De hertogin-moeder voelde, hoewel ze als zuster van Frederik den Grooten

Fransch was opgevoed, een warme belangstelling voor Duitsche

tooneelkunst; ze begreep dat een nationaal tooneel door verdringing van

den overheerschenden Franschen smaak de Duitsche volkskracht zou kunnen

vergrooten. Een aantal hovelingen te Weimar vormden een

liefhebberijgezelschap, dat zich de hulp van beroepsspelers, in Goethes

tijd o.a. Corona Schröter, assumeerde. Ook Carl-August trad er gaarne

op, hoewel hij in den beginne de zaak zoo weinig ernstig nam, dat hij

met zijn stinkende tabakspijp en zijn groote honden de voorstelling in

de war stuurde. Onder zijn invloed nam het gezelschap de allures aan van

een reizenden kermistroep. Midden in den nacht werden de leden soms uit

hun rust geklopt, om zich naar het woud-theater of naar een naburig hof

te begeven. Dan moesten in allerijl de keukenwagens rijkelijk van

spijzen voorzien, de requisiten in koetsen met ruiters en zeer veel

paarden er voor weggereden. Na afloop van de voorstelling, als de dames

zich hadden geretireerd, begaf men zich aan tafel en haalde dolle

streken uit. Trouwens, ook gedurende de voorstellingen gaven koddige

toevallen aanleiding tot uitbundige wanordelijkheid; bijvoorbeeld het

scheuren van een vleeschkleurig tricot, of de halsstarrigheid van een

adellijk acteur, die dood moest en niet meer wist hoe, en ten slotte

door een paar pootige kerels met een bulderend "Sterrf!" van het scène

werd gesleept; of de critiek van een Wieland, die in pompeuse taal

verkondde dat de zooeven vertoonde Venus niet deugde, wijl deze godin

nooit andere kleren draagt als haar traditioneelen gordel....

Een persoon van gewicht was de vindingrijke timmerman Mieding, de

_Director der Natur_, wiens dood Goethe zou bezingen. Hij zette het

openlucht-tooneel ineen, zorgde voor phantastische verlichting,

watervallen van glasscherven, blikken harnassen, rotsen, vaak ook voor

costuums, o.a. ook voor vogelpakken met beweegbare vleugels en rollende

oogen, gebruikt in Goethes schaterspel _Die Vögel_, een satyre naar

voorbeeld van Aristophanes, waarin de zwarte adelaar met grage klauwen

Pruisen voorstelde.

Natuurlijk was Doctor Wolf een kostelijke aanwinst voor den troep, niet

alleen wijl hij zelf gaarne meespeelde en vooral in komieke rollen

succes had (tragische zaken overdreef hij), maar ook wijl hij uitmuntte

in het bedenken van verstrooiingen, die toch ook altijd iets te leeren

gaven. Hij leende er zich toe "in dienst van de ijdelheid, de feesten

der zotheid op te sieren met maskerades en schitterende invallen,

daarmede zijn eigen angst en de nood van anderen overstemmend". Behalve

zijn reeds voltooide stukken kwamen op de planken schaduw- en

herdersspelen, balletten, zangspelen op muziek van hertogin Amalia of

van Corona Schröter, poppenspelen (Jaarmarkt te Plündersweilen),

kluchtstukken, waarin sentimenteele liederen met waldhoornbegeleiding,

allegorische stukken à grand spectacle (De verzoeking van den H.

Antonius) en stukken die de spelers improviseerden. Vaak ook werden

achter in het tooneel enorme vleugeldeuren geopend en betrok men heel de

omringende natuur in de enscèneering; men speelde op de rivier en hare

oevers (Die Fischerin); of in het woud (de Zigeunerscène, die Goethe uit

den Götz had gelicht). Op jaar- en naamdagen bracht hij

gelegenheidsstukken, bespotte hij van de planken af de aanwezigen beurt

om beurt, en zoo scherp dat slechts de demonstratieve vroolijkheid van

Carl-August uitbarstingen voorkwam. Door zijn _Lila_--oorspronkelijk De

Goede Vrouw geheeten--trachtte hij in te werken op het hertogelijk paar,

dat in onmin leefde. Met zijn _Triumph der Empfindsamkeit_ of: _De

Opgelapte Bruid_--"een klucht zoo dol en zoo grof mogelijk"--parodiëerde

hij de valsche Werther-stemming, de ziekelijke natuurzucht waaraan de

jongelingen destijds laboreerden, zoodat ze zich verplicht achtten hem

gevoelige brieven te schrijven, hem overal aan te spreken, zich te

zelfmoorden in Werther-uniform. De hoofdfiguur, een prins, heeft een

groote machine laten vervaardigen, die zonsondergang, stergeflonker,

maneschijn en woudgeruisch nabootst--voor de echte natuur is hij

bang!--en in die machine vrijt hij met een pop, voorstellende het meisje

dat hij eens lief had. Als deze pop nu door een samenloop van

omstandigheden wordt opengemaakt, blijkt haar buikje gevuld met

modeboeken uit dien tijd, waaronder ook de Werther.--Van een ander stuk

in hetzelfde genre getuigt Vrouwe Aja: "Dat ding moet men lezen als men

een verstopt onderlijf heeft en voor de kuur sta ik borg".

En maakte Goethe zich druk op de verjaardagen van zijn vrienden--niet

zoo druk als Merck, die hem tot ernstigen arbeid maande, wel

geloofde--zijn vrienden lieten zijn herinneringsdagen ook niet ongemerkt

voorbijgaan. Zoo werd in 1781, bij de opening van den nieuwen

schouwburg, een schaduwspel gegeven dat de geboorte van Minerva uit het

hoofd van Jupiter op doek bracht. De godin der Wijsheid, door andere

goden van haar bekende attributen voorzien, zegent den 28sten

Augustus,--den dag waarop het stuk gespeeld werd want: Voor drie en

dertig jaren werd een man geboren, die als een van de wijsten en besten

vereerd zal worden! En in de wolken verschijnt een engel, die Goethes

naam toont, waarop Minerva den naam bekranst en haar zooeven ontvangen

geschenken, waaronder een gouden lier, voor Goethe bestemt. In

vuurletters verschijnen de woorden Faust en Iphigenie.

Langzamerhand, met de wilde haren, raakte men den lust in het

tooneelspelen kwijt: een troep "teutsche Comedianten" kreeg verlof den

schouwburg te gebruiken. Toen verklaarde Amalia (op de hovelingen

doelend): Ze snorken allemaal! en ging Grieksch leeren.

Goethe heeft in zijn Wilhelm Meister vele gebeurtenissen uit den hier

besproken tijd naverteld. Toen hij, uit Italië teruggekeerd, zich van

het verleden had gezuiverd, trachtte hij opnieuw, weldra met medewerking

van Schiller, de totstandkoming van een nationaal tooneel te bevorderen.

Hij heeft in zijn school enkele goede kunstenaars ontwikkeld, heeft ook,

naar den lezer zal blijken, eenige stukken gegeven, zooals men ze zeker

niet alle dagen ziet opvoeren. Doch zijn tooneel stond te ver van het

volk om rechtstreeks als beschavingsmiddel te kunnen fungeeren. Het zou

volksleiders opvoeden, die grover dan hij van spraak en gebaar zijn

meeningen zouden vulgariseeren. Maar zijn meeningen laten zich niet

gemakkelijk in den volkstoon zeggen, bestaan bijna niet zonder den toon

waarop hij ze zeide.

Niet als meeningen, maar als daden van een machtig en onafhankelijk man

kunnen Goethes ideeën onder de menschen komen!

XIV

Dem Geier gleich,

Der auf schweren Morgenwolken

Mit sanften Fittig ruhend,

Nach Beute schaut....

HARZREISE.

Hij zou zijn taak te Weimar niet zoo gereedelijk aanvaard hebben, indien

niet steeds de practische staatsmanskunst in zijn gezichtskring had

gelegen. Als kind en als student interesseerde hem het doen en laten van

de werklieden uit zijn omgeving, zocht hij verband tusschen hun karakter

en hun beroepskeus. Nijverheid, mijn- en boschbouw hadden voortdurend

zijn aandacht, vooral gedurende de Straatsburger periode. De zevenjarige

oorlog, de Fransche inkwartiering, het verkeer met den schout, zijn

grootvader, brachten hem vroegtijdig in aanraking met groote diplomaten

en legeraanvoerders van dien tijd,--en het wijze jongetje had hun meer

op de vingers gekeken dan zij wel vermoedden. Hij stond in

vertrouwelijke relatie tot een groot aantal mannen die--zooals de eeuw

het wilde--niet alleen op het gebied van het ideaal, maar ook op het

terrein van de practische politiek werkzaam waren: Merck, Jacobi,

Schlosser, Kestner, Laroche. De groote staatkundige vraagpunten van dien

tijd droeg ook hij in zich om: omtrent vrijhandel, emancipatie en

ontlasting van den derden stand, verlichte despotie, had hij zich een

eigen overtuiging gevormd, en zoo kan het niet verwonderen dat in zijn

van de hand gewezen academiesch proefschrift zulk een vraagpunt nogal

resoluut wordt opgelost. Schoon hij vroeg wist wat er achter de schermen

te koop was, deelde hij nooit de hoovaardige minachting voor het

openbare leven, waarmede de Sturm-und-Drängers pronkten. Neen,

geïnspireerd door Herders Shakespeare-vertolking, wilde hij het lot van

een volk leiden, niet zoozeer uit liefde tot het volk als wel om zijn

behoefte aan actie, orde, rechtvaardigheid te kunnen bevredigen. Goethe

(aldus Lavater) ware een heerlijk handelend wezen bij een vorst. Daar

behoort hij. Hij zou als koning niet ontsieren.--De wanhopige liefde tot

de "naakte" werkelijkheid, die binnen hem de stemmingspoëzie afwisselde,

had zich omgezet in een verlangen om in het practische staatsleven geen

abstract, veelomvattend ideaal, doch billijkheid en tucht te vestigen,

waarbij zich dan nog kwam voegen het inzicht, dat de Duitsche

volkskracht ten koste van de nageaapte Fransche beschaving moest gevoed.

Hij wilde de werkelijkheid rechtstreeks aanvatten en omvormen naar zijn

gading, gelijk hij deed met de taal. Hierbij trad het zuiver-persoonlijke

zoo uitsluitend op den voorgrond, dat hij er niet aan dacht, die

werkelijkheid in staat te stellen méde te regeeren, zoo min als hij den

man van de straat zou hebben uitgenoodigd hem bij te staan in de redactie

van zijn Werther.

Een jong vorst voor zijn opvatting te winnen, was meer dan hij had

durven hopen. Gedurende een tiental jaren werd hij in alle opzichten

Carl-Augusts leidsman. Aanvankelijk vol geestdrift voor zijn taak,

waande hij dat hij slechts den monarch, het hart van den staat, had te

veroveren om het kleine Weimar tot welstand te brengen niet alleen, doch

ook om door zijn voorbeeld de andere Duitsche vorsten op den goeden weg

te helpen.

De hertog was door zijn moeder en Wieland wel idealistiesch maar niet

verstandig opgevoed. De eischen van zijn ongebreideld temperament

vloekten tegen Goethes streven naar orde en bezuiniging, zoodat de

nieuwe minister vaak bovenkrachtelijk moest strijden om den overigens

goedwilligen jongeman binnen de perken terug te dringen. Door korte,

kernachtige troostwoorden in zijn dagboek trachtte hij dan zijn moed te

bewaren en zijn breeden kijk op de verhoudingen, die door den vaak

langdurigen détail-arbeid werd bedreigd.

Hij behaalde een groote overwinning toen hij Carl-August op een reis

naar Zwitserland van allen rompslomp en overbodige weelde isoleerde, en,

door aanraking met de "engelenstilte" van Lavater en de zijnen en met

de grootsche natuur tot bezadiging bracht. Ook in Frankfort stapte hij

af en hij logeerde met Carl-August eenigen tijd onder vrouw Aja's dak.

De hertog kon het goed vinden met de verstandige moeder, en deze had

geen woorden genoeg om Amalia haar bewondering kenbaar te maken voor den

jongen vorst, zoo ernstig, zoo rijk aan menschenkennis en toch pas 22

jaar! Half Frankfort was op de been om "Goethes hertog" te zien, en van

toen af ging er geen jaar voorbij, of in het sombere ouwerwetsche huis

logeerden een paar hovelingen. Hertogin Amalia kwam zelfs over om moeder

Aja bij te staan in de verpleging van haar ouden Caspar, die zwakzinnig

werd.--

Op deze reis legde Goethe ook bezoeken af bij Friederike, die hij vond

zooals hij haar acht jaar te voren had gelaten, en bij Lili, die tot een

edele, zeer schoone vrouw was opgegroeid. In Wurtemberg bij den

regeerenden hertog te gast, woonde hij de overdreven-plechtige opening

bij van diens militaire school. Hier werd de gevierde Götz-dichter

langdurig en aandachtig gade geslagen door een mageren, bleeken jonkman

met rosblond haar en ontstoken oogen, den meermalen bekroonden medicus

Schiller, die toen in het geheim zijn Räuber schreef.

De lastertongen hadden beweerd dat deze reis naar Zwitserland weer een

gewone dwaze streek van Goethe was, maar toen men den hertog terugzag

moest men erkennen, dat hij een ander mensch was geworden. Goethe was

met dit resultaat zoo ingenomen, dat hij een gedenkteeken wilde

oprichten ter herinnering aan den gelukkigen ommekeer dien zij bij

Carl-August te weeg had gebracht.

In den beginne kon hij slechts via zijn kweekeling den loop der

gebeurtenissen in Weimar eenigszins leiden: zijn stem in den geheimen

_Conseil_ verleende hem daartoe allerminst bevoegdheid. Maar snel

breidde zijn invloeds-sfeer zich uit, doordien hij aan het hoofd kwam te

staan van de commissies voor wegbouw en krijgszaken, en eindelijk

Voorzitter van de Kamer en beheerder van Financiën en domeinen werd.

Toen bewerkte Carl-August (zeer tegen zijn zin) dat hij door den Keizer

werd verheven in den adelstand. Hiermede was de oppositie van een deel

der notabelen gebroken. Maar toen Goethe de oorkonde aan Vrouwe von

Stein zond, voegde hij er o.a. deze ontboezeming bij: Hoeveel heerlijker

zou ik mij bevinden, indien ik, van den strijd der politieke elementen

verre, tot kunsten en wetenschappen, waarvoor ik ben geboren, mijnen

Geest kon wenden!--Deze "kruipende, hoofsche vorstendienaar" (gelijk

vele schrijvers die zijn leven noch zijn werk doorgronden hem noemen)

voelde maar al te zeer, dat zijn verheffing slechts een formaliteit was,

teneinde te ontwapenen de bende aan het--"Muzenhof", welke hem wilde

beletten de zaken te ordenen die zij had verwaarloosd:

Het landje kwijnde. Eigenmachtige, gedemoraliseerde ambtenaars voerden

er een wanordelijke administratie en lieten het volk bloeden. Nu sloeg

Goethe overal de hand aan 't werk en zorgde dat de overheid iets werd

voor de onderdanen. Hij verliet 's nachts zijn tuinhuis om--zooals hij

te Frankfort in de Judengasse had gedaan--het blusschen van groote

branden persoonlijk te leiden. Hij organiseerde een reddingsdienst,

keerde den watersnood, zorgde voor besproeiïng van de akkers, voor

verbetering van wegen en gebouwen. Hij ging zelf recruten keuren en

verkleinde het leger van 600 op 310 man, daarin gedwarsboomd door

Carl-August die met zijn troepenmacht maar wat gaarne "macaroni" _d.i._

fratsen maakte. Hij bracht de mijnen van Ilmenau, die verlaten waren,

opnieuw in ontginning, nadat hij het mijnwezen in het algemeen en den

bodem van Thüringen speciaal had bestudeerd. Hij schraapte geld bijeen

voor de hoogeschool van Jena, die onder zijn beheer tot bloei zou komen.

Hij bevrijdde de kleine luyden van belastingen en heerlijke

rechten--waardoor hij het bij den adel nog meer verbeurde--en hield

onverbiddelijk de schatkist gesloten, toen hij merkte, dat de hertog

meer uitgaf dan zijn civiele lijst gedoogde: Ik wil mijn zaken in orde

hebben of--opdoeken!

Er dreigde oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk en hij trok met

Carl-August naar Berlijn om daar de neutraliteit van Sachsen-Weimar te

verzekeren. Frederik den Grooten kreeg hij niet te zien (deze had het te

druk met zijn leger) doch hij dineerde met den kroonprins. Hij zag aan

het Hof heel wat gordijnen scheuren, en wat hij daarachter te

aanschouwen kreeg ontlokte hem den uitroep: Hoe hooger hoe zotter.

Teruggekeerd, bemerkte hij dat zijn land een groot gevaar dreigde:

Pruisen wenschte op 's hertogs gebied soldaten te ronselen, en was daar

al mede begonnen, zonder op verlof te wachten. Verzet hiertegen zou

natuurlijk duur komen te staan, terwijl men het toch ook niet mocht

toelaten, daar Oostenrijk dan dezelfde voorrechten zou eischen of nemen.

Toen rijpte bij Von Goethe het plan, alle kleine staten die in dezelfde

omstandigheden verkeerden in een bond te vereenigen--een bond, die

wellicht ook heilzaam zou kunnen werken voor de verlevendiging van het

nationaal bewustzijn. De onderhandelingen, met de verschillende vorsten

gevoerd, bleven echter langen tijd een voorloopig karakter dragen. Toen

het oorlogsgevaar week, was Pruisen zoo vriendelijk, het plan te

pousseeren, daar dit land tegenover het hebzuchtige Oostenrijk een sterk

gewapende Duitsche unie wenschte. Het oorspronkelijke idée was hiermede

ontzenuwd: het plan dat Pruisen opperde ging rechtstreeks tegen Goethes

vredelievende bezuinigings-politiek in. Maar voor Carl-August werd het

er des te verleidelijker om, niet alleen doordat er veel soldaten aan te

pas kwamen, maar ook wijl Pruisen beweerde, er de wedergeboorte van het

Duitsche volk mee op 't oog te hebben. Hoewel zeer teleurgesteld, stond

Goethe sterk genoeg om te beletten, dat Carl-August het militaire

geheim-artikel in de bonds-acte teekende. Dit geschiedde pas--en ook

toen nog onder voorbehoud nadat de groote Fritz was overleden en door

een zwakker koning opgevolgd. De veelomvattende werkzaamheid die Goethe

in de tien jaren dat de zaak hangende bleef aan den dag legde--hij deed

_alle_ schrijfwerk, omdat hij de onderhandelingen geheim wilde

houden--leverde geenszins op wat hij er van had gehoopt.

Naarmate de tegenkanting van den hertog hem in snipperwerk opsloot,

groeide bij hem de overtuiging: Wie zich met administratie inlaat,

zonder regeerend heer te zijn, moet of een philister, of een schurk, of

een gek wezen! Welnu, hij wilde die gek zijn, omdat hij de taak die hij

van het Noodlot had aanvaard ten einde wilde brengen: _Hic est aut

nusquam, quod quaerimus_, hier of nergens is, wat wij zoeken! schreef

hij aan Knebel, begrijpend thans dat hij zijn post niet mocht verlaten,

voordat zijn innerlijke strijd, door zijn uiterlijke bemoeiingen te

voorschijn geroepen, was volstreden.

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,

loopen van eind November 1777 tot 3 September 1786.]

XV

Wer nie sein Brod mit Thränen ass

Wer nie die kummervollen Nächte

Auf seinem Bette weinend sass,

Der kennt euch nicht, ihr himmlichen Mächte!

HARPSPELER in _Wilhelm Meister_.

Nu komt de tijd dat telkens duidelijker hij ervaart hoe de vervulling

van zijn ambt hem op den duur eigenlijk maar middel kan zijn om tot zich

zelf te komen, en als middel weldra zal zijn uitgewerkt. Hij heeft

midden in den winter alleen een reis door den Harz gemaakt, gedeeltelijk

voor mijnbouwkundige studie, gedeeltelijk om een door Wertherkoorts

aangetasten theoloog, die hem de moeite van het troosten waard schijnt,

ernstig toe te spreken. Wel te verstaan: hij stelt zich voor als

landschapschilder en als de verbijsterde zich bij hem beklaagt, dat

Goethe niet antwoordt op zijn welgemeende brieven, verontschuldigt hij

Goethe "die het zoo verschrikkelijk druk heeft". Het is zijn gewoonte,

zich te vermommen, zoo vaak er iets gewichtigs in hem omgaat. Hij blijft

dan van vriendschappelijke betweterij verschoond, en heeft de

gewaarwording dat hij, Wolfgang Goethe, op zijn eigen daden neerziet als

op de daden van een vreemde.... Hij is pas ontsnapt aan het doodsgevaar,

waarin hij heeft verkeerd toen hem op wilde zwijnenjacht zijn piek

ontschoot. In de eenzaamheid van het besneeuwde gebergte denkt hij na.

Hij begrijpt, dat zijn levensrichting aan 't veranderen is. Hij heeft

gemeend dat hij al zijn idealen en zijn dichterschap noodig heeft om een

goed minister te zijn. Maar nu hij ziet hoe weinig de menschen zich

laten helpen, hoe hun bekrompenheid zijn beste bedoelingen ontzenuwt,

komt hij tot de overtuiging: De minister kan best leven zonder den

dichter; daarom moet ik den Geheimraad afstroopen en droom de droomen

van mijn jeugd voort. Zalig (zoo zegt hij in zijn _Maanlied_) is hij,

die zonder haat van de wereld zich afsluit. En nog scherper drukt hij

zich uit in zijn dagboek: Ik leef nu met de menschen van de wereld, eet

en drink en dol ook wel met hen, maar ik zie ze nauwelijks, want mijn

innerlijk leven gaat onstuitbaar zijn gang. Hij heeft nu genoeg van het

halve, het tweeslachtige: voortaan wil hij in het Heele, Goede, Schoone,

vastbesloten leven. Hij benijdt de menschen die hij gelukkig maakt met

een gift of een vriendelijk woord; hij moet zich zelf verder helpen. Hij

gaat vaak alleen schaatsenrijden, maakt lange woeste wandelingen zonder

te weten waar hij loopt: zijn gemoed wordt al reiner: een "voor-besef"

van de wijsheid leeft binnen hem.

De reis door Zwitserland stelt hem in staat langdurig en ongestoord te

verwijlen in zulke seraphijnsche stemmingen. Hij ziet de plekken terug,

waar hij als kind heeft geleden en gehoopt, bezoekt zijn ouders en de

vrouwen die hem eens een openbaring schenen van het goddelijke dat hij

in zich droeg. De werken die hij in zijn jeugd heeft voortgebracht vindt

hij nu duister, mistig, rumoerig. Hij hijgt naar een statiger, een

diepzinniger, een harmonieus-plechtig werk. En hij begint te vreezen dat

zijn leven te kort zal zijn voor het vele dat hem te doen blijft. Hij is

nu in de dertig jaar, en wie weet hoe spoedig het met hem gedaan is. Zal

zijn levenswerk zijn als een groote pyramide, welker zware grondslagen

zijn gelegd, maar die onvoltooid blijft en waarvan de nakomelingen

zullen praten dat zij kranig is.... ontworpen? Hij krijgt een hekel aan

Weimar, de stad waar hij tien jaren nagenoeg heeft verknoeid. Hij

bespeurt met ontzetting dat zijn portefeuille--behalve wat kleinere

gedichten, zooals _Erlkönig_, door Corona Schröter getoonzet, en de

_Visscher_--niets als fragmenten bevat: Faust, Egmont, Tasso, Prometeus,

Wilhelm Meister rusten daar als grootsche plannen: het ontbreekt hem aan

zielskracht om deze inspiraties te benutten. Iphigenie--gedeeltelijk in

rhytmiesch proza geschreven--bevredigt hem niet, hoewel het wat den

inhoud betreft een getrouwe afspiegeling is van zijn streven naar

bezadiging. En niet alleen de gedachte dat er nog zoovele hongerige

wevers en mijnwerkers in Sachsen wonen slaat hem met lamheid; hij begint

ernstig te vreezen dat zijn scheppingskracht door een werkelijke ziekte

is aangetast. Na zijn studentikoze uitspattingen is hij stijf en

onvruchtbaar geworden. En deze koude, hoofsche, ruw-egoïstische minister

schrijft in zijn dagboek:

Orde gesteld op mijn zaken, papieren doorgekeken, al de oude

spaanders verbrand. Andere tijden, andere zorgen! Rustige terugblik

op Leven, en de overdrijvingen, impulsen en gretige verlangens van

jeugd; hoe deze in alle richtingen bevrediging zoeken. Hoe ik genot

heb gevonden voornamelijk in geheimzinnigheden, in duisteren,

ingebeelden samenhang der dingen; hoe ik Wetenschap slechts ten

halve heb gevat, en haar daarna heb laten schieten; hoe een soort

van bescheiden zelfvoldaanheid loopt door al wat ik heb geschreven;

hoe kortzichtig ik was in Goddelijke en menschelijke zaken; hoeveel

dagen verspild in gevoelighedens en donkeren hartstocht; hoe weinig

goeds ik daaraan heb ontleend; en nu is de helft mijns levens

voorbij, en ik zie dat ik geen stap verder ben gekomen, dat ik daar

sta als een die aan de golven is ontsnapt en staat te drogen in de

zon. Ik heb den moed niet de periode in mijn leven te overdenken,

die in October 1775 begint. God helpe verder en geve licht, zoodat

wij ons niet meer zoo vaak zelf in den weg staan, doch van den

ochtend tot den avond het werk verrichten dat onze hand vindt te

doen, en een helder begrip krijgen van het wezen der dingen; opdat

ik niet ben als degenen die den dag doorbrengen met over hoofdpijn

te klagen, en den nacht met den wijn te drinken, die de hoofdpijn

veroorzaakt!

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 13 / 29 段