dan hij zelf, in hem hun meerdere voelden, in vurige woorden hun
bewondering voor zijn aanleg, zijn uiterlijk, zijn plannen, zijn hecht
idealisme te boek stelden, bleef hij wie hij was. In zijn _Diné zu
Coblentz_ gaf hij een guitig zelfportret uit dien tijd: Hij, kind van de
wereld, zit met een spottig gezicht wijn en gebraad te verslinden; aan
zijn eene zijde zit Basedow den doop te bespotten; aan zijn anderen kant
zit Lavater de geheimenissen van de Openbaring na te openbaren; hij
begeleidt hun argumenten met groote happen.
Kort daarop kreeg hij bezoek van Klopstock, den dichter van de Messias
en de beroemde Oden, wiens rijmlooze verzen hij als kind in het geheim
had gelezen. Deze, hoewel uiterst vriendelijk, kon het niet van zich
verkrijgen met den jongeren Wolfgang op voet van gelijkheid over
geestelijke onderwerpen te spreken. Wel gaf hij menigen nuttigen wenk
ten aanzien van "den ijsloop" zooals hij het schaatsenrijden noemde.
Goethe brengt hem natuurlijk een eind terug. Op den thuis-weg dicht hij
in de hortende en stootende postwagen zijn ode aan _Schwager Kronos_,
d.i. Voerman de Tijd, waarin hij te kennen geeft dat hij liever ter
Helle vaart als vurig jongeling dan langzaam te verworden tot grijskop.
Fräulein Klettenberg wilde hem maar niet opgeven, en telkens geloofde
zij dat ze hem had bekeerd. Maar hem werd nu duidelijk dat hij, bij al
zijn eerbied voor de moravische broeders, nooit een christen naar hun
hart zou worden. Het dogma van de erfzondigheid, volgens hetwelk de
mensch, ondanks al zijn streven naar beter, hier op aarde nooit volkomen
zondevrij zou worden, streed te zeer met het hem ingeschapen geloof dat
voor den geduldigen, volhardenden strijder een staat van volkomen
reinheid te bereiken moest zijn, een aardsche gelukzaligheid. Maar hij
bleef trouw aan zijn liefde tot den bijbel, en dit leidde tot een poging
om aan de oude legende van Ahasverus een dichterlijke gestalte te geven,
en deze dan tevens te gebruiken om zijn meening aangaande de innerlijke
gelijkslachtigheid van allerlei gelooven en stelsels tot rijpheid te
brengen en te belichamen. Hij bracht de taak echter niet ten einde,
terwijl de eerste opwelling hem daartoe nog kracht gaf. Later trachtte
hij het gedicht weer op te vatten, maar hij kon niet verder. Het bleef
een fragment ... en kwam naast vele andere fragmenten te rusten. Maar
dit fragment _Der Ewige Jude_, dat op den lezer in zijn Hans-Sachsstijl,
met zijn strengen, bijna rauwen humor, een diepen indruk maakt, doet de
vraag rijzen of het zelfs een genie als Goethe mogelijk ware geweest het
geheel in dezen toon uit te werken.
Doch er spookten immers zoo veel plannen in zijn hoofd! Meer dan eens
stond hij 's nachts op om gelukkige invallen op het eerste stuk papier
het beste neer te krabbelen: het kostte hem ontzettend veel moeite, zijn
middaguren voor de rechtspractijk te reserveeren. Hij wilde nu eens
alles doen, waartoe hij in staat was, teneinde de eer te hebben, zich
zelf beter te leeren kennen. Zijn bewonderaars en zijn napraters en de
velen die, naar Merck beweerde, in zijn glans hoopten te schitteren,
lieten hem geen rust. Indertijd, terugkeerend van Straatsburg, had hij
een jongen harpspeler meegetroond met de belofte van huisvesting en
goede verdiensten. Toen had zijn moedertje den vreemden klant voor vader
Gaspar verborgen en hem zoo spoedig mogelijk elders onderdak gebracht.
Maar nu herbergde het stille, schemerige patriciërshuis zooveel vreemde
klanten, avonturiers en hongerige talenten, menschen met merkwaardige
manieren, sterk persoonlijke meeningen en geniale magen, dat Herr
Geheimrath doorloopend verontwaardigd was; en moeder Goethe maakte zich
ernstig bezorgd, wetend dat Wolfgang zich in schulden stak om zijn vele
"vrienden" te helpen, en schoon hij tijd miste om aan zijn eigen
scheppingsdrang te voldoen, anderen onbekrompen bijstond in
onbelangrijke werkjes. Wolfgang zag diep in een karakter, waarvan hij de
kern eenmaal had gevoeld, doch hij liet zich makkelijk beetnemen door
iemand, dien hij van buiten naar binnen moest beoordeelen. Geen wonder
dat de ouders aanstonds in actie kwamen toen ze meenden dat de kans op
een huwelijk zich voordeed.
Het was in den kring van jongelieden, waar Wolfgang soms verkeerde,
gebruik, iedere week een huwelijksloterij te houden: het lot wees aan,
welke paren zich een week lang als getrouwd moesten voordoen. Man en
vrouw moesten elkaar met beleefde onverschilligheid behandelen, mochten
niet dicht bij elkaar zitten, niet te veel met elkander babbelen, en
vooral: ze mochten elkander koozen noch kussen. Toen nu drie keer
achtereen het lot Anna Sybilla Münch met Wolfgang had vereenigd, meende
de woordvoerder van de club dat de hemel had gesproken, en dat zij
voortaan onscheidbaar waren.
Inderdaad, Wolfgang mocht het meisje wel, en hij zondigde wel eens tegen
de regelen der wellevendheid, door zich als haar minnaar aan te stellen.
Hij verdiepte zich meermalen in de gedachte (juist wijl ze hem geen
hartstocht inboezemde), haar als zijn vrouw in het groote ouderhuis te
voeren. De wederzijdsche familie, verwachtend dat het huwelijk rustig en
gelukkig zou zijn, moedigde toenadering aan. Reeds maakte men plannen
voor een verloving; onmiddellijk nadat deze zou hebben plaats gehad,
moest Wolfgang een reis door Italië maken--want zulk een reis kon niet
gemist in het opvoedingsprogram dat vader Goethe nu eenmaal voor zijn
zoon had vastgesteld(!)--en daarna het huwelijk. Maar aan Wolfgangs
vergissing kwam betrekkelijk spoedig een eind. De ouders loerden op een
betere kans.
* * * * *
Zijn omgang met dit meisje heeft beteekenis behouden, doordat hij min of
meer heeft bijgedragen tot het ontstaan van een nieuw drama. Hij had op
een van de jongelieden-bijeenkomsten de vierde _Mémoire_ van den
Franschen schrijver Beaumarchais voorgelezen; verhalend hoe deze naar
Madrid was getrokken om daar Clavigo, een jong bel-esprit, die zijn
zuster ontrouw was geworden, nadat hij door 's konings gunst een hoogen
post had gekregen, een schriftelijke erkentenis van zijn laagheid af te
dreigen. Nadat hij daarin door zijn groote vastberadenheid is geslaagd,
zoekt Clavigo een verzoening met zijn meisje, maar tracht in stilte te
bewerken dat Beaumarchais zal worden uitgewezen, om daarna met diens
zuster korte metten te maken. Doch Beaumarchais verneemt dit, klaagt
Clavigo aan, ziet zich gewroken, doordien de koning den gluiper uit zijn
ambt ontzet.
Goethe had er reeds vluchtig aan gedacht, dit onderwerp dramatiesch te
behandelen, maar och, hij had zooveel plannen die onuitgevoerd bleven.
Nu liet Anna zich ontvallen dat, ware ze niet slechts zijn vrouw maar
ook zijn gebiedster, zij hem zou bevelen een drama te trekken uit het
voorgelezen _Mémoire_. Om haar nu te toonen, hoe hoog hij zijn vrouw
stelde, beloofde ridderlijke Wolf haar opdracht uit te voeren, binnen
een week. En hij hield woord.
Hij was trotsch op zijn _Clavigo_, omdat hij met dit treurspel in vijf
bedrijven (het classieke aantal, naar men weet) den kerels getoond had,
dat hij zich wel kòn houden aan de eischen van opvoerbaarheid en
concentratie, als hij maar wilde; èn omdat hij, bezeten door een
gloeienden scheppingsroes, ondanks al zijn haast er nog iets van had
terecht gebracht. Hij liet dit nieuwe stuk, van zijn naam voorzien,
verschijnen: het eerste werk dat hij teekende. (De uitgever van den
Werther had zijn naam in een mis-catalogus verklapt). Hij was doorgaans
uitermate fier, als hij iets gewoons had geleverd. Merck echter nam hem
streng onder handen: Je moet zulke prullen niet meer schrijven; dat
kunnen anderen net zoo goed als jij!.. Op jaren gekomen had Goethe er
nog steeds spijt van, dat hij zich aan die vermaning had gestoord. Want,
zeide hij, als ik een dozijn zulke stukken had geschreven, (waartoe ik
met een beetje aanmoediging gemakkelijk in staat ware geweest) dan
zouden er wellicht drie, vier van mijn drama's nu op het répertoire
staan!
Goethes treurspel _Clavigo_ houdt zich schijnbaar zeer nauwkeurig aan
het mémoire. Alleen het slot is wat de gebeurtenissen betreft ingrijpend
gewijzigd, en deze wijziging is kenmerkend voor het stadium, waarop
Wolfgangs geestesontwikkeling zich toen bevond. Bij hem valt Clavigo
niet in ongenade; hij laat Marie van verdriet sterven (misschien ook wel
eenigszins onder den invloed van haars broeders akelig wraakgeschrei).
's Nachts, als haar stoffelijk overschot zal worden bijgezet, wil
Clavigo toevallig(!) zijn vriend Carlos opzoeken; en zijn bediende leidt
hem toevallig(!) hoewel hij 't hem verboden heeft, door de straat waar
de Beaumarchais wonen. Weldra staat Beaumarchais met getrokken rapier
voor hem; een kort tweegevecht: de ontrouwe minnaar valt over de baar
van zijn verlaten minnares. Zijn bloed droppelt schoone rozen op haar
blanke lijkkleed.. En nu dankt de stervende den wreker voor dezen
genadestoot. Hij is daardoor zijn broeder geworden en voor de eeuwigheid
met Marie getrouwd. Hij zal haar overbrengen de groeten van haar magen,
de groeten die haar door haar snel afsterven zijn ontgaan. Stervend
dwingt hij zijn inmiddels toegeschoten vriend Carlos de belofte af, dat
deze Beaumarchais, die nu een moord op zijn geweten heeft en in gevaar
verkeert, veilig over de grenzen zal leiden.--
Vermaarde Goethe-kenners noemen dit slot een _gezocht aanhechtsel_. Te
onrechte. Het ligt, evenals het slot van De Medeplichtigen, geheel in de
lijn van de grondgedachte. Om dit in dit zien, onderscheide men al weer
tusschen de bewegingsmotieven, die het slot te voorschijn brengen (hier
_bv._ de ongehoorzaamheid van den bediende; het samenvallen van het
oogenblik waarop Clavigo zijn vriend zoekt met het moment waarop de
lijkstoet zal vertrekken, enz.), en den psychologischen inhoud van het
slot. De eersten zijn geheel toevallig ten opzichte van het karakter van
den hoofdpersoon, waaruit zij dienden voort te vloeien. Daardoor wekken
zij bij oppervlaksbeschouwers den indruk, dat ze zijn "gezocht" en
"berekend op tooneel-effect". Zoo kunnen zij aanleiding geven tot de
spotternij dat de werkelijke Clavigo, die meer dan dertig jaren later
een natuurlijken dood stierf, het genot kon smaken, zich op de Duitsche
planken te zien vermoorden.
Maar de fout van de bewegingsmotieven is: dat zij _geenszins_ zijn
gezocht. De schrijver, wiens krachten inderdaad te kort schoten om
ze--ook wat het uiterlijke betreft--volkomen natuurlijk uit het
oorspronkelijk gegeven af te leiden, heeft in een soort van radeloosheid
(welke den fijngevoeligen dichter bij het bewustzijn van zijn onmacht
overvalt) naar het eerste het beste vertelseltje gegrepen, en niet zijn
toevlucht genomen tot een der vele bedriegelijke kunstmiddeltjes, die
ook hem zeer zeker ten dienste stonden; kunstmiddelen, die weliswaar
geen principiëele verandering hadden gebracht, maar toch de
"gezochtheid" van het slot tamelijk wel hadden bemanteld,--en derhalve
vele diepzinnige Goethekijkers hadden overbluft.
Is nu ook dit treurspel te rekenen tot de eerste periode in Goethes
geestes-evolutie (de Götz, die het leven van een voorbeeldig man
navertelt, valt buiten deze indeeling!) tot de drama's met gewrongen of
voorkomen slot, geenszins is vol te houden dat het slot van den Clavigo
onnatuurlijk, d.i. innerlijk onnatuurlijk is.
En hier breke men nu voorgoed met het sprookje dat Goethe zou zijn een
realist, hetgeen slechts zou kunnen beteekenen dat hij in het
onderhavige geval een karakter weergeeft, zooals hij het heeft
waargenomen, en het op zijn hoogst door wat psychologische redeneeringen
"aannemelijk" zoekt te maken. Ware dit zijn bedoeling, ware hij
werkelijk het mémoire op den voet gevolgd, dan, ja dan ware het slot er
slechts aan geplakt. Maar--in dit geval hadde het gegeven hem reeds
voldaan, zou het gegeven reeds een bij zijn aanleg passende
scheppingsmogelijkheid zijn geworden, òmdat het was een ware, werkelijk
doorleefde, menschelijke gebeurtenis. Dan had hij van den Spaanschen
koning, die een pas verheven gunsteling smadelijk van zijn hof jaagt,
terwijl de stoutmoedige aanklager triumpheert, terwijl de duivelsche
vriend Carlos rilt, wel een op effect berekende slot-scène kunnen maken:
hij was handig genoeg.
Maar dat Goethe dit versmaad heeft, wijst ons er op, dat het
grondgegeven zijn ziel op totaal andere wijze had getroffen. Niet
realistiesch (als "schilderij") maar moralistiesch-wijsgeerig. Hij vroeg
zich af: hoe uit zich hier de tegenstelling tusschen karakter, d.i.
oorspronkelijk Ik, en de buitenwereld (waartoe dan ook de karakters van
de andere personages zijn te rekenen)? Het antwoord luidde in dit
stadium van zijn leven: Ondergang van den held. En in het speciale
geval-Clavigo: dood door de hand van iemand dien hij hoogacht. Eerst
toen hij dit antwoord duidelijk voor oogen had, kon hij zich zetten aan
het belichamen van zijn grondgedachte, of liever: toen deden de
gestalten die hij in het mémoire had aangetroffen zich aan hem voor àls
belichamingen, als de levende plastiek van iets dat hij _in_ zich
omdroeg, van een _moraal_. Voor den Spinozistischen Goethe, die in ieder
stuk natuur een uiting van het innerlijke, _d. i._ het Goddelijke
wenschte te zien, ontstond eerst toen een scheppingsmogelijkheid. _Hij
gaf dus de natuur niet weer om de natuur, maar om de idee, waarvan de
natuur de openbaring leek._ Aan de natuur kòn hij zich niet houden. Hij
was niet realist doch moralist. Het kon hem niet schelen hoe de dingen
gebeurd waren; hij wilde aanschouwelijk maken _hoe de dingen moesten
gebeuren_, volgens een in hem vaststaand schema. Vandaar dat hij het
soms beter wist dan de natuur,[A] en dat de helden van zijn spelen met
de historische personen die zij voorstellen, meestal slechts den naam
gemeen hebben.
[A] "Zijn oordeelen over menschen, zeden, politiek en smaak worden
echter niet door voldoende ervaring ondersteund".--Uit een interview met
Goethe, door "Een Duitsch geleerde", in "Het Duitsche Museum".
De schrijver dezer regelen laat zich niet uit het veld slaan door den
kwalijk verholen trots, waarmede Goethe zelf hier en daar spreekt van
zijn realistischen tic. Want hiermede bedoelt hij, wel-overwogen,
slechts dit: dat hij, eenmaal aan het belichamen van een idee, aan zijn
personages de grootst mogelijke realiteit trachtte te geven, ze niet
nevelachtig wilde maken. Bij de bespreking van Die Geschwister zal in
herinnering worden gebracht, hoe dubbelzinnig dit soms uitviel.
Hoe zag nu de moralist Goethe het karakter van den "verrader" Clavigo?
Voor Beaumarchais was deze een diepverdorven man, een eerzuchtig
bedrieger: hij verstoot zijn meisje als hij maatschappelijk een treedje
stijgt. Maar voor Goethe was hij een twijfelende zwakkeling, half groot,
half klein man, een uitvoerig uitgewerkte _Weislingen_, een afspiegeling
dus van den zieletrek dien hij in zich zelf leerde haten toen hij
Friederike verstiet, en dien hij nu wilde hekelen.
Om nu van den realistiesch (in zijn lectuur) waargenomen schurk Clavigo
een twijfelaar te maken, moest hij hem zijn (van buitenaf gezien
verfoeilijke) ontrouw niet doen plegen uit eigen beweging, _d. i._ uit
ingeschapen boosheid, maar onder den invloed van een derde. Deze derde
is zijn vriend Carlos, een koel-verstandig, practiesch vereerder, die
hem door zijn mephistofelische inblazingen toont de wreede
noodzakelijkheid van het aardsche leven; hier: de noodzakelijkheid om
Marie te verstooten, teneinde in haar plaats een vrouw van positie te
kunnen huwen. Clavigo hecht aan zijn toekomst als auteur evenzeer als
aan zijn liefdesgeluk. Slechts als Carlos in zijn nabijheid is, en hem
met een handigheid waaraan zijn gezond verstand geen weerstand kan
bieden op de eischen van het leven wijst, overheerscht de eerstgenoemde
gehechtheid in hem. Is Carlos weg, dan heeft hij berouw en verlangt
terug naar Marie.
Men merke op, hoe scherp Goethe hier heeft gevoeld het verschil tussen
dramatische en romantische behandeling van eenzelfde onderwerp. In een
_roman_ had hij Clavigo's zielestrijd uitvoerig kunnen ontleden en kon
hij hem dus zijn wandaad doen bedrijven, zonder den lezer van hem
afkeerig te maken. Maar de korte spanne tijds, waarover de dramaturg
voor zijn karakterteekening beschikt, gedoogt zulke ontleding niet, of
zij zou dienen te geschieden in lange monologen,[A] die onnatuurlijk
zijn en een te groote mate van zelfkennis in dezen twijfelaar zouden
veronderstellen. Clavigo mocht ook niet onbegrepen-onsympathiek worden;
want een onsympathiek hoofdpersoon boezemt het publiek niet de ware
belangstelling in. Vandaar de schepping van Carlos,[B] die is zijn kwade
geest in letterlijken zin; dat wil zeggen: vertegenwoordigt en
belichaamt een levenskijk die ook hij in zich heeft, maar nu het
dramatiesch gezichtsbedrog bewerkstelligt, dat de toeschouwer hem houdt
voor een verleider, die den tobbenden Clavigo "slecht" _maakt_.
[A] Zie "Werther".
[B] "Ik tart het ontleedmes der critiek, de enkel-vertaalde plaatsen te
scheiden van het Geheel, zonder het te ontvleezen, zonder doodelijke
wonden toe te brengen (niet aan de historie) doch aan de structuur, de
levens-organisatie van het stuk". (Goethe)
Maar--aldus Goethes ervaring--uit zulk een twijfelzucht moet voor de
geliefde groot onheil ontstaan. Clavigo is nog niet een boosdoener--al
is het niet braaf je meisje te laten zitten; zijn motieven zijn niet
geheel en al verwerpelijk. En Marie, hoewel ze zijn motieven niet
begrijpt, houdt nog zoo veel van hem, dat zij hem weer in genade
aanneemt, als hij--ontkomen aan Carlos' suggestie--zich aan haar voeten
werpt. De historische Clavigo deed ook zoo iets. Maar hij deed het om
zijn belager Beaumarchais in den val te lokken, terwijl het Goethes
zwakkeling oprecht om vergeving is te doen. Hier ontstaat het tragische
moment.
Onder den invloed van zijn kwaden geest, gaat Clavigo de herkregen gunst
misbruiken; waar de valschaard uit het mémoire van begin af op heeft
aangestuurd. Hij besluit Beaumarchais onschadelijk te maken: de zuster
begrijpt dan natuurlijk, dat hij ook hàar niet welgezind is. Toch was
zijn inkeer oprecht: zelfs de wantrouwige Beaumarchais heeft er in
geloofd, en de met zooveel moeite verkregen schuld-erkentenis
verscheurd. Maar (en hier grijpt het noodlot in) nu hij de bewijzen
tegen Clavigo dusdoende uit handen heeft gegeven, valt het Carlos
gemakkelijk hém te beschuldigen en met verbanning of gevangenis te
bedreigen.
Is het wonder dat de aan een borstziekte lijdende Marie, onder den
invloed van Clavigo's vele, snel opeenvolgende front-veranderingen, die
zij slechts kan verklaren door aan te nemen dat haar minnaar een
doortrapte boef is, geschokt wordt en sterft? Zeker, Goethe had het bij
een hartkwaal kunnen laten. Maar een hartkwaal is veel moeilijker op het
tooneel te brengen dan een plotselinge dood, en Goethe had weinig tijd
over. En--dit is de hoofdzaak--hadd' haar broeder (wien niet in de
eerste plaats haar overlijden, maar haar gekrenkte eer bedroeft) indien
ze door een hartkwaal ware getroffen niet evenzeer naar wraak verlangd?
Hadd' hij niet evengoed de eerste gelegenheid om Clavigo te treffen
aangegrepen? En moest de stervende Clavigo--die op geen literair succes
meer mocht hopen--dan niet evenzeer tot het inzicht komen, dat hij Marie
nog steeds beminde, en door zijn smadelijken dood zijn schuld jegens
haar eenigszins had uitgeboet?--Als men deze vragen bevestigend
beantwoordt, dan moet men toegeven, dat het slot van het treurspel
Clavigo niet een "aanhechtsel" is, maar een natuurlijk uitvloeisel van
het grondgegeven,--zooals Goethe dit door de invoering van Carlos (die
begrijpelijker wijze Merck's ergernis wekte) had gewijzigd; dat Goethe
dus schijnbaar slechts zich hield aan het mémoire, doch in werkelijkheid
sommige détails uit dat mémoire gebruikte om een van zijn ervaringen
zich voor oogen te stellen. Dit slot mòest zoo zijn,--ook al is de
gelegenheid tot wraakneming, waardoor de ontknooping wordt _ingeleid_,
kunstmatig te voorschijn geroepen.
En hiermede is de fout van dit treurspel tot zeer kleine beteekenis
teruggebracht, en zij den schrijver absolutie geschonken voor zijn
phantastische fakkellicht-scène met den lijkstoet. Men bedenke dat hij
een dergelijke scène pas uit den Götz had geworpen, omdat ze daar
ontbeerlijk was. En de moord op Clavigo moest 's nachts geschieden
(anders te veel politie op de been!) en 's nachts droeg men in dien tijd
fakkels. Alleen kan gezegd worden: de lijkstoet gaat 's nachts uit,
òmdat Clavigo overdag niet zoo gemakkelijk omver kan worden
gestooten....
Geenszins is hier betoogd, dat dit treurspel staat op de hoogte van
Goethes beste jeugdwerk. Het had veel succes en laat zich nog goed en
vlot spelen; maar het werd geschreven in een _overgangstijdperk_,
evenals sommige satyres en libretti, die hier niet worden besproken, en
het treurspel "Stella" dat nader wordt gekarakteriseerd.
Doch wel is hier eens te meer bewezen, dat het genie zich ook in het
kleine geniaal betoont. In het byzonder blijkt dit bij den
voortreffelijken Carlosfiguur, die geen los inzetsel is,--gelijk vaak
wordt beweerd--maar behoort tot den dieperen beweeggrond, die het stuk
maakt tot wat het is. En ook uit de zeer naïeve fouten (de ongehoorzame
knecht!) spreekt Goethes grootheid. De middelmatige zal zulke luttele
dwalingen met overleg vermijden; op bergpaden neemt men ezels mee en
niet renpaarden. De geniale, wiens oog ten hemel is gericht, ziet zelden
nauwkeurig toe waar hij loopt, en struikelt over het geringste steentje.
IX
Warum ziehst du mich unwiderstehlich,
Ach, in jene Pracht?
Einde 1774 arriveerden te Frankfort de twee prinsen van Sachsen-Weimar
met gevolg, waaronder stalmeester Von Stein. De erfprins Carl-August had
te Parijs met zijn bruid en met den Werther kennis gemaakt te zelfder
tijd. Hij zond kapitein Von Knebel,--een man die zelf in literatuur
liefhebberde--naar Wolfgang met uitnoodiging, bij de prinsen zijn
opwachting te komen maken. De oude Goethe, echte burger-aristocraat,
trachtte zijn zoon van dezen stap terug te houden, maar dank zij de
tusschenkomst van Frl. Kettenberg liet hij hem ten slotte gaan.
Toevallig lag bij den prins een gloednieuw exemplaar van Mösers boek
"Patriotische Phantasieën" op tafel. Goethe kende het boek door en door.
Kort daarop betuigde hij aan de uitgeefster (Mösers dochter) in
hartelijke woorden zijn dankbaarheid voor de honderlei wenschen,
verwachtingen, plannen, die het in zijn ziel had ontvouwd. Wolfgang
bracht het gesprek op de hervormingsplannen van dezen diepzinnigen doch
zeer populair schrijvenden auteur; de prins wenschte niets liever.