avonds bij de taptoe naast de rommelende trommen loopen, hoewel
aanvankelijk zijn ingewanden meetrillen. Wetend dat het uitzicht van een
hoogte af hem doet duizelen, klautert hij herhaaldelijk tot in het nokje
van den Munstertoren, en blijft daar een kwartier lang op een vlak van
nog geen el in 't vierkant staan. Zijn medische liefhebberij went hem
aan lijken en aan afzichtelijke zieken. 's Nachts op het kerkhof tracht
hij zijn geheimzinnig beven te bedwingen, en hij slaagt daarin zoo goed,
dat hij dit angstgevoel later, zelfs met groote moeite, niet geheel
terugvindt. En ook de uitvallen van grimmigen Herder wil hij verdragen.
Hij vermijdt gesprekken over onderwerpen die den zieke ergeren, hij weet
altijd een terrein van gemeenschappelijke sympathie te vinden. Voortaan
kan hij ook bevriend zijn met iemand die totaal anders denkt als hij. En
zoo blijkt zijn samenzijn met den rijperen Herder niet toeval alleen:
door een machtige _zelftucht_ heeft hij zich diens leeringen waardig
gemaakt, toen hij voelde dat hij er behoefte aan had.
En nadat hij Herder met geleend geld--waarvoor hij later met een
hekeldicht zal worden bedankt--heeft voortgeholpen, bespeurt hij hoeveel
hij heeft gewonnen. Er zijn zooveel plannen in hem ontstaan, dat hij
niet weet, welk plan het eerst aan te pakken. Hij leest de
auto-biographie die de laatste ridder, Götz von Berlichingen, tot zijn
verdediging heeft opgesteld: en hij wil de nagedachtenis van dezen
braven, ruwen, waarheidlievenden zelfhelper uit den middeleeuwschen
vrijbuiterstijd, de nagedachtenis van dien echten Duitscher redden, door
hem in dramatischen vorm te doen herleven.--Zijn geestverwantschap met
den zoekenden Faust uit het oude poppenspel, die evenals hij in
menigerlei weten den samenhang der dingen tracht te bevroeden, en daarna
zich in het Leven werpt, gaat zich openbaren. Hij vergast zich in stilte
aan de dus ontstane scheppingsmogelijkheid, zonder iets neer te
schrijven van wat binnen hem tot hevig leven is ontbloeid.--Hij stelt
belang in Elsasser antiquiteiten, wier kennis hem den volksaard
gemakkelijker laat naderen. Hij luistert ouwe moederkens op het land
haar naïeve taal en haar eenvoudige liedjes af, en zijn eigen lied wint
daardoor aan natuurlijkheid en volheid van klank. _Wilkommen und
Abschied Mailied, Kleine Blumen_ en bovenal _Heideroslein_ en _Ein
zärtlich jugendlicher Kummer_ heeft hij in dit opzicht nadien maar
zelden overtroffen.--En dan verdiept hij zich al meer in Shakespeares
kleurige weireld. Hij doorziet hoe aan elkeen, al naar zijn aard, een
levenslot is toebedeeld, en wordt nu den lust gewaar: met zijn eigen lot
te strijden in de wisselende kansen van het werkelijke Leven. Herder wil
Catherina II gaan dienen en, gebruik makend van haar macht, haar land en
daarna heel Europa hervormen. Goethe, nog niet wetend hoe, hoopt eens
met breede daden het lot van een volk te leiden, en weldra gaat hij de
hervormingsplannen van Möser, Wielands Gouden spiegel, Machiavelli's
Vorstenboek bestudeeren, teneinde gereed te zijn, indien ooit de
begeerde taak hem wordt aangewezen. In het Leven, niet in collegezaal of
in laboratorium, hoopt hij nu God te vinden. Want het groote Leven is,
wel doorgrond, een openbaring Gods, voor hem die het als geheel op zich
laat inwerken.
En in welken vorm zal hij nu het echte Leven ontmoeten?
De Paaschvacantie is begonnen. Snel te paard en naar Sesenheim. Hij komt
er laatavond aan, maar Friederike heeft 't voorspeld en is nog op. Hij
heeft haar hart gewonnen: in een warm oogenblik komen de eerste kussen.
En reeds voelt hij dat hij ze niet verdient. Hoe ze tegen hem opziet, de
maagd die hem moed tot nieuwe liederen heeft gegeven! O, moge hun liefde
geen kortstondig rozenleven hebben! Ze kijkt hem met vochte oogen na,
als hij terug naar Straatsburg draaft.
Daar krijgt hij zijn vriend Jung, genaamd Stilling, te troosten, die pas
een literaire miskenning heeft ondergaan, en wiens verloofde zwaar ziek
ligt. Jung gaat haar verplegen en als zijn vrouw brengt hij haar terug.
God zal zorgen.--Zoodra Wolfgang dit van hem verneemt, mept hij hem op
zijn schouder en roept dat hij _een excellente kerel_ is!
Want hij moet denken aan zijn Rieckchen. Ze staat verre boven Annette,
want ze is geheel natuur. Maar voor Annette heeft hij gekropen, nadat ze
hem had verstooten, en nu hij als gerijpt man en meester over zijn
grillen voor dit naïeve kind staat, het kind dat van hem heeft geleerd
wat liefde is, nu.... Gelijk de edele Helena in Fausts armen tot
woedende furie vergroeit, zoo wordt onschuldige Friederike door haar
liefde hem een kwelgeest. Een smartelijke geestesverwarring jaagt hem de
koorts op 't lijf. Hij weet niet meer: zijn brein is als een windvaan.
Hij ervaart dat zijn hartstocht haar al kwaad genoeg heeft berokkend.
Haar borstziekte verergert. Hij snelt naar Sesenheim en, zelf zwak,
blijft hij vier weken aan haar sponde, verwijt zich onophoudelijk, dat
hij aanspraken in haar heeft gewekt die hij nooit zal vervullen. Hij
weet goed dat ze 't liefdegeluk--zoo ooit--slechts van hem zal aannemen,
dat hij gaat terugrooven wat hij haar een oogenblik heeft geschonken.
Maar, na de zelfkastijding tot bezonnenheid gekomen, neemt hij voor
beiden het besluit hun liefde op te offeren; dit is het eerste groote
offer dat hij brengt aan zijn genie.
Hij heeft Friederike eens bijgewoond toen zij bij een deftige
stadsfamilie logeerde, en weet dat zij, landmeisje, in burgerlijke
omgeving niet past. Zijn vader zal haar noode als schoondochter dulden.
Doch dit weerhoudt hem niet en evenmin de angst die hem bekruipt als hij
denkt aan de mogelijkheid, zijns vaders plannen opnieuw te dwarsboomen.
In ieder geval zal zijn practijk als rechtskundige hem bijzaak blijven,
zijn dichterschap hoofdzaak, zelfs al huwt hij Friederike niet. Maar hij
besluit zijn harte-geluk op te geven om zijn geestesontwikkeling te
redden. Hij weet dat een huwelijk een al te lange rustpoos voor zijn
innerlijken strijd zal beduiden, ja, dien strijd misschien voor goed zal
afsluiten--terwijl hij voelt dat hij nog vele geestestoppen voorbij
moet, voorbij kàn. Zal hij op den duur sterk genoeg zijn om zijn arme
vrouwtje niet te verwijten, dat hij haar eenvoudig bestaantje is gaan
deelen: op het oogenblik dat zijn aanleg hem drong naar het groote
Leven?
Nu krijgt het sprookje van De Nieuwe Melusine, dat hij haar, geen kwaad
vermoedend, in 't priëel heeft verteld, een schrikkelijke beteekenis
voor zijn levenslot. Hij vereenzelvigt zich met den man, die aan een
schoone dwergprinses is getrouwd, nadat een tooverring zijn lichaam
heeft doen krimpen. Hij heeft dien man de volgende woorden in den mond
gelegd: "Ik werd in mij gewaar een maatstaf van mijn vroegere grootte,
die mij ongerust en ongelukkig maakte. Nu begreep ik voor het eerst, wat
de wijsgeeren bedoelden met hun Idealen, die de menschen zoo konden
kwellen. Ik had een Ideaal van mij zelf, en in mijn droomen verscheen ik
mij dikwijls als reus. Kortom, de vrouw, de ring, mijn dwerg-gestalte en
nog vele andere banden maakten mij totaal ongelukkig en ik begon in
ernst na te denken over mijn kansen op ontsnapping".--Hij vreest dat het
hem zelf eens zoo zal vergaan, als de kleine Friederike zijn vrouw zal
zijn. Maar hij blijft bij haar, en tuchtigt zich met haar
tegenwoordigheid. Hij leest haar voor uit zijn werk, hij is met haar in
den blauwen ether die Friederike overal omzweeft: dit zal hij nu
verliezen. O de wereld is zoo schoon, zoo schoon--voor hem die haar
genieten kan. Nu zijn de droomen van zijn kindsheid vervuld. Wandelt hij
niet door de toovergaarden uit zijn droomen? Ja, ze zijn 't, ze zijn 't,
maar hij is geen grein gelukkiger, al heeft hij gekregen wat hij
wenschte. Want in iedere gelukzaligheid mengt het noodlot een toegift,
en er behoort veel moed toe, hier op aarde niet te vertwijfelen.
Hij spreekt haar van zijn aanstaande promotie, maar hij spreekt haar
niet van trouwen. En ze begrijpt. Haar liefde is grooter dan de zijne
was. Wolfgang is haar alles geweest: nu heeft hij haar jonge leven
gebroken. Hij voelt dat deze schuld altijd op zijn geweten moet drukken.
Hij zal zijn boetedoening weldra aanvangen. Eerst in de figuur van den
laffen minnaar Weislingen; vervolgens in Clavigo, die zijn liefde offert
voor zijn literair welslagen; eindelijk in Faust, die met àl zijn
Idealen enkel maar vergeet wat hij aan Gretchen verplicht is (maar zij
vergeet hem niet en bidt voor hem), zal hij zijn wandaad zich voor oogen
stellen. Met de Marie's uit de drama's Götz von Berlichingen en Clavigo,
maar vooral met de ontroerend-fijn geteekende Gretchen, zal hij toonen
wèl te weten wat hij heeft vergooid. En als het waar is dat de dichter
meeleeft met zijn werk, dan heeft Goethe ruimschoots voor zijn schuld
geboet. Toen hij aan Salzmann een exemplaar van zijn Götz voor
Friederike zond, zei hij in een begeleidend schrijven: "De arme
Friederike zal zich eenigszins getroost bevinden, als ze ziet dat de
trouwelooze (Weislingen) is vergiftigd". En een eeuw later trok zijn
werk de eerste pelgrims naar Sesenheim, naar de plekjes die van hun
rozenliefde getuige waren.
Zijn vrienden roepen hem en streng vermaant hem zijn vader aan zijn
studie een eind te maken. Hij keert naar Straatsburg terug en legt de
laatste hand aan zijn proefschrift. Natuurlijk heeft zijn onderwerp met
de rechtspractijk heel weinig te maken. Onder den invloed van Rousseau's
"Contrat Social" behandelt hij de stelling: "De staat is niet alleen
gerechtigd maar ook verplicht, een eeredienst vast te stellen, waaraan
noch geestelijkheid, noch leekendom zich kan onttrekken. Overigens worde
niet onderzocht, wat ieder burger denkt en gevoelt". Op deze wijze,
meent hij, wordt den staatsburger de grootst mogelijke vrijheid
gewaarborgd.--Vader Goethe is verheugd met dit in goed Latijn gestelde
tractaat. De hooge faculteit minder: zij laat alle recht wedervaren aan
de kennis en de scherpzinnigheid van den schrijver, maar geeft hem, bij
monde van haren deken, in kiesche bewoordingen te kennen, dat zij de
publicatie van zijn betoog moet ontraden, daar het den godsdienst,
ongeacht het leerstuk van de Openbaring, als een soort uitvinding
schijnt te beschouwen ten nutte van den staat; en dit, aldus de
faculteit, is strijdig met het.... publiek belang. Wolfgang, die sinds
hij Behrisch heeft gekend, niet gaarne iets laat drukken, is het tegen
alle verwachting in geheel eens met de hooge faculteit. Geholpen door
zijn repetitor flanst hij in alle haast 56 stellingen bijeen, sommige
vol grilligen overmoed, andere, bijvoorbeeld: De schoonste studie is de
studie van de rechten,--ietwat gewoontjes.
Hij zal ze in het openbaar verdedigen. Zijn bentgenoot Lerse, die
eigenlijk theoloog is, behoort tot de opponenten; hij weet het hem, den
jurist, zoo warm te maken, dat vriend Wolf naar zijn degen grijpt,
eensklaps zijn Latijnschen woordenvloed onderbreekt en hem in goed
Duitsch toevoegt: Ik geloof, broedertje, dat je aan mij een Hector wilt
worden![A]--Hij wordt bevorderd tot licentiaat, wat hem in Duitschland
recht geeft op den doctorstitel. Een vroolijke maaltijd bezegelt de
promotie, en dan volgt een dolle rit door den Elzas, waarbij
potsierlijke hymnen worden gezongen die aan Ceres gewijd zijn, maar
onderwijl ook het vraagstuk van den vrijhandel oplossen. Thuiskomend
vindt Doctor Goethe een bitter gestemden brief van Herder, die hem
herinnert aan het vele dat hij nog heeft te leeren en te ondervinden.
[A] Hector werd, naar o.a. de Ilias van Homeros verhaalt, door Achilles
neergeveld.
Hij heeft te Straatsburg geen gunstige reputatie gevestigd. Men vindt
hem wel geniaal doch ook onverdraaglijk ingebeeld; men noemt hem een
waanwijzen half-geleerde, een krankzinnigen godsdienst-verachter. Aan
den anderen kant pogen de Professoren Koch en Oeberlin hem voor den
Franschen staatsdienst te winnen en beloven hem officieus een leerstoel
voor geschiedenis, staatsrecht en welsprekendheid. Maar hij wil er niets
van weten. Zoo gaat het met jongelings-idealen!
Onmiddellijk voor zijn vertrek brengt hij een afscheidsbezoek aan
Friederike. Afscheidnemen ligt anders niet in zijn aard: hij is, evenals
zijn moeder, uiterst bang voor scènes. Friederike ontroert hem door haar
stil gedragen leed. Ze verwijt hem niets. Maar op den terugweg heeft hij
een wonderlijk visioen: Niet met de oogen des geestes, neen, met zijn
lijfelijke oogen, ziet hij een ruiter in een vreemd grijs-met-goud
costuum hem tegemoet draven: hij is het zelf! Acht jaar later, als hij
Friederike nogmaals zijn hulde gaat brengen, zal hij met hevigen schrik
zich dit visioen herinneren, en opmerken, dat hij toevallig het vreemde
grijs-met-gouden costuum draagt!
[Illustratie: Het drama Götz von Berlichingen verscheen midden 1773.]
V
"Als jouw Wolfgang naar Mainz gaat, brengt
hij meer kennis mee dan anderen die van
Parijs of Londen terugkomen."
Frl. KLETTENBERG _aan moeder Goethe_.
Hij liet zich te Frankfort dadelijk als advocaat beëedigen. Zijn vader
was blij, weer eens in acten en proces-stukken te kunnen snuffelen, en
hij nam hem een deel van de zaken uit handen. Ook bracht hij orde in de
vele ontwerpen, vertalingen, reisbeschrijvingen die de zoon onder zijn
papieren had; hij hoopte hem tot voltooien en uitgeven van zijn werk te
noopen. Doch bij Wolfgang waren de oude plannen reeds door nieuwe
verdrongen: zijn levendige geest wilde voortdurend afwisseling en de
dingen die hij eenmaal had neergeschreven boeiden hem niet meer. Slechts
één onderwerp hield hem voortdurend bezig: de geschiedenis van den
"edelen Duitscher" Götz von Berlichingen, die hij wilde dramatiseeren,
gelijk hij als jongen sprookjes had gedramatiseerd voor het poppenspel.
Götz' levensloop, zooals zijn kronyk die met droog-eerlijke woorden
vermeldde, had zich in zijn phantasie vervlochten met voorvallen uit
zijn eigen leven. De bedoelingen van den trouwhartigen, eenvoudigen,
ruwen, moedigen ridder schenen hem verwant aan de bedoelingen van jong
Duitschland: hij wilde aan zijn zwakke tijdgenooten hém tot voorbeeld
stellen. En allerlei personen die hij had ontmoet (zijn vriend Lerse) of
geschapen (de verleidster Adelheid) leken hem geschikt om, in
middeleeuwsche kleedij gehuld, het lot van zijn held te beïnvloeden. Hij
sprak er zijn zus Cornelia over en declameerde haar heele tafereelen
voor. Zij vroeg hem of hij nu eindelijk er ook eens wat van beliefde op
te schrijven? Toen hij haar de eerste scènes toonde, betwijfelde zij
dat hij het drama ooit op die manier zou afmaken. Daardoor geprikkeld
ging hij dapper aan het werk en zes weken later--December 1771--verzond
hij van uit zijn dakkamer afschriften aan zijn oudere vrienden.
Reeds waren nieuwe helden in hem opgestaan: hij wilde nu ook de
geschiedenis van Socrates, die van Mahomet, die van Julius Caesar
dramatiseeren. De leidende gedachte van deze Skizzi en ook van den Götz
was deze: Doen blijken hoe de rechtschapenheid, de wijsheid, het talent,
kortom "het oorspronkelijk genie" zich in deze domme wereld niet kan
uitleven, maar in botsing met de gemeene alledaagschheid ten ondergaat
of zelf gemeen wordt.
Tot uitwerken kwam het niet. Zijn overstelpende gedachten-rijkdom mengde
zich met wroeging over zijn wangedrag jegens Friederike (die zich
intusschen met den mallotigen dichter Lenz had getroost) en joeg hem van
zijn werktafel naar de vrije natuur. Hij ondernam lange wandeltochten en
als hij door storm en slagregen zijn woeste liederen zong, dan vormde
zich in hem het vertrouwen, dat zijn genie den strijd tegen de
gemeenheid zou volstrijden. Een dezer verwarde, vonk-doorgloeide zangen
is ons bewaard gebleven als _Wanderers Sturmlied_.
In dien tijd maakte hij kennis met iemand die hem van veel ballast zou
bevrijden en die hem daardoor rust tot werken gaf. Het was Johann
Heinrich Merck, weldra door vriend Wolf Mephistofeles Merck
geheeten,--een fijngevoelig, veelzijdig man, in allerlei kunsten en
wetenschappen zeer te huis; krijgsbetaalmeester van professie en
verbolgen tegen de wereld, wijl hij geen ambt kon vinden dat met zijn
aanleg en bekwaamheid strookte. Hebben wij een pretje--aldus Herders
verloofde--al is het ook een mager pretje, wat doet het er toe? hij weet
er altijd iets zurigs door te mengen. Hij stond met verschillende groote
mannen van zijn tijd in vertrouwelijk briefverkeer en stelde aan zijn
vrienden hooge eischen, die hij meestal negatief formuleerde, namelijk
in den vorm van onbekommerd-scherpe critiek of killen spot. In dit
opzicht was hij de opvolger van Behrisch--de jonge Goethe had behoefte
aan een ouderen biechtvader en aan lieve biechtmoedertjes. Hij stond
echter veel hooger en was te bezadigd om, als Behrisch, tot uitersten
over te slaan. Hij was zoo weinig "de geest die steeds verneent" (dien
wij later in Faust zullen ontmoeten) dat hij gedichten, satyres,
kunst-en natuur-historische geschriften in het licht gaf.
Hoe toegevend hij--de verstandsmensch--was, zelfs jegens overdreven
gevoeligheden van anderen, blijkt wel uit de geaardheid van het
gezelschap waar men hem hoogschatte en ook Wolfgang, dien hij
introduceerde, gaarne ontving. Dit gezelschap groepeerde zich om den
galanten, sentimenteelen Leuchsenring, oprichter van het Genootschap des
Gevoels; een heertje dat alle groote emoties schuwde, voortdurend dreef
op zoete, uitgezocht-liefelijke gedachtetjes, en--als vriend Wolf het in
_Pater Brey_ uitdrukte--berg en dal gelijk wou maken, elke ruwheid met
pleister en kalk glad wou strijken. Hij ging liefst met weeke,
etherische freules, die zich kinderen en herderinnen waanden, en zich
poëtische of romantische naampjes als Urania of Psychê toeëigenden en in
rozenpriëelen dineerden van water-en-wind onder toezicht van
blank-gewasschen lammekens, en de maan vereerden, en feest- of
vastendagen hielden bij aankomst of vertrek van vrienden. Zij waren de
apostelen van den "Heilige" Leuchsenring, die heur brieven en linten in
keurige portefeuilles met zich droeg en hier en daar met een
allerkeurigste toespraak vertoonde. De schepseltjes doorzagen niet, dat
de leege "Heilige" haar hartegeheimpjes ontlokte om zijn intrigezucht te
bevredigen. In dit kringetje werd Goethe--schoone, poëtische jongeling,
die pas een ongelukkige liefde had meegemaakt--als een door den hemel
gezonden vriend op de knietjes aangebeden. Hij dichtte oden op de
empfindsame freules. Als hij--die pelgrim, die bode, die
zwerveling!--zijn voettocht van Darmstadt naar Frankfort begon,
begeleidden de satijngeschoeide feeën, als fladderende kapelletjes, hem
een eindweegs.... Nu, als Merck wezenlijk den roep van duivelsgezant
verdiende, dan hadd' men hem in dezen kring niet geduld.
Zijn nuchtere wereldkijk belette hem niet, onder Herders invloed met
zijn sympathieën aan de zijde van de Sturm-und-Drängers te staan. Toen
een bevriend uitgever hem de leiding opdroeg van een reeds gevestigd
journaal, de _Frankfurter Gelehrten Anzeigen_, met den wenk het een
beetje te verjongen, werd dit het orgaan van jong Duitschland. Herder en
Merck, Goethe en Schlosser--weldra verloofd met Cornelia--redigeerden
het blad. Het verscheen twee maal in de week en was gevuld met levendig
gestelde boekbesprekingen. De hoofdlijnen hiervan werden na onderling
overleg vastgesteld: wie een bepaald boek het eerst had gelezen opende
ter redactie-vergadering de discussies. Wolfgang, die vaak als
rapporteur optrad, kreeg verlof nu en dan eigen beschouwingen in zijn
verslagen te vlechten. Van dit verlof maakte hij ruim gebruik. Het was
weliswaar nog schemer in hem, en hij streefde vooruit, zonder precies te
weten waarheen, maar hij had toch een ingeschapen besef van het Ware,
"een tooverroede die hem aanduidde waar goud lag". Hij ging "de
pruiken", en met een zekere voorliefde de theologische pruiken,
overmoedig te lijf; en wijdde meermalen uit over zijn gemoedsstemmingen,
ook wanneer die slechts in de verte verband hielden met zijn onderwerp.
Botsingen met de geestelijkheid konden niet uitblijven, daar het
journaal den bijbel als het werk van vele menschen beschouwde (wat
ongehoord scheen in dien tijd) en den godsdienst opvatte als een
natuurverschijnsel. Hoewel de medewerkers gaarne streden, lieten zij
Wolfgang de een na den ander in den steek, toen de uitgever, zonder hen
er in te kennen, artikelen van vreemden opnam. Spoedig ging de redactie
in professorale handen over en had van toen af niet meer een scherp
uitgesproken richting. In een droog sarcastiesch stukje deelde Goethe
het publiek mede dat de "ongezeggelijkste recensenten" waren
uitgetreden.
Doch vóor dit tijdstip valt zijn kortstondig verblijf te Wetzlar, in
welk stadje hij op verlangen van zijn vader een poos als "praktikant"
zou werken aan den Hoogen Raad teneinde er wat routine op te doen en wat
kijk op den procesgang.
Zijn eerste groote werk: "Götz von Berlichingen met de ijzeren Hand",
had hij toen in portefeuille. Het droeg tot motto: "Het ongeluk is
geschied, het hart des volks is in het slijk vertreden en tot geen edele
begeerte meer bekwaam". En in een brief aan Merck verklaarde hij dat hij
met dit drama alle betweters, apen en pruikmakers uit hun tent hoopte te
lokken, maar dat ze hem.... konden likken.
* * * * *
OVERZICHT VAN "GÖTZ VON BERLICHINGEN" Tweede lezing
EERSTE BEDRIJF: 1. ~Kroeg.~ Enkele boeren, Berlichingen goed gezind,
zoeken twist met twee ruiters van den bisschop van Bamberg; waard
scheidt vechtenden; twee lansknechten van Berlichingen treden binnen,
begrijpen uit een en ander dat Weislingen, de vijand van hun meester,
bij bisschop logeert, verwijderen zich terstond om dit Götz te gaan
melden. 2. ~Herberg in 't Woud~. Götz loert op Weislingen, zijn
afvalligen vriend; Georg, zoon van herbergier, heeft spelenderwijs
harnas van Götz' knecht aangegespt, krijgt de belofte dat hij volgend
maal mee mag op avontuur; voorbijreizend monnik Martin (Luther?) drinkt
een glas met den vereerden Götz, wil diens ijzeren kunst-hand kussen; de
twee lansknechten komen zeggen dat Weislingen in de nabijheid is; Götz
en de zijnen werpen zich te paard. 3. ~Jaxthausen~, ~Berlichingens
burcht~. Elisabeth (zijn Gade), Maria (zijn zuster) en Carl (zijn ietwat
verwijfd zoontje) beiden zijn terugkeer; Götz verschijnt met den
terneergeslagen Weislingen als gevangene; tracht, door hem te herinneren
aan de jaren, toen zij beide page waren aan 't hof van den markgraaf,
hem op te vroolijken, wat langzamerhand gelukt; hij betreurt dat
Weislingen zich verlaagt tot werktuig van den bisschop, terwijl een
ridder toch slechts God en zijn keizer heeft te gehoorzamen; verzoening,
maaltijd. 4. ~Bisschoppelijk hof op Bamberg~. Een drinkgelag wordt
gestoord door het bericht van Weislingens gevangenschap. 5.
~Jaxthausen~. De strenge, zedige Maria verloofd met Weislingen; diens
page komt melden, dat bisschop weigert Götz' schildknaap tegen
Weislingen uit te wisselen; Götz geeft niettemin zijn aanstaanden zwager
de vrijheid weer, onder voorwaarde dat hij den bisschop niet meer zal
dienen; page maakt Weislingens belangstelling gaande voor de
buitengewoon schoone weduw Adelheid, die aan 't bisschoppelijk hof
vertoeft.
TWEEDE BEDRIJF: 1. ~Bamberg~. De sluwe Liebetraut belooft den bisschop,
Weislingen weer in zijn burcht te voeren, als Adelheid hare medewerking
niet weigert. 2. ~Jaxthausen~. Götz heeft den Nürnbergers oorlog
verklaard: zij hebben zijn schildknaap verraden. 3. ~Bamberg~.
Weislingen komt werkelijk. 4. ~Spessart~. Götz, ridder met één hand, en
Selbitz, ridder met één been, liggen op den loer naar Nürnberger
kooplui: Georg komt zeggen dat Weislingen weer bij bisschop is. Götz
gelooft het niet, draagt Georg op zich te vermommen en te verspieden wat
Weislingen op Bamberg uitvoert. 5. ~Bamberg~. Vergeefs tracht bisschop
door listige verwijten Weislingen aan gelofte te onttrekken. 6.
~Adelheids vertrek~. Maar Adelheid brengt hem in verwarring en stoot hem
terug als hij goed verliefd is. 7. ~Adelheids antichambre~. Weislingen
besluit te blijven. 8. ~Spessart~. Georg brengt nu zoo stellige
berichten van Weislingens afval, dat Götz hem moet gelooven. 9.
~Bamberg~. Adelheid heeft Weislingen in haar macht; brengt hem in den
waan dat ze zijn vrouw zal worden, als hij den keizer tegen Götz weet op
te zetten. 10. ~Boerenbruiloft~. De afpersingen die de Justitie den
rechtzoekende doet ondergaan, versterken Götz in de meening, dat hij
zich zelf recht mag verschaffen. Hij trekt op de Nürnbergers af.