verstandig man, edel van inborst en met steeds duidelijke bedoelingen,
hoewel ietwat droog in het spreken. Hij maakte kennis met Doctor
Goethe--in wien hij aanstonds een niet onbelangrijk persoon zag--terwijl
deze onder een boom, op zijn rug uitgestrekt, goed geluimd met eenige
omstanders babbelde over zwaarwichtige zaken. Spoedig genoeg begreep
Kestner met wien hij in aanraking was gekomen. "Hij heeft--dus oordeelt
hij met zijn gewone fijne nauwkeurigheid in een brief--hij heeft vele
talenten, is een waar genie en een man van karakter. Hij bezit een
buitengewoon levendige verbeeldingskracht, zoodat hij zich meestal in
beelden en gelijkenissen uitdrukt. Hij pleegt zelf ook te zeggen dat hij
zich altijd oneigenlijk uitdrukt en zich nooit eigenlijk kàn uitdrukken;
maar als hij ouder wordt, hoopt hij de gedachten-zelf, gelijk ze zijn,
te denken en te zeggen. Hij is in al zijn gemoedsaandoeningen hevig,
doch heeft vaak veel zelfbeheersching. Zijn denkrichting is edel. Vrij
van vooroordeelen, handelt hij al naar 't hem invalt, zonder er zich
over te bekreunen, of dit anderen mishaagt, of het mode is, of de
wellevendheid het gedoogt. Allen dwang haat hij.--Hij houdt van kinderen
en kan druk met hen bezig zijn. Hij is bizar, heeft in zijne
gedragingen, in zijn uiterlijk, allerlei dingen die hem onaangenaam
zouden kunnen maken; maar bij kinderen, bij dames en vele anderen staat
hij toch goed aangeschreven. Voor het vrouwelijk geslacht heeft hij zeer
veel hoogachting.... Over zekere onderwerpen spreekt hij met slechts
weinig menschen uit, hij stoort anderen niet gaarne in de rust hunner
voorstellingen. Toch haat hij het scepticisme, streeft hij naar waarheid
en bepaaldheid in sommige hoofdzaken en gelooft dat hij over de
voornaamste reeds een bepaalde meening heeft; voor zoover ik heb kunnen
nagaan is dit niet zoo. Hij gaat niet naar de kerk ook niet naar het
avondmaal en bidden doet hij zelden; want, zegt hij, daarvoor kan ik
niet goed genoeg liegen. Soms is hij op zekere punten erg gerust, soms
echter alles behalve dat. Voor de Christelijke religie--echter niet in
den vorm waarin onze theologen ze ons voorstellen--heeft hij
hoogachting. Hij gelooft in een toekomstig leven, in een beteren staat.
Hij streeft naar waarheid, hij geeft echter meer om het gevoel dan om
het betoog van de waarheid. Hij heeft reeds veel gewerkt, bezit veel
kennis, belezenheid; maar toch nog meer gedacht en geraisonneerd."--Wel
zelden werd een zoo treffende karakteristiek van een jeugdig tijdgenoot
neergeschreven. Toch zag Kestner zich genoodzaakt, er in een
kantteekening aan toe te voegen: "Ik wilde hem schilderen, maar het zou
mij te ver voeren; want zeer veel laat zich over hem zeggen. Hij is, in
éen woord, _een zeer merkwaardig man_."
Begin Juni moest Wolfgang met zijn twee nichten, die in zijn straat
woonden, naar een landelijk bal; onderweg zou hij haar vriendin,
Charlotte Buff afhalen, wier cavalier pas laatavond kon verschijnen. Hij
trof dit 19-jarige blonde meisje aan, terwijl ze, subtiel gekapt, in
witte baljapon, brood sneed voor een zwerm broertjes en zusjes. Haar
leest was er niet minder sierlijk, de uitdrukking van haar blozend
aangezicht was er niet minder vroolijk, haar gesprekken waren er niet
minder interessant om, en haar blauwe kijkers niet minder spottend. In
het rijtuig en bij den dans bemoeide Wolfgang zich slechts met haar; hij
vernam hoe zij, sedert het overlijden van hare moeder, voor een zestal
kinderen had te zorgen en hoe goed dit haar lukte. Hij schroefde zich,
al bewonderend, tot een luidruchtige uitgelatenheid op, blijkbaar zeer
ten genoege van.... Kestner, haar inmiddels verschenen cavalier. Toen
hij met haar had gewalst, nam hij zich heilig voor, liever te sterven
dan te gedoogen dat ooit een meisje op wie hij eenige aanspraak mocht
hebben met een vreemde walste.... Lotte verzweeg Wolfgang dat zij reeds
vier jaren met Kestner was verloofd: geen buitenstaander zou hebben
vermoed dat deze twee een paar vormden. Ook Kestner sprak er niet van:
hij wist dat zijn meisje haar aanbidders steeds stelde voor den
tweesprong: Mijn vriend worden of uit mijn oogen! en hij had onbeperkt
vertrouwen in haar.
Van de verloving hoorde Wolfgang eerst, toen hij bij de familie Buff
vriend van den huize was geworden, toen Lotte's vader hem als een zoon
beminde en de kinderen, met wie hij stoeide en smulde, hem een heerlijk
kameraad achtten. Reeds was Lottchen in zijn oogen een schoonheid
geworden, en terwijl hij, aan haar voeten zittend, de kleintjes over
zijn knieën liet klauteren en boontjes voor haar sneed, terwijl hij
vruchten voor haar plukte, in keuken of moestuin optrad als haar
dienaar, liet hij zijn verliefdheid rustig ontbloeien. Hij bezocht haar
vaker dan haar verloofde, die door drukke ambtsbezigheden werd
teruggehouden; die wel bespeurde dat zij voor den mooien Goethe niet
blind was, wèl zich afvroeg of hij--eenvoudig-braaf man--haar ooit zoo
gelukkig zou kunnen maken als zijn begaafde vriend, maar te kiesch was
om door eenig blijk van ongeduld Wolfgangs warme, doch onschuldige en
poëtische liefde tot iets dubbelzinnigs te stempelen. De drie deden
samen menig uitstapje, hielden menig ernstig gesprek. Steeds toonde
Lotte zooveel tact, dat ze in de achting van de _beide_ mannen steeg en
ook in hunne liefde,--zoodat juist tengevolge van haar welbewuste
reinheid de verhouding zich ging toespitsen.
Goethe, door een vriend gevraagd, waarop dat moet uitloopen, antwoordt
dat hij stellig is besloten, het eerste oogenblik dat Lotte zich als een
gewoon coquet meisje doet kennen, het eerste oogenblik dat haar nòg
nader tot hem voere, het laatste moment van hun omgang te doen zijn.
Maar--op haar vertrouwend--laat hij zijn phantasie onbedwongen om hun
liefde spelen, vervult hij zijn brieven, zelfs zijn recensies, met
toespelingen op hun liefde. Kestner spaart hem, maar hij gaat in stilte
meenen, dat iemand van Goethes geestkracht en zielefierheid zich nu toch
eindelijk moet terug trekken. En zoo kan hij kleine botsingen niet
altijd verhoeden.
Daar heeft Wolfgang in een te laat gevoelde opwelling Charlotte gekust.
Zij biecht het eerlijk aan haar verloofde, die bijna zijn geduld
verliest; en nu moet ze vriend Wolf door koelheid van zich houden. Als
ze 's avonds voor haar deur zit, brengt hij haar een ruiker. Ze legt
dien onverschillig naast zich neer. Hij begrijpt en gooit den ruiker op
straat. Hij troont Kestner mee, verkondigt hem den heelen nacht
hemelhooge ideeën, in duistere parabelen gehuld, en als het daagt vinden
de vrienden het leed zoo licht, dat ze tegen een muur geleund het moeten
uitproesten.
Intusschen wordt Merck ernstig bezorgd over zijn warmbloedigen,
phantastischen Wolf. Hij wil hem uit Wetzlar drijven, en moet daartoe
zijn illuzie verwoesten. Twee dagen na het voorval met den ruiker heeft
hij te Giessen een samenkomst met hem, en als hij dan toevallig ook
Charlotte leert kennen, acht hij den toestand nog gevaarlijker en
tracht, al schertsend, Goethes passie te doen ontvlammen voor de
"Junonische" vormen van een ander vriendin. Wolfgang is te zeer door
Charlotte bekoord om hem te zeggen, hoe duivels hij dat van hem vindt.
Den achtentwintigsten Augustus zijn Kestner en Goethe jarig. Den avond
te voren moeten de twee mannen tot middernacht boontjes snijden. Als de
klok twaalf slaat, wordt de nieuwe jaarkring met prettige gezichten en
een kopje thee ingewijd. Wolfgang krijgt een klein-formaat Homeros van
zijn vriend ten geschenke; dan hoeft hij dat groote, zware boek niet
meer op zijn wandelingen mee te torsen. Zijn voornemen getrouw om op
zijn verjaardag altijd iets groots te ondernemen, gaat hij nu ernstig
met zich zelf te rade, en oordeelt dat hij zich moet losrukken. Het
besluit is genomen, maar het duurt nog veertien dagen eer het tot
uitvoering komt:
--Hij heeft Lotte al zoo vaak op zijn vertrek voorbereid, dat ze hem er
bijna mee gaat plagen. Nu zit hij weer aan haar voeten en speelt met de
garneering van haar jurk. Zij weet niet dat hij daar nu voor 't laatst
zit. Het gesprek gaat over 's menschen staat na het afsterven. Zij
belijdt eenvoudig hoe ze verwacht haar moeder weer te zien en te
herkennen..
.... Dan voelt Wolfgang dat hij in tranen zal uitbarsten als hij langer
blijft. En hij springt op. Hij kust haar hand en spreekt: Wij zullen
elkaar weerzien; in elke gestalte zullen wij elkaar herkennen. Ik ga
vrijwillig, maar als ik moest zeggen: voor eeuwig! dan zou ik het niet
uithouden. God zegen u. Wij zien elkaar terug.--Ja, morgen natuurlijk,
zegt Charlotte lachend.
Doch den volgenden ochtend bereikt haar dit biljet:
"Wel hoop ik weer te komen, maar God weet wanneer! Lotte, hoe eng
werd het mij bij Uwe woorden om het harte, daar ik toch wist dat ik
U voor de laatste maal zag! Niet de laatste maal en toch vertrek ik
morgen. Welke Geest bracht U op dit onderwerp! waarbij ik alles
mocht zeggen wat ik voelde. Ach, ik doelde op hierbeneden, op Uwe
hand, die ik voor 't laatst kuste. De kamer in welke ik niet zal
terugkeeren, en Uwen lieven vader, die mij voor het laatst uitliet!
Ik ben nu alleen en mag weenen. Ik laat U gelukkig achter, en ga
niet uit Uw harte. En zie U weder--maar niet morgen is nooit. Zeg
aan mijne kinders: Hij is weg. Ik kan niet meer."
Kestner en Lotte, hoe zeer ook voldaan met zijn vertrek, waren geheel
van hem vervuld en ze lazen en herlazen zijn korte briefjes met
betraande oogen. Om hen heen speelden de kinderen die telkens hun
kameraad misten en dan angstig herhaalden: Doctor Goethe is weg.
[Illustratie: "Das Leiden des Jungen Werthers"
verscheen in September 1774]
VII
Ik dwaal in woestenijen, waar geene
wateren zijn; mijne haren zijn mijn
dak en mijn bloed is mijn bron......
Het was hoog tijd dat hij ging; indien hij nog even langer ware
gebleven, zou zijn wil zijn te kort geschoten, zou zijn oponthoud te
Wetzlar niet zijn geëindigd als betrekkelijk rustige idylle. Hoe het had
kunnen worden zal hem nu blijken. Zijn liefde voor Lotte heeft hij
geenszins verzaakt. Integendeel, zijn liefde groeit, nu hij, ver van
Lotte, meent zich er aan te mogen geven. Haar silhouette heeft hij naast
zijn alcoof met spelden aan den wand bevestigd. Hij groet haar beeld
voor hij te rusten gaat, houdt gesprekken met haar beeld wanneer hij
zich voor den eten verfrischt. Schlosser moet voor beroepsbezigheden
naar Wetzlar en hij kan geen weerstand bieden aan de verzoeking, hem te
volgen. Naast Lotte op de canapé bevangen hem "hangenswaardige
gedachten"; hij moet zich afvragen wat er gebeurd ware, als Schlosser
hem niet zeer tegen zijn zin had verwijderd.
[Illustratie: CHARLOTTE BUFF]
Het gerucht bereikt hem, dat Von Goué zich om 't leven heeft gebracht;
en hij voelt zich geroepen, deze daad, die de domme wereld wel verkeerd
zal uitleggen, goed te pleiten en te vereeren. Het gerucht blijkt
onjuist, maar wordt gevolgd door het bericht, dat Jerusalem zich een
kogel door het hoofd heeft gejaagd. Wolfgang kent dezen Jerusalem reeds
sedert Leipzig. Hij heeft hem niet vaak gesproken, maar voortdurend is
zijn belangstelling gaande gebleven voor dien vreemden, teruggetrokken
jongen, wiens prikkelbaar pessimisme uit kunstzinnige overgevoeligheid
voortsproot. En te Wetzlar, als hij wandelde in het maanlicht, strijdend
met zijn hopelooze liefde, had hij vaak Jerusalem zien wandelen in
het maanlicht en daarbij vermoed dat ook deze aan een liefde leed. En nu
heeft de brave jongen zich doodgeschoten, nadat een vriend, op wiens
vrouw hij in stilte verliefd was, hem zijn huis heeft ontzegd. Aan dit
conflict, dat hij--Wolfgang--instinctmatig is ontsprongen, is Jerusalem
ten gronde gegaan.
Een nieuw lotgeval brengt hem den doode nog nader. Op zijn terugreis van
Wetzlar stapt hij af bij de kunst-minnende familie Von Laroche, om er
Merck te ontmoeten. Mevrouw Laroche had de wereld pas een sentimenteelen
roman geschonken, en haar verlangen naar een vleiende recensie zal wel
niet vreemd zijn geweest aan de heusche ontvangst die zij beiden
journalisten bereidt. Ze wordt spoedig Wolfgangs vertrouwde
raadgeefster, zijn "Mamachen". De tergende aanwezigheid van den
gewetenloos-dwazen Leuchsenring met zijn briefmappen, drijft Goethe naar
de twee dochters van den huize, in wier gezelschap hij herademt: vooral
de mooie, fijn beschaafde Maximiliane heeft hij diep in de zwarte oogen
gekeken. Nu is deze Maxe door haar o zoo gevoelige Mamachen gekoppeld
aan den uitgedroogden weduwnaar Brentano, een Italiaansch koopman te
Frankfort, vader van vijf kinderen, die geheel opgaat in zijn olie- en
kaashandel, en zijn jonge vrouw verwaarloost. Wolf bezoekt haar vaak,
mede op verlangen van haar man. Hij stoeit dan met de kleintjes en
begeleidt haar clavierspel op zijn cello. Vele jaren later zal
Maximilianes dochter Bettina den huisvriend in haar "Goethes
briefwisseling met een kind" (Dat kind was, en passant, een
hysterisch-opdringerige literaire zwendelaarster van diep in de
twintig!) huldigen als volkomen rein in zijn verhouding tot haar moeder.
Brentano echter kan aan een genegenheid als tusschen broer en
zuster--waarvan ook Merck niet overtuigd is--geen geloof slaan. Hij
ontlaadt jegens zijn vrouw zijn jaloezie in grievende verwijten.
Wolfgang, op de hoogte gesteld, neemt zich voor, zijn drempel niet meer
te betreden, tenzij Maximiliane zijn vuisten noodig mocht hebben tegen
haren gebieder.... En voor zulk een man nu zou Jerusalem zich den dood
hebben aangedaan! Goethe moet onophoudelijk denken aan dien lieven,
weeken jongen met zwakken wil. Hij verzoekt Kestner--den nauwlettenden
protocol-schrijver--hem uitvoerig in te lichten omtrent de
omstandigheden die den zelfmoord begeleidden. En hij verneemt dat
slechts voor oppervlakkig oordeel Jerusalem slachtoffer is geworden van
een "ongelukkige liefde". Immers ook in zijn ambtelijk leven was hij
herhaaldelijk in botsing gekomen met de hardheid der doorsnee-menschen,
die hem aandeed als gemeene grofheid. Iemand die zoo machteloos staat
tegenover zijn overvloeiende sentimenten is--wat hem ook treffe--bestemd
voor een smadelijken dood. De wereld is hem te machtig. Zijn
levens-liefde--hoe sterk ook--is niet opgewassen tegen de beleedigingen
die hem dagelijks worden aangedaan. De kwaal des tijds--_d.i._ verfijnde
ontvankelijkheid zonder wil en zonder godsbetrouwen--heeft Jerusalem
gesloopt.
Nu gaat Wolfgangs meening over "de wereld" (in hoofdzaak de meening van
het dan opgroeiend geslacht) zich vlechten in het relaas dat Schlosser
hem heeft gezonden. Met andere woorden: de op zichzelf staande
gebeurtenis wordt geheven in de sfeer van zijne overtuigingen, opgenomen
in het geheel van zijn ideeën, van zijn innerlijk doorlicht. Maar juist
in die periode is zijn leven éen verdrietelijkheid:
Hij ziet zijn zuster weggaan, getrouwd met den kundigen, geletterden
Schlosser. Hij is jaloersch. Hij voelt dat ook dit huwelijk ongelukkig
moet zijn en voor Cornelia, zijn ondoorgrondelijke troosteresse, moet
uitloopen op beschaming. Zij leek hem wel geschikt om een groot klooster
te bestieren, maar niet geschikt voor huisvrouw.
Zijn teedere vriendin Urania sterft. Als hij op haar graf een
gedenkteeken wil zetten, merkt hij dat men zijn verhouding tot deze
lieve ziel ook al verkeerd heeft opgevat: waar vriendschap is praat de
wereld van bezit; waar liefde verlangd wordt eischt de wereld, eischt de
bekrompenheid van het menschenlot, ontzegging.
Hij ziet de onmiskenbaar loffelijke bedoelingen van zijn knappen vader
mislukken en het gezin ondergraven; zoodat een angstvallig verzwijgen
van zijn plannen een schijn van vrede en onderworpenheid moet bewaren.
Maar kleine, laffe mannetjes ziet hij overal in zijn omgeving
zegevieren.
De omgang met Maximiliane, de eenige die hem 't verlies van
veelbegrijpende Cornelia eenigszins vergoedt, is hem ontzegd. Hij mag
niet liefhebben zonder zich met schuld te beladen of zich voor zijn
leven te kluisteren aan een zoogenaamde positie, een baantje bij het
stadsbewind, waarheen zijn vader hem stuwt. Maar hij kan er niet toe
besluiten, een tweederangs-advocaatje te blijven: hij weet dat hij wel
een goed redenaar is, doch slechts een middelmatig jurist. Neen, op zijn
natuurlijke dichtergave, het eenige dat hem "ganz eigen" toebehoort, dat
door geen invloeden van buiten geholpen of gehinderd kan worden, wil hij
zijn bestaan bouwen. Het besef zijner genialiteit legt hij zinrijk neer
in _Adler und Taube_, en woest-tartend zingt hij het uit in _Prometeus_.
Hij voelt dat men iets schoons slechts kan voortbrengen als men alleen
staat; aan vindingskracht ontbreekt het hem niet. Maar.... hij moet als
het op werken aankomt telkens weer van voren af tasten en zoeken. Hij
gelooft--als vele ware dichters--dat hij geen _eigenlijken stijl_ heeft.
Niemand kan hem helpen: Doctor moet zichzelf cureeren.
En als hij zich--nu toegeven aan zijn opwellingen hem is verboden en de
wereld hem ergert--ten slotte tot zijn Ik keert, wordt hij ook in eigen
innerlijk teleurgesteld. Reeds lang plaagt hem de traagheid van de taal
en de stof, die hij wil vormen. Iedere dichterlijke overwinning verfijnt
zijn eischen en toont hem dus opnieuw zijn onmacht. Zijn tweede lezing
van den Götz, die zooveel zelfverloochening van hem heeft gevergd,
verschrikt hem door zijn vormeloosheid. De toejuichingen van het publiek
zouden wellicht zijn teleurstelling hebben verzacht, indien hij het
publiek hooger hadd' kunnen schatten dan een "kudde zwijnen". De
weinigen aan wier oordeel hij hecht laten zich minachtend uit over zijn
drama. Zoo Herder, hoe zeer hij in stilte het stuk bewondert. Zoo
Lessing, bezonken denker voor al, die door de middeleeuwsche
gewelddadigheid van Götz in de war raakt en meent dat Goethe de darmen
van een afgestorvene, met zand opgevuld, als koorden verkoopt. Zoo
Frederik de Groote, die het stuk voor de inboorlingen van Canada wilde
bestemmen en het noemde "une imitation détestable de ces mauvaises
pièces anglaises" (Shakespeare!) en niet begrijpt dat men iets byzonders
ziet in deze "afstootelijke onbenulligheid".
Van zijn jeugd af heeft hij neiging voor beeldende kunst. Hij oefent
zich in etsen, boetseeren, schilderen. Maar zijn kleine succesjes
troosten hem niet over zijn groote mislukking. Zijn willen noch zijn
kunnen is geëvenredigd aan zijn groot verlangen.... "Ik zal vanmiddag
voor het eerst 't oliepenseel ter hand nemen! met hoeveel nederigheid,
ontroering, hoop, kan ik niet zeggen. Mijn verder Levenslot hangt zeer
af van dit eene oogenblik".... De afgietsels van antieke beeldwerken, de
reproducties van Rafael-koppen, die zijn dakkamer sieren, tergen hem!
Hij leeft uit een geestesstrooming die alle oude theorieën en dogma's
verwerpt en met de in eere herstelde menschelijke rede een nieuwe
wetenschap wil bouwen. En nu blijkt al wat de mensch uit eigen kracht
kan weten hem onsamenhangend knutselwerk: "Ieder berusten in zekere
uitkomsten van ons onderzoek is een soezerig zich gewonnen geven,
waarbij wij de wanden, waartusschen wij gevangen zitten, met bonte
gestalten en lichte verwachtingen beschilderen".
Natuurlijk is hij niet altijd zoo moedeloos: hij beoefent met passie het
schaatsenrijden, dat, na de verschijning van Klopstocks IJs-oden een bij
uitstek dichterlijk vermaak is geworden. Ook heeft zijn minbehoevend
hart vaak behagen aan de sprakelooze, maar daardoor juist zoo
overtuigende liefdeblijken van Cornelia's vriendin Gerock. Hij schrijft
weer enkele overmoedige recensies voor de Gelehrten Anzeigen, bewerkt
een te Straatsburg opgesteld concept tot de brochure: _Over de Duitsche
bouwkunst van Erwin von Steinbach_,--die geestdriftig de Gothiek
verdedigt. Verder schrijft hij een paar theologische tractaatjes, waarin
hij zich (naar voorbeeld van Rousseau) achter een landgeestelijke
verbergt; en die door hun trouwhartige verdraagzaamheid instemming
vinden bij Lavater, den Zwitserschen profeet. Doch dit alles raakt niet
de grondstemming van zijn gemoed.
Zijn min voor Lotte (die intusschen haren echtgenoot een kleinen
Wolfgang heeft geschonken) wil niet wijken. Herder houdt zich op een
afstand. Merck verlaat hem om zijn vorst naar Berlijn en Petersburg te
vergezellen. Hij staat alleen. Zoo verhaasten toevallige gebeurtenissen
het proces dat zich in hem voltrekt: Door zijn trachten naar volkomen
uitleving van zijn sentimenten botst hij tegen de wereld en haar
conventies, wordt hij teruggestooten in de eenzaamheid, lijfelijk en
geestelijk. Nu keert hij terug tot zich zelf en "vindt daar een
weireld". Hij behandelt zijn harte als een ziek kindeken: wat het vraagt
krijgt het ook. Hij is nu aangeland bij die keerzijde van het
Sturm-und-Drangindividualisme, nl. bij de angstige zelfpeiling, de
roekelooze zelfverweeking. Alles verbittert hem. Als de Straatsburger
faculteit door Salzmann laat aanbieden hem tot Doctor in de beide
rechten te bevorderen, antwoordt hij dat hij meer dan genoeg heeft van
promoveeren en advocaatspelen: Als ik geen vrouw neem en me ook niet
ophang, dan moet men mij nageven dat ik dit leven toch wel lief heb; of
iets dat mij nog meer vereert.--De Engelsche pessimisten Sterne, Swift,
Young en vooral Ossian boeien hem, boeien half Europa. De zelfmoord en
de daartoe gebruikelijke middelen vormen onder de geletterden van zijn
tijd een gewoon onderwerp van conversatie. Hij gaat onderzoeken of het
hem ernst is met zijn verlangen, uit dit leven te scheiden. Hij neemt
iederen nacht een scherp gespitsten ponjaard uit vaders wapencollectie
mee naar bed, en tracht het moordtuig een paar duim diep in zijn borst
te drukken. Als dit hem nu veel malen is mislukt, acht hij bewezen dat
hij sterk genoeg is om te leven. Maar nu eischt hij van zijn denken het
machtwoord dat de euvelen waaraan hij lijdt vernietige. Zijn denken
antwoordt: TUCHT.
En hiermede heeft hij uit de Sturm-und-Drangstrooming de leering
getrokken, die er voor zijn aanleg in lag besloten.
Een heele periode in den ontwikkelingsgang zijns geestes is afgerond en
historie geworden. De détails erlangen nu hun diepe beteekenis en hun
logische plaats in het geheel. Zij eischen een gestalte. De levenssmart
van zijn tijd zal Goethe nu zoo uitspreken, dat dit uitspreken zelf
reeds de overwinning er van bevat. Ziehier de kiem van "_Het lijden des
jongen Werthers_", die zich nu uit zijn ervaringsvoorraad gaat voeden.
Evenals in den Götz wil hij hier iemands nagedachtenis redden. Maar was
hij, toen hij 't drama schreef, overstelpt door zijn colossalen Held;
den lieven jongen, dien hij thans gaat verdedigen heeft hij doorzien,
zoodat hij de _kern van diens karakter_ tot eersten grond en tevens tot
bewegingsmotief van het nieuwe werkstuk kan maken. Hij is nu niet minder
bedroefd om den noodlottigen, onvermijdelijken ondergang van een edel
man dan toen. Maar droefheid is hem hier niet het laatste. Bij het
schrijven van den Götz omgeslagen in wanhopige verontwaardiging, wordt
ze hier tot rust. Het geval Jerusalem verhalend, verhaalt hij een
episode die in de gemoeds-historie van elk gevoelig man voorkomt, een
ziels-phase die--wijl in Goethes tijd de jeugd met zijn ideeën aan 't
bewind komt--de eerstvolgende decenniën zal beheerschen. Een levenslot,
zoo universeel uitgebeeld, prikkelt niet tot opstand, hoe treurig het op
zich zelf beschouwd ook moge zijn. Men ziet het in rechtstreekschen
samenhang met den loop der dingen: het stemt tot berusting en tot
zelf-critiek:
"Wat ik ook maar van de geschiedenis des armen Werthers heb kunnen
vinden, heb ik met vlijt verzameld; ik leg het u hier voor en weet
dat ge er mij om zult danken. Gij kunt zijnen geest en zijn
karakter uwe bewondering en uwe liefde, zijn levenslot uwe tranen
niet ontzeggen.
~En gij, goede ziel, die den zelfden drang voelt als hij, laat dit
boeksken uw vriend zijn;~ als ge door lot of eigen schuld geen
naderen kunt vinden."
Deze korte, in ademlooze stilte neergeschreven voorrede ontzenuwt
(indien nog mogelijk!) het wanbegrip dat "Werther" zou aanzetten tot
echtbreuk of tot zelfmoord.--