Het eerste deel van den roman, de verwikkeling waaruit de verdere

gebeurtenissen onontkoombaar voortvloeien, is bijna oogenblikkelijk

gereed. Goethes ervaringen te Wetzlar behoeven slechts weinig gewijzigd

om een ontknooping, als Jerusalems leven die vond, toe te laten. Gewoon

zijnde, zich volkomen te geven in zijn brieven, die hij meer voor zich

zelf dan voor anderen schrijft, vindt hij in zijn brieven, vanuit

Wetzlar aan Merck en aan Cornelia gericht, een ontroerend brok roman.

Ontdaan van enkele toevallige bijmengselen, die voor 't doel niet ter

zake doen, door ophelderende dagboekblaadjes aaneengeschakeld, geven ze

zijn zielsbeweging uit die dagen met bezonken woordmuziek in allerlei

toonaard weer. De data laat hij zoo, enkele namen worden veranderd. Zijn

bedoeling is geweest er een drama van te maken. Hij ervaart echter dat

de stof niets dramatiesch heeft; het eigenaardige van een zoekenden,

wankelenden, aarzelenden gemoedstoestand, als dien hij wil boeken, is

juist, dat hij in alle stilte verloopt, zelden tot handelen leidt, en

dus bezwaarlijk aan opvoerbare gebeurtenissen kan worden gekoppeld; geen

drama doch een schier ononderbroken monoloog laat zich er uit vormen.

Vandaar dat hij de ongezochte schilderingen, die zijn brieven zijn,

onaangetast laat blijven. De zoo ontstaande roman-in-brieven is in wezen

een samenstel van onuitgesproken en onuitsprekelijke monologen. Deze

uitingswijze biedt het voordeel, dat de auteur, indien dit hem

wenschelijk mocht blijken, deze monologen door stukken in werkzamer

trant gesteld, door gedichten, schetsen, korte tweegesprekken kan

afwisselen.

Doch aldus ontstaat voor Goethe de moeilijkheid, het tweede gedeelte,

dat hij niet zelf heeft doorleefd, doch moet ~maken~, te houden in den

toon van het begin. Nu gaat hij zoo te werk: Als een bepaalde situatie

is vastgesteld, beeldt hij zich in, dat verschillende kennissen hem

bezoeken. Hij laat hen plaats nemen in zijn dakkamer, begint een praatje

met hen en brengt het gesprek op het onderwerp dat hij in den

eerstvolgenden brief moet behandelen. Nu beginnen de vrienden te leven:

zij spreken hun persoonlijke meening uit, belichten de zaak van

verschillende kanten. Op deze wijze ontlokt Wolfgang aan zijn scheppende

phantasie een heel gamma van gevoelens en opinies over deze zaak. Geen

gevoelsmogelijkheid ontgaat hem nu bij het stellen van zijn brief. En

binnen vier weken voltooit hij een lange galerij van levende, kleurige,

fijn geschetste zielstafreelen, die door hun doeltreffende groepeering

en door de wel-overlegde wisseling hunner grondtonen bij den lezer een

dooreen-strengeling van stemmingen teweeg brengen; welke de eigenlijke

handeling van dit verhaal uitmaakt.

--Deze handeling omkleedt de hier volgende hoofdlijnen: Werther is als

Goethe fijngevoelig op het ziekelijke af, zeer veelzijdig; een strever

naar het absolute, rijk aan "tranen der eeuwige liefde", vol aangeboren

natuurzin; doch tegenover even sterke begeerten, even stuurlooze

aandriften, staat bij hem een veel zwakker wil. Ook heeft hij meer uren

vrij voor zelfbespiegeling, daar hij geen enkel beroep uitoefent, het

lezen moe is, en alleen van tijd tot tijd wat teekent of schrijft uit

liefhebberij. Hij is het type van een idealistiesch gezind jong

patriciër uit die dagen. Meer nog dan Goethe keert hij zich naar de

natuur, verdiept hij zich in Homeros.

Hij leert de kerngezonde, immer vroolijke Lotte kennen op een bal. Dat

ze reeds verzegd is deert hem niet, zoolang haar minnaar afwezig is. Hij

bezoekt haar dagelijks, bewijst haar allerlei kleine diensten en zij

laat zich zijn hooggaande vereering welgevallen. Albert, haar verloofde,

komt terug, en nu begrijpt hij, dat hij het veld moet ruimen. Maar als

Albert verre van ijverzuchtig blijkt, graag ziet dat men zijn meisje

lief vindt, overtuigt Werther zich met vele drogredenen, dat hij wel kan

blijven in hare nabijheid. Doch dra begint hij het onhoudbare van zijn

toestand duister te beseffen. De voorheen geliefde natuur stemt hem nu

tot droefenis; onschuldige kleinigheden verbitteren hem. Hij moet zich

onder tranen bekennen, dat dit zal uitloopen op het graf. Eindelijk weet

zijn vriend Wilhelm hem tot heengaan te bewegen (11 September).--Hier

stokt de evenwijdigheid tusschen de lotgevallen van Werther en die van

Wolfgang.

Werther kan door zijn vlucht een beslissende botsing met de ongevoelige

wereld niet ontgaan. Wel maken zijn verwijdering van Lotte en

regelmatige arbeid--hij is gezantschapssecretaris geworden--hem

rustiger, doch nu ergert hij zich aan zijn naaste omgeving, niet het

minst aan zijn pedant-stipten patroon, die gaarne van zijn haat voor het

idealistische getuigt. Intusschen zijn Albert en Lotte gehuwd. In een

verstandigen brief verklaart Werther hun, dat hij zich met een tweede

plaats in Lotte's hart wil troosten. Kort daarop is hij bij een graaf,

die met hem sympathiseert, te middagmaal; hij bedenkt niet, dat de

etiquette hem voorschrijft te vertrekken, als er 's avonds adellijk

bezoek komt; hij blijft en laat zich boeien door een freule von B.

Totdat zijn gastheer, op aandringen van het gezelschap, hem beleefd

verzoekt heen te gaan. In hoogere kringen begint aanstonds een

overdreven praatjesmakerij, die zelfs het arme freuletje niet spaart. In

hevige opwinding eischt Werther zijn ontslag en verlaat de stad. Hij

houdt zich eenigen tijd op bij een edelman, die hem heeft uitgenoodigd,

en die zich moeite genoeg geeft om hem aangenaam te zijn, maar hem door

de daarbij betoonde middelmatigheid van aanleg mishaagt. In

hartstochtelijke, wereldhatende wanhoop voelt Werther neiging om in den

oorlog te gaan; als zijn gastheer het hem ontraadt, mist hij ook echter

daartoe den wil. Meenend dat hij nu niets meer heeft te verliezen, volgt

hij den trek zijns harten en zoekt Lotte op.

Vriendelijke ontvangst belet niet, dat hij dra het totale gemis aan

poëzie bij het jonge echtpaar bespeurt; ook zijn vroegere liefde voor de

vrije natuur kan hij niet weervinden: hij lijkt een uitgedroogde bron.

Homeros zegt hem niets meer. Slechts Ossians nevelige klachten vinden

weerklank in zijn moede ziel. Lotte wendt haar oogen van den al te

drogen in zijn zaken opgaanden Albert naar haar jongen fijnbesnaarden

gast. Zij wil echter haar huwelijkseed gestand doen, en spant zich in om

haar groeiende sympathie voor Werther te verhullen. Maar met zijn

ziekelijke scherpzinnigheid ontdekt en benut Werther het geringste

aanknoopingspunt. Wetend dat hij niets van haar mag hopen, verdiept hij

zich al meer in zijn levensmoeheid: zou God de vader hem van zich

wijzen, nu hij tot het inzicht is gekomen, dat de wereld overal gelijk,

en voortzetting van zijn leerreis door dit leven dus overbodig is? De

dorre donkere herfst versterkt zijn doodsverlangen. Nog eens wil hij

Lotte zien: hij vindt haar alleen en ze is verlegen. De voorlezing van

zijn Ossian-vertaling moet hij, door weemoed en tranen beheerscht,

onderbreken. Met bevende stem leest hij nu de passage: "Daar komt de

stonde dat ik moet verwelken....", maar raakt nu zoo ontroerd, dat hij

voor Lotte op de knieën valt, en haar handen, na ze gekust te hebben,

zich tegen voorhoofd en oogen drukt. Ze buigt zich tot hem over, en hij

richt zich op, kust haar onbedwongen op de lippen. Ze weet niet te

kiezen tusschen liefde en gekrenktheid, stoot hem weg, snelt de kamer

uit.

Onder voorgeven dat hij op reis moet, laat hij door zijn bediende

Alberts pistolen ter leen vragen en schiet zich voor het hoofd. Lotte's

broers en ook haar grijze vader voelen zich genoopt het bebloede lijk te

kussen; doch geen priester geleidt de baar ten grave.

* * * * *

Dit boekje trof--door zijn vermenging van Engelsch Hamlet-pessimisme met

Duitsche Emfindsamkeit, en vooral door zijn woeste aanvallen op de

heerschende moraal--den geest des tijds in zijn kern: de lezers waren

voorbereid op iets van dien aard en zij vonden zich zelf in Werther. Het

werd herdrukt en na-gedrukt (in het jaar van zijn verschijning acht

maal) bezongen door straatzangers, gedramatiseerd, vertaald in alle

groote wereldtalen. Men vergoot stroomen van tranen om Werthers dood, en

Werther is velen inderdaad een lieve vriend geweest. Het Engelsche

costuum waarin hij zich om 't leven bracht--geel vest en broek, bruine

laarzen, blauwe jas met koperen knoopen--werd mode onder gevoelige

jongelingen. Maanzieke juffers verdronken zich met den roman op zak.

Voor een dezer zou Goethe later diep bewogen een gedenksteen plaatsen in

zijn toovertuin bij Weimar. De aartsbisschop van Milaan liet het

gevaarlijke schriftuur in het openbaar door den beul verbranden. Het

bezit er van werd te Leipzig met 10 daalders boete bestraft. De

Chineezen leverden enkele jaren nadien Werther-tafereelen van 't

fijnste porcelein. Napoleon las den roman zeven maal en droeg hem mede

toen hij naar de Pyramiden trok. Werther is vooral in Frankrijk--waar

het publiek door Rousseau's _Héloise_ was bewerkt--Goethes bekendste

boek geworden. Walter Scott zegt in de voorrede tot zijn Götz-vertaling

heel naïef dat dit drama geschreven is door "den eleganten auteur van

Het Lijden des jongen Werthers". Maar nu wist het publiek wie Goethe

eigenlijk was; een anderen Goethe heeft het nooit erkend!

Lessing, hoewel hij het boek als kunstwerk hoog aansloeg, keurde de

"neerdrukkende strekking" er van af. Terecht noemt hij Werthers

overgevoeligheid het resultaat van achttien eeuwen Christendom en

zelfbeschouwing, en hij meent (minder terecht) dat geen jongen in de

oudheid zoo ware geëindigd. Hij gaf Goethe in overweging, den

weemoedigen toon van zijn werk te neutraliseeren door een slothoofdstuk:

"hoe cynischer, hoe beter". Zijn proselyt Nicolaï schreef een parodie

getiteld: De genoegens van den jongen Werther. Hij laat den zelfmoord op

grappige wijze mislukken en Werther een huwelijk aangaan met Charlotte.

Goethe heeft "het Berlijnsche hondentuig" meermalen onbehouwen van

antwoord gediend, o.a. in het hekeldicht "Nicolaï aan Werthers graf"; de

criticus, door buikkramp geplaagd, doet op het graf van den

zelfmoordenaar uitvoerig zijn gevoeg en beweert dat het met den jonkman

nooit zoo waar afgeloopen, als ook hij op gezette tijden zijn pantalon

had afgestroopt.... Goethe vond dat tegenover een echt kunstwerk

"Kritteley" evenmin te pas kwam als tegenover een natuurverschijnsel. En

den kerels, die zich aan zijn tafel eerst vol hadden gevreten en daarna

scholden op de spijzen, riep hij met wellust na: Slaat dood den hond!

Lotte zelf en ook Kestner waren door de verschijning van het boek--tot

Goethes pijnlijke verwondering--zeer onaangenaam getroffen. Zij erkenden

dat de schrijver niet had geportretteerd, maar vonden juist daarom de

gelijkenis in sommige onderdeelen te ver doorgedreven en vele vleiende

détails te onrechte verzwegen. Zij zagen over het hoofd dat de Lotte in

den roman de zwarte oogen van Maximiliane had en dat Albert meer op

Brentano geleek dan op Kestner. De belangstelling van het publiek, die

ontaardde in speurzucht, onderhield hun gemelijkheid. Goethe liet niet

af te betoogen, dat hun smart klein was, vergeleken bij de intense

vreugde en de diepgaande leering die het boek aan duizenden en duizenden

had geschonken. Zij wisten ook wel dat hij, al schrijvend, niet aan hen

had gedacht. Maar ze wisten niet welk eigenaardig egoïsme er in een

schrijver omgaat en hun gekrenktheid bleef lang. Men noemt Kestner als

auteur van een boekje, dat den Werther zegt te corrigeeren, door

bijwerking van de Albert-figuur.

VIII

Franckfurt ist das neue Jerusalem wo

alle Völcker aus und einziehen und

die Gerechten wohnen.

Reeds voordat de Werther zijn roem voor goed had gevestigd, zoodat hij

omzwermd was van nieuwsgierige dames, die meer van Lotte wilden hooren,

dan hij had noodig geacht mede te deelen, kwamen vele groote mannen naar

Frankfort om den schrijver van Götz, van talrijke geniale, overmoedige,

door vriend en vijand bewonderde recensies te leeren kennen. Allerlei

gedichten van Goethe circuleerden in handschrift, en werden druk

besproken, evenals sommige misschien wat grove satyres, o. a. het stuk

over Wieland, Grieken en Goden, waarin hij dezen dichter voorhield dat

de Helden en de Goden, die hij met groote vruchtbaarheid voortbracht, in

hun hart eigenlijk verwijfde, laat-achttiend'eeuwsche jonge Duitschers

waren, en diens droomen liet verontrusten door de verschijning van

sapvollen Hercules, die vijfentwintig jongens in één nacht verwekte....

Goethes brieven, die zijn hemelstormende veelzijdigheid nog het best

deden uitkomen, werden in gezelschappen--wat in dien tijd niet vreemd

was--onder groote aandacht voorgelezen. Men kende ook zijn weidsche

plannen, de hoofdlijnen van een Caesar-drama, van een Mahomet, een

Faust, en men voorspelde dat vooral dit laatste ongelooflijk schoon zou

worden. Zijn openhartigheid, terloops zij het vermeld, had wel eens

tengevolge dat sommige ontwerpen door anderen eenvoudig werden gestolen,

zoodat er bewerkingen van verschenen voordat hij zelf ze ter hand had

kunnen nemen. Zoo eigende zijn bentgenoot Wagner zich zijn

Gretchen-historie toe, die hem in vertrouwen was verteld. Het

spectakelstuk "Die Kindesmörderin" dat hij er uit brouwde is intusschen

reeds lang vergeten. Maar hoe dan ook: het mishaagde onzen jongen

auteur niet, als literair hemelverschijnsel te worden aangegaapt.

De eerste hooge bezoeker was de Zwitsersche predikant Lavater die reeds

van de verschijning van de _Briefe des Pastors_ af met Goethe in

correspondentie stond, en hem ook portretten, waaronder een ideale

afbeelding van den Heiland, had gevraagd voor zijn groote werk over

Physionomie-kennis. De schilder, die hem Goethes portret moest zenden,

had hem een afbeelding van den dichter Bardt gestuurd, maar Lavater liep

daar niet in en beweerde dat het Goethe niet kon zijn. Toen hij echter

Wolfgang in levenden lijve voor zich zag, scheen hij te twijfelen,--wat,

bij de hooge achting die hij hem toedroeg, geen wonder was. "Ben jij

het?"--"Ik ben 't." Lavater viel hem in de armen: Wolfgang verklaarde,

dat hij hem moest nemen zooals God hem nu eenmaal had gemaakt, en weldra

waren de twee bezig over de groote vraagstukken godsdienst en moraal,

die ook in hun brieven werden besproken.

De Zwitsersche profeet was niet het minst beroemd om zijn bewerking van

Bonnets _Palingénésie_, het boek van een beroemd natuurphilosoof, die

het geopenbaarde Christendom in overeenstemming trachtte te zien met de

wetenschap. Dit lag geheel in dien tijd: Men wilde terug naar het

oorspronkelijke, het onbedorvene, naar de oerpoëzie, en dus ook naar het

apostoliesch Christendom. Lavater was een lange, magere man met zeer

scherp gelaat, hemelsche oogen, weldoende, bijna vleiende stembuiging.

Hij werd, ook in het Goethehuis, achtervolgd door dweepende vrouwtjes

met hooge coiffures; die hem heur kousebanden aanboden in ruil voor

lokken van zijn hair, die in Sabbaths heilige stilte op zijn borst

wilden rusten, en (naar de boosaardige Merck in harde woorden uitsprak)

zelfs zijn slaapvertrek in alle hoeken en gaten inspecteerden. Lavater

liet zich veel welgevallen omdat hij gaarne grooten invloed had. Hij

wilde Goethe bekeeren; en Goethe hem.

Misschien wel om hem te toonen dat hij toch niet heelemaal verdwaald

was, bracht Wolfgang hem in aanraking met zijn vriendin Klettenberg, die

hij weldra de Sabbath van zijn reis noemde. En terwijl de profeet

(wiens geloof aan zijn verbond met God zoo ver ging, dat hij

verkondigde: God heeft de fouten in mijn schoolwerk verbeterd)

discussiëerde met de Hernhuttersche, die zich strikt aan haren bijbel

hield, zat Wolfgang met een ernstig gezicht zich af te vragen: Hoe is

het toch mogelijk dat twee menschen, in wezen zoo dicht bij elkaar

staand, in byzonderheden zoozeer kunnen verschillen? En hij begon een

antwoord op die voor hem albeheerschende vraag te vinden in Spinoza.

Hij vergezelde zijn bezoeker naar Bad-Ems, maar kon niet van hem

scheiden, liet dus zijn rechtspractijk aan vader en confrères over, en

bleef er veertien dagen. Teruggekeerd vond hij een bewonderaar die in

alles het tegendeel was van Lavater: den schoolhervormer Basedow: een

rumoerig veelweter, in wiens altijd om hetzelfde thema draaiende boeken

men zijn schorre schreeuwstem meende te herkennen, waarmede hij--of men

wilde hooren of niet--zijn systeem van natuurlijke opvoeding à la

Rousseau verdedigde. Een morsig drinkebroer, met een leelijken haakneus;

onbeschoft spotter met bijbel en traditie. Maar Goethe, die graag van

hem wilde leeren, liet zich door dit alles niet ontmoedigen. Hij

weerstond leelijk door leelijk en debiteerde over den bijbel

sarcastische ongehoordhedens, die zelfs Basedow deden blozen. Gedwee

liet hij zich met stinkenden tabaksrook beblazen. Hij ging met den

paedagoog, die op weg was (voor de zooveelste maal) om het

Philanthropicum te stichten, waar zijn ideeën verwerkelijkt zouden

worden, op reis. Onderweg ontmoetten ze Lavater, en Goethe moest wel

eens de twee antipoden, als waren ze kinderen, binnen de perken houden,

opdat ze elkaar geen pijn zouden doen.

Een geniaal drietal zoo: Goethe, romantiek gekleed met grijze sluitjas,

bruinen halsdoek, hooge laarzen en slappen hoed, waarop van tijd tot

tijd kwam te prijken een boeket, van de een of andere aanbidster

gekregen. Men reed in rookerige koetsen, liet zich varen op den Rijn.

Wolfgang, na de voltooiing van zijn Werther van een geweldigen last

bevrijd, herleefde, improviseerde gewaagd-vurige gedichten, las voor

uit zijn portefeuilles, en at als een beest. Op verschillende kasteelen

werden ze gastvrij ontvangen. Goethe, een wonderlijke verschijning,

maakt furore bij de dames, en ook bij de kinderen, wien hij sprookjes

vertelt. Op het slot van de Steins, waar Basedow grof wordt, omdat men

niet gereedelijk dokt voor zijn Philanthropicum, verwekt Wolfgang

sympathie door zijn tact; en van daar gaat zijn roep naar het Hof te

Weimar.

Doch, al leefde hij oppervlakkig avontuurlijk, hij bleef een zoeker. Hij

bleef verlangen naar "een zeker iets dat hij duister voelde maar nog

niet kende". Het gebeurde dat hij, verhit en opgewonden, de danszaal

ontvluchtte om Basedow te interpelleeren over een vraagstuk dat vroeger

al tusschen hen was besproken. Dit genie sliep nooit. Het zat 's nachts

in een stinkende wolk zijn copist zwaarwichtige zaken te dicteeren,

dommelde soms wat in zijn fauteuil, om na korte, onrustige sluimering

voort te dicteeren. Hij beantwoordde Wolfgangs vraag en deze wipte weer

naar de danszaal als de muziek begon. Nog voordat de deur van Basedows

kamer achter hem was gesloten, dicteerde diens schorre stem reeds,

beginnend midden in een woord.

Te Dusseldorf bezocht Goethe Fritz Jacobi. Hij had dien langen tijd

geschuwd wegens zijn overgevoeligheid, die niet echt leek. Jacobi vond

in Wolfgang de ziel, waarnaar zijn ziel verlangde en moest het

herhaaldelijk in zijn armen uitsnikken en zwoer dat hij eeuwig zijn

vriend zou blijven; dit is echter anders uitgekomen. Wolfgang vond in

den ouderen man begrip voor vele dingen die onbestemd en raadselachtig

in hem leefden. Hij had al lang naar een middel gezocht om zijn vreemde

natuur, die hij niet aan anderer voorbeeld kon spiegelen, te

ontwikkelen. Ook Jacobi. Zij hadden dit gemeen dat ze weinig hechtten

aan den invloed van omstandigheden die van buiten af werken, en

geloofden aan een innerlijke kiem die geheel uit eigen kracht moet

groeien. Beiden ontmoetten ze op hun weg Spinoza.

--Goethe had als jongen reeds in de boekerij zijns vaders een werkje

over Spinoza gevonden van den Nederlandschen predikant Colerus, die

zijn beschouwingen over dezen denker met de grofste en de verfijndste

scheldwoorden doorspekt. Op het titelblad een dwaas portret van Spinoza

met het bijschrift: "_Signum reprobationis in vultu gerens_", d.i.: Hij

draagt het teeken van verworpenheid in het gelaat. Wolfgang haatte

dergelijke bestrijding instinctief; ook wilde hij niet in de eerste

plaats weten wat een wijsgeer volgens dezen of genen behoorde te denken,

doch: wat hij werkelijk dacht. In Bayles Dictionnaire--zijn vraagbaak

voor onderwerpen uit de philosophie--had hij Spinoza nageslagen; doch de

inderdaad oppervlakkige en foutieve aanduidingen die hij er aantrof,

zegden hem niet veel. Maar in zijn Ephemeriden had hij aangeteekend dat

hij Spinoza's vereenzelviging van God en Natuur een zuivere leer achtte,

waarvan het slechts te betreuren viel, dat de ontwerper ze met zooveel

dwalingen had omhuld. Genoeg om thans nader met Spinoza's werken kennis

te maken. Hij was echter veel te ongeduldig en te verlangend om dien

denker te volgen in zijn "geometrischen" betoogtrant, welke den lezer

slechts met kleine pasjes vooruit brengt, en geen bewering toelaat,

voordat de gronden waarop zij steunt volkomen vaststaan. Neen, Wolfgang

doorbladert de boeken, en als hij hier of daar een idee leest dat

plotseling een groote groep van zijn eigen ideeën in beweging brengt en

ordent, dan heeft hij geen moeite om Benedictus op zijn woord te

gelooven. Het doet zijn ongestadig bevroedend en onwiskunstig denken

goed, een bezadigd systeembouwer voor zich te laten zorgen; met vreugde

laat hij zich door een man, die in redeneertrant tegenover hem staat,

als het ware voordenken, wat hij in de diepste donkerte van zijn ziel

als waarheid voelt. Hem boeit Spinoza's wijde wereldblik die de groote,

d.i. de uiterlijk-stoffelijke, en de kleine d.i. de innerlijk-zedelijke

wereld tegelijk omvat. Hem ontroert de groote belangeloosheid die--in

zonderlinge tegenspraak met wat de bestrijders voorgeven--door zijn

leven straalt zoowel als door zijn leer, en die haar schoonste uiting

vindt in de stelling: Wie God liefheeft moet niet verwachten dat God hem

wederkeerig beminne. God heeft niemand lief en haat niemand. Want God

is vrij van allen hartstocht en van elke aandoening van genot of smart.

Daar nu liefde een genots-, haat een smartaandoening is (begeleid van de

voorstelling van een uiterlijke oorzaak), kan niemand wenschen dat God

hem liefheeft, zonder er bij te wenschen, dat God niet God is.... Toch

heeft God den mensch lief, daar de mensch niet buiten God is, en God

vreugde heeft aan eigen volmaaktheid.... Door Gods waren aard te

doorgronden en in den geest met God één te zijn, heeft de mensch

bewustelijk deel aan deze liefde Gods. Daartoe moet hij zich van alle

belangzucht en hartstocht vrijmaken, het goede doen om het goede, zich

bevrijden door zich voortdurend te geven.... Totale zelfverloochening in

liefde en vriendschap lijkt ook Goethe, gegeven zijn persoonlijkheid, de

eenige ware leefregel. En een nieuw gebied van zijn ziel wordt ontgonnen

en bevrucht door het besef van een universeele noodzakelijkheid, die er

ligt besloten in de idée: dat zelfs God zijn eigen wetten niet kan

wijzigen. Zoo liggen in de ziel eens menschen de wetten, waaraan hij

heel zijn leven niet ontkomt.

In Jacobi vond Wolfgang dus een goeden gids in eigen boezem. Deze had

stelselmatig gestudeerd en hij beschouwde Spinoza's leer als een

onwillekeurig betoog voor de ontoereikendheid van het menschelijk

denken. Goethe had kort te voren gewanhoopt aan de mogelijkheid van een

op het menschelijk denken uitsluitend gebouwde wetenschap. Hij sloot

zich gaarne bij Jacobi aan. Maar wat hen vereenigde zou hen later

scheiden.

[Illustratie: _a_ JOHANN BERNHARD BASEDOW _b_ JOHANN HEINRICH MERCK

_c_ JOHANN CASPAR LAVATER _d_ FRIEDRICH GOTTLIEB KLOPSTOCK

_e_ FRIEDRICH HEINRICH JACOBI]

Te Elberfeld, waar zijn vriend Jung, genaamd Stilling, zich als arts had

gevestigd, legde Wolfgang zich als ware hij ernstig ziek te bed, het

hoofd in groote doeken gewikkeld, en liet doctor Jung roepen. Alleen

zijn pols stak nog boven de dekens uit. Maar toen Jung die aanpakte en

beweerde dat hij niets abnormaals voelde, sprong daar eensklaps de

Westindiër te voorschijn en viel den verbluften geneesheer om den

hals.--Jung wist later te verhalen van een gastmaal, waar Goethe,

Lavater, Basedow en meer dergelijke genieën vereenigd zaten; serieuze

gedachtenwisseling kluistert de genieën aan hun zetels, maar Wolfgang

kan bij al die tegenstrijdige en ietwat overdreven uitingen geen rust

vinden; hij springt van groep naar groep, danst ten slotte om de tafel,

en maakt grimassen. De omstanders meenen dat hij gek is, en hij

bevestigt hun oordeel, door ze met verdwaasde oogen aan te staren. Maar

als ze ten volle zijn overtuigd, beschaamt hij ze plots door één blik,

schitterend, geestvol, vernietigend.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 8 / 29 段