Hij heeft gehoopt als staatsman paleizen voor de menschen te bouwen en

nu is hij blij als het hem gelukt de hutbewoners van hun afval te

bevrijden. De hertog kan hem niet volgen in zijn verstrekkende plannen.

Carl-August begint zijn residentie saai te vinden: de mannen hebben

volgens hem hun jeugd uitgeleefd en de vrouwen zijn allemaal getrouwd!

Hij is voornemens in vreemden krijgsdienst te treden, nu zijn minister

hem in eigen land het soldaatspelen vergalt. Zijn militaristische

geestdrift, die hem in den Duitschen vorstenbond drijft, maakt Goethe

waakzaam. Deze verafschuwt den doelloozen bureel-arbeid, die hem is

opgelegd, zooals hij van jongsaf alles verafschuwt dat uitloopt op

niets, maar nu hij begrijpt dat hij nog jarenlang het volk voor den

vorst moet behoeden, vat hij zijn taak met wanhopige stiptheid op. Hij

verlaat zijn toovertuin en vestigt zich met Charlotte's zoontje Fritz in

een prozaïsch stadshuis op het _Frauenplan_, dat beter past bij zijn

drukke "Geschäfte". Slechts hij die zichzelf verloochent kan heerschen,

meent hij. De poëzie lijkt hem zijn kwade geest, die hem weglokt van

zijn plichten, een schuimende waterval, wiens kracht hij moet aanwenden

om er een molen mee te drijven, maar die telkens buiten zijn bedding

treedt om molen en graan weg te spoelen. Alleen met Vrouwe von Stein

onderhoudt hij nog vriendschapsbetrekkingen. Eens in de week geeft hij

"een thee", waarvan niemand is uitgesloten, maar hiermede meent hij zijn

beleefdheidsplichten tegenover de wereld te hebben vervuld. Hij wil wel

voor 't Hof zorgen, mits niet aan 't Hof. Den "Hofnood" houdt hij geen

heelen dag uit. Sedert zijn bezoek aan Frederik den Grooten zijn in hem

de bloesems van openhartigheid, vertrouwen en gevende liefde van dag tot

dag meer verwelkt. Zijn vrienden maken zich ongerust over zijn

stilzwijgen, dat zoo weinig bij hem past. Zijn gezondheid gaat snel

achteruit; zorgrimpels trekken over zijn gelaat. Herder, doelend op zijn

natuurstudie, spot dat hij alleen nog maar met keisteenen en bloemkoolen

converseert, en aanklopt bij rotsen die geen antwoord geven. De

bewonderaars die hem willen raadplegen over hun verzen, de opvoeding van

hun kinderen, de verbouwing van hun huizen, worden hem vijandig gezind

omdat hij ze niet grif genoeg te woord staat. Men weet niet dat hij in

't geheim een groot deel van zijn inkomen aan weldadigheid besteedt. Wat

begrijpt men van den zwijger, die op een eenzamen top van het

Harzgebergte zich overgeeft aan deze meditatie: "Hier rust ik

rechtstreeks op een grond, die tot in het diepste der aarde reikt, geen

nieuwe aardlaag, geen opeengehoopt puin heeft zich tusschen mij en den

vasten bodem van de oerwereld geplaatst. Op dit oogenblik, nu de

innerlijke aantrekkings- en bewegingskracht van de aarde gelijkelijk

op mij inwerkt, nu de invloed des hemels mij na omzweeft, wordt ik

gestemd tot ademlooze natuurbeschouwing, en, gelijk de menschengeest

alles leven geeft, begint er een parabel in mij te woelen, aan welker

verhevenheid ik mij niet kan onttrekken. Zoo eenzaam, zeg ik tot mij

zelf, terwijl ik van den geheel naakten top naar beneden kijk, en

verweg, aan den voet wat dun gezaaide mossen bespeur, zoo eenzaam zeg

ik, wordt het den mensch te moede, die slechts voor de oudste, eerste,

diepste gevoelens der waarheid zijn ziel wil openen. Ja, zulk een kan

tot zich zelf zeggen: Hier op dit oudste, eeuwige Altaar, dat

rechtstreeks op de diepten der Schepping steunt, breng ik het Wezen van

alle wezens een offer".

[Illustratie: CARL-AUGUST

HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR]

Merck, die zijn trouwe plichtsbetrachting hoog aansloeg, oordeelde dat

hij de zaken te Weimar nu zoo had geordend, dat er alleen nog "dreckige"

dingen te doen bleven, en dat daarvoor geen Goethe noodig was. Maar toen

Goethe hem "een draak" noemde, warmde hij vrouwe Aja op met de bewering

dat het klimaat niet deugde voor haar "troetelkind", en samen spanden ze

zich in om hem terug te geven aan zijn roeping. Zijn vader was met

gekrenkte geestvermogens overleden en vrouw Aja wilde haar

"Hätschelhans" gaarne de middelen verschaffen tot rustige studie. Maar

daar is het hem niet om te doen: hij wil het natuurlijke beloop der

dingen afwachten en weigert, met een beroep op de leerschool die hij als

minister doorloopt. Maar kort daarna schrijft hij haar: "U moet tevreden

zijn als ik niet geheel-en-al sterf, en een goeden naam achterlaat."

Zijn inborst laat zich zoo weinig verloochenen, dat hij in zijn

ambtsbeslommeringen niet alleen aanleiding maar ook verontschuldiging(!)

meent te zien voor het beoefenen van allerlei wetenschappen. Voor de

onstandvastigheid en inconsequentie van de menschen, wil hij zich

schadeloos stellen met de consequentie van de natuur. Zijn bemoeiingen

met mijn- en boschbouw, met wegaanleg, hoogeschool en teeken-academie,

voeren hem tot delfstof-, aard-, plant- en ontleedkunde. Het is hem hier

niet te doen om wat practiesch bruikbare gegevens; hij toont zich op dit

gebied de dichterlijke wijsgeer, die de heele natuur als een éénig

wezen ziet en nu in alle natuurverschijnselen een openbaring van dit

Eenige verwacht. Spinoza heeft hem geleerd dat toereikende kennis van

het wezen Gods tot toereikende kennis van het wezen der Dingen kan

voeren, en deze weinige woorden geven hem moed, heel zijn leven te

wijden aan de beschouwing der dingen die hij kan bereiken en van welker

essentie hij durft hopen, een afdoende kennis te erlangen. Alle

uitvinden en ontdekken (beseft hij) is de uitoefening van een

oorspronkelijk waarheidsgevoel, dat zich in stilte reeds lang heeft

gevormd, en dan plotseling, met bliksemsnelheid, tot een vruchtbaar

inzicht voert. Het is van binnen naar buiten werkende Openbaring, die

den mensch zijn godgelijkheid laat vermoeden. Het is de synthese van

wereld en geest, die van de eeuwige harmonie in het bestaande de

heerlijke verzekering geeft. Bij voorbaat lijkt hem uitgemaakt, dat

mensch, dier en plant zich volgens dezelfde wetten hebben ontwikkeld,

dat op geen enkel gebied sprake kan zijn van plotselinge schepping, dat

alles geleidelijk is gegroeid, dat de rijken der natuur onmerkbaar in

elkaar versmelten. En met deze werk-hypothese gaat hij nu in ontleedzaal

en museum, in bosch en gebergte aan 't onderzoeken, en brengt dingen aan

het licht, wier beteekenis pas veel later officiëel door de geleerden

zal worden toegegeven. Hij begint nu in een geheel andere laag der

maatschappij vijanden te verwerven, door zich àls dichter te bemoeien

met de wetenschap. Hij ontdekt het tusschenkaaksbeen bij den mensch,

komt met de ongehoorde bewering dat alle organen van de plant vergroeide

bladen zijn.[A] Voor de leerlingen der teekenschool geeft hij lezingen

over het menschelijk skelet. Hij begint een boek te schrijven over de

vorming van de gebergten,--waarvan slechts een kleine verhandeling over

het graniet klaar komt. Ondanks al zijn pogingen om een bureaucraat te

zijn, is hij vol nieuwe ideeën en inspiraties. Ieder hoofdstukje dat hij

voltooit, elke dichtregel dien hij onderdrukt, brengt hem nogmaals het

bewustzijn dat hij als schrijver is geboren, en dat zijn eenige roeping

is: goed te zeggen wat hij in zich heeft.

[A] De beteekenis van deze ontdekkingen vindt de lezer uitvoerig

omschreven in ons Hoofdstuk "_God en Wereld_" (Derde Boek).

Ten slotte houdt alleen zijn liefde tot Charlotte von Stein hem te

Weimar. De bezuiniging, waartoe hij Carl-August dwingt, heeft tengevolge

dat deze de noblesse van zijn tafel uitsluit. Zoo wordt de

opperstalmeester weer soliede, en Goethes vertrouwelijk verkeer met

Charlotte is gestoord. Nu zij in deze omstandigheden nog niet geheel de

zijne wil zijn, komt hij tot nadenken, en gaat vaag zich afvragen of hij

niet te hoog staat voor een zoo dubbelzinnige liefde. Hij kan van haar

niets eischen en dus krijgt hij het nog eenzamer. En als hij ziet dat

hij al zijn krachten heeft ingespannen om in de waardelooze buitenwereld

iets te veroveren, daarvoor kwellend _zijn eenige schat, zijn ik_, komt

hij tot de schrikkelijke slotsom: Dat de man die den Werther schreef

zich liever voor zijn kop had moeten schieten dan zulk een leven te

beginnen.

Dit beteekent dat hij uit het verblijf te Weimar heeft geleerd wat er

voor hem uit te leeren valt, daar hij immers tot ideeën is gekomen die

direct zich aansluiten bij het ideaal, dat hij zich in zijn beste

jongensjaren heeft gesteld.

Hij moet weg en is ook meer en meer gaan weten, dat hij naar Italië

moet. Hij kan geen Latijnschen schrijver lezen (uitgezonderd Spinoza,

dien hij met Charlotte bestudeert), hij kan geen Italiaansche prent zien

of onder hevige smarten moet hij zich losrukken uit de bekoring. Want

daar in Italië staan de overblijfselen van de antieke beeldwerken, die

belichamen wat ook hij zoekt: "de oudste, eerste, diepste gevoelens der

waarheid", het wezenlijke, den ideëelen mensch, die het voorbeeld is van

alle andere menschen die ooit kunnen leven.

Omstreeks dien tijd beginnen zijn vrienden hem aan te zetten tot de

uitgave van zijn werken in acht deelen. Hij besluit daartoe als een

Berlijnsch uitgever, die, zonder hem er in te kennen reeds drie edities

van "Doctor Goethes Verzamelde Werken" heeft gebracht, zoo onbeschaamd

is, hem een porceleinen servies te zenden als aandeel in de winst. Zoo

is hij genoopt al wat achter hem ligt opnieuw te overzien, en nu wordt

hem duidelijk dat het _geloof_ in de schoonheid van de classieke kunst,

waarin hij is opgevoed, zich omgezet heeft in _besef_ van die

schoonheid, en dat dit het eenige is, dat hem overeind houdt. Zijn

ziekelijk verlangen naar 't land waar

"die Citronen blühn

Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn"

kan slechts door werkelijke aanschouwing geheeld. In zuiverder en

poëtischer atmosfeer dan Weimars "ijzeren hemel" hem kan bieden, wil hij

de innerlijke rust veroveren, die hem in staat zal stellen het

ongrijpbare dat hem voor-zweeft vast te houden. Na veelvuldige wisseling

van geestesavontuur zal hij als gerijpt man tot zijn eigendom maken: de

leeringen die hem reeds hebben toegewenkt, toen hij als jong student

stuurloos zocht.

Nu de periode van zijn kamerpresidentschap ten einde spoedt, weet hij de

zaken zoo te regelen dat ze voor- noch achteruit kunnen, al moest hij

ook dadelijk sterven: Carl-August kan nu geen kwaad meer. Hij voorziet

geweldige politieke beroeringen in de naaste toekomst en dit drijft hem

tot haastig vertrek.

En gelijk hij al meermalen heeft gedaan: Als het tegen zijn verjaardag

loopt, neemt hij (zonder dit er bij te melden) afscheid van zijn

vrienden, van Charlotte, "zijn lieve hart" en--verdwijnt den nacht voor

Carl-Augusts verjaardag. Den hertog geeft hij in een briefje den raad,

te doen alsof hij wel weet waar dr. Goethe steekt.

Niet voor zichzelf is hij ditmaal gevlucht!

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,

loopen--van 3 September 1786 tot 23 April 1788.--]

XVI

Hier muss man solid werden!

Hij deed de postkoets bijna anderhalf etmaal onafgebroken doorrijden;

vele merkwaardigheden die hij gaarne had bekeken snelde hij voorbij;

want hoewel niemand zijn reisroute kende, vreesde hij met een

bijgeloovige vrees, dat zijn vrienden hem zouden achterhalen en zijn

plannen verijdelen. Maar te Triënt in Tyrool kwam koopman Phillip Möller

(zoo noemde hij zich) tot kalmte. Schoon op Germaansch gebied, voelde

hij dat het gewoel van kleurig gekleede, zongebrande, gracieus bewegende

menschen onder den zuiver blauwen hemel een echte Italiaansche atmosfeer

om hem heen weefde. En met afgrijzen dacht hij terug aan de plomp

gevormde lieden daar onder de grimmige, bewolkte Noorderluchten achter

hem, die hem het denken hadden vertroebeld. Met liefde nam hij een

harpspeler en diens dochtertje een eindweegs mee in zijn koets. Hij

haastte zich Italië binnen te trekken en--eenmaal te Verona--kwam hij

waarlijk tot rust: Nu was hij gedwongen voortaan "de beminde taal" te

spreken; hij trok Italiaansche plunje aan, mengde zich onder de

marktbezoekers, gebruikte al wandelend zijn maaltijd, die uit druiven en

vijgen bestond, koutte met de kinderen--als eertijds Werther--en

verdiepte zich in het levendige gebarenspel van de ouders. Het deed hem

goed, weer eens ongedwongen te babbelen met kleine luyden, die niet in

hem zagen den geheimen raadsman des hertogs, die hem niet bewonderden,

die hem niet bedienden--oftewel hulpeloos maakten. Dieper drong hij door

in het land waar de citroenen bloeien: hier de nieuw-classieke

bouwwerken van Palladio bestudeerend als moest hij architect worden,

ginds met groote oogen de weeke omlijningen der bergen beschouwend;

lettend op zeden en gewoonten, op plantengroei, landbouw, te veld

staande oogsten, geologische gesteldheid; steenen bekloppend, mineralen

toetsend; afkeurend wat in den eens zoo vereerden Gothischen (barbaren)

stijl was opgetrokken; terloops aan de waaierpalmen te Padua (sindsdien

Palmi di Goethe gedoopt) en aan leerachtige zeeplanten een bevestiging

speurend van zijn pas verkregen botaniesch inzicht.

Naar Venetië, de lagunenstad waar elk plekje grond ontworsteld was aan

de zee, en welker bewoners toch kunstzin genoeg bezaten om hun huizen en

kerken, paleizen, bruggen niet alleen sterk maar vooral statig-mooi te

bouwen. Hier werden allerlei onverteerde woorden, hem uit beschrijvingen

en uit de verhalen van zijn vader bijgebleven, hem tot phantastische

werkelijkheid; hij zag de versierde schepen deinen op het blauwe water,

hoorde de gondeldrijvers hun antieke rhapsodieën galmen, aanschouwde den

grijzen Doge in hermelijn en goud met de Phrygische muts op, omstuwd

door senatoren in violette of roode sleepgewaden. Voor het eerst in zijn

leven stond hij aan een zee, maar hij vergat in zijn dichterlijken

geestdrift niet, strandplanten en weekdiertjes te onderzoeken.

Hij is zoo verzonken in het jeugdig losse, rustig vlugge Italiaansche

leven, dat hij zich verjongd voelt, en met duidelijker uitgesproken

bedoelingen verder reist.

Nu richt hij zich over Florence naar Rome, "de hoofdstad der aarde".

Reeds tweemaal is hij daarheen op weg geweest, en tweemaal heeft "een

sterke magneet" hem onverhoeds naar 't Noorden getrokken. Hij vreest dat

hij ook nu Rome niet zal bereiken, en in zijn bijgeloovig ongeduld

besluit hij telkens zijn weg te bekorten, allerlei kunstschatten dan

maar niet te zien. Ten leste gunt hij zich geen tijd meer om zich bij

het slapengaan te ontkleeden: dan is hij eerder klaar met het bekijken

van merkwaardigheden die hij zich niet màg laten ontgaan. Een voerman

die hem--vroeger dan in zijn plan lag--naar Rome wil brengen lijkt hem

door de Voorzienigheid gezonden: maar een ander, die nòg vroeger

vertrekt, is van harte welkom.

Eindelijk geschiedt dan het ongelooflijke. En Goethe, die anders niet

schijnheilig genoeg is om te bidden, zendt een vurige dankbede ten

hemel: van nu af heeft hij twee verjaardagen te vieren. Weken en weken

lang ziet hij dagelijks nieuwe schoonheden--oude bekenden en toch nieuw.

Huiverend van ontzag staat hij voor de overblijfselen van antieke

bouw-en beeldwerken: het Pantheon, het Colosseum (nog niet gerestaureerd

en hem meer door romantische bouwvalligheid dan door architectoniesch

schoon bekorend), de waterleidingen, de Apollo van Belvedere, de

reusachtige Jupiter- en Juno-bustes, de Minerva medica, en de Hercules

Farnese. De halfbesluierde schilderingen van Rafael dunken hem minder

diep; de sprekende fresco's van Michel Angelo in de Sixtijnsche kapel

zijn de eenige kunstuitingen van later tijd die in zijn schatting niet

al te zeer afsteken bij het antieke. De ouden, begrijpt hij, dachten

niet aan artistiek effect: zij bouwden hun tempels, zij vormden hun

beelden tot getrouwe manifestaties van oprechte grootheid en trotsch

zelfbewustzijn; geen hunner die dacht aan een tegennatuurlijk

opluisteren of bepleisteren van zijn gewrocht. En de Duitschers brengen

machteloos hemelstormende kerken, gepleisterde paleizen, doodgeboren

beelden voort, wijl het hun aan grootsch innerlijk leven ontbreekt!

Slechts een krachtig volk kent groote kunstenaars.

Gedurende de vier wonderwarme wintermaanden, die hij te Rome doorbrengt,

heeft hij een eminenten leidsman in den historieschilder Tischbein, die

de stad door lange studie in den geest van Winkelmann heeft leeren

kennen. Nog enkele Duitsche kunstenaars--vrij middelmatig als

uitvoerders maar sterk als bespiegelende theoretici--en ook de schoone,

reine schilderes Angelica Kaufmann weten wie de zonderlinge koopman

Möller (uit Leipzig!) is, en in twee documenten blijft aanschouwelijk

vastgelegd hoe ze hem eerbiedigen. Het eene is een doek van Tischbein,

voorstellende Goethe met grooten slappen reishoed en weeldig-peinzend

gelaat, zich uitstrekkend te midden van oud-Romeinsche ruïnes: jammer

genoeg heeft de ontwerper hem een langen witten mantel omgelegd,--die

niet naar het leven is genomen doch naar een lap, om een hout model

gedrapeerd. Het andere document is een marmeren portretbuste door

Alexander Trippel, bijgenaamd "de Apollonische Goethe": een bekende

buste van den Zanggod, doch met Goethes gelaat.

Vele omstandigheden dragen er toe bij, dat onze reiziger zijn aandacht

aan het openbare leven onttrekt en die geheel wijdt aan

kunstbeschouwing: als protestant èn als denker heeft hij een afkeer van

het Roomsche volksleven, dat zich in het onmenschelijke Carnaval-rumoer

karakteristiek teekent. Hij toont zich teleurgesteld als hij ziet hoe

Gods stedehouder op aarde "als een gewone paap" voor het altaar buigt en

pruttelt; de staatsman in hem wordt gekwetst door het wanbeheer waaraan

het kerkelijke land ten gronde gaat en door de dwaze hebzucht van Paus

Pius VI, die gedoogt dat onmisbare kunststukken, die in Rome

thuishooren, door goedbetalende buitenlanders worden weggesleept. Nu de

historische ontwikkeling van de classieke kunst bestudeerend, vindt hij

orde in de overstelpende verscheidenheid van merkwaardige voorwerpen,

die hij dag-in-dag-uit aantreft, en oordeelt dat Oesers verdienstelijke

leerling Winckelmann veel heeft gepraesteerd, maar (helaas op jeugdigen

leeftijd vermoord) ook veel heeft nagelaten.

Hij trekt nu naar Napels en beleeft daar ervaringen van geheel anderen

aard. Zijn vader heeft hem herhaaldelijk een mooie gravure, waarop de

Golf van Napels is te zien, in prijzende bewoordingen toegelicht, en zoo

niet weinig bijgedragen tot het ontstaan van den "Sehnsucht" naar

Italië, die hem lange jaren plaagde. Maar nu hij de cypressen en de

blauwe baren en de witte huizenmassa's en de dampende Vesuvius mag

aanschouwen van nabije, weet hij voor zijn geluk geen woorden.

Vergeleken bij de lachende, schitterende tuinstad, lijkt Rome hem een

klooster. Zijn aandacht vestigt zich nu meer op de zinnenwereld. Hij zet

zijn natuurstudie gretig voort, werpt zijn incognito af en--leeft, in

opgewekten omgang met vroolijke, schitterende, wereldsche, ten deele

allerzonderlingste "genieën". Hij tracht de lichtzinnige Napolitaansche

luiheid te verklaren en aan te leeren. Hij voelt zich zoo blij, dat hij

tot zichzelf zegt: Of je was tot nog toe stapel, òf je bent het nu!

Een zeereis van vier dagen--de eerste in zijn leven--brengt hem naar de

lichte reede van Palermo op Sicilië, naar het eiland waar Homeros'

sproken handelen. Hij is een oogenblik van plan de Nausikaa-sage

dramatiesch te bewerken, maar hij laat het plan weldra varen. Van

historie wil hij niet meer weten, uit vrees, het welbehagen waarmede de

rijke plantengroei van Sicilië hem vervult te breken. Hij zoekt ijverig

naar zijn "oerplant", maar hij kan ze (al worden zijn theorieën door de

werkelijkheid sterk bevestigd) niet vinden; wat begrijpelijk is, daar

zijn oerplant slechts een _idée_ vertegenwoordigt.

Midden in den zomer keert hij over Napels naar Rome terug en--schoon

voornemens spoedig van zijn vrienden daar te scheiden--blijft hij er nog

bijna een jaar. Carl-August (met wien hij, nadat het doel van zijn reis

is bereikt, weer in correspondentie is getreden) heeft niet alleen zijn

vacantie verlengd, maar hem ook uit zijn ambtsplichten ontslagen, voor

zoover hij hem niet uit eigen beweging in de toekomst ter zijde wil

staan. Nu is zijn ziel gerust, zijn lichaam gezond, zijn geest

vindingrijk, en hij bezwijkt voor de verleiding, een onbekrompen

kunstenaarsleven te gaan leven, waarin al zijn gaven tellen mee. Hij

voltooit zijn Egmont, bouwt voort aan Faust, Iphigenie, Tasso. Zijn oude

neiging tot schilderen komt weer op; zijn vrienden geven hem les in

kleurenleer, in 't teekenen van landschap, mensch, figuur; hij werkt

vlijtig en wilskrachtig, en wint nu definitief de overtuiging, dat hij

"slechts" dichter is. Dit stelt hem te leur, maar het bevrijdt hem

tevens van den lastigen plicht, zijn klein teekentalent te ontwikkelen.

Intusschen is zijn vermogen: als schilder de dingen te zien en te

combineeren, nog toegenomen, en daarmede zijn ontzag voor de

overblijfselen van antieke kunst, die hij leert beschouwen als

crystallisaties van grootsche droomen, als--natuurverschijnselen. Bij

het vele dat zijn geest doorleeft voegt zich nu ook de muziek: de

componist Kayser, die zijn zangspelen _Claudine_ en _Erwin und Elmire_

toonzet, brengt hem proeven van al wat de menschheid op dit gebied heeft

voortgebracht ten gehoore. Hij is nu zoo onbevooroordeeld en naïef

Italiaan geworden, dat hij kerkelijke plechtigheden niet alleen niet

meer mijdt, maar ze ook leert waardeeren. Zelfs zijn behoefte aan

vrouwliefde--die hij ook na een breuk met Charlotte von Stein (waarover

nader) norsch heeft onderdrukt--gaat zich roeren. Bij het

landschapschilderen ontmoet hij een mooie geestige Milaneesche met

blauwe oogen, die hem bemint, echter reeds verloofd is, zoodat hij

afstand van haar doet en daarbij blijft als zij vrij raakt. Maar nu zijn

hart eenmaal warm is en hij--het Italiaansche schoon genietend--reeds

lang naar zuidelijke maatstaf heeft leeren meten, geeft hij zich eenigen

tijd over aan een los en luchtig liefdeleven; iets dat velen in hem

veroordeelen, vergetend wat hij in dien tijd is, wat hij jaren en jaren

geweest is, wat hij--mede door deze vrijgevige uitviering van al zijn

talenten en verlangens--zal worden.

Tegen Pinksteren moet hij afscheid nemen van zijn vereerders, die hem

zoo beminnen dat zij zich moede schreien,--hoewel slechts Angelica

Kaufmann zijn Iphigenie bij voorlezing begrijpt (maar dan ook, zooals

geen vrouw na haar ze heeft begrepen). Nog eens zwerft hij langs de oude

ruïnes.... Helder maanlicht doet zoowel détails als slagschaduwen scherp

uitkomen. Nu hij zich van dit alles losrukt voelt hij een kiem van

waanzin in zijn ziel, en begrijpt, dat hij goed zal doen daar niet over

te peinzen....

XVII

Gij hebt mij weder tot dichter gemaakt!

GOETHE aan SCHILLER.

STELLIGE WINST

Zijn waarneembaar terugkeerende gezondheid, zijn ongedwongen

kennismaking met een bende zorgelooze, gezellige, levenslustige

menschen, die van weinig rondkomen en een waar genot vinden in droomen,

kijken en ademhalen; zijn onafhankelijke positie--het ministerstractement

gaat door en hij heeft het honorarium voor de nieuwe uitgaaf van zijn

werken bij voorbaat ontvangen;--zijn vrijheid van beweging in

veelkleurig en belangwekkend natuurschoon en tallooze kunstwerken, die

alle het stempel toonen van grootsche beslistheid--dit bijeengevoegd

brengt hem in den zielstoestand, waarbij de mensen slechts met eigen

Ik heeft af te rekenen, daar geen maatschappelijke of stoffelijke zaken

hem ergeren, of de expansie zijns geestes in den weg staan.

Hij krijgt geen eigenlijk nieuwe ideeën, maar zijn eens kwijnende en

schrikachtige gedachten worden nu "zoo stellig, zoo levend, zoo

samenhangend, dat zij kunnen doorgaan voor nieuwe". Hij heeft erlangd de

helderziendheid, die hij zich eens beloofde: hij wil voortaan slechts

met dingen van blijvenden aard zich bezig houden, teneinde voor zijn

Geest de eeuwigheid te verwerven.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 14 / 29 段