Onderdanen en bewindslieden gaven luide hun misnoegen te kennen over het

vertrouwen dat de regeerende vorst den belletristischen burgerman, die

bovendien zooveel onzedelijke en opstandige boeken had geschreven,

bewees. Men beschouwde Goethe als aanstichter van de straks genoemde

wanordelijkheden en vervolgde hem met dreig- en maanbrieven. Werthers:

Schaamt u, gij nuchteren! ware hier zeker van toepassing. Het korte,

zakelijke antwoord, dat hij Klopstock toezond op zijn goedbedoelden maar

te hooghartigen brief, had een definitieve breuk ten gevolge.

Carl-August stoorde zich nergens aan, en verzocht hem de vergaderingen

bij te wonen van den "Geheimen Conseil" (_d.i._ Ministerraad) om te

ervaren, hoe hij zich als regeeringspersoon zou voelen. Dit lokte de

ontslagaanvrage uit van den eersten minister, een zeer bekwaam man, die

niet met Doctor Goethe in éen _collegio_ wilde zitten, daar de

aanwezigheid van Doctor Goethe de waarde van dit collegium zeker moest

drukken. De fier gestelde kantteekening op het verzoekschrift van den

minister, waarmede Carl-August zijn beleid verdedigt, stempelt den

negentienjarigen schrijver er van tot een waarachtig vorst:

"Een man van genie op een andere plaats gebruiken dan daar, waar

hij zelf zijn buitengewone gaven kan benutten, beteekent hem

misbruiken. Wat echter de tegenwerping betreft, dat door zijn

toetreden vele verdienstelijke lieden zich gepasseerd zouden kunnen

achten, zoo ken ik in de eerste plaats niemand onder mijne

dienaren, die, voor zoover ik weet, op deze plaats hoopte; en in de

tweede plaats zal ik nooit een ambt, dat in zoo eng verband met

mij, met het wel en het wee van al mijn onderdanen staat, naar

ancienneteit, ik zal het steeds slechts naar betrouwen vergeven.

Het oordeel van de wereld, dat misschien misbillijkt, dat ik D.

Goethe in dit mijn voorname College plaats, zonder dat hij te voren

Schout, Professor, Kamer- of Regeeringsraadsheer is geweest, doet

niet ter zake. De wereld oordeelt naar vooroordeelen, ik echter

zorg en arbeid, gelijk ieder ander die zijn plicht wil doen, niet

terwille van de instemming van de wereld, doch om mij voor God en

mijn eigen geweten te kunnen rechtvaardigen".

Intusschen vreesde men niet zonder grond, dat Weimar, die "stad van

tienduizend dichteren en eenige inwoners", langzamerhand geregeerd ging

worden door louter half-miskende Muzenzonen: Zoo was graaf Von Stolberg

(dien de lezer reeds ontmoette als liefhebber van tyrannenbloed) tot

kamerheer benoemd. De kettersche, vrijgeestige predikant Herder werd,

ondanks hevige protesten van het Opper-consistorie, met het toezicht op

den eeredienst belast en had van Goethe in een spottig gedicht verlof

gekregen, zich--evenals te Straatsburg--met de punten van zijn mantel in

zijn broekzakken te vertoonen. Hij begon met een preek te houden die den

Hertog op zoo felle wijze aan zijn plichten herinnerde, dat men niet

anders dacht of Carl-August zou hem uit den kansel trappen; de hertog

echter meende dat het een brave preek was "heelemaal zonder

speldeprikken". Herder praalde zoo hardnekkig met zijn geestelijk

overwicht, dat men hem in het buitenland den Bisschop van Weimar noemde.

Klinger, de "peetvader" van de Sturm- und Drangbeweging, dook plotseling

te voorschijn, en op den achtergrond glimlachte het blonde,

intrigeerende dichtertje Lenz, dat praatjes rondstrooide over den dollen

boel te Weimar en onderwijl voor hertogelijke rekening hooge verteringen

maakte; waaraan misschien de sage ontleend is, dat de Weimarsche

schatmeester in zijn grootboek een aparte rekening hield voor "Kousen en

broeken aan doortrekkende Genieën". Hertogin Louise beklaagde zich bij

haar bloedverwanten over de misdragingen van haar gemaal; overdreven

lasterpraat ging om.

Goethe denkt er niet aan, alle schuld van zich te schudden. Maar hij is

niet van zins, de nieuwsgierigheid van vreemden te stillen; door

vriendschap aan zijn Carl gebonden, beseft hij dat het nu tijd is tot

lijden en tot zwijgen. En in het tot den hertog gerichte verjaarsgedicht

_Ilmenau_, dat hem zelf voorstelt: gezeten bij het wachtvuur van zijn

onrustig slapenden heer, afrekenend met het verleden, erkent hij dat het

zijn geest is, die hier onheil heeft gesticht:

Ik haalde een reine fakkel van het Altaar

maar wat ik heb ontstoken is niet reine vlamme,

de storm verhoogt den gloed en het gevaar,

ik sta rechtop terwijl ik mij verdoem!--

Maar hij durft hopen dat Carl-August nu weldra zijn plichten ernstiger

zal opvatten:

Gewiss, ihm geben auch die Jahre

Die rechte Richtung seiner Kraft.

Noch ist, bei tiefer Neigung für das Wahre,

Ihm Irrtum eine Leidenschaft.

Der Vorwitz lockt ihn in die Weite,

Kein Fels ist ihm zu schroff, kein Stegzu schmal;

Der Unfall lauert an der Seite

Und stürzt ihn in den Arm der Qual.

Dann treibt die schmerzlich überspannte Regung

Gewaltsam ihn bald da, bald dort hinaus,

Und von Unmutiger Bewegung

Ruht er unmutig wieder aus.

Und düster wild an heitern Tagen,

Unbändig, ohne froh zu sein,

Schläft er, an Seel und Leib verwundet und zerschlagen,

Auf einen harten Lager ein:

Indessen ich hier still und atmend kaum,

Die Augen zu den freien Sterne kehre,

Und, halb erwacht und halb im schweren Traum,

Mich kaum des schweren Traums erwehre....

Onder zijn invloed ging de hertog de oppositie tegen zijn benoeming met

groote bedachtzaamheid en matiging te keer. Eerst negen maanden na zijn

aankomst, en nadat minister Fritz zijn ontslagaanvrage door voorspraak

van de hertogin-moeder had ingetrokken, kreeg hij definitief (weldra met

den titel "Geheim Raadsman", de hoogste onderscheiding die een Duitsch

burger ten deel kon vallen) zitting en stem in den _Conseil_, op een

jaarwedde van 1200 daalders,--een bedrag dat juist voldoende was om zijn

ambtskleedij en zijn tooneelbenoodigdheden (waarvan nader) te

bekostigen. Zijn vader--wel gevleid door de onderscheiding die "den

Doctor" te beurt viel, maar zeer ontsticht wijl hij zijn groot huis nu

alleen moest bewonen, zonder schoondochter, zonder kleinkinderen--had

zich in den tusschentijd slechts door herhaalde brandbrieven laten

bewegen, hem nu en dan geldelijk te steunen. Nu moest vrouw Aja weer

pleiten om een uitzet en een klein jaargeld (zooals ook Cornelia had)

voor haar grooten zoon. Kamerheer Von Kalb werd naar Frankfort gezonden

om te bewerken dat de oude Goethe in het minister worden van zijn zoon

toestemde(!); hij moest hem onder 't oog brengen, dat door deze kleine

opoffering zijnerzijds vele duizenden gezegend zouden worden; dat de

benoeming slechts ten doel had, Wolfs vriendschappelijke verhouding tot

den hertog een officiëelen vorm te geven, en niets te kort deed aan

diens vrijheid, te allen tijde weg te gaan of verlof te nemen.

Eens sprak de hertog zijn schatmeester in deze woorden toe: Bertuch, ik

moet je tuin hebben. Ik kan er niets aan doen. Goethe wil hem hebben en

hij kan er niet zonder leven.--Hij had Wolfgangs trek naar de

eenzaamheid bespeurd en hij hoopte hem in Weimar te houden door hem een

flinken tuin met een eenvoudig gemeubelde woning er in, waarbij

wachtershuis, honds- en bijenstal en schietbaan, eerst in bruikleen,

later ten geschenke te geven. Goethe leidde zelf de werkzaamheden, die

het bouwvallige, spitsgedakte huisje en de hellende vallei, door de Ilm

bespoeid, herschiepen tot een tooverachtig dichtersnest, door hooge

boomen omgeven, door gebarricadeerde bruggen van de buitenwereld

afgesloten, met priëelen, gewijde steenen en mosbanken.

Ich geh' meinen alten Gang

Meine liebe Wiese lang,

Tauche mich in die Sonne früh,

Bad' ab im Monde des Tages Müh,

zong hij. Hier speelde hij met de kinders van Herder en van Wieland, hij

ontving er den hertog, die vaak op de sopha overnachtte en dan met een

eierstruif als maal genoeg moest maken. In volstrekte afzondering leefde

hij er als een stuk natuur, gedrenkt van aardreuk, en hij noemde zich

van toen af (naar een Elsasser legende) Erdkülin, _d.i._ aardkoetje.

Vaak ook sliep hij, in een mantel gewikkeld, op zijn veranda, zoo vast

dat donder noch regen hem konden storen. En tegen valavond baadde "de

tweede man des rijks" zich in de koele rivier, waarbij hij dan, de

druipend zwarte haren over zijn facie gestreken, terwijl alleen zijn

hoofd boven de golven uitstak, met geheimzinnige geluiden menig

voorbijganger schrik aanjoeg: Onder de boeren in den omtrek leeft nog

thans het geloof aan watergeesten. Overigens schijnt zijn vertrouwelijke

omgang met het koude nat en de open lucht op de destijds gemakzuchtige

en onfrissche Duitschers een diepen indruk te hebben gemaakt.

[Illustratie: GOETHES TUINHUIS MET VERANDA]

Kort voordat hij besloot in Weimar te blijven, maakte hij alleen (zooals

in zulke gevallen zijn gewoonte was) een uitstap naar Leipzig. Daar

ontmoette hij zijn onherkenbaar geworden Annette. Ook zag hij er de

zangeres Corona Schröter weer, aan wie hij als piepjong studentje reeds

eenige bewonderende verzen had gewijd. Zij had zich toen koel getoond,

als waren haar classiek-schoone lichaamsvormen inderdaad uit marmer

gehouwen. Nu wist hij deze "engel" met haar vele begaafdheden naar

Weimar te tronen, waar ze zich als tooneelkunstenares en als componiste

zeer zou onderscheiden. Is ze meer hem geweest dan een vriendin, een

phantastiesch speelgenoot? Men zegt.... Zeker is dat men haar in zijn

toovertuin vaak kon aantreffen in de eenvoudige Grieksche dracht

waarmede ze de "Iphigenie" creëerde, dat zij daar dikwijls bij droomige

avondbelichting in een gazen kleed roerloos op een bank zat....

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,

loopen van 1774 tot voorjaar 1781.]

XII

So hast du meine ganze Natur an

dich gezogen, dass mir für meine

ubrigen Herzens-pflichten keine

Nerve ubrig bleibt.

GOETHE aan CHARLOTTE v. STEIN.

Een jaar vóordat hij Carl-August volgde, had Goethe kennis gemaakt met

den _galanten_ doctor Zimmermann, en onder de honderden silhouetten, die

deze hem vertoonde, had hem byzonder getroffen het schaduw-profielbeeld

van Vrouwe Charlotte von Stein-Kochberg, hofdame te Weimar. Nog

toegedaan de destijds heerschende meening, dat men iemands inborst op

zijn gelaat kan lezen, en ijverig medewerker aan Lavaters

"Physiognomische Fragmente", had hij de silhouette naar zijn

Zwitserschen vriend gezonden met deze karakterschets (die zijn

aandoenlijk pogen naar objectivistische koelheid doet blijken):

"_Stein_

vastheid

.... zelfbehagen

Liefdevolle vriendelijkheid

naïeveteit en goedheid, van zelf vloeiende spraak

Toegefelijke vastheid

Welwillendheid

Blijft trouw

Verovert met strikken"

Er onder schreef hij: Het ware een heerlijk schouwspel, te zien hoe de

wereld zich in deze ziel spiegelt. Zij ziet de wereld gelijk ze is en

toch door het medium der liefde. Van daar dat zachtheid haar algemeene

(gelaats)uitdrukking is.--Toen kort daarop doctor Zimmermann in

Frankfort bij hem logeerde, vertelde die hem zooveel van Vrouwe von

Stein, dat hij drie nachten niet kon slapen.

[Illustratie: CHARLOTTE VON STEIN

_Naar haar zelfportret_]

Charlotte was toen drie en dertig jaar, zeven jaren ouder en zeven

kinderen rijker dan hij. Verslaafd aan de koffie en verre van schoon;

sprekende, verstandige, wat kwijnende trekken en verflenste huid; rijk

lichtbruin haar, heldere oogen en wijkend voorhoofd; een nog slanke

gestalte, die door verfijnde aan vormen en stemmingen zich passende

kleedkunst zeer tot haar recht kwam. Een ontwikkelde dame, vaardig met

penseel zoowel als met veder of borduurnaald; absoluut zich

beheerschend, in ieder gezelschap het hare denkend, zonder meer los te

laten dan ze wenschte, terwijl toch haar diplomatiesch gesponnen taal

aan openhartigheid deed denken. Met haar veelomvattende levenservaring,

door huwelijksleed en smaak voor goede boeken nog verdiept, stak ze ver

uit boven de triviale hoflieden in haar omgeving en hoopte op verkeer

met buitengewone menschen. Ze was getrouwd aan een Opperstalmeester, die

ongevoelig bleef voor haar ietwat perverse bekoorlijkheid--haar zelf wèl

bekend. Eens per week logeerde hij onder 't echtelijk dak en overigens

verwaarloosde hij haar voor jachthonden, volbloed paarden en vette

ossen. Aan 't kniezen geraakt, nadat ze een paar jonge kinderen ten

grave had gedragen, achtte ze zich te hoog om--als velen in haar

omgeving--afleiding te zoeken in een gewone liaison. Doch het medegevoel

van de wereld mishaagde de liefdebehoevende en scherpzinnige vrouw, die

in haar levensmoeheid zich bewust bleef van haar waarde.--Zimmermann had

haar aandacht gevestigd op al wat Goethe over haar zeide en schreef.

Toen sprak zij den wensch uit, dezen beroemden dichter eens te

ontmoeten. Zeer treffend antwoordde hier op de galante doctor: "Ge

wenscht hem te zien? Arme vriendin, ge weet niet, hoe gevaarlijk deze

lieve man U kan worden!" Inderdaad: haar gemoed, haar talent, haar

levenslot: alles riep om zulk een lieven man. Toch zou hij haar niet

gevaarlijker worden dan zij--na rustige overweging--wenschte toe te

laten.

De eerste kennismaking viel Goethe--wiens verwachtingen sterk gespannen

waren--niet mede. Maar kort daarna bezocht hij haar op haar slot

Kochberg: Daar zag hij haar in huiselijken kring met hare jonge

kinderen, hoorde haar spreken over de misstanden aan het hof, over de

slechte verstandhouding tusschen Carl-August en zijn jonge, preutsche

gade, wier vertrouwelinge zij was.--Een van de onderwerpen die (mits

handig geëxploiteerd) een courtisane in staat stellen, met een

wildvreemde intiem te zijn, zonder dat men haar ooit kan noodzaken, dit

te erkennen. Sprekend over Goethes invloed op den hertog, die alles ten

goede zou kunnen leiden, vergunde zij hem, haar ziel te beroeren. En met

zijn rumoerige openhartigheid, zich opwindend aan haar vrij goedkoope

instemming, zette hij haar zijn plannen uiteen, beredeneerde en

verbeeldde haar zijn meeningen en zijn ideeën. Natuurlijk had hij weldra

aanleiding tot het geloof, dat ze in zijn geheimste wezenskern kon

lezen, en in een leven hiervoormaals zijn zuster was geweest of zijn

vrouw.

Bijna terstond kwam zijn eerbiedige doch gloeiende liefde voor haar tot

hartstochtelijke uiting, waarop ze hem gedurende enkele dagen

onmeedoogend ontweek, en hem deels in briefjes of gedichtjes deels in

wel-bestierde "explicaties" te kennen gaf, dat haar echtelijke plicht

haar gebood hem slechts een zusterlijke vriendin te zijn. En wijl hij,

meer en meer genoeg krijgend van het "woedige" hofleven, haar omgang

niet wilde ontberen; toen zijn ongelukkige zuster Cornelia op haar

kraambed was gestorven niet meer ~kon~ ontberen: liet hij zich de

belofte in den mond leggen, dat hij zou trachten zich te bedwingen. Een

"belofte" die hij telkens herriep, niet alleen door zijn gedragingen,

maar ook door de vaak herhaalde verklaring, dat hij zich niet capabel

achtte, zijn "Ungezogenheiten" af te wennen. Maar op iedere poging

zijnerzijds tot toenadering volgde straf: zij verbood hem haar te zien,

ging ondanks zijn smeekbeden op reis, als zijn ambtsplicht hem te Weimar

hield, sloot zich op, dreigde met hem te zullen breken, beriep zich op

de lasterzuchtige wereld.

Dergelijke straffen en vermaningen (wanneer zij niet uitzondering

blijven doch regel worden) kalmeeren den verliefden man niet; zij

verontrusten en verwarren hem. De vrouw die ze uitdeelt, toont niet de

reine genegenheid waarvan ze spreekt: de oprecht beminnende vrouw

vertrouwt dat haar bijzijn, indien zij 't wenscht, haren minnaar tot

rust zal brengen. Zij neemt niet haar toevlucht tot dwang, wijl zij

hoopt dat liefde meer vermag. Zij weet--en zeker wanneer haar

levenservaring zoo rijk is als die van Vrouwe von Stein is geweest--dat

ook de reinste hartstocht die een vurig man tot een vrouw drijft niet

verkeert in broederlijke genegenheid, wanneer die passie met geweld

wordt ingeperkt; zij tracht derhalve een man, wien ze niet "meer" dan

zuster kan zijn, niet te boeien. Zij schrikt terug voor het leelijke

schouwspel van een geestvol man, door handig toegebrachte tikjes en

prikjes zoodanig verward, dat hij belooft wat hij niet meent, zijn

gevoelens verloochent op bevel, en kruipt voor haar, die slechts haar

egoistiesch-kalme heerschzucht op hem voor heeft.

En de wereld, _d.i._ de hofkliek? Maar die lasterde niet! De verhouding

tusschen deze lang beklaagde vrouw en den schoonen, krachtigen

Goethe--hoe ver die verhouding dan ook mocht zijn gegaan--zag ze met

sympathie, en tegen eventueelen laster zou ze het gaarne voor Charlotte

hebben opgenomen; wat den lezer nog wel zal blijken. Hoe dorst zij zich

beroepen op "de wereld" tegenover den vrijgevochten Goethe, voor wien

"de wereld" niets was! Zij, die hem in antwoord op de zijne, bijna

dagelijks briefjes liet bezorgen door haar eigen echtgenoot, door gewone

huzaren, door den hertog; zij, die geen aanstoot nam (hoewel door Goethe

gewaarschuwd!) in een allegorischen optocht _De Nacht_ voor te stellen,

terwijl hijzelf er fungeerde als _De Slaap!_ Lokte ze niet voortdurend

commentaren uit? Had de hertog niet een spotdicht vervaardigd, waarin

hij haar vermaande, haar _billets doux_ op wat grooter formaat papier te

schrijven, daar zij anders zoek raakten in de zakken van zijn huzaren,

en hij genoodzaakt was, ze in 10 op elkaar gezegelde enveloppen te

hullen?--En wat haar echtelijke plichten betreft (gesteld dat ze die nog

had), haar stalmeester zag gaarne dat de poëet zich met het troosten van

zijn "miskende" vrouw en met de opvoeding van zijn kroost belastte. Had

zij aan deze "plichten" dan niet reeds principiëel te kort gedaan door

voor Goethe te voelen gelijk ze deed, en werd de "haar zoo lieve zonde",

waaromtrent ze op de keerzijde van een zijner brieven getuigde, dat

haar geweten haar niet zeide of ze er voor moest boeten, er geringer op,

nu zij haren minnaar op geveinsde gronden weigerde wat des huwelijks is?

Op geveinsde gronden! Want hoewel ze eerst na vier jaren hem bekende dat

ze "meer" hem was dan een zuster--hij vertrouwde zijn wondere vreugde

aan de ontluikende boomen toe--dat ze voor hem de liefde koesterde die

niets weigert (behalve in dit speciale geval!), gedroeg ze zich _van

begin af_ als een jaloersche minnares, en deed hem aan de mogelijkheid

van een zakelijk-intiemere vereeniging denken op oogenblikken dat hij

meende, er afstand van te hebben gedaan. Ze hield de wonde bloedend.

Terwijl ze wist hoezeer Goethe daar onder leed, logeerde ze het genie

Lenz--dat met Friederike had gekoosd om haar Wolfs brieven afhandig te

maken--op haar slot en zwelgde met hem in Engelsche literatuur. In een

blijspel "Ryno" dat ze Goethe voorlas (Goethe las haar al zijn

onuitgegeven werk voor, en ze vergunde hem dit, al wist ze dat hij, als

het "enthousiasme" hem aangreep, zich allerminst kon bedwingen) bespotte

ze zijn "zielsverlangen", door hem voor te houden dat bijna alle dames

uit den omtrek zoete briefkens van hem bewaarden. Zijn verkeer met

Corona Schröter--in welke schoone vrouw hij zeide hààr te huldigen, al

vond hij dat ze niet genoeg op Charlotte leek!--verstoorde zij

aanhoudend door haar intriges, wel wetend dat ook de hertog _Crone's_

classieke vormen gaarne zag. De eerste opvoering van "Iphigenie"--het

meesterstuk dat hàre "goddelijke wijsheid" huldigde--weigerde ze bij te

wonen, naijverig als ze was op de gevierde Corona, die de titelrol

creëerde.

Welke soort van liefde hij haar toedroeg--want er is hier geen sprake

van min of meer, doch van een aard-verschil--make men op uit het

volgende. Zijn gezellige, aandoenlijke comedie _Die Geschwister_

symboliseert zijn verstandhouding tot Cornelia, maar meer nog zijn

verstandhouding tot Vrouwe von Stein:--Marianne (gespeeld door Frl.

Kotzebue) bemint onbewust Wilhelm, in wiens huis ze is opgevoed, en dien

zij voor haar broeder houdt; nauwelijks echter blijkt--doordat een

ander haar hand komt vragen--dat Wilhelm haar broeder niet is, maar een

belangeloos vriend, of haar hartstochtelijke liefde openbaart zich.

Goethe acteerde de daarbij behoorende omhelzing zoo _natuurlijk_, dat

nog jaren nadien van een intiem verkeer tusschen hem en Frl. Kotzebue

werd gefluisterd, hoewel zij beiden dit ernstig tegenspraken. Maar men

bedenke dat hij in Marianne zijn tweede Lotte, Vrouwe von Stein zag, en

men begrijpt deze verregaande "natuurlijkheid".--"Die Geschwister" is

bovendien merkwaardig omdat een brief van Charlotte aan Goethe, de

eenige die ons rest! er in is vastgehouden. Tenminste, men zou dezen

brief met groote stelligheid kunnen dateeren tusschen twee epistels die

Wolfgang aan de geliefde zond. Tot dergelijke berekeningen is de

biograaf genoodzaakt zijn toevlucht te nemen, wijl zij later haar

brieven--die haar konden compromitteeren--heeft opgevraagd en verbrand;

de zijne echter heeft ze zorgvuldig bijeengehouden. In de enkele regels,

hier bedoeld, zegt Vrouwe von Stein dat zij alle liefde tot het leven

had verloren totdat ze hém ontmoette; en dat ze vreest hem kwellingen te

zullen aandoen.

Was nu haar gedragslijn jegens hem verre van zuiver: het blijft haar

onverdiende verdienste, in den dichter die bezig was zich tot een hooger

levensplan op te werken, gevoelens en strevingen te hebben gewekt, die

den omkeer in zijn ziel verhaast en over zijn verdere carrière beslist

hebben. Ze was geen onervaren maagd: ze was een rijpe vrouw, die haar

minnaar, hoezeer ze hem martelde, wist te boeien; ze spaarde hem geen

leed maar dwong hem door heur aantrekkelijkheden: iedere nieuwe kwelling

tot het einde toe te doorleven, zoodat hij er zijn intellectueel

weerstandsvermogen aan vormde. Zij bracht hem telkens in de hoop, dat ze

nog eens geheel de zijne kon worden, maar hield zich toch op een

afstand, zoodat hij haar zag "zooals men de sterren ziet" of als--"een

Madonna die ten hemel vaart" en die slechts door een bovenmenschelijke

daad zich zou laten verteederen. Met het ideaal van deze

bovenmenschelijk schoone daad in zich, moest hij tot diep nadenken komen

te midden van de ordinaire vermakelijkheden en de désillusies die hij

te Weimar vond. Haar eisch, dat hij haar slechts broederlijke

genegenheid zou toedragen, dwong hem tot steeds grooter

zelfbeheersching; doch--hier schuilt de kiem der ontbinding--dit ook

jegens den wijn, de andere vrouwen, de woeste geneugten die hij met den

hertog een oogenblik had nagejaagd. En--ontwarend wat geweldige driften

daar in zijn binnenst te temmen bleven--moest hij het beeld van de vrouw

die hij hoopte te winnen steeds voor oogen houden, en sterker vereeren,

naarmate de vereischte krachtsinspanning grooter scheen. Zij had te

weinig eerbied voor zijn inborst om ook maar in de verte te vermoeden

wàt zij eigenlijk van hem vergde. Doch dit belette niet dat hij haar,

wier beeld hem ook in het overstelpende zakenleven toelachte als door

een floers, ten slotte ging beschouwen als "de Godin" die hem toereikte

"des dichters sluier met de hand der Waarheid"; de bovenaardsche, die

hij slechts in wijsgeerige verzen (Die Geheimnisse, waarin wel van een

zonderlinge monnikorde, maar van geen enkele vrouw gewaagd wordt) kon

zeggen "hoe lief hij haar had".

Geesteshelden laten lang met zich spelen, daar zij een weerstand, die

hun drijven treft, pas begrijpen, en zoo noodig wantrouwen, als een

langdurig en pijnlijk zuiveringsproces zich in hun boezem heeft

afgespeeld. Toen Goethe echter na tien jaar worstelens de

volkomen-beheerschte, evenwichtige persoonlijkheid was geworden, waartoe

liefde, vernedering, smart hem moesten doen rijpen; toen had hij

Charlotte von Steins intentiën _overvleugeld_, en bespeurde hij dat hij

aan innerlijke waardij meer gewonnen had, dan hij mocht bieden voor

haar, die hij met zijn zelfstrijd eens meende te veroveren.

Stellig! zegt Aurélie in Wilhelm Meister, het is goed dat wij niet

altijd de menschen kennen voor wie wij arbeiden!

XIII

Grossmeister der Affen.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 12 / 29 段