regeering van zijn landje--tot dan toe onder regentschap van zijn moeder
Amalia gevoerd--persoonlijk te aanvaarden. Hij was opgevoed--en dit is
teekenend voor Amalia's hooggeprezen ideeën!--door den goedig-boven-aardschen
schrijver van "De gouden Vorstenspiegel", den poëet Wieland. Weinig
benul had hij van de economische verhoudingen in Sachsen-Weimar en van
de wijze waarop het schip van staat zich laat sturen. Een tengere,
bleeke jongeling met hoog voorhoofd en zware wenkbrauwbogen, met
stekend-scherpen blik en trotschen, vasten, ietwat scheeven mond. Hij
had een passie voor honden, paarden, soldaten, drijfjachten. Niet in de
eerste plaats een fijne, wel een sterke geest. Evenals zijn moeder heet
van bloede; ook in andere opzichten meedoogenloos hartstochtelijk en
hautain, verregaand frank in zijn doen en laten, had hij vroegtijdig
de grenzen leeren kennen en overdenken, die zijn zwak lichaam, en de
karakters, de gevoeligheden van zijn medemenschen, moesten stellen aan
zijn ongebreidelde begeerten. Zijn aangeboren minachting voor conventies
en uiterlijkheden werd in zijn aanstonds diepgrijpende levenservaringen
bevestigd. Het Ik, het "oorspronkelijk genie"--en niet alleen het
zijne--stelde hij boven alles. In daden, eigenmachtige daden, zoo noodig
tegen de traditie, ja, liefst tegen de traditie, zocht hij levensgeluk.
Wat reeds door geboorte het zijne was wilde hij veròveren. Innig verwant
dus aan Sturm-und-Drang ontlook hij tot onafhankelijken, natuurminnenden
oppermensch en besefte tegelijkertijd dat hij bestemd was alleenheerscher
te worden, ja, maar in een landje dat, hoezeer ook uitgeput door den
zevenjarigen oorlog, voor zijn dadendrang denkelijk was te eng; waar hij
ten volle slechts zich zou kunnen bevredigen, wanneer hij zich ging
roeren op het gebied van de Idee. Ten minste, zoo dacht hij toen.
Snellevend door zijn hartstocht, joeg hij als de kunstenaar naar de
uiterste grenzen van de menschelijkheid, beleefde hij, na uitviering van
grove lijfsdrangen, periodes van aandachtigen inkeer, koesterde hij
oprecht eerbied voor de intuïtie des dichters. Poëtiseerde ook zelf
bijwijlen, maar was nooit méér dichter dan wanneer zijn veder weigerde....
Hij was een ruwe, naar zelfbedwang strevende Werther. En vandaar zijn
niet aflatende vereering voor Goethe; in wien hij steeds een geheimzinnig
toovenaar zou blijven zien, die altijd gelijk had--ook als hij het niet
met hem eens was.
Toen nu Wolfgang betoogde dat de versnipperdheid van het Duitsche Rijk,
hoe betreurenswaardig ook, deze goede zijde had, dat zij aan verlichte
kleine vorsten gelegenheid gaf, tenminste in hùn gebied iets goeds tot
stand te brengen--werd in Carl-August het verlangen sterker, hem als
vertrouwd raadgever en medewerker naast zich te hebben. Nog nooit had
iemand hem op zoo verheven en tegelijk eenvoudige wijze over de
grondslagen van het staatshuishouden gesproken!
En Goethe vatte het plan op, den edel willenden jongen prins tot ideaal
regeerder te vormen; zou dan toch verwezenlijkt worden wat hij in zijn
laatste studiejaar had gedroomd?
Na veel over en weer praten met zijn republikeinschen vader kreeg hij
verlof, zijn nieuwe vrienden naar Mainz te volgen. Daar wist de
kroonprins hem te bewegen, een verzoenend briefje te zenden aan Wieland,
die aan het hof te Weimar nog zeer gezien was. Goethe vond dit wel
aardig, had allang spijt van zijn kwetsende satyre op den hofpoëet, die
hij in wijnroes met een flesch Bourgogne naast zich had aaneengeflanst.
Maar toen de brief weg was, kwam hij tot de ontdekking dat hij nu met de
heele wereld op goeden voet stond. En hij voelde zich bedroefd, want hij
had den haat evenzeer noodig als de genegenheid.
Hij hoopte dat Frl. Klettenberg, met haar gelouterden blik op
menschelijke verhoudingen, hem zou kunnen raden aangaande de warmere
gevoelens, die er waren gerezen tusschen hem en Carl-August; te meer
daar zijn vader niet ophield hem te waarschuwen, dat de vorsten hun spel
speelden met hem, den burgerzoon. Maar bij zijn terugkomst in Frankfort
vernam hij, dat deze "schoone ziel" kalm was verscheiden en reeds
begraven lag. De wrevel van den oude, door de "vorstengunst" tot
vernieuwde uiting gebracht, zou hem voortaan rechtstreeks treffen.
Moeder Goethe bleef uitkijken naar een goed meisje voor haar
avontuurlijken zoon; zij haalde zelfs de oude, notenhouten wieg te
voorschijn, waarin hij eens had gerust, hopend hem belust te maken op de
vorming van een eigen gezin.
Met nieuwjaar introduceerde een vriend hem bij de weduwe Schönemann,
eigenares van een groote bankierszaak. Haar zeventienjarige dochter Lili
trok zijn aandacht te midden van het groote gezelschap dat naar heur
clavierspel luisterde. Diepdringende blikken gingen over en weer.
Verdere bezoeken werden hem toegestaan.
Lili, blond-mooi en vermogend meisje, was altijd omgeven van een schare
min of meer welmeenende vereerders. Zij had tot dan hun galanterieën
glimlachend aanvaard en lichtzinnig genoeg aangewakkerd. Zij was
bedreven in de kunst, mannen te beheerschen, door hen in den waan te
laten dat zij beloofd had wat die mannen verlangden. Bedachtzaam speelde
ze de eene vlam uit tegen de andere; zonder ooit iemand zoo te
begunstigen dat zijn mededingers het recht hadden zich naijverig te
toonen. Ze beoefende deze kunst niet minder rustig wanneer er werkelijk
sprake was van liefde.
Ze scheen nu eensklaps ten volle ingenomen door den mooien, sterken,
beroemden Goethe. De verheven levenshouding die door zijn gesprekken
straalde nam zij ook aan, en ze kon hem weldra bewijzen dat dit edele
zich voedde en gedijde in haar ziel. Zoo boeide ze hem. Voornamer,
vrijmoediger, geestiger dan zijn vroegere beminden, bracht ze
ondankbaren Wolfgang de overtuiging bij dat ze was zijn eerste groote
liefde. Het viel haar echter niet in, om zijnentwil zich te onttrekken
aan de ononderbroken reeks van festiviteiten, thees en bals die haar
mama aanrichtte. Wolfgang verdiende nog steeds den bijnaam "De Beer".
Hij ging bij voorkeur in losse romantieke plunje, voelde zich thuis in
't halfdonker, zei graag wat hij dacht, stoorde zich noode aan anderen.
En nu moest hij avond aan avond zich steken in enge costumes, en aan de
speeltafel, bij schitterende kaars-verlichting de flauwe salonpraat
meemaken, die alles nuchter-materialistiesch beoordeelde. Hij werd als
beroemdheid gevierd door lieden die zijn werk niet kenden. Wel zag hij
Lili nu in haar element, als elegante, alomtegenwoordige gastvrouw, maar
dit stelde hem niet schadeloos voor het verlies van zijn vrijheid, voor
het gemis aan vertrouwelijkheid met het meisje, dat meer en meer als
zijn verloofde werd beschouwd. O, waarom trekt zij mij zoo
onweerstaanbaar in deze schittering, klaagde toen zijn lied; was ik,
goeie jongen, niet even zalig in den wilden nacht? In mijn eigen
kamertje verdoken, lag ik in maneschijn.... droomde daar van volle
gulden uren onvermengde vreugd, voor-beseffend had ik reeds haar beeld
gevonden, diep in mijne borst....
Hij doorzag zijn toestand; 't blijkt uit het ongezouten hekeldicht
_Lili's Beestenspel_, waarin hij zich omgeven door het veelsoortige,
kruiperige, vleiende gedierte laat optreden als de Beer, die wel zijn
tanden laat zien en gromt als hij geplaagd wordt, maar toch hunkert naar
zijn plaagster, in hare onnoodig-ruwe kastijdingen weelde vindt, en haar
door liefde en trouw zoekt te verleiden, op zijn verdroogde beerlippen
een drupje te strijken van haar vuurbalsam, "die door geen aardschen
honing wordt geëvenaard".
Maar toen hij in het voorjaar Lili op 't buitengoed van haar oom wat
vaker alleen ontmoette, geloofde hij niettemin dat nu eindelijk "de
spindraadjes waar zijn levenslot aan hing en die hij zoo lange in
draaiende slingering van- en naar elkander had doen trillen, zich
dooreenen zouden strengelen". Nu bracht de Pinkstermis een bevriende
zakenvrouw, die het koppelen in haar aard had, naar Frankfort. Deze
meende dat men het jonge paar moest aanmoedigen, onderhandelde met
wederzijdsche familie, en drong op zekeren avond met veel gewichtigheid
Wolfgang en Lili de handen ineen te leggen. Zoo ondervond dan Goethe
door een zonderling raadsbesluit van de Voorzienigheid, hoe het een
bruidegom te moede is. In later jaren zou hij daar dankbaar voor zijn;
toen voelde hij terstond dat hij zich niet kòn binden, wilde hij niet
zijn geestesvrijheid verliezen, waartegen geen huiselijk geluk hem
opwoog. Hij wilde "weer voort, de vrije weireld in". Zijn liefde bleek
geschokt door de nuffige en welgemanierde koelheid, waarmede Lili zijn
jongensachtige attenties had ontzenuwd. Alles wat hem aan "dat Volkje",
aan die "grasapen" herinnerde haatte hij hartgrondig; hij betreurde dat
het arme schepsel onder zoo 'n _race_ was geboren. Zou hij zijn liefde
kunnen overwinnen, voordat deze hen beiden ongelukkig zou hebben
gemaakt? Toevallig kreeg hij gelegenheid, zich op de proef te stellen.
[Illustratie: _a_ GOETHE IN 1775
_Naar het gipsmedaillon van Melchior_
_b_ LILI SCHÖNEMANN]
De twee jeugdige graven Von Stolberg, die hem om zijn wanordelijken
Götz geestdriftig bewonderden--aangestoken door den geest des tijds
aanbaden zij hun vrienden--kwamen bij hem logeeren. Moeder Goethe heette
van toen af, als moeder van deze drie "Heemskinderen", vrouw Aja. Zij
schrok niet weinig toen ze merkte, dat de jonge Fritz Stolberg meer dan
eens op Wolfs kamer met wreede gebaren het bloed van "de tyrannen"
eischte. Ze haalde uit haar kelder de oudste flesschen, zette die voor
hem op tafel en zei nadrukkelijk: Hier is het ware tyrannenbloed;
vergast je daaraan; maar blijf mij met verdere moordplannen van 't lijf.
Goethe liet zich de uitnoodiging welgevallen, met zijn gasten en nog
zoo'n jong genie een reis door Zwitserland te maken. Hij wilde weten of
hij Lili kon ontberen. Zijn vader hoopte dat hij meteen naar Italië zou
afzakken; hij kon Wolfgangs opvoeding niet voltooid achten, indien deze
niet een reis door Italië had gemaakt, evenals hij zelf.
Merck was niet te spreken over deze nieuwe onderneming; maar hij spaarde
Wolfgang zijn berispingen, begrijpend dat deze wel de noodige poëzie zou
ontdekken in de dolle streken die hij zich door zijn reisgenooten liet
opdringen. Te Darmstadt dreven de genieën de natuurlijkheid zoo verre,
dat ze geheel onbekleed aan den openbaren weg baadden; tot hun verbazing
kregen ze van de omstanders heel wat steenen op hun huid, en ze moesten
in allerijl aftrekken om erger te voorkomen. Nadat zij eens in een
herberg de gezondheid van Fritz' hartediefje hadden gedronken, keilden
ze hun crystallen kelken tegen den wand aan scherven: na zulk! een dronk
mochten geen onheilige lippen deze kelken bezoedelen.
Te Kalsruhe bracht Goethe enkele dagen door met den Hertog en diens
bruid. Daarna reisde hij over Straatsburg--alwaar hij het dichtertje
Lenz, zijn caricatuur, ontmoette, die Friederike had weten te
troosten--naar zijn zus Cornelia. Deze, zelf ongelukkig in haar huwelijk
met den prozaïschen Schlosser, ontraadde hem ernstig, een verbintenis
met Lili aan te gaan. Maar reeds begon hij Lili's onheuschheid te
vergeten. En terwijl hij, soms alleen, soms met zijn zwelgende
cornuiten over de Zwitsersche Alpen voorttrok, voelde hij dat de
aanschouwing van de groote natuur hem gelukkig zou maken àls hij haar
niet beminde, maar dat hij zonder haar liefde hier niet zoo gevoelig zou
zitten:
"Wenn ich, liebe Lili, dich nicht liebte,
Welche Wonne gäb' mir dieser Blick!
Und doch, wenn ich, liebe Lili, dich nicht liebte,
Wär', was wär' mein Glück?"
Hij beklom den St. Gothard, kwam tot de grens van Italië; maar werd toen
zoo onweerstaanbaar door het Noorden aangetrokken, dat hij weer
huiswaarts, liefwaarts keerde. Na een afwezigheid van drie maanden in
Frankfort terug, wilde hij zich wel duizendmaal om de ooren slaan, omdat
hij opnieuw was gestrand in plaats van naar den duivel te loopen,
terwijl hij nog vlot was. Zijn stemming zweefde tusschen liefde en
trotsche onverschilligheid. Hij kwelde het meisje dat hem "met de ziel
van een engel" ongelukkig maakte.
Intusschen waren de wederzijdsche vrinden aan 't kuipen geslagen. Het
nuance-verschil in Godsdienst werd breed uitgemeten, Lili's mama werd
gesterkt in haar meening dat een dichterlijk sujet als Wolfgang een
onzekere toekomst wachtte. Daar kwam nog bij dat de oude Goethe er zich
niet in woû schikken, een staatsiedame tot schoondochter te krijgen.
Wolfgang kon zich echter niet losmaken, en tot einde September wisselden
liefde- en smarte-uren elkander voor hem af. Maar ook in dezen
verschrikkelijken tijd louterde zich zijn ziel, werd zijn blik
helderder, zijn houding tegenover de menschen vaster. Mijn innerlijk
(zoo schreef hij aan de "lieve onbekende", Augusta von Stolberg) blijft
altijd en eeuwig gewijd aan de heilige liefde, welke langzamerhand het
vreemde uitstoot door den geest der Reinheid, die zij zelve is, om
eindelijk zoo zuiver te worden als gedegen goud. Het "zeker iets" was
weer in hem opgestaan en gaf hem kracht, met Lili te breken.
In Lili zou het goede zegevieren. Eenmaal gehuwd werd ze een ernstige
vrouw, en haar heldhaftig gedrag in den revolutie-tijd heeft Goethe
enkele trekken ingegeven voor zijn Dorothea.
Weer vertoonde Carl-August zich in Frankfort. Hij had intusschen den
hertoogelijken troon van Weimar beklommen en voerde nu zijn gemalin,
prinses Louise van Hessen-Darmstadt naar zijn huis. Hij hoopte Wolfgang
die den Werther maakte voor zich te winnen. De hoogstaande vorst begreep
dat een geniaal dichter, die het leven kent, aan het hoofd van een Staat
grondiger en bestendiger werk kan verrichten dan een gestudeerd
politicus. En op zijn herhaald aandringen beloofde Wolfgang, hem te
Weimar een bezoek te brengen.
Noch Goethe, noch Carl-August sprak duidelijk uit dat hij aanstuurde op
blijvende samenwerking. Maar voor beiden stond dit vast. Wolfgang had al
van zijn bekenden afscheid genomen. Zijn ten deele voltooide werkstukken
als Egmont, Faust, Der Ewige Jude, Hanswursts Hochzeit lagen
bijeengepakt: hij was voornemens lang uit te blijven.
Doch de koets die hem naar 't Hof zou voeren liet zich wachten. Zijn
vader triumpheerde: De edele heeren hadden den burgerzoon een poets
gebakken; maar hij was er dan toch nog beter aan toe dan Voltaire, die
zoo juist was weggejaagd uit het paleis van Koning Fritz. Zooals echten
Rijnlanders in zulke gevallen betaamt smeten vader en zoon elkander om
de ooren met kernachtige rijmpjes, die moesten pleiten voor of tegen
"Vorstengunst". Maar ten slotte wist ook Wolfgang niet meer, waaraan
zich te houden. Hij schaamde zich voor zijn omgeving, sloot zich in zijn
kamer op, werkte er onafgebroken aan de voorstudie tot zijn Egmont. Na
eenige dagen begon hij te lijden onder het gebrek aan lucht en beweging.
Vooral 's avonds verlangde hij naar zijn slenteruurtje.
Met donker waagde hij zich in een wijden mantel gehuld op straat.
Natuurlijk sloop hij meermalen langs Lili's woning; hoe bonsde hem het
hart toen hij eens, haar schaduw op 't gordijn ziend, naderbijtrad en
mocht hooren dat zij aan 't clavier zijn lied "Warum ziehst du mich
unwiderstehlich?" zong. Hij boog zoover voorover dat hij zich bijna
wondde aan de uitspringende punten van 't hekwerk. Weifelde hij tusschen
roeping en liefde?
Eind October had zijn vader hem bewogen van "Vorstengunst" af te zien en
zijn reeds vaak verschoven reis naar Italië te ondernemen. Hij vertrok
voor dag en dauw. Te Heidelberg logeerde hij bij Mamsell Delph, de
handelsvrouw die het koppelen zoo in haar aard had dat ze, nu zijn
verbintenis met Lili niet doorging, reeds een ander meisje voor hem had
bestemd; een aantrekkelijk meisje dat nog wel op Friederike leek; en
over welker goede eigenschappen zij tot diep in den nacht uitweidde.
Nauwelijks ingeslapen werd Goethe door 't hoorngeschal van een estafette
gewekt. Een brief van 's hertogs kamerheer helderde het misverstand op
en verzocht hem dringend, terstond om te keeren. En nogmaals besloot
hij, den weg naar Italië te verlaten.
Mamsell Delph, die al haar plannen zag mislukken, wilde hem bepraten,
terwijl hij zich kleedde. Hij was door de plotselinge wisseling in zijn
levensrichting zoo ontroerd, dat hij geen woord meer vond en haar ten
slotte--toen de postillon door zweepgeknal zijn ongeduld liet
merken--deze woorden van zijn Egmont hartstochtelijk toe-bulderde:
"Zwijg! Niet verder! Als van onzichtbare geesten voortgezweept rennen de
zonnepaarden des Tijds er vandoor met de lichte wagen van ons Levenslot;
en ons blijft niets te doen als--dapper voorbereid--de teugels vast te
houden, en nu eens rechts, dan weer links, hier van een steen, daar van
een kuil, de raderen weg te sturen. Waarheen? wie kan het zeggen! Zij
weten niet vanwaar zij komen!"
Na deze veelbeteekenende uitspraak heesch hij zich in de postkoets, die
hem over Frankfort naar Weimar zou brengen.
X
Gott helfe weiter, gebe Lichter,
dass wir uns nicht selbst so
viel im Weg stehen........
DAGBOEK.
ORIËNTATIE.
Hij heeft hier bewust partij gekozen voor een van de vele machten en
aandriften, die twistten om de heerschappij over zijn persoon. Tot nu
toe heeft hij zich telkens na korten weerstand gevoegd in de grillen van
"het lieve ding dat hem leidde en schoolde". Maar thans is hij niet
gebukt voor den drang der omstandigheden. Zijn innerlijke rijpheid
gedoogt, dat hij een gelegenheid aangrijpt, welker weerga hij vroeger
meermalen heeft teruggewezen, vreezend de vrijheid tot zelfbeschikking
te verliezen--die hij echter nauwelijks bezat. Maar déze wending in zijn
levensloop wil hij zèlf, wil hij onbevreesd. Daarom mag gezegd, dat op
dit oogenblik zijn eerste levenskring is voltrokken.
* * * * *
En een nieuwe phase in Goethes gemoeds- en geestesontwikkeling ware
omstreeks dien tijd dus ook ingetreden, indien de ontmoeting met
Carl-August eens niet hadde plaats gehad. Deze ontmoeting trad echter
niet toevallig in: zij kwam voort uit zielsverwantschap en zou vroeg of
laat door beiden zijn gezocht. (Voor de bepaling van hoofdlijnen in den
zuiveringsgang van een sterk intellect, hebben uiterlijke beweeggronden
minder belang dan men geneigd is aan te nemen. Zij brengen niets nieuws;
zij maken het nieuwe dat zulk intellect uit eigen kracht verkreeg
spoediger bewust).
* * * * *
Dat de invloed van allerlei mannen en vrouwen (achteraf geoordeeld)
zich juist op het gunstige moment in Goethes leven mengde, zoodat hij
zelf in een ontroerd oogenblik gewaagde van zijn verbond met God, komt
in hoofdzaak doordat hij zulke mannen en vrouwen voor zich innam in den
tijd dat zijn ziel behoefte aan hen had: _m.a.w._ op het moment dat zijn
intellectueele of sentimenteele belangen de hunne ontmoetten. Vaak moest
hij zulke verwante geesten met groote inspanning veroveren (Herder);
meermalen heeft hij ze gezocht nadat hij ze in een vroeger stadium met
hoon van zich had gestooten (Jacobi, Wieland); of ze op een afstand had
gehouden door nadrukkelijke onverschilligheid (Schiller).
* * * * *
Hoe echter te begrijpen dat hij zich nu dorst blootstellen aan de
perikelen, welke van een verbintenis met het Hof van Weimar te duchten
waren voor de verdere ontplooiing van zijn geestesgaven? Hem werd bewust
dat zijn vele driften, neigingen, krachten, verlangens, die tot nog toe
elkander voortdurend hadden tegengesproken en tegengewerkt, die elkander
hadden ondermijnd en tot ontijdige werkeloosheid gedoemd of tot storende
activiteit, hem nu zoo bekend en ondergeschikt waren, dat hij ze--zij 't
ook door sterke wilsspanning, nooit rustend vernuft en smartelijke
ontzegging--zou kunnen beheerschen en leiden.
De jaren die achter hem lagen waren vervuld van een bevend streven naar
een ideaal, dat hij niet wist te omschrijven, maar meestal duidelijk
voelde. En dit streven werd, als het op zijn hevigst was, keer na keer
_onderbroken_: nu eens doordat hij naar een bekorende vrouw gestuwd werd
door een hartstocht die van waanzin niet verre verwijderd bleek; dan
weer doordat zijn lichaam tengevolge van onmatige inspanning des geestes
was geschokt en overprikkeld. Tegenover zijn ingeschapen en steeds zich
hernieuwend godsgeloof woedde zijn niets sparende spotzucht, die sproot
uit intellectueelen overmoed. Zijn weeke gevoeligheid werd door zijn op
uitputtende lichaamsoefening beluste robuustheid bedreigd. Met zijn
verlangen naar groote liefde streed zijn hang naar zelfstandigheid, die
vaak onverwacht opschoot en hem noopte de geliefde (onverminderd zijn
genegenheid) te kwellen. Zijn wetensdrang (die de dingen wilde kennen
gelijk ze zijn) raakte niet uitgestreden met zijn troebel-idealistische
vooringenomenheid (die de dingen dwong te schijnen zooals hij ze
~wenschte~). Zijn talent: de taal te vormen naar zijn gevoelens, dat hem
bijwijlen in enthousiaste verrukking bracht, sloeg dikwijls om in
verfijnde zelf-critiek, voor welke de taal onbuigzaam leek. Zijn dappere
pogingen om zijn ervaringen tot het bittere einde toe te doorleven,
werden vaak verijdeld door zijn (van moeder geërfde) neiging: een ramp
niet te zien, het onvermijdelijke te mijden. Zijn zin voor de
werkelijkheid bestond bij de gratie van zijn bijgeloof; zijn
zelfvertrouwen bij de gratie van zijn mystiek. Zijn geestdrift voor
geweldige personen en onderwerpen vond in de levende verbeelding van een
mogelijke schepping reeds verzadiging, en duurde niet genoeg om de
beelding zelve mogelijk te maken.--Kortom: de strijdigheid zijner
karaktertrekken benam hem zijn gemoedsrust en deed zijn streven onzeker
zijn.
Zulke paarsgewijs zich groepeerende karaktereigenschappen hadden bij een
man van middelmatige levenskracht elkander in evenwicht gehouden, en
dusdoende een harmonie van nietigheden gevormd. Maar bij Goethe, die
nooit middelmatig wilde of kon zijn, vormde elk hunner op zich zelve een
macht, voldoende om op een zwakkere geheel beslag te leggen. En--door
zijn ongeoefenden wil of zijn idealistische voorkeur ten halve
bedwongen--aan hun lot overgelaten, trachtten ze elkaar te vernielen of
vuurden ze elkander aan. Geen hunner die ongestoord kon groeien: geen
gevoelssfeer waar Wolfgang Goethe zich blijvend mocht vestigen.
Onophoudelijk werd hij van het eene naar het andere gesmeten: tusschen
liefde en haat, tusschen kalmte en moedwil, tusschen edelaardigheid en
ruwheid werd hij heen end weer getrokken. Zijne vriendschappen en zijn
liefden leken vluchtig, zijn daden leken verstrooid, en hoewel hij zijn
wil en zijn zielskrachten inspande, ja stelselmatig oefende, bracht hij
het op geen enkel terrein van levenservaring tot rustige concentratie.
En vanuit dit gezichtspunt worden de zwakheden waaraan zijn werken van
dien tijd lijden in hun oorsprong begrepen: Wij karakteriseerden zijn
tot nu toe besproken drama's reeds als "drama's met gewrongen of
voorkomen slot". De Götz staat--wat zijn wezen betreft--min of meer
apart; het is Goethes eenige werk uit deze levensperiode, dat een reeds
vaststaand historiesch gegeven in hoofdzaak getrouw ten tooneele wilde
voeren.[A] Zijn andere stukken ontleenen wel hun stof aan ervaring of
literatuur--op zich zelf een soort ervaring--maar zijn eigenlijk
belichamingen van een bepaalden levensblik, ten behoeve waarvan zijn
ondervinding geheel werd herschapen. Die Laune des Verliebten geeft
Wolfgangs gedragslijn jegens Annette zoo weer: dat het bespottelijke van
die gedragslijn in 't oog springt--een kwellende en leerrijke
boetedoening. Die Mitschuldigen is niet alleen een beeld van treurige
familie-omstandigheden, die jonge Wolfgang hier en daar had leeren
kennen; het toont tevens hoe machteloos medeplichtigen staan ten aanzien
van elkander. Werther is niet alleen een schildering van de gevoelens
die elk rechtgeaard jongeling in meerdere of mindere mate verontrusten
of boeien; het toont--gelukkig niet in dramatischen vorm!--waartoe die
gevoelens moeten leiden, indien geen op overleg gevestigde wil een wijd
verlangen bendigt. Hoe Goethe in Clavigo een wankelmoedige ten gronde
laat gaan en (om een niet-dramatische figuur voor de planken geschikt te
maken) de eene helft van diens karaktereigenschappen door een
nevenpersoon (Carlos) laat vertegenwoordigen, het ligt den lezer nog
versch in 't geheugen.
[A] De historische Gottfried von Berlichingen ontsliep kalm, vele jaren
na de voorvallen die het drama geeft, op zijn burcht; maar zulk een
langzaam verkwijnen is geen dramatiesch motief.
Al deze werkstukken zijn door de kracht, den treffenden eenvoud, de
diepgrijpende gemoedskunde waarmede hun verwikkeling wordt voorbereid en
de knoop wordt gelegd, door hun soberheid en hun voltooidheid werkelijke
"scheppingen". Goethe had reeds menigen "knoop" beleefd, in vernuftige
zelfkwelling doorvoeld; en in het weergeven van zijn gevoelens, hetzij
in woorden, hetzij in beelden, stond hij aanstonds naast de grootsten.