DERDE BEDRIJF: 1. ~'s Keizers tuin te Augsburg~. Twee Nürnberger

kooplieden beklagen zich bij keizer Maximiliaan over Götz' roofzucht;

Keizer, toch al slecht geluimd, is vertoornd om deze nieuwe "zaak";

Weislingen bewerkt dat Maximiliaan tegen Berlichingen en diens vrienden

zal optreden. 2. ~Jaxthausen~. Ridder Sickingen komt om de hand van

verlaten Maria vragen. 3. ~Kamp van Staatsleger~. De officieren moeten

~Götz~, wiens burcht zij belegeren, zoo mogelijk levend vangen;

beteekenen hem den banbrief. 4. ~Jaxthausen~. Maria wijst Sickingen niet

direct af; deze zal twintig ruiters zenden en daarna de vrouwen afhalen.

5. ~Bamberg~. Terwijl Weislingen tegen zijn vroegeren vriend op het

oorlogspad is, versmaadt Adelheid de warme lippen van zijn page

geenszins. 6. ~Jaxthausen~. Franz Lerse (wiens dapperheid en kracht Götz

vroeger aan den lijve gevoeld heeft) biedt zijn diensten aan; den vijand

wordt een gevoelig verlies toegebracht. 7. ~Woud~. Twee rijksknechten:

de een, die voor zijn officieren wijn en brood moest halen, klimt in een

boom, als Berlichingens troep nadert; de ander, die aan buikloop lijdt,

komt in het moeras om. 8. ~Kamp~. Een jongen aanvoerder, door Götz van

zijn paard gereden, draagt men binnen. 9. ~Jaxthausen~. Selbitz komt den

belegerden te hulp en verzekert dat de heele aanslag op aanstichten van

Weislingen is begonnen. 10. ~Kamp~. Het rijksleger, dat reeds honderd

man heeft verloren, bereidt een wanhopigen aanval voor. 11. ~Gebergte

en woud~. Götz deelt zijn strijdmacht in. 12. ~Heide~. Botsing van de

twee legers. 13. ~Hoogte met wachttoren~. Een knecht vertelt den

gewonden Selbitz den loop van het gevecht: Götz stoot aanvoerder van

rijkstroepen van paard en verovert vaandel; Georg redt zijn meester het

leven; overwinning. 14. ~Kamp~. Bevelhebber scheldt op zijn soldaten,

die bang zijn voor één man. 15. ~Jaxthausen~. Götz gunt zijn dienaars,

nadat zij een glaasje hebben gedronken, geen rust; Sickingen belooft

Maria, haar broer ter zijde te staan; Götz heeft een pater besteld en

zij worden een paar, met dood voor oogen. 16. ~Kamp~. Van de 400

rijksknechten zijn 150 over: zij richten zich nu rechtstreeks tegen den

burcht. 17. ~Jaxthausen~. Als Götz van Georg verneemt, dat de

aanrukkende hulptroepen totaal verstrooid zijn, jaagt hij de

jonggetrouwden op reis, roerend afscheid: Selbitz zal Maria's bed niet

bestijgen voordat hij Götz gered weet. Deze weigert zich over te geven

en behandelt den parlementair onwelvoeglijk. 18. ~Keuken~. Vrouwe

Elisabeth zegt haren heer dat het slecht staat met voedsel. 19. ~Zaal~.

Georg en Lerse gieten kogels uit dakgoot en venstersponningen; Lerse

beweegt den vijand, Götz en de zijnen vrijen aftocht toe te staan. 20.

~Eetzaal~. De verdedigers van Jaxthausen brengen een laatsten heildronk

uit op keizer en Vrijheid! 21. ~Slot-plein~. Georg zadelt de paarden,

zingt een deuntje. 22. ~Wapenzaal~. Twee knechten, die buksen halen voor

den aftocht, zien uit venster, dat de vijand den vooruitrijdenden Götz

verraderlijk overweldigt....

VIERDE BEDRIJF. 1. ~Herberg te Heilbronn~. Elisabeth bereidt haren heer

voor op komst van gerechtsdienaars. 2. ~Raadhuis~. Een aantal sterke

dappere burgers heeft zich op keizerlijk bevel verdekt opgesteld, om

Berlichingen gedurende terechtzitting te overvallen. Götz verschijnt

voor gerecht en staat den raadsheeren met zijn gewone vrijmoedigheid te

woord; hij wijst de keizerlijke genade af, als hij moet bekennen een

rebel te zijn, als men weigert hem te zeggen, wat er van zijn vrienden

is geworden. Nu op wenk van raadsheer de gewapende burgers

binnenstormen, rammelt hij ze dooreen, ontneemt een hunner zijn zwaard.

Op hetzelfde moment bericht torenwachter dat Sickingen stad nadert om

zijn zwager te bevrijden. 3. ~Groote zaal op Raadhuis~. Als Berlichingen

met kracht van wapens is verlost, wil hij zich weer in gevangenschap

stellen. Sickingen vermaant hem, nu ook vrijheid voor zijn knechten te

eischen. 4. ~Adelheids vertrek~. Adelheid neemt Weislingen (met wien zij

intusschen is gehuwd) kwalijk, dat Götz verlof heeft gekregen, op

ridderlijk woord van eer in zijn burcht te wonen. Zij troost zich met de

hoop, dat bij nieuwe keizers-keus de krachtige Karel (V) den troon zal

bestijgen. Weislingen voelt (terecht) dat Karel hem reeds uit heur hart

heeft verdrongen. Ook de liefde van zijn page houdt ze aan: ze mocht

dien armen jongen eens noodig hebben! 5. ~Jaxthausen~. In zijn

ridderlijke ballingschap zoekt Götz vergeefs afleiding door het

schrijven van zijn levensgeschiedenis. Georg en Lerse stellen zich door

jacht schadeloos voor gedwongen rust. Zij brengen het bericht van den

boerenopstand.

VIJFDE BEDRIJF: 1. ~Plundering van een dorp~. Vluchtelingen. Terwijl

bloeddorstige boeren het dorp uitmoorden en -branden, blijkt dat ze

behoefte gevoelen aan een krachtigen aanvoerder. 2. ~Veld~. Götz, door

dreigementen gedrongen, belooft vier weken hun bevelhebber te zijn, mits

ze zich ordelijk gedragen; hij wordt heimelijk bewaakt. 3. ~Berg en

dal~: Weislingen en andere ridders spannen samen tegen de boeren. 4.

~Jaxthausen~: Elisabeth beseft dat Götz' vijanden hem nu zullen

beschuldigen, zijn ban te hebben verbroken. 5. ~Bij een dorp~. De boeren

storen zich niet aan hun belofte, zetten hun gruweldaden voort. Een

onbekende waarschuwt Götz, dat de boeren van plan zijn hem uit den weg

te ruimen. Een afdeeling plunderaars door bondstroepen gevangen. Als

Götz de boeren ter verantwoording roept voor hun woordbreuk, ontstaat

ruzie, waarbij hij een van de belhamels een geweldigen klap geeft. In

gevecht met bondstroepen wordt Götz gewond. Weislingen hoopt hem nu te

vernietigen. 6. ~Nacht in 't woeste woud~. Zigeunerkamp. Götz, bloedend

binnengereden, wordt gastvrij ontvangen. 7. ~Tent van het opperhoofd~.

Terwijl de Zigeuners Götz verbinden, overvallen staatsche troepen het

kamp; dooden het opperhoofd en nemen Götz gevangen. 8. ~Adelheids

slaapvertrek~. De page, door Weislingen uitgezonden om op zijn vrouw het

oog te houden, wordt 's nachts binnengelaten, en belooft, door Adelheid

geliefkoosd, vergif in Weislingens drinken te doen. 9. ~Heilbronn~, voor

den toren (waar Götz gevangen zit). Elisabeth, beangst voor wreedheid

van de overwinnaars, zendt Maria naar Weislingen, om voor Götz genade af

te smeeken. 10. ~Weislingens slot~. Weislingen, reeds onder invloed van

het gif, beeft voor den ter dood veroordeelden Berlichingen. Op Maria's

smeekbeden verscheurt hij het vonnis. Page, door wroeging gekweld,

bekent, hem op last van zijn overspelige Adelheid te hebben vergiftigd,

en springt door het venster in den Main; Maria bidt voor ziel van

stervenden Weislingen. 11. ~In een duister eng gewelf~. Veemgericht

veroordeelt Adelheid tot dubbele straf van koord en zwaard. 12.

~Binnenplaats van een herberg~. Maria heeft geen rust, voordat ze haar

broer heeft weergezien. 13. ~In den toren~. Götz, door vernedering

ontzenuwd, mag een half uur in het tuintje van den cipier. 14.

~Tuintje~. Maria meldt dat het doodvonnis is vernietigd. Als Götz

echter verneemt dat zijn dappere knaap Georg, dien hij als een zoon

bemint, is gesneuveld, voelt hij, dat hij zich heeft overleefd; sterft

met het woord "Vrijheid" op de lippen.

* * * * *

Als Herder, wien hij een afschrift van dit werk heeft gezonden, hem met

zijn gewone bittere pedanterie toevoegt, dat hij zich door Shakespeare

heeft laten bederven, en dat alles maar gedacht en niet geschàpen is,

antwoordt hij dat hij zelf het maar als een eerste poging beschouwt, van

plan is het om te smelten en met nieuwe, edele stof aan te vullen.

Wèl mag hij zeggen, dat zijn Engelsche meester hem heeft leeren

"springen". Niet alleen de ontembare veelheid van personen en voorvallen

die hij kreeg te boeken, maar ook het bewustzijn dat hij--als

partijleider--het eerste schoone werk van de school moet voortbrengen,

heeft hem gedwongen, den door zijn tijdgenooten als wet gehuldigden

grondvorm van het classiek-Fransche drama te verbreken. Een rijke,

natuurlijk levende stof--meent hij--wordt vermoord als men haar wil

concentreeren, zoodat zij zich afspeelt als éene handeling, op éene

plaats, in enkele uren. Hij heeft, naar het voorbeeld van Shakespeare,

zijn lezers of toeschouwers willen voeren van stad naar stad, door een

bonte wisseling van gebeurtenissen, die zich over jaren uitstrekken.

Maar hij heeft dit zoo overdreven, dat zijn werk er onoverzichtelijk,

dus duister door wordt en de bijpersonen den Held overstemmen. Het

streven naar woeste grootheid is uitgeloopen op vormeloosheid. De

wetlooze vrijheid van den kunstenaar is omgeslagen in gril. Zoo volgt op

het zich-laten-gaan, dat een eisch van Goethes periode is, met

onafwijsbare noodzakelijkheid een poging tot zelfbeperking. Zoo wordt de

uitvoerige natuurlijke waarheid in het kunstwerk ondergeschikt gemaakt

aan het hoogere belang van de rustige klaarheid. En binnen korten

termijn gaat nu vriend Wolf van enkel-genialen Sturm-und-Dränger zich

ontwikkelen tot den zelfbewusten Goethe.

Hij heeft--daar een wereld, geheel vervuld met de louter-manlijke

heldendaden van den "laatsten ridder" hem onnatuurlijk, dus

innerlijk-onwaar lijkt, een vrouwelijke drijfkracht behoeft--de figuur

van de duivelachtig-verleidelijke Adelheid in het historiesch gegeven

gemengd. Maar al schrijvende heeft hij zelf zich in die vrouw verliefd,

en, zijn oorspronkelijke bedoelingen vergetend, heeft hij haar zoo

breeduit geteekend, heeft hij zooveel mannen voor haar doen buigen, dat

zij tenslotte de Götz-figuur beschaduwt. Nu--van Wetzlar terug--gaat hij

aan het over-werken; want hij kan niet van zich verkrijgen in het

manuscript te schrappen. Ruwe uitdrukkingen--als men Zola een

aschkarreman mag noemen, dan weten wij niet, welken titel voor den

jongen Goethe te kiezen--worden door zachtere vervangen: het stuk kan

thans onder de "Weiblein" komen. Adelheid (en haar wankelmoedige

aanbidder Weislingen, in wien de schrijver zich eigen ontrouw voor oogen

stelt) worden tot juistere proporties met het geheel teruggebracht. Maar

nu moeten (gelijk van zelf spreekt) juist de scènes, die voor het

schoonheidsgevoel van Sturm-und-Drang het hoogst staan, verdwijnen. Zoo

het phantastische waarzegsters-tooneel, waarin bij het vlammen der

wachtvuren en het warrelen der sneeuwvlokken de jonge Zigeuner met de

betuiging van zijn wulpschheid angst aanjaagt. Goethe offert die scènes

op (later heeft hij er een ballet van gemaakt, dat bij Weimar in een

bosch werd vertoond). Maar hij is nog niet voldaan.

Doch nu weet "Mephistofeles" Merck hem te overtuigen dat ook aan het

overschrijven een eind moet komen, daar anders de aanvangs-inspiratie

verloren gaat. En als, ten slotte, Wolfgang meent, dat hij dit werk,

waaraan hij met zijn innigste persoonlijkheid heeft gecomponeerd, toch

niet aan het philister-oordeel van den een of anderen uitgever kan

onderwerpen, zegt de vreemdsoortige duivelsgezant: Dan geven wij het

samen uit; er zijn schatten mee te verdienen! Gij betaalt het papier, ik

betaal den drukker. Zoo geschiedde.

In Mei 1773 werd overgegaan tot de verzending van het anonyme stuk, dat

was "grootsch en onregelmatig als het Duitsche rijk" (Herder), het

gewrocht "waarin alle drie de eenheden op z'n gruwelijkst werden

mishandeld, dat was blij- noch treurspel en toch het schoonste en

interessantste monster, waartegen men honderd comiesch-huilerige

comedies zou willen inruilen". ("Teutsche Mercur") Vele groote

schrijvers ontvingen het niet; wel de vrienden links en rechts.

Het is geen drama. Het toont ons niet de rechtstreeks nawijsbare,

logiesch onafwendbare, ontknooping van een scherp gestelde verwikkeling,

die om één aandachts-centrum zich groepeert. Het is, zooals op het

titelblad van de eerste bewerking vermeld stond, een gedramatiseerde

(_d.i._ in dialoog omgezette, tot aanschouwlijke voorstelling zich

leenende) kronyk. Gedramatiseerd, om haar zoo sprekend mogelijk te

maken. Het is geen afgerond verhaal, doch een reeks episodes, welke

grootendeels veroorzaakt worden door toevallige en van elkander vrijwel

onafhankelijke omstandigheden; die met het karakter van den held slechts

dit te maken hebben, dat de schrijver ze er mede in relatie brengt. Geen

der te voorschijn geroepen botsingen wordt er psychologiesch geheel ten

einde gevoerd. Telkens wordt de zooeven opgenomen verhaaldraad

losgelaten, en wordt een nieuw moment ingevoegd, dat even spoedig

vervalt.

Doet, oppervlakkig bekeken, de drukke en op de planken onuitvoerbare

wisseling van decoratief, binnen een en het zelfde bedrijf, aan

Shakespeare denken,--in wezen is de Götz allerminst Shakespeariaansch

(als geestdriftige bewonderaars het wel genoemd hebben). Indien men

het--gelijk in Shakespeares tijd gebruikelijk--zou vertoonen op een kaal

tooneel, waar opschriften het decoratief vervangen, en met spaarzaam

gecostumeerde spelers: dan zou blijken dat bij den jongen Goethe de

inkleeding bezwaarlijker is te ontberen dan bij zijn Engelschen meester.

_M.a.w._ dat hij minder diep zijn karakters heeft ontleed, niet het

universeele, door de eeuwen heen blijvende in de menschenziel heeft

bereikt. De menschen van Shakespeare doorziet de ontwikkelde toeschouwer

_ondanks_ hun (vaak foutieve) "antieke" costumeeringen en zeden. Maar

Goethes figuren staan of vallen met hun historische inkleeding, welke

slechts door min of meer geleerd publiek volkomen wordt gevat. Terwijl

bij Shakespeares menschen uitspraken en handelingen duiden op de laatste

en geheimste gronden hunner karakters,--zoodat hun dieper wortelende

verwantschap blijkt en een veelzeggende eenheid in de schijnbare

tegenstrijdigheid hunner gedragingen zich openbaart--liggen de motieven

van Goethes figuren in het duister; en vaak moet de uiting van hun

gevoelens slechts dienen om een aan het oppervlak liggende situatie of

enscèneering beknopt aan te wijzen. Kortom: Shakespeares menschen lijken

natuurlijk doordat zij gedachtelijk-waar zijn; Goethes personages

daarentegen zijn _slechts_ natuurlijk. Men leert ze wel iets, maar niet

véél beter kennen, dan men leert kennen een buurman, in wiens huishouden

nu en dan een enkele blik gegund wordt, doordien zijn gordijnen

toevallig openstaan. Men krijgt--Götz von Berlichingen genietend--het

spijtige gevoel van hem wien in zijn droom schoone en wijze menschen

werden voorgetooverd: hij zou ze zoo gaarne vasthouden om ze nader te

bekijken, om ze te ondervragen naar de beteekenis hunner woorden ...

maar ze hooren niet, ze schieten voorbij, plaats latend voor evenzeer

teleurstellende volgers.

Maar schòon is de droom; en overweldigend schoon is ook dit werk van den

23-jarigen Goethe. Hij was de eerste Duitscher, die zijn tooneelfiguren

echt-menschelijke taal deed spreken. Maar deze taal is toch zoo bondig,

zoo kleurrijk, zoo lakoniek, zwaar van beteekenis, dat men ze eerst bij

tweede of derde lezing in al haar rijkdom doorgrondt. Ze staat verre

boven de taal van het eerste Duitsche blijspel, de Minna von Barnhelm

van Lessing. In het uitbeelden van ingewikkelde gebeurelijkheden met een

minimum van effectmiddelen is Goethe reeds aanstonds een meester en

overtreft hij Shakespeare; wellicht wordt hij in dit opzicht door

Maeterlinck eenigszins geëvenaard. Enkele uitroepen--een warnet van

intrige wordt ons bewust. Een paar halve regels dialoog--een veldslag

staat ons voor oogen; schielijk, als ware hij geschetst, en toch met de

uitvoerigheid van een schilderij.

Doch voor Goethe zonk de artistieke waarde van het werk--mits de _vorm_

maar absoluut ongebonden bleef--in het niet bij de beteekenis die hij

hechtte aan _de zaak_: Hij wilde een Duitscher ten tooneele voeren,

uitmuntend niet door kunstmatige bevoorrechting maar door eigen kracht,

en waarvan de eensklaps ontwakende toeschouwers moesten getuigen: Dàt is

een kerel! en hij wilde dien man doen òndergaan, zoo dat de herboren

toeschouwers met zijn trouwen lansknecht moesten uitroepen: _Wee het

nageslacht dat hem miskent!_

Hij is hierin geslaagd. Zijn stuk werd--zij het ook gebrekkig--door heel

Duitschland gespeeld en uitbundig toegejuicht. Doch het karakteristieke

van den Götz ligt juist in zijn onopvoerbaarheid. Hiermede immers toonde

Goethe, evenals zijn bentgenooten te streven naar omvatting van "Het

Geweldige". En vooral in boekvorm maakte het stuk opgang. De

bewonderaars vroegen elkander af, wie toch de ongenoemde schrijver mocht

zijn, opdat zij hem hun hulde persoonlijk konden gaan zeggen.

Diefachtige uitgevers--drie te gelijk--drukten den Götz na, zoodat de

schrijver en zijn vriend geen financiëel voordeel hadden van het succes,

en Wolfgang zich het probleem stelde: Hoe zal ik het papier betalen,

door middel waarvan ik de wereld met mijn talent heb bekend gemaakt? Er

was ook een uitgever die hem een vorstelijk honorarium bood voor een

dozijn dergelijke stukken. Maar hij had ze zoo niet meer kunnen maken.

Niet alleen wijl hij heel sterk naar afwisseling zocht, maar vooral:

omdat zijn geest al weer verder was.

Mogen wij Wilhelm Meister gelooven (en hij is gewoonlijk goed op de

hoogte!), dan heeft Goethe spoedig begrepen dat men vooral door de

schitterende harnassen, de vlammende wachtvuren, de zwaarden, de

gewelven was bekoord. De Götz verwees Walter Scott naar de kleur-wazige

middeleeuwen; hij maakte in Duitschland de aandacht gaande voor den

tijd, toen de menschen weer als menschen wilden leven, den tijd van

hervorming en humanisme en onbegrensd vertrouwen in de vrije

menschelijke kracht. Zoo kon hij richtsnoer worden voor een nieuwe

dichter-generatie, die, rondom slechts laffe middelmatigheid vindend,

haar voorbeeldige helden zocht in het verleden. Maar Goethe had, al

schrijvend, deze geestesrichting eens voor al gepeild en overwonnen. Zoo

moest zijn volgend werk--voor hem een triumph--zijn navolgers

verschrikken en teleurstellen. Spoedig zou zich hem bewaarheiden het

wijze woord: Als men voor de wereld een liefdedaad heeft verricht, dan

weet zij er wel voor te zorgen dat men het niet voor de tweede maal

doet!

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,

loopen van midden Mei tot 11 September 1772]

VI

Mijn idealen groeien dagelijks in

schoonheid en grootte.... Ik laat mijn

vader maar begaan; hij zoekt mij van dag

tot dag meer in de burgerlijke zaken van

onze gemeente te spinnen. Zoo lang mijn

kracht nog in mij is, één ruk en de

zevendubbele boeien zijn gebroken.

Wolfgang was--toen hij juist zijn eerste drama op papier had geworpen,

de gedachten van zijn tijd en zijn eigen idealen met verbluffende

phantasie had gekoppeld aan een gloeiend gekleurde ridderhistorie--niet

in de beste stemming om zich tot stipt, spitsvondig, zakelijk

pleitbezorger te bekwamen. Dit lag ook niet in zijn bedoeling, maar hij

gunde zijn vader bereidwillig de illuzie.

Doch de toestanden, die hij aan het opperste Duitsche gerechtshof leerde

kennen, verijdelden zijn laatste brave voornemens ten aanzien van zijn

broodwetenschap, verwoestten het laatste restje van zijn eerbied voor

hooge staatscolleges. Ongeveer zestienduizend processen wachtten te

Wetzlar op berechting, sommige reeds honderd jaar en langer. Men kon er

jaarlijks wel zestig afdoen, doch er kwamen veel meer bij. Wie binnen

een eeuw beslissing in zijn zaak wenschte uit te lokken, moest de

raadsheeren door prijzige geschenken beïnvloeden of een bevriend

autoriteit te hulp roepen. Er hing een zoo bedorven geestes-atmosfeer in

de zalen van dezen Hoogen Raad, dat een na lang aarzelen benoemde

commissie van onderzoek, die begonnen was met drie rechters, wegens

gebleken omkoopbaarheid, achter slot en grendel te zetten, ten slotte

zelf werd aangestoken en uittertreure mee knoeide. Geen verstandig

rechtsgeleerde dan ook die het van zich kon verkrijgen, in den

warwinkel te Wetzlar zijn energie te gaan verspillen. En zeker niet de

enthousiaste, dat is: van Goden vervulde Wolfgang, die van zijn prilste

jeugd af streefde naar zelfontwikkeling. Zijn Götz werd een

revolutionair pamflet door de minachting voor de publieke rechtspraak,

die er in is neergelegd. Zoo sloot het stuk zich aan bij de

tijdsstrooming, die vorsten en overheidspersonen gaarne als boeven op

het tooneel zag.

Hij maakte het zich dan ook niet druk in zijn ambtsbediening.

Door "het jaargetijde der jeugd", de heerlijke lente, liet hij zich

gaarne uit zijn bureel lokken of uit de zonlooze straat waar hij kamers

had. In den omtrek van Wetzlar, in het mooie Lahndal, ontdekte hij

allerlei plekjes die hem lievelingsplekjes werden; Homeros zong er zijn

vurig gemoed te ruste en hij verdiepte er zich in de aanschouwing van de

kleine natuur: van de plechtige mossen, van de wriemelende wormpjes en

insecten; totdat de behoefte aan overgaaf in hem heerschte en hij

wenschte een meikever te zijn om heen end weer te kunnen zweven in de

goede geuren: totdat de natuur geheel rustte in zijn ziel, zooals de

gestalte eener bruid.... Uren bleef hij geboeid bij een bron, waar de

dorpsmeisjes kwamen water putten; hij zag in die meisjes

oud-testamentische koningsdochters en leende haar "zonder

plichtplegingen" zijn sterken arm, om haar de volle emmers op het hoofd

te beuren. Op het kerkplein van Garbenheim, geheel omsloten door

donkertonige huisjes en schuren, boeiden hem een paar oeroude linden;

dikwijls liet hij zich uit de nabijzijnde herberg stoel en tafel brengen

en hij bracht er heele dagen door met teekenen, mijmeren en lezen. Hij

koutte met de eenvoudige natuurlijke dorpsmenschen, hij kookte zelf zijn

potje, hij deelde zijn klontjes, zijn brood en zijn zure melk met de

kinderen, die geregeld bij hem terug kwamen, en iedere week hun

Zondagscenten van hem kregen; was hij na kerktijd nog niet gekomen, dan

had de waardin order tot uitbetalen. In zijn hart stonden de kinderen

hem het naast: hij zag alle deugden en ondeugden--maar die nog

onschuldig!--in hen kiemen, en begreep het gulden woord van den

Heiland: Zoo gij niet wordt als een van dezen....

[Illustratie: KERKPLEIN MET "GOETHE-LINDE" TE GARBENHEIM]

In het eethuis, waar "De Kroonprins" uithing, hadden enkele jonge

ambtenaars en wat geduldige rechtzoekenden, om zich na hun Jobsarbeid

wat te verstrooien, een riddergenootschap in middeleeuwschen trant

gesticht. Bij het middagmaal zat de heirmeester aan het hoofd van de

tafel: aan zijn rechterhand zetelde de kanselier en naast dien waren

naar ancienneteit opgesteld de andere ridders, die namen droegen als

Lubomirsky de Strijdbare, of St. Eustacius de Voorzichtige. Wolfgang

werd met ridderslag en gewichtige potsierlijkheid in den kring

toegelaten; hij heette er Gottfried von Berlichingen de Treffelijke. Een

van de ridderen, Goué, heeft het groepje later in een tooneelstuk

nageteekend. Ook de gezantschapssecretarissen Jerusalem en Kestner, wier

invloed diep door Goethes leven zou grijpen, behoorden er toe, maar ze

verschenen zelden, daar zij buitengewoon ernstig waren, en drukke

bezigheden hadden.

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 6 / 29 段