Maar eigenlijke _oplossingen_ van passioneele verwikkelingen had zijn

ervaring nog niet geleverd. Zij kòn die niet leveren. De eigenaardige

samenstelling van zijn gemoed--hierboven aangeduid--belette hem, eenige

moeilijkheid te doorworstelen tot het einde toe. Zoo maakt iedere mensch

zijn eigen ervaringen. De werkelijkheid ligt niet kant en klaar buiten

ons, en voor een ieder te grijp; wij bespeuren slechts het deel van de

werkelijkheid dat wij--waard zijn. Goethe nu ontweek het tragische.[A]

Maar hij voelde dat hij zijn vrees zou overwinnen, zoodra zijn gemoed

rijk genoeg was om voor allerlei wederwaardigheden compensaties te

bevatten. Tot zoolang was hij niet in staat de dingen rustig op hun

beloop te laten. Al zijn levensverwikkelingen ontknoopte hij

gewelddadig. Hij ontvluchtte de menschen aan wie hij verwant was, dorst

zich aan niemand binden. Hij kende nog niet de middelen om in het

onvermijdelijke vrede te _scheppen_. Hij geloofde dat zijn verliefdheden

moesten uitloopen op ondergang van zijn persoon. Maar hij liet het nooit

komen tot zulk een catastrofe. En door de zuiverheid, waarmede de

verwikkelingen in zijn drama's waren geboekstaafd, bleek maar al te

duidelijk, dat hij in den blinde tastte, als hij een catastrofe moest

beschrijven. Hij was te zeer gewoon, zijn gevoelens dicht te benaderen,

dan dat hij de verlegenheid, die hem bij het laatste bedrijf van ieder

stuk overviel, zou kunnen verhelen. Al zijn zelfoverwinningen waren

bewerkstelligd door een inspanning, zoo bovenkrachtelijk, dat hij er

zijn bezinning bij verloor, en nauwelijks wist of hij was ontsnapt. En

dit geldt ook van de "ontknoopingen" die zijn drama's ons voorhouden.

Hier stond aan zijn her-scheppend vernuft geen overvloed van doorleefde

ervaring ten dienste. "Bei einer lebhaften Einbildung--zoo boekt hij in

een brief aan zijn moeder, waarin hij op de hier gekarakteriseerde

periode terugziet--war ich doch immer unbekannt mit der Welt

geblieben...."

[A] Een paar illustraties van dezen grondtrek: Als zijn pasgeboren kind

is gestorven, zegt hij tot zijn boezemvriend Schiller: Men weet in zulke

gevallen niet of men beter doet de smart zijn natuurlijken loop te

laten, of zich door hulpmiddelen die de cultuur ons biedt te troosten.

Neemt men tot het laatste zijn toevlucht, _zooals ik altijd doe_, dan is

men daardoor maar een oogenblik geholpen. _Ik heb opgemerkt dat de

natuur door een andere crisis altijd weer haar rechten doet

gelden._--Een groote doorbraak maakt de mijnen van Ilmenau, die hij met

veel moeite in exploitatie heeft gebracht, voor altijd onbruikbaar.

_Vijftien jaar lang_ kan hij 't niet van zijn hart verkrijgen, het

dorpje, waar hij met zooveel liefde heeft gewerkt, op te zoeken.

* * * * *

Hij werd gedrongen naar den dramavorm door de levendigheid van zijn

phantasie, die slechts door werkelijk sprekende en handelende wezens in

kleurigheid en volheid werd geëvenaard. Maar dit "realistische" in zijn

aanleg kwam in botsing met zijn levens-visie. Eigenlijk waren de menschen,

gelijk hij ze zag, geen dramatische figuren: Eigenlijk-dramatische

figuren zijn zij, wier ondergang of lotswisseling te voorschijn wordt

geroepen of grootelijk wordt bevorderd doordat zij in botsing komen

met de overheerschende Macht in het heelal. Deze overheerschende macht

deed zich in den loop der tijden voor als: De Goden, een Opperwezen,

de doode natuur, een sloopende, een besmettelijke of een erfelijke ziekte,

als de Maatschappij, de Conventie, als een mensch, onweerstaanbaar door

zijn verdorvenheid of zijn goedheid. Door zulke botsing ontstaat een

verbinding van onzichtbare (innerlijke) motieven met zichtbare

(stoffelijke) _d.i._ vertoonbare elementen; en dit maakt een bepaald

gegeven bij uitstek geschikt voor dramatische opvoering.

Doch zoo zag Goethe de menschen niet. Hij moge zich in theorie wel eens

anders hebben uitgelaten (hij was nog niet gerijpt en kon dus dwalen) in

feite zag hij de verhouding tusschen een bepaalden mensch en

Al-het-andere aldus: dat deze twee niet scherp tegenover elkaar staan,

maar openbaring zijn van denzelfden God. God en het Geschapene waren

voor zijn intuïtief levensgeloof niet te scheiden. En wanneer hij vanuit

dit zijn geloof de dingen tot op hun kern doorschouwde, dan kon er voor

hem geen sprake zijn van een eigenlijke botsing tusschen het Ik en het

niet-Ik. De mensch wordt door het buiten-hem-zijnde slechts beïnvloed

(aldus Goethe), wanneer er iets in hem is dat aan dat Andere beantwoordt

en daardoor zijn overige karaktertrekken gaat overstemmen. Ik en niet-Ik

zijn doordrongen van de zelfde essentie. De dood van den Held is niet

meer zijn _verplettering_--zooals in de classieke tragoedie--maar zijn

opgaan in het groote Geheel. Lessing heeft opgemerkt,[A] dat het

karakter van den waren Christen wegens zijn zachtmoedigheid, zijn

Godsbetrouwen, zijn gelatenheid is zoo ontheatraal mogelijk. Welnu, zoo

mogelijk nog ontheatraler is de mensch voor de opvatting die in alles

het Eene ziet; voor den blik van den jongen Goethe, die voordat hij wist

wat hij deed, in zoo menig eenvoudig vers de "doode natuur" met zijn

eigen klachten en vreugden had doordrongen, zoodat het buiten-hem-zijnde

uitstraalde 't licht van zijn gemoed. Ik ben niet in de wieg gelegd voor

tragedist--kon hij op rijperen leeftijd aan zijn vriend Zelter

schrijven--mijn inborst is te verzoenend; vandaar dat geen

eigenlijk-tragische situatie mij treft, want zulk een is in haar wezen

onverzoenbaar.--Voor Goethe gaat de mensch ten gronde aan _innerlijke

tegenspraak_, moet de mensch ten slotte zegevieren niet over de natuur

of over anderen doch over zich zelf. De menschen boezemen hem, als

dramabouwer, pas belangstelling in, als ze van stoffelijke

omstandigheden min of meer onafhankelijk zijn, en slechts met zich zelve

hebben te maken. Als hij aan de eerste lezing van Iphigenie werkt is hij

bezig, in zijn kwaliteit van minister, recruten te keuren en hij

aanschouwt veel ellende van dichtbij. Dit noopt hem tot zijn minnares

Von Stein de volgende ontboezeming te richten: "....hier wil het drama

niet vlotten; vervloekt! de koning van Tauris moet spreken alsof er geen

enkele arme kousenwever in Apolda hongerde".--

[A] _Hamburgische Dramaturgie_, 1767-1769, p. 7.

Maar deze levenskijk was nog gemengd met andere elementen. Hij hing nog

aan het voorbeeld van groote meesters (wier overtuiging andere eischen

stelde aan hun werk) en hij kon zich hiervan niet bevrijden (hij kon ze

niet missen) zoolang hij niet éen critieke verwikkeling ten einde toe

had doorleefd. Want daardoor moest hij zich zelve ten volle leeren

kennen; moest hij gaan begrijpen, dat de zoozeer gevreesde menschen voor

hem minder gevaarlijk waren dan--hij zelf. En dit inzicht zou hem zijn

eigen stijl doen vinden.

Eenmaal--toen hij den Werther schreef--heeft hij begrepen dat een

mensch, gelijk hij den mensch zag, geen waar tooneel-Held kan zijn. Wil

men hem toch ten tooneele voeren, dan zijn twee dingen mogelijk:

òf men vermengt de uitbeelding van zijn karakter met allerlei bijwerk,

dat den toeschouwer bezig houdt, maar overigens weinig ter zake doet--en

aldus is Goethe begonnen (Götz),

òf men maakt drama's zonder _zichtbare_ handeling, en die voor den

toeschouwer niets verliezen als hij de oogen sluit en ze geniet, zooals

hij echte muziek geniet, die zuiver zielsbewegen is. Dat zal hij in den

nu komenden levenskring leeren!

* * * * *

Teekenend voor Goethes kunnen is de geschiedenis van het laatste drama

dat hij in den thans beschreven tijd geeft, en dat gedeeltelijk reeds

boven deze sfeer uitgaat. "_Stella_" was oorspronkelijk "een tooneelspel

voor lievenden".

--De titelheldin behoort klaarblijkelijk tot de sentimenteele

"Darmstädter heiligen". Uiterlijk een Friederike, innerlijk een Urania,

een-en-al ziel. Fernando, die een tijdlang haar echtgenoot heeft

gegolden (niet wetend dat hij reeds gehuwd is, heeft ze haar eer

prijsgegeven om hem op zijn slot te volgen) heeft haar verlaten en ze

beweent hem bij haar rozenaltaar. Ze sluit een "heilige"

hartevriendschap met Cecilie, de moeder van haar jonge gezelschapsdame.

De sympathie tusschen de twee hoogstaande vrouwen is gevestigd op

overeenstemming in levenslot: Cecilies echtgenoot heeft haar in

bekrompen geldelijke omstandigheden laten zitten.

Daar verschijnt Fernando weer, nadat hij getracht heeft, in den krijg

zijn leven kwijt te raken, wijl hij geen bevrediging vindt in het

fladderen van de eene liefde naar de andere. En wat blijkt? Hij is de

ontrouwe echtgenoot van Stella's nieuwe vriendin Cecilie! Men zette er

zich overheen dat de ontmoeting van deze drie personen slechts

gemotiveerd wordt, doordat de auteur hun karakters op elkaar wil laten

werken. Het probleem, logiesch voortgevloeid uit deze ontmoeting, is

gesteld. Het luidt: hoe zullen deze twee vriendinnen, die elkander, doch

ook (ondanks zijn fouten) Fernando lief hebben, zich uit deze situatie

redden?

Goethe nu, die iets van Fernando's vlinderachtige natuur heeft (maar

overigens een nobel en geestrijk man is--wat van Fernando niet kan

gezegd!) Goethe zal zich in een eenigszins anderen vorm dit probleem

meermalen hebben gesteld. Ook hij heeft al menige goede vrouw verlaten,

al behoeft hij zich niet te verwijten, haar door onherroepelijke daden

te hebben geschonden. Hij bemint de eene nog terwijl hij zich aan een

volgende reeds bindt; gaarne zou hij beide vrouwen sparen. En de woorden

van Cecilie "Und kann der Knoten gelöst worden, heiliger Gott im Himmel!

zerreiss' ihn nicht!" zijn hem uit het hart gegrepen. Naar voorbeeld van

een middeleeuwsche sage zoekt hij nu aanvankelijk de situatie zoo op te

lossen, dat deze twee _edele_ vrouwen den nietswaardigen, zwakken Don

Juan om den hals vallen en verklaren één huis, één bed, één graf met hem

te willen deelen.

Maar dit is geen _ontknooping!_ Hier kan het doek wel voor den eersten

keer opgaan, maar niet voor den laatsten keer vallen. Een nieuw probleem

is uit het op te lossen probleem ontsprongen, of liever: dit heeft zich

gewijzigd. Maar het was een schijn van een oplossing, een poging om den

knoop niet met geweld door te hakken--zooals in alle voorgaande drama's

is geschied. En deze poging bewijst ons, dat Goethe hier getracht heeft,

het hoogere niveau te bereiken, waar de sleutel van dergelijke situaties

gezocht wordt in de ziel van den getroffene:

"Denn, wenn ein Wunder auf der Welt geschieht,

Geschieht's durch liebevolle Herzen".

Maar publiek en vrienden toonden zich zeer gebelgd door deze

idealiseering van een soort veelwijverij. En in later jaren heeft Goethe

het slot omgewerkt: hij laat Stella vergif slikken en Fernando jaagt

zich een kogel door den kop. Hiermede is het stuk (dat van toen af

"treurspel" heette) teruggevallen in de eerste sfeer. Fernando's dood

wekt in den toeschouwer nauwelijks medelijden, wat toch in gewone

omstandigheden de dood van iederen mensch--ook van een minderwaardigen

mensch--pleegt te doen. Zijn leven heeft ons niet in dramatische

spanning gevangen, doordat hij niet handelend optreedt, te veel

innerlijke tegenspraak, te weinig éénheid is om te kunnen handelen. Maar

de verwikkeling van het treurspel (waarbij hij wel genoemd doch niet

gezien wordt) is weer zoo fijn en zoo uitvoerig gelegd, dat zij de

zwakke motiveering van het slot--dat Fernando eigenlijk tot een _man_

zou moeten maken--overschaduwt.

Goethes vlinderneiging, welke wij hier in oorsprong en uitwerking hebben

aangeduid, zou overwonnen worden, zoodra Goethe moed had gevonden om

zich in de invloeds-sfeer van krachtige en geliefde personen vrijwillig

en blijvend te vestigen, om--zooals hij aan Lavater zou

schrijven--"cordaat scheep te gaan op de golven der levenszee,

vastbesloten te ontdekken, te winnen, te strijden, te stranden of zelfs

met de heele lading in de lucht te springen".

Hij kon den moed daartoe echter eerst vinden, toen hij in zijn onderling

strijdende neigingen een voorloopig evenwicht had verkregen, _waardoor

hij tegenover de buitenwereld als een onkwetsbare persoonlijkheid kwam

te staan_. Toen was zijn eerste levenskring voltrokken.

* * * * *

Hij is nu op weg; het zal een bezwaarlijke reis zijn!

Of--geven wij het beeld op!--niet een reis maar een organische

ontwikkeling: het beginpunt van het komende stadium ligt diep in de

ontworstelde periode verborgen; en de uitloopers van het verleden zullen

nog verre in de toekomst reiken.

~TWEEDE BOEK~

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,

loopen van 7 November 1775 tot 25 Juni 1776.]

XI

Und Niemand fragte: Wer ist denn Der?

Wir fühlten beim ersten Blick: 's war Er!

WIELAND.

Het Hertogdom Weimar besloeg een oppervlakte van 1900 vk. K.M. (dus nog

iets minder dan de Nederlandsche provincie Limburg) en werd door de

omringende staten verbrokkeld in vier kleine streekjes, die elk op eigen

wijze geregeerd wilden zijn. Het geheele Rijk telde destijds 100.000, de

hoofdstad aan de Ilm ongeveer 6000 inwoners. Eigenlijk een dorp, van

niet meer dan 500 huizen: kronkelende, morsige, nauwe straten, niet

geplaveid, die voor den voetganger werkelijk gevaar opleverden. De

bouwvallige, lage huizen keerden hun gevels van den beganen weg af. Daar

straatverlichting ontbrak, kon men 's avonds niet uitgaan zonder

fakkeldrager of lantaarn. De burgerij leefde grootendeels van landbouw

en veeteelt. Een belangrijk part van de bevolking teerde op het Hof, dat

echter betrekkelijk eenvoudig huishield en zijn leveranciers allerminst

rijk maakte. De "herder der residentie" placht 's morgens het vee van de

stedelingen bijeen te toeteren, en niet zelden deed de kudde een groepje

wandelende hovelingen uiteen stuiven.

Weimar lag vrijwel afgesloten van de beschaafde wereld. De wegen die er

heen leidden waren voor voetgangers bijna onbruikbaar, de

postverbindingen schaarsch en onregelmatig. Belangrijke gebeurtenissen

vernam men er pas als ze al eenigszins tot de geschiedenis behoorden;

couranten las men in burgerlijke kringen zelden. Wie de poort uit wilde,

moest naam en beroep laten registreeren door den poortschrijver, die er

dan den hertog melding van maakte. Wie met een fatsoenlijke dame buiten

de stad wenschte te wandelen, moest allerlei listen te baat nemen om de

kans op spotternijen van Carl-August te ontgaan. Het slot, dat met zijn

bijgebouwen wel een derde van de residentie innam, was tijdens een

onweer verbrand en men had de puinhoopen laten liggen. De hertog voerde

zijn hoofsche gade in een groot heerenhuis, dat echter nog niet af was,

inderhaast werd gemeubeld, en dat hij jarenlang onophoudelijk moest doen

repareeren. Hij toonde in kleeding en leefwijze als in manieren dat

uiterlijke praal hem tegenstond en dat hij niet van plan was voor

"roi-soleil" te spelen, zooals vele andere Duitsche vorstjes. Wat hij

zei, zei hij grof. Wat hij deed, deed hij onomwonden; al was het te

voorzien dat ieder het zou afkeuren. Dit griefde de jonge hertogin

Louise, die--aan het aristocratische Russische hof opgevoed--de

etiquette gaarne zag geëerbiedigd. Haar eerste huwelijksjaren doorleefde

zij kniezend en teruggetrokken. Haar karakter was zoo, dat velen haar

vereerden, weinigen haar beminden.

Zij kreeg genoeg te verduren doordien mannen en vrouwen in haar omgeving

(typische mengsels van tranenvolle, maanlichtbleeke, overgevoelige

"Empfindelei" en ongemaskeerde wulpschheid), naar voorbeeld van hun

jeugdigen gebieder en misschien wel aangemoedigd door diens

idealistische maar heetbloedige mama (die met haar zoon achttien jaar

scheelde) het met de huwelijksmoraal niet al te nauw namen. Men las en

besprak in gezelschap "galante" boeken, die men in onzen tijd stellig

pornografiesch zou noemen. De hofdames--hoe kunstzinnig en ontwikkeld

ook--versloten heur hartjes al evenmin als haar boezems; en men behoeft

de portretstukken uit dien tijd maar aan te kijken om te weten wat dit

beduidt. Ze onderhielden bijna zonder uitzondering liaisons met al of

niet gehuwde heeren en ze maakten daar geen geheim van. Integendeel: een

zekere mate van avontuurlijkheid verhoogde haar aanzien. Wie een vriend

te gast vroeg, en beleefd wilde wezen, vroeg ook de dame met wie die

vriend het op het oogenblik hield. De poëet Wieland--verreweg de oudste

aan het hof--werd zelfs door den hertog (dien hij had opgevoed)

uitgelachen om zijn echtelijke trouw en om de vele kinderen die hij,

zonder het dichten te onderbreken, fabriceerde--gelijk Carl-August het

uitdrukte. Goethe had meermalen tot taak een byzonder ongewenscht

amourtje van prins Constantijn, die sterk was in het opduiken van

ontoonbare maîtresjes, met een minnelijke schikking te doen eindigen. En

de zotte Vrijvrouw Von Werther, bijgenaamd de kleine Werther, die de

zieke en vervolgens de doode uithing en een pop in haar plaats liet

begraven, ten einde met een luitenant naar Afrika te kunnen vluchten,

waar deze goud en diamanten hoopte te vinden; en die, berouwvol en

berooid weergekeerd, door haar man in genade werd teruggenomen, steekt

nogal gunstig af bij haar vriendinnen.

Genoeg om te doen zien, dat Weimar voor Goethe een gevaarlijke stad was.

De roep van zijn schoonheid en zijn vurigheid ging hem voor, en

geestelijk verkeer met vrouwen was hem een zielsbehoefte. Zijn

dichtersroem, dien men in verband bracht met gedachten aan oproer en

verboden liefde, aan goddeloosheid, zelfmoord, duivelslist en bigamie,

maakte hem byzonder interessant voor de lichtzinnige _Misels_ (d.i.

meisjes) die de diepten van gewone minnarijen reeds te vaak hadden

gepeild. Behalve bals, die te weinig zeldzaam, en tooneelvoorstellingen,

die in den beginne uiterst middelmatig waren, bood het landstadje hem

weinig verstrooiing. Hij wilde er blijven, het behoorde tot zijn

levenstaak, maar vaak smaakte zijn broodje hem zuur. Hij wilde de

schoone kern, die hij in den hertog vermoedde, verder ontwikkelen; maar

hij begreep dat hij, de burgerjongen, zijn intiemen invloed op den

edelman zou verliezen, als hij niet toonde ook in het "miseln", _d.i._

vrijen, in het zuipen, knijpen en fuiven, in het tappen van heel

gewaagde moppen, in het volhouden van dolle streken, waarbij zijn leven

gevaar liep, tegen hem te zijn opgewassen. Daarbij kwam dat de regering

van het rijkje weldra voor een groot deel op hem berustte en dat men hem

in zooveel kleinigheden consulteerde, dat hij wel eens geërgerd uitriep:

dat hij "ten slotte ook nog voor de nachtspiegels zou moeten zorgen".

Zijn dichtergave scheen in het drukke zakenleven te verwelken, terwijl

binnen hem alles op losse schroeven stond en het zeer lang duurde,

voordat hij, volkomen met zichzelf in vrede, onafhankelijk stond

tegenover de buitenwereld.... Zooveel redenen en aanleidingen voor hem

om in de eerste maanden van zijn verblijf te Weimar den duivel macht

over hem te geven,--gelijk Wieland het uitdrukt.

Maar toen ging de vrouw door zijn ziel, wier heerschzucht, meer nog dan

haar liefde, het binnen hem plaats grijpend proces versnelde en hem

dwong tot zelftucht.

* * * * *

Hij kwam laat-herfst te Weimar aan, door een uitgelezen troep "prave"

jongens en Misels, de meesten tusschen de twintig en dertig jaar,

geestdriftig verwelkomd. Hij was in Werther-uniform: blauwe sluitjas met

koperen knoopen, geellederen vest en broek, kaplaarzen en gepoederd

staart-coiffure--en daar het voor onwelvoeglijk doorging, in gezelschap

van dames anders te verschijnen als "in kousen en lage schoenen", bleek

reeds hieruit, dat hij ook aan het hof zijn vrijheid van beweging niet

wenschte op te offeren. De jonge hertogin gedroeg zich dan ook koel

tegen hem, en duldde niet dat hij aanzat aan de vorstelijke tafel, waar

slechts edellieden toegang kregen. Als Carl-August niet in de

gelegenheid was, zich met hem af te zonderen, dineerde hij in "De Roode

Os" of wel bij Wieland. Die voelde zich terstond "als een dauwdrup van

de morgenzon" vervuld van den rijzigen jongeling met de nu eens donker

schitterende, dan weer zwaarmoedig smachtende tooveroogen, waarmede hij

alle misels het hof maakte; kort daarop gaf hij in een vurig gedicht de

schoonste en treffendste schets die wij kennen van den 26-jarigen

Goethe. Voor mij--zoo liet hij zich tegen Merck uit--is het leven niet

meer denkbaar zonder dezen wonder-jongen, dien ik lief heb als mijn

bloedeigen eerstgeborene, en van wien het mij, zooals ook eenen echten

vader past, innig genoegen doet, dat hij mij zoo mooi over den kop

groeit en alles is, wat ik niet heb kunnen worden.--Doctor Wolf

vergaf den Hofpoëet gaarne zijn oppervlakkig tijdschrift "De Mercuur",

wetend dat diens talrijke kinderen, wier vriendschap hij spoedig won,

grage magen bezaten.

[Illustratie: GOETHE IN "KAARSRECHTE HOUDING"

(kort na zijn vestiging te Weimar)]

Carl-August, nog zoo kort geleden aan den dwang van moeder en

leermeesters ontsnapt, voegde zich slechts geleidelijk tot de

ingetogenheid, die regeerings- en huwelijksplichten van hem eischten.

Met naast zich den dichter, die gold als de verpersoonlijking van het

"kracht-geniale" (_d.i._ de onbekommerde uitleving van alle

echt-persoonlijke neigingen en verlangens) gaf hij zich over aan wat hij

een natuurlijk en vrij leven achtte. Wolfgang zakte gedurende eenige

maanden tot een lager levens-niveau af: geleid door de motieven die wij

reeds noemden, maar toch ook onder den invloed van zijn omgeving.

Zondagochtend-bijeenkomsten, waar men elkander bij wijn en punch met

dwaze verzen hekelde; geforceerde tochten te paard, onmiddellijk gevolgd

door danspartijen; wilde zwijnenjachten, waarbij hij wel eens in

doodsgevaar verkeerde; overnachten in het winterwoud; eten op de straat

voor het "vorsten-huis", onder het volbrengen van de ruwste streken, ten

aanschouwe van de gapende burgerij; wedstrijden in het klappen met de

jachtzweep, 's nachts, midden op de markt; dansen en vrijen met de

boeredeernen uit de naburige dorpen; schaatsenrijden (een plebejisch

bedrijf te Weimar!) bij fakkellicht; caricaturale maskerades;

drinkgelagen, met schedels en voor-historische urnen, die de asch van

echte Tuitschers hadden bevat, bijwijze van bekers; en een lange lijst

van onbehouwen grappen als daar zijn: belletje trekken en het

dichtmetselen van de slaapkamer eener laat thuiskeerende hofdame.

Vergat Wolfgang ook soms dat nobele beweegredenen hem tot deze

bandeloosheid hadden gebracht, meestal spande hij zijn krachten om den

lichamelijk zwakken hertog voor overdrijving te behoeden, hem te genezen

van zijn gebrek aan practische menschenkennis. Hij maakte van vele

uitstappen gebruik om op zijn schimmel "De Poësie" het land te

verkennen. Bij iedere gelegenheid wees hij den jongen vorst op den

vervallen toestand van zijn rijkje. In zijn brieven aan hem schreef hij

zonder commentaar bijbel-spreuken af, die Carl-August op

hartstochtelijken toon tot zijn plicht riepen. Een ander maal trad hij,

als eenvoudig boertje verkleed, op den landheer toe en hield hem in een

trouwhartig gedicht voor, dat het boersche trouwe bloed nog altijd zijn

beste goed was, waaraan hij meer vreugde kon beleven dan aan paarden en

aan stoeterijen. Tot diep in den nacht zat hij met zijn Carl soms

bijeen, en dan werden er over verleden en toekomst harde woorden

gesproken, die het diepste van 's hertogs karakter roerden en hem

aanzetten tot arbeid; lastertongen wisten te vertellen dat zij zich dan

achter gesloten deuren bedronken....

Maar Carl-August, hoewel meermalen door uitputting op het ziekbed

geworpen, verlangde steeds terug naar zijn "woedige" uitspanningen (als

Wieland ze betitelde), waartoe ook zijn natuurlijke vlugheid in het

afdoen van loopende zaken hem verleidde. Goethe daarentegen, aan zulk

een leventje ontgroeid, liet noode zijn werkkracht en zijn

organisatietalent ongebruikt en verlangde innig naar rust. Evenals

Margaretha in zijn treurspel Egmont "voorzag hij veel dat hij niet kon

veranderen". In het begin van het nieuwe jaar ontsteeg hem een bede, zoo

kinderlijk-oprecht, dat Pestalozzi ze later een Zwitsersche boerin en

hare kinderen als avondgebed in den mond kon leggen:

"Der du von dem Himmel bist,

Alles Leid und Schmerzen stillest,

Den, der doppelt elend ist,

Doppelt mit Erquickung füllest,

Ach, ich bin des Treibens müde!

Was soll all der Schmerz und Lust?

Süsser Friede,

Komm, ach komm in meine Brust!"

(_Wandrers Nachtlied_).

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 11 / 29 段