De juridische faculteit van Straatsburg had toen geen wijd-en-zijd

beroemde professoren; men kreeg er geen diepzinnige, theoretische

opleiding, doch deed er de rechtskennis op, die men voor de practijk

strikt noodig had. Salzmann nu zegt den jongen Goethe hoe hij--daar de

kennis die hij te Leipzig heeft opgedaan nogal meevalt--zich met hulp

van een repetitor en een paar geleende dictaten in korten tijd kan klaar

maken voor zijn eerste examen. Hij introduceert hem in zijn "Vereeniging

voor schoone wetenschappen" en de muzenzoon neemt er levendig deel aan

de wekelijksche discussies over zooeven verschenen Fransche en Duitsche

boeken. Hij stelt hem voor aan vele deftige families, waar Wolfgang

spoedig zeer gezien is; vooral daar zijn oudere vriend hem heeft weten

te overtuigen, dat men in de wereld kalme, wel-overdachte manieren dient

te toonen. Wolfgang, wiens lokken door den Frankforter kapper verknipt

zijn, draagt--hoewel 't hem moeite kost--een valschen toer en poedert

zijn haar totdat het voldoende is bijgegroeid om naar de nieuwste mode

te worden gefatsoeneerd. Hij hanteert 't rapier, stijgt dagelijks te

paard, leert cello spelen. En voortaan verschijnt hij in gezelschap met

den driekant-hoed onder den arm, in wijde betreste jas, in kniebroek,

zijden kousen, lage schoenen--hoewel hij liefst slappe, hooge laarzen

draagt.

Bij groote gulven keert zijn levenskracht weer. Hij neemt krachtige

beweging in de open lucht, bezoekt de landelijk-schoone omgeving van

Straatsburg. Daar is veel dansgelegenheid. Als de mooie Elsasser

vrouwen, die nog mooier lijken in hun nationale dracht:--kleurig keurs,

lange vlechten, korte rokjes--als de Elsasser vrouwen vroolijk zijn, dan

moeten ze dansen. Wolfgang echter heeft van zijn vader alleen de statige

dansen geleerd en nu gaat hij haastig les nemen bij den vermaarden

Sauveur, droog, vlug Franschmannetje van den ouden stempel. Als diens

beide dochters zich gelijktijdig in hem verlieven, als de donkere

Lucinda, na hem hartstochtelijk gezoend te hebben, een wreeden vloek

roept over de vrouw die na haar zijn lippen zal beroeren, dàn leert

Wolfgang zijn aantrekkingskracht kennen, en hoedt zich langen tijd een

meisje te kussen,--wat hij overigens gaarne doet. Vaak wil men hem, bij

het pandverbeuren, er toe dwingen; en manmoedig doet hij zijn uiterste

best om 't kussen te ontgaan en toch niet saai te schijnen.

Thans getuigen zijn Ephemeriden ook weer van zijn weetdorst; hij tracht

de overleveringen der alchimisten aan de moderne scheikunde te toetsen,

begint belang te stellen in kleurenleer en electriciteit. Salzmann heeft

hem aan de studie van de, vroeger verachte, wijsbegeerte gezet. Hij

verdiept zich in Thomas à Kempis' middeleeuwsche mystiek, in Voltaire's

spotternijen, in Rousseau's zedencitiek. Den oud-Italiaanschen

vrijdenker Giordano Bruno kent hij slechts fragmentariesch uit Bayles

Dictionnaire, doch hij meent diens natuurlievend pantheïsme diep genoeg

te doorgronden om Bayle oppervlakkige uiteenzetting er van te verwijten.

Het weinige dat hij van Spinoza weet is tamelijk vreemd aan de volgende,

in 't Latijn gestelde aanteekening: "God afgescheiden van de Natuur te

bespreken is moeilijk en gevaarlijk; het is alsof wij ons ziel en

lichaam afzonderlijk dachten. Wij kennen de ziel slechts door

bemiddeling van het lichaam en God bespeuren wij slechts vanuit de

natuur; vandaar dat het mij ongerijmd schijnt, van ongerijmdheid te

beschuldigen degenen die philosophisch God en de natuur vereenigd

begrijpen."--

Op een tocht door den Elzas bezoekt hij ijzer- en aluinmijnen, glas- en

metaalfabrieken en wordt hij geboeid door Romeinsche overblijfselen;

"een wonderlijke antieke stemming" overvalt hem; hij zal die later

uitwerken in zijn gedicht _Der Wanderer_, dat rustige gesprek tusschen

"den voetreiziger", en de jonge moeder, die te midden van de ruïnes met

man en borstkind huist. Zijn belangstelling in mijnwezen en nijverheid

heeft zich ontwikkeld uit de belangstelling die hij als kind voelde voor

den ambachtsman, diens procédés en maatschappelijke positie; zij zal hem

op zijn lateren loopbaan ten nutte komen.

Nù lijkt zijn leven een sledevaart, schitterend en klingelend, zoo

weinig biedend aan het hart als het oogen en ooren veel is. De

afwisseling doet vriend Wolf zoo waar besluiten, zijn vakstudie

interessant te vinden. Hij legt weldra candidaats-examen af, behoeft nu

geen colleges meer te volgen, en gelooft dat hij naarstig aan zijn

proefschrift zal gaan werken;--wat geen gemakkelijke taak is, daar de

veeleischende vader hem steeds als censor voor oogen staat. Maar het

blokken is al weer ten einde.

Want de tijd begint te komen, dat hij in het zoeken en het streven van

zijn tijd een rol zal spelen. Kon hij te Leipzig de literaire meeningen

van het gevestigde en het opgroeiende geslacht slechts een zondvloed,

een waterstroom, een hopelooze warboel heeten, nu--met zichzelf tot

klaarheid gerakend--gaat hij inzien dat zijn tijdgenooten drijven naar

het doel dat hij zich heeft gesteld in stilte:

Eeuwen lang hadden de Duitsche dichters gewerkt naar Fransche

voorbeelden en zich gevoegd naar een stel wetten en regelen die noch uit

hun gemoed, noch uit den aard des volks ontsproten. Maar daar was

Lessing opgestaan en had met zijn kalm snijdende critiek de onnatuur van

het Fransche drama blootgelegd; zijn _Minna von Barnhelm_ was het eerste

typiesch-Duitsche tooneelspel. Klopstock voltooide geleidelijk zijn

_Messias_ en toonde daarmede, hoe ver de zuivere phantasie van een vroom

gemoed reikt. Daar was de eigenaardige Hamann "de magiër van het

noorden" (als verre voorlooper van den zaaienden Multatuli uit de

"Ideeën" te karakteriseeren) die zijn bezwaren tegen den geest des tijds

niet als voltooid systeem tot uiting bracht, doch als "brokjes,

kruimpjes, grillen", als vele pittige zaden, die op goedvoorbereiden

bodem welig moesten tieren. De poëzie--dus beweerde hij in allerlei

toonaard--is de moedertaal der menschheid geweest; zij zoekt haar kracht

niet in het zorgvuldig volgen van een voorbeeld, maar wortelt in den

dichter aangeboren neigingen: "_het oorspronkelijk genie_". En heel uit

de hoogte sprak de geleerde Kant het woord dat het wetenschappelijk

denken bevrijdde uit den dwang eener pedante, formalistische logica. Hij

maakte het levende denken weer tot maatstaf van de waarheid; hij leerde

dat de aangeboren grondbegrippen van het Ik de natuur eigenlijk maken

tot wat zij ons toeschijnt te zijn; hij rukte het gebiedende "Du

sollst"--Gij moet!--naar voren, het onontkoombare plichtsgevoel; en hij

vestigde aldus--naar men meende--hetgeen de jongeren "de rechten van het

Ik" noemden, tegenover de bemoeizucht van overgeleverde kunst- en

zedewetten.

Nu groeit echter jong Duitschland op in een maatschappij welke

bureaucratische sleur boven persoonlijk initiatief stelt. In zulk een

maatschappij kan de mensch wel zijn broodwinning zoeken, als het moet,

maar geenszins de bevrediging van zijn hoogere ideëele behoeften. Men

richt daarom zijn energie niet hoofdzakelijk op het practische leven,

doch op een kunststreven dat deze behoeften moet bevredigen en het gemis

aan actie moet vergoeden. Zooals het meer gaat, wanneer het lang

achtereen vrede is geweest en geen gemeenschappelijk gevaar de

noodzakelijkheid van den staatsdwang doet voelen: een bijna ziekelijk

verlangen naar "de vrijheid", _d.i._ de individueele vrijheid, maakt

zich meester van de daadlooze jongelingschap. Alle maatschappelijke

instellingen--van de huwelijkswetten tot de spellingsregelen--worden

scherpzinnig overdacht en eigenmachtig verkracht. Doch--in weerwil van

al zijn idealen geldt het individu slechts een onbeteekenend,

onopgemerkt deeltje van een muffe samenleving! Welaan, het trachtte zich

voor deze vernedering schadeloos te stellen met het verregaande

meegevoel van gelijkgestemde zielen, die zich in deugd- en boetebonden

vereenigen. De vriendschap, de "echt van twee geesten", verklaart men

heilig. En dan: staat men niet door zijn "oorspronkelijk genie" in

verbinding met de grootsche natuur, die een openbaring is van het

Goddelijke? Terug dus naar de Natuur, klinkt de strijdkreet; en:

Dichtung ist Action! Waar nuchtere systeem-wetenschap te kort schiet,

daar ontsluit het oorspronkelijk genie het rijk van het geweldige, het

ongrijpbare, het half-duistere, het sombere, het maanlicht-sentimenteele,

"dat geen verstand bereiken kan". De kunstenaar moet dit echt-Duitsche

Ahnungsvolle absoluut onbevangen weergeven; en dus doende voert hij

oppositie tegen de maatschappij en de philisters. Men weet wel dat de

kunstregels hun nut hebben, en dat hij die ze eerbiedigt nooit iets

onverdragelijks, onbeholpens zal voortbrengen; doch men vreest dat ze

het natuurgevoel zullen verstikken, en daarom: Weg met de regels!

De stem des dichters klinke niet als een nuchter gesprek en ook niet

als het hinkelend ratelen van een gezwollen Franschman, die een Grieksch

tragedist poogt na te bootsen. Neen, hij die het Geweldige wil zeggen,

hij zoeke zijn glorie in een "geestdriftig stamelen".... Terug naar de

natuur! Nu eens wordt het in aanbidding gefluisterd door een teeder

jongeling; dan weer wordt het bachantiesch uitgebruld bij heete

drinkgelagen. Maar: "Niets kan rijpen zonder gisting" pleit Klinger,

de auteur van het onbeteekenende drama dat den veelzeggenden titel

"Wirwarr" draagt, welke titel later veranderd werd in "_Sturm und Drang_",

een naam die jong Duitschland zich gaarne toeëigent.

De 26-jarige Herder--in wien de systeemhaat van zijn leermeester Hamann

en diens liefde voor het profetische, donkere, diepe een harmoniesch

geheel vormen met een critischen zin als die van Lessing, en de

zwierigheid van een Klopstock--is de voorganger van de revolutionaire

beweging. Nauwelijks worden zijn eerste boeken bekend, of een

goedgeleide laster-campagne noopt hem zijn eigen werk te verloochenen;

hij neemt zich voor, niets meer te schrijven of het moet den

gedachtenschat van de menschheid verrijken. Na een tijdlang in het

ondermijnde Frankrijk te hebben gezworven, richt hij zich naar

Straatsburg om er een oogoperatie te ondergaan.

Hij komt er juist op een tijdstip dat de jonge Goethe kan profiteeren

van zijn rijper inzicht; om hem voorbij te streven en ongewild hem te

verdringen uit het leiderschap. Dit is in Goethes carrière een van die

wonderlijke toevalligheden, die hem doen spreken van zijn verbond met

God.

Hij hoort fluisteren dat Herder in Straatsburg is en als hij een vreemd

geestelijke met een mantel, waarvan de beide punten in zijn broekzakken

steken, de trap naar de herberg "Zum Geisten" ziet opgaan, denkt hij:

Dit moet Herder zijn! en begint een gesprek. Hij maakt door zijn

beleefde openhartigheid op den aanvoerder van jong Duitschland een

prettigen indruk en hij zal behooren tot de weinigen, die hem gedurende

zijn ziekte dagelijks gezelschap houden. Wolfgang heeft zooveel medische

kennis opgedaan, dat hij de operatie kan bijwonen en als verpleger goede

diensten bewijst. De lijder staat op het punt te trouwen: hij is week

gestemd en vol verwachting, hij toont zich van de goedmoedige zijde en

luistert geduldig naar de voorlezing van "Die Mitschuldigen", op welk

blijspel vriend Wolf nog steeds trotsch is. Hij neemt als gast deel aan

de discussies in Salzmanns literaire club. Zijn besliste,

wel-overdachte uitingen grijpen den ontvankelijken Goethe zoo aan, dat

hij onwillekeurig Herders handschrift nabootst.

Intusschen, niet alleen Herder houdt hem van zijn vakstudie. Hij is pas

22 jaar geworden als een tafelgenoot, de medicus Weyland, hem

binnenleidt bij de familie Brion te Sesenheim,--een dorpje dat hij al in

de verte, door blauwigen ether overstroomd, had zien liggen, toen hij

vanaf den Munstertoren zijn blik liet gaan over de bloeiende Elsasser

laagvlakte. Dominee Brion--stijl in de leer, maar overigens goedhartig

en gastvrij genoeg--ontvangt den ietwat schunnigen theologischen student

(als zoodanig heeft Wolf zich vermomd) onder het bemoste dak van zijn

schilderachtig-vervallen boerenhuizing. En terwijl dominee en Weyland

over familieaangelegenheden babbelen, houdt de schalk zich bezig met de

dochters, die ongeduldig zeggen te wachten op haar zuster Rieck. Ze is

een apartje, denkt Wolfgang, en de lieveling van de familie....

Daar verschijnt dan eindelijk de 19-jarige Friederike--in een waas van

verkwikkenden blauwigen ether. Ze is gekleed als landmeisje in nationaal

costuum: wit, voetvrij rokje, rood gezoomd, met kleurig, laag

uitgesneden rijgkeurs en een schortje van glanzig zwarte stof. Haar

breedgerande tuinhoed hangt aan een lint over haar arm. Ze heeft

zonnig-blauwe oogen met een zweempje weemoed; en een levenslustig

stompneusje. Het smalle gezichtje en het poesle blanke halsje lijken

bijna te zwak om de zware, donkerblonde vlechten te torsen. Ze kijkt of

er geen verdriet op de Wereld kan bestaan. En ze is zoo slank en zoo

licht dat ze Wolfgang pas echt dunkt, als ze, zwevend, onvermoeibaar

huppelt over 't grasveld. Hij kan niet gelooven dat ze een zwakke borst

heeft en dat hij haar moet sparen; hij gelooft dit nog minder als zij

met krachtige stem haar Zwitsersche liederen over de beemden joedelt.

Eensklaps bemerkt hij dat zijn gemoed van de jarenlange ziekte hersteld

is en weer tot vertrouwende overgave bekwaam. En in zijn neiging: kunst

en leven dooreen te doen vloeien, vergelijkt hij weldra Brions gezin met

het gezin van den landgeestelijke in den roman van Goldsmith, dien

Herder hem doet kennen; en niet hìj rekent zich tot degenen die "in deze

eeuw van overvloed en verfijning belust zijn op "High-life" en

verachtelijk den rug toekeeren aan dezen landelijken haard." Een

wandeling in den maneschijn besluit den dag. Haar stemmetje verandert de

donkerte der bosschages in klaar licht. Onder een priëel (dat aan

Goldsmiths jasmijn-priëel herinnert) vertelt hij haar zijn sprookje van

De Nieuwe Melusine, en nu begint zijn vermomming hem te verdrieten,

ofschoon deze hem niet belet, de heele familie voor zich in te nemen.

Bij het slapengaan verneemt hij van zijn makker dat Friederike nog niet

verloofd is.

En--in Straatsburg terug--voelt hij zich gedrongen, zijn "lieve, lieve

vriendin" te schrijven (maar hij weet niet wàt) al ware 't slechts om de

zoete pijn van de scheiding levendig te houden, daar het harde rumoer

van de drokke stad dreigt ze hem te ontnemen. Tegen Kerstmis bezoekt hij

de Brions weer en kondigt zich aan met verzen, waaruit blijkt, hoe innig

hij den naïeven natuurtoon heeft beluisterd, die aan zijn bewondering

voor Friederike verwant is:

"Ich komme bald,

ihr goldnen Kinder,

Vergebens sperret uns der Winter

In unsre warmen Stuben ein.

Wir wollen uns zum Feuer setzen

Und tausendfaltig uns ergötzen,

Uns lieben wie die Engelein.

Wir wollen kleine Kränzchen winden,

Wir wollen kleine Sträuschen binden

Und wie die kleinen Kinder sein."

--

Het gebeurt, dat aan de middagtafel een nieuwe gast om zijn

oud-modischen ronden paruik bespot wordt, en dat Wolfgang in een vaardig

beheerschte opwelling van ergernis den grappenmaker het zwijgen oplegt.

De nieuweling wordt zijn vriend. Het is de 30-jarige Jung, genaamd

Stilling, die in de medicijnen komt studeeren nadat hij kolenbrander,

kleermaker, schoolmeester en oogarts (volgens een hem schriftelijk

overgeleverde methode) is geweest. Wolfgang tracht zijn diepgewortelde

vroomheid te doorvorschen en zijn kinderlijk vertrouwen, dat hem bij

elken tegenspoed doet zeggen: God zal zorgen! Hij kan het niet van zich

verkrijgen, zijn vrienden ooit alleen een nieuw veld van kennis of

gewaarwording te laten betreden, en zoo neemt hij dan nu het ontleedmes

ter hand, volgt Jung naar de klinieken en naar de voorlezingen over

verloskunde, hoewel deze liefhebberij hem een flink deel van zijn

zakgeld kost.

[Illustratie: FRIEDERIKE BRION

(vermoedelijk)]

Nu blijkt, dat de operaties die Herder achtereenvolgens heeft ondergaan

jammerlijk mislukt zijn. De zieke ontlast al zijn wrevel op Goethe. Maar

deze verdraagt dit zonder morren; hij wijkt niet van de ziekekamer, waar

hij onder Herders leiding meer en meer bevrediging gaat vinden in het

streven van de Sturm- und Drangbeweging.

Hij leert hoe in den loop van de Wereldgeschiedenis de echt natuurlijke

poëzie der volkeren door klimaat, omgeving, regeeringsvorm wordt

beïnvloed; leert den bijbel, de boeken Mozes', de psalmen waardeeren als

poëzie van oorspronkelijke genieën. Poëzie blijkt hem het product van

een nationalen geest, niet het privilege van een paar bevoorrechte

enkelingen. Hij maakt kennis met den zacht schreienden weemoed van

Ossians Schotsche zangen, met de sterke, omnevelde helden van de

Noordsche mythologie, met Swifts brandenden spot, Homeros'

onverstoorbaren lach.... Nu eerst leert hij dezen Griekschen

volksdichter goed lezen en hij gaat diens helden in zijn gewone

spreektaal te pas brengen.--Herder vertrouwt hem toe dat hij meedingt in

een prijsvraag naar den oorsprong van het Woord. God, aldus zijn opinie,

was niet de spreekmeester van het paradijs, maar hij heeft den mensen

een aanleg geschonken, die tot het ontstaan van de Taal mòest

leiden.--Een uitroep van bewondering voor het talent en de kunde

waarmede dit thema is uitgewerkt, haalt hem een berisping van den auteur

op den hals. Zwijgt hij eerbiedig, terwijl Herder hem rustig en

gevoelvol een vertaling van Goldsmiths "Vicar of Wakefield" voordraagt,

dan wordt hem toegevoegd dat hij het natuurlijk niet heeft gesnapt. Hij

mort niet. En het volgend oogenblik omarmt Herder hem voor 't beeld van

Shakespeare, "dien grootsten dichter der Noordelijke menschheid".

Hij heeft nu eenige stukken van Shakespeare ernstig gelezen en hij

durft niet voort, want hij vreest dat de geestdrift hem te machtig zal

worden. Want dit is geen menschenwerk! Wolfgang gelooft dat de

reusachtige boeken van het Noodlot zich voor hem openen. Het wezenlijke

in dezen geweldigen, aan geen enkele kunstwet zich bindenden

dramabouwer, datgene wat er van hem overeind blijft nà de vertaling,

stelt hij tegenover de onnatuurlijke Fransche tragedieën: "Fransoosje,

wat wou jij in die Grieksche wapenrusting uitvoeren? ze is je toch

immers veel te groot en veels te zwaar!"

Reeds vroeger heeft Wolfgang Shakespeare zijn meester genoemd (in een

brief aan Oeser), maar nu pas dringt hij in hem door. Een nieuwe

wereld--zoo zal hij het weldra in een Gedenkrede zeggen--gaat voor hem

open, en blijft voortbestaan naast de wereld die woelt om hem henen.

Door Shakespeares voorbeeld voelt hij zijn scheppingskracht van alle

opgelegde mooidoenerij bevrijd en nu pas durft hij "springen". Natuur,

natuur! niets zoo natuurlijk als Williams menschen!--wil hij

verkondigen. Maar hij ziet op 't zelfde oogenblik dat die menschen niet

natuurlijk zijn. Want ze handelen als waren ze horologies met kast en

cijferplaat van crystal; die wijzen, gelijk het hun betaamt, den loop

der uren aan, doch men kan tegelijkertijd de raderen en de veeren

onderscheiden, waardoor ze worden gedreven. Zóó ontwaart men de motieven

die Shakespeares menschen regeeren. Met dat heldere inzicht in de

mysteriën van ziel en karakter, dat goed en kwaad als tegenoverliggende

polen begrijpt; met zwaar pathos of met woesten humor of met padvindend

vernuft toont de Engelsche profeet hem: hoe de eigenaardigheden van ons

Ik zich te pletter botsen tegen het groote, ondoorgrondelijke Geheel.

En in dat Straatsburg, waar de primitieve Duitsche volksaard door de

binnendringende Fransche beschaving wordt gekruisd, leert Wolfgang

beseffen dat zijn innerlijke strijd verknocht is aan den nationalen

strijd: dat hij, zoo goed als heel de Duitsche literatuur, zich

volstrektelijk los moet maken van het Fransche voorbeeld. Hij gaat de

eens zoo gezochte Franschen minachten; hij heeft gemerkt dat zij, in

conversatie met een vreemdeling, zich bepalen tot een angstvallig-beleefd

corrigeeren van diens taalfoutjes; hun holle overmoed mishaagt hem; en

Herder, die te Nantes en te Parijs heeft gewoond en daar enkele Fransche

grooten heeft gekend, sterkt hem in zijn overtuiging. Zijn groote grief

is, dat de Fransche geest bejaard is en aftakelt, en toch de mannen die

vernieuwing kunnen brengen weert. Is het wonder dat een staat die een

dapperen denker als Rousseau doodarm door de straten van zijn hoofdstad

laat zwerven--en Rousseau is de eenige niet--aan verval en velerlei

misbruik ten gronde gaat? Het jongste werk van Franschen geest, de

vermaarde "Encyclopedie", lijkt Goethe een groote fabriek, vol rammelende

weefspoelen. En het dunkt hem teekenend voor het Fransche onverstand, dat

men het "Système de la nature", dien bijbel der materialisten, in allen

ernst gevaarlijk acht. Daar het werk klaarblijkelijk op afstootelijke

onderstellingen en allerminst op feiten berust, oordeelt hij het hoogst

onschuldig. Baron Holbach, de schrijver, kondigt zich aan als afgeleefd

grijsaard, die op den rand des grafs der afgeleefde menschheid de waarheid

wil openbaren. Wel zeker, spot Wolfgang, die dit niet als een aanbeveling

kan opvatten: Oude kerken hebben troebele ruiten. Wat weet die ouweman

van de natuur? Hoe beziën en kersen smaken vrage men liever aan spreeuwen

en aan kinderen.

Boven de wuftheid, de overspanning, de verfijning der Franschen gaat

Wolfgang hier in Straatsburg de waarheid, en de kracht, en den eenvoud

van den Duitschen volksaard hoog schatten; en hij getuigt luidruchtig

van zijn bevindingen. Om hem groepeeren zich de "biedere" jonge Germanen

die zich in het openbaar zoo ruw, _d.i._ zoo ònfransch mogelijk

gedragen, op straat en aan tafel, als gold het een betooging; zeer

hoorbaar Duitsch spreken, en elkander geenszins onderschatten. Hij zelf

verdient door zijn buitensporige ongeliktheid eernamen als "de Beer",

"de Wolf", "de Westindiër".

Hij heeft nu een onvergelijkelijk sprekend voorbeeld van Duitsche kunst

ontdekt in de gothische cathedraal, die hij van begin af had bewonderd,

zonder zich van het waarom rekenschap te geven. Gothische kunst zal

voortaan Duitsche kunst heeten, en wordt ze thans nog onregelmatig

genoemd en vormloos, hij zal betoogen dat de gothische bouwselen,

bevallig maar toch sterk, zwaar maar toch rijzig, en dat speciaal Erwin

von Steinbachs woud-schemerachtige Munster, dat natuurwerk, dat schoone

kristal met zijn ver-doorgevoerde overeenstemming tusschen hoofdlijn en

détail, getrouw afspiegelen het Duitsche karakter. En menigmaal bestijgt

hij met zijn bent den toren, houdt toespraken op het platvorm, waarna de

Sturmers en de Drängers met gevulde roemers de rood-ondergaande zonne

groeten.

Eens zijn de vrienden voor het gebouw vergaderd en een van hen maakt de

opmerking: Jammer toch, dat er maar éen toren van voltooid

is.--Wolfgang, met zijn gewone levendigheid, beweert dat die toren niet

is voltooid: er behooren nog vier slanke pinakels bij, op iederen hoek

éen.--Hoe weet u dat? vraagt hem een omstander.--Ik heb, antwoordt

Goethe, de Münster zoo lang en met zooveel liefde bekeken, dat ze mij

dit geheim heeft toevertrouwd!--De vreemde begeleidt hem naar 't archief

en laat zien dat de oorspronkelijke teekening hem in 't gelijk stelt.

Dankbaar trekt Wolf die teekening over op een blad oliepapier.

Nu hij, Herders leiding snel ontgroeid, een persoon en een aanvoerder

wordt, kan een botsing tusschen zijn karakter en dat van zijn

leermeester niet uitblijven. Herder is door en door theoreticus en

datgene in de menschen dat aan zijn algemeene begrippen niet

beantwoordt, hun eigen individualiteit, bespot hij met ruw en onvermoeid

sarcasme. Wolfgang houdt al zijn zwakheden: zijn alchimistische studiën,

zijn zoeken naar mystiek, zijn dichtproeven waaruit verliefdheid blijkt,

zorgvuldig voor hem geheim. Doch Herder voelt in hem den toekomstigen

leider, en terwijl hij in brieven aan zijn verloofde met gekunstelde

onderschatting van "den jongeman" spreekt, vervolgt hij hem met critiek,

en bedilt zelfs zijn naam, waarvan hij zich afvraagt of die op

verwantschap met Goden, Gothen of Kothe (_d.i._ modder) duidt. Dit

pijnigt Wolfgang, die meent dat een naam maar geen manteltje is, dat

men afwerpt als het hindert. Maar hij weet zich te bedwingen. Hij is

bezig volkomen zelfbeheersching te leeren:

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 4 / 29 段