbaar kunnen maken. Toen meende hij wel eens dat het dramatische is:

de laatste oorzaak en het laatste doel van al het aardsch gebeuren. Doch

de man, wiens Iphigenie het "Elke menschelijke tekortkoming wordt door

reine menschelijkheid uitgeboet" reeds had verkondigd, wist aan Egmonts

ondergang de wrange vreugd des dichters niet meer te beleven. Hij kon in

dien ondergang niet meer berusten. Evenals zijn moeder ontweek hij het

tragische, maar wat zijn moeder wenschte: de oplossing--dat had hij

gevonden. Deze oplossing ontstond (zooals de lezer in Iphigenie zal

bespeuren) niet door een verandering van de omstandigheden, maar door

een vertroostenden en reinen kijk op de omstandigheden, _m.a.w. in de

wijze waarop hij voortaan verwikkelingen zou begrijpen en dus

weergeven_.

Doch de romp van den Egmont was in een vroeger gemoedsstadium ontworpen,

de verwikkeling was er dus nog op de oude wijze gesteld. Toen hij er nu

de nieuw-gevonden ontknooping aan wilde sluiten, merkte hij dat

verwikkeling en oplossing niet pasten op elkaar. Echter, hij wilde in

ieder geval een vertroostende ontknooping, en zoo moest hij wel zijn

toevlucht nemen tot die "salto mortale in de opera-wereld" (zooals

Schiller het wel scherp, maar nauwelijks correct heeft genoemd) tot de

apotheose, waarin Clare, Egmonts lieveken dat zich pas om 't leven heeft

gebracht, dezen in den kerker verschijnt, en, terwijl het schavot wordt

getimmerd, haren held een lauwerkrans reikt. Egmont, gehallucineerd,

verkondigt in rhytmiesch proza hoe vruchtbaar zijn vreugdig sterven in

de zielen van de nakomelingen zal werken; nadat hij--o wraak van den

rijpen Goethe op den aarzelenden Wolfgang--den schijn heeft gewekt dat

hij sterft als martelaar, omringd door de dreigende speerpunten, welke

de Goethe die het stuk _ontwierp_ in het stuk zelf heeft vergeten.

Zoodoende den ondergang van één menschenleven opheffend in de sfeer van

de gerechtigheid der historie, maakt Goethe dien ondergang dragelijker

voor--den toeschouwer. Of hij er zelf vrede mee heeft gehad mogen wij

betwijfelen.

Hoewel dus in den Egmont nog minder dan in Götz de dramatische (_d. i._

zichtbare zoowel als voelbare) eenheid van handeling is bereikt, hoewel

de geschiedkundige achtergrond er zoodanig naar voren treedt dat

Margareta, Machiavell, Oranje, een aantal Brusselaars aanvankelijk

handelende personages schijnen, en door hun plotseling wegblijven den

toeschouwer de verwarrende ontdekking brengen dat hij zijn aandacht had

misplaatst; is dit treurspel bij 't publiek zeer geliefd. Het publiek is

altijd te vinden voor drama's die vele beminnelijke menschen op de

planken jagen. Het publiek begrijpt geenszins, hoe slecht het er zelf af

komt in dit treurspel. De volksgezinde titelheld, de voorzichtige, wijze

en (wat voor het publiek wel aangenaam is) ietwat woordrijke Willem de

Zwijger; het naïef vurige Clärchen (dat aan Friederike herinnert); haar

geduldige aanbidder Brackenberg; ze zijn zoo levend en toch zoo ideaal,

dat ze zelfs den scherpen criticus in verrukking brengen.

[Illustratie: Het schouwspel Iphigenie in Tauris ontstond in

1779--en kreeg in 1786 zijn definitieven vorm--]

XIX

IPHIGENIE IN TAURIS

Met dit werkstuk zijn vervuld de aspiraties die wij bij het kind

Wolfgang reeds zagen kiemen, die wij bij den jongeling en den man nu

eens zagen onderduiken, dan weer zich ontplooien. Iphigenie is "de

schemering die waar en onwaar verbindt", die den toeschouwer laat zien

wat hij nooit gezien, hooren wat hij nooit gehoord heeft; het drama

waarin toevallige motieven, onafhankelijk van het grondgegeven,

overbodig zijn. Het moest dus worden het drama zonder uiterlijke

handeling, dat wij in het oriëntatie-hoofdstuk in verband met Goethes

aanleg reeds tegemoet zagen; het drama dat men kan genieten met gesloten

oogen, zooals men goede muziek geniet, die louter zielsbewegen is.

Het verwondere niemand, dat de beoordeelaars van de Iphigenie al heel

wat "esthetiesch" misverstand hebben verkondigd; immers, hier is Goethe

op zijn grootst.

Men meent den Iphigenie-dichter geen schooner eer te kunnen bewijzen dan

hem toe te kennen den titel "classicist", daarmede in zooveel woorden

bedoelend, dat hij door langzame en geleidelijke ontwikkeling van het

dramatiesch gebeuren, door zijn eenvoudige tooneel-oeconomie, door de

scherpe omlijning van zijn figuren en hun bedoelingen, door zijn

verheven doch eenvoudige taal, alsook door zijn echt-Helleensch

onderwerp, de Grieksche tragedisten "uitnemend" heeft nagebootst. Alsof

het voor den eersten Duitscher een eer zou kunnen zijn, een "uitnemend"

Griek te heeten.--Andere beoordeelaars gaan niet zoo ver, maar meenen

toch--zich daarbij beroepend op Goethes uitspraak: "Ieder zij een Griek

op zijn wijze, maar hij zij het!"--dat hij van de Grieksche inkleeding

zooveel heeft overgenomen als met zijn Duitschen smaak en met de eischen

van zijn taal, "de onverwinnelijke taal" (zooals hij ze in de

Venetiaansche hekeldichten noemt), was te rijmen. En daartegenover staat

dan het oordeel van Schiller (gedeeltelijk als een _ver_oordeeling

bedoeld), dat dit drama is "verwonderlijk on-Grieksch", wijl het is

een-en-al Ziel.

Uit de in voorafgaande bladzijden gegeven schets van Goethes

geestes-evolutie tot aan zijn vertrek naar Italië, volgt een

ontstaansgeschiedenis van Goethes classicistiesch kunst-inzicht, die met

boven-aangehaalde uitspraken niet in overeenstemming is te brengen.

Goethe ging niet naar Italië om daar aan de overblijfselen van antieke

beeldwerken (let wel: de beeldwerken, niet de drama's boezemden hem

belangstelling in!) te leeren wat echte kunst is; maar hij voelde zich

naar Italië getrokken, vermoedend dat daar te aanschouwen waren de

kunst-gestalten, die het algemeen-menschelijke met het individueele

vereenigden, aardsch en hemelsch tegelijk, zooals hij ze in zich voelde

rijzen, nadat hij de ijdelheid van vele aardsche aankleefselen en de

schadelijkheid van vele aardsche hartstochten uit eigen ondervinding had

leeren kennen. Hij droeg de schepping-mogelijkheid reeds mét zich, en

meende door voortdurende veredelende beschouwing van de classieke

beelden die mogelijkheid sneller tot werkelijkheid te zien

crystalliseeren.

Dàt hij deze scheppingsmogelijkheid reeds in zich droeg bewijst de reeds

vroeger aangeroerde comedie Die Geschwister, welke niet alleen naar den

inhoud als een burgerlijke voorloopster van de Iphigenie is te

beschouwen, maar vooral ook naar de daarin gevolgde methode van

stof-opvatting. De handeling speelt er ten huize van den braven koopman

Fabrice, maar de gevoelige toeschouwer krijgt den indruk, dat zoowel het

milieu als de achttiend'eeuwsche costuums, waarin de figuren zich

bewegen, hen hinderen in hun doen en laten, hun lieve en gevoelige

gezegdes te naïef doen schijnen, en op een gegeven oogenblik àf zullen

vallen, opdat deze menschen zich kunnen toonen gelijk ze van God zijn

geschapen: niet als koopman, niet als huishoudster, maar als ontijdige

en beminnelijke menschen, zooals ze nergens en toch in alle standen,

alle professies, alle eeuwen worden aangetroffen. Doch de overbodige

inkleeding valt niet weg, en daardoor wordt de ontwikkeling van de

karakters in deze comedie gedrukt, zonder dat de realiteit van de

personen er bij wint: zij passen niet in de lijst van de gewone,

burgerlijke samenleving. Dit is een fout. En--mogen wij in Goethes

natuur-historische hypothese betrouwen, die toepassen op het terrein van

den geest--dan is deze vergroeiing ons meer waard dan een gewone

àfwijking van 's dichters talent: ze verschaffe ons licht in een later

stadium van zijn evolutie.

Nu dan, de figuren in het schouwspel "Iphigenie" zijn menschen in de

losse gewaden, die hun vormen schoon verhullen en edel laten vermoeden,

die hun bewegingen vloeiend en toch strak doen zijn; en deze menschen,

deze _wezenlijke_ menschen, blijven aardsch genoeg om "natuurlijk" te

denken, maar zijn ook ideaal genoeg om een afspiegeling te mogen heeten

van het noodzakelijke, goddelijke, oer-menschelijke, waarnaar men zich

alle menschen geschapen acht, volgens eeuwige, onveranderlijke wetten.

En niet in een knus kantoor gevoelen zij en hopen zij, maar in een

heilig woud, waar de kolommen van den Artemistempel door het geboomte

schemeren, en het ruischen van de onafzienbare zee den mensch noodt, in

overpeinzing met zich zelf alleen te zijn, rechtstreeks onder het

hemelgewelf. Deze classieke menschen heeft Goethe reeds in Die

Geschwister gezocht!

Goethe kende het Grieksche drama wel, toen hij naar Italië ging; ware

het hem daar om te doen, dan hadd' zijn eigen boekerij, hadd' de armste

Duitsche bibliotheek hem reeds leering genoeg geboden. Maar de

beeldkunst, niet de dramatische, was de zuiverste uitdrukking van de

classieke rustige grootschheid. Fijnere dramakunst kon in de oudheid

niet ontbloeien (gesteld eens dat men ze hadd' verlangd), wijl de

toenmalige openbare schouwspelen (gegeven voor duizenden, op

marktpleinen, door acteurs op hooge schoenen en met maskers voor, waarin

spreektrompetten) op grove, massale uitwerking waren berekend, langzaam

waren van ontwikkeling en rijk aan behendige herhalingen, omdat bijna

geen enkel toeschouwer naar huis ging zonder vele gedeelten te hebben

gemist. Maar vooral ook, wijl zij--in overeenstemming met het toenmalig

psychologiesch inzicht--gaven _passies_ als zoodanig. Daarom kon Goethe

ze niet navolgen: voor hem zijn de menschelijke aandriften onderworpen

aan zedelijk oordeel en aan zedelijke tucht; voor hem loopt de mensch

niet blind en willoos tegen de Goden te pletter; zijn eigen ziel is het

raadsel, welks oplossing hem uit den greep van het Noodlot bevrijdt.

Vandaar dat Schiller dit "uitnemende" Grieksche drama "verwonderlijk

on-Grieksch" noemde; zooals Lessing reeds den Werther in zekeren zin had

veroordeeld met de beweringen, dat geen jongeling uit de classieke

oudheid op deze wijze aan zijn eind zou zijn gekomen, en dat Werthers

weekheid het resultaat was van achttien eeuwen Christendom en

zelfontleding.

Wil men zich het resultaat van achttien eeuwen Christelijke

zelfbeschouwing nader voor oogen stellen, dan make men een vergelijking

tusschen de tragedie van Euripides (waarmede Goethes schouwspel enkele

uiterlijke trekken gemeen heeft) en onze Iphigenie. Het diepe

karakter-verschil tusschen antiek en Goethiaansch zal dan tevens aan het

licht komen:

Ziehier de hoofdlijnen van Euripides' tragedie.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 15 / 29 段