kwalijk genomen dat de verhoudingen in _De Medeplichtigen_ niet alleen
hoogst onzedelijk, maar ook gewrongen zijn. Wij van onzen kant achten
het gepast, zulk bezwaar tegen dit beginnerswerk van den man, die op
ruim tachtigjarigen leeftijd nòg schreef, niet breed uit te meten;
liever gaan wij na, of in de fouten van den jongeling misschien de kiem
schuilt van eigenschappen die wij in den man prijzen. Wij hebben, dus
doende, op bovengenoemde critici dit voor, dat wij trachten in Goethes
drama's een ontwikkelingsgang op te sporen, volgens een methode die hij
zelf met zooveel liefde op natuur- en beschavingsverschijnselen heeft
toegepast. En de lezer zal, voordat hij deze bladzijden ten einde is,
ontwaren, dat Goethe deze onderzoeksmethode vond langs den weg der
zelfbeschouwing, zelfontdékking. Hiermede is gezegd dat wij aan zijnen
geest geen vreemde bestanddeelen opdringen, wanneer wij trachten een
ontwikkelingsgang op te sporen in zijn dramatischen arbeid.
Nader bekeken, komt bedoeld bezwaar (de "gewrongenheid") hierop neer,
dat de _bewegingsmotieven_, (die tot taak hebben: de voorvallen van de
eene scène naar de andere te drijven) gemeten naar den maatstaf van het
dagelijksch leven, te zwak zijn voor den arbeid dien ze hebben te
verrichten en--met hulp van den dichter--ten slotte tòch verrichten. Een
voorbeeld: Goethe wil den waard op Alcests kamer hebben, opdat hij
vermoedens opvatt' tegen zijn daar aanwezige dochter. Hoe krijgt hij hem
op die kamer? Hij laat hem 's nachts binnensluipen.... goed, maar waarom
doet die man dat?.... uit nieuwsgierigheid naar een brief. Tegenwerping:
dat doet een overigens rustig man niet!--Deze tegenwerping zou
vernietigend zijn, indien het in Goethes bedoeling lag, een brok leven
(in werkelijkheid of in phantasie waargenomen) met de daarin
aangetroffen tendenzen zoo getrouw mogelijk weer te geven. Doch verre
van dien: hij zocht naar de belichaming van een _gedachte_ die zijn
ervaring hem ingaf, naar een dramatiesch opvoerbaar beeld van zijn
levensblik. Dit beeld kon bij den twintigjarigen idealist zoo schril
worden, wijl zijn werkelijkheid niet als werkelijkheid zonder meer was
bedoeld, maar als _belichaamde geest_.
Daarbij deed zich echter een moeilijkheid voor: door het vertrouwen, dat
hij ouderen weet in te boezemen, is hij in de gelegenheid gekomen veel
te zien van "het leven"; ja, maar zonder het eigenlijk te _ondervinden_.
Hij ziet verder dan hij kan begrijpen. Hij heeft een algemeen oordeel
over de ervaringen van anderen, zonder er heelemaal in te zijn en de
détails er van te kennen, daar deze hem, werkeloozen toeschouwer,
ontgaan. Dit spiegelt zich af in zijn werk. Als de groote lijnen maar
goed loopen, laat het hem koud, op welke stoffelijke grondslagen die
groote lijnen rusten. Wie zijn stuk wil begrijpen, gelijk hij zelf het
begreep, die vatte het niet op als zwak, foutief realisme, maar als
onontwikkelde "_moraliteit_" (min of meer in middeleeuwschen zin).
Dus als een pleidooi voor verdraagzaamheid? Dit meenen sommige critici.
Wie echter het stuk kent, zal toegeven dat verdraagzaamheid in dit
verband beteekent: een afgestompt zedelijk oordeel. Iemand is
verdraagzaam als hij zijn medemenschen hun zonden vergeeft, overwegend
dat in een speciaal geval de verleiding overmatig sterk is geweest, of
wijl hij in het algemeen overweegt hoe zwak de mensch staat tegenover
verleiding; maar niet als hij, gelijk Söller, een belager diens schuld
kwijt scheldt, vreezend dat anders van hem een boekje zal worden
opengedaan; en vervolgens zijn _onmacht tot wraak_ met opgeblazen
profeten-zwier bemantelt. Tegenover een medeplichtige staat men
zwak;--ziehier de moraal van het stuk. En hierop zij nadruk gelegd, om
te verhinderen dat bij den lezer postvatte de meening, dat jonge
Wolfgang zoo afgesjouwd was, dat hij de levenshouding van Söller en
consorten kalmpjes opnam. Dit deed hij niet; integendeel, hij bespotte
ze fijntjes.--
Door zijn verkeer met de Breitkopfs kwam hij in kennis met den etser
Stock, die een zolderverdieping van hun huis bewoonde. Natuurlijk ging
hij bij dien man in de leer, en tot op den huidigen dag zijn enkele
etsen van zijn hand bewaard gebleven, opgedragen "aan den heer Caspar
Goethe, werkelijken Geheimraad, door zijn zeer gehoorzamen zoon". De
zuivere techniek, waarvan bij het etsen zooveel afhangt, boeide hem, en
dit is kenschetsend.
Hij bracht menig rustig uurtje door in het zeer ordelijke doch in
bekrompen omstandigheden levende gezin van Stock. Zijn neiging, zich in
kleinigheden van anderer leven te verdiepen, verloochende zich hier
niet. Hij vertelde den kinderen sprookjes, ging den catechiseermeester
te lijf toen deze de meisjes uit het oude testament onstichtelijkheden
voorlas, hielp de kleintjes bij hun werk; en de vrouw des huizes gaf hem
daartoe verlof, onder voorwaarde dat ze zijn lange bruine lokken, die
hij wel wat verwaarloosde, van tijd tot tijd mocht uitkammen. Maar zij
nam mosjé Goethe kwalijk, dat hij haar man, als het te donker werd om
dòòr het (vergroot)glas te kijken, wel eens dieper ìn het glaasje deed
kijken dan een huisvader betaamt.
De drie jaren, die hij te Leipzig zou doorbrengen, waren nog niet geheel
ten einde, toen hij een nacht door een bloedspuwing werd overvallen.
Hij had nauwelijks kracht genoeg om zijn kamerbuur te waarschuwen.
Hoewel geneeskundige hulp spoedig werd verleend, verkeerde hij dagenlang
in doodsgevaar. Weldadige verwondering beving hem, daar hij merkte dat
zijn vrienden en leeraars, waarbij er niet een was of hij had hem door
zijn nerveuze grillen getergd, hem met warme liefde beurt om beurt
verpleegden. Zij konden, als Kaatje, veel van hem verdragen.... Hij was
toch "een goeie jongen!"
Deze crisis moest komen. Zijn overgevoeligheid en zijn ongeregelde
studie, zijn koudwaterkuren en zijn braspartijen en zijn zwaarmoedige
zelfkwelling, waarbij nog kwamen de gevolgen van het ongeval dat hem op
weg naar Leipzig had getroffen en een val van zijn paard, moesten hem
vroeg of laat neerslaan. En terwijl hij nu langen tijd geduldig in bed
lag, en de liefde van zijn vrienden de ziekenkamer vervulde; kwam zijn
geest tot rust, bracht orde in de warrige ervaringen, die zijn gedichten
niet hadden bemeesterd. Behrisch' opvolger, die den veelgesmaden Goethe
geenszins meed, las hem veel voor uit den bijbel en trachtte hem een
wetenschappelijk houdbaar bewijs voor de geopenbaardheid van het
christelijk geloof te geven.
III
Ich sagte immer in meiner Jugend zu
mir, da so viel tausend Empfindungen
das schwankende Ding bestürmten: was
nur das Schicksal mit mir will, dass es
mich durch alle die Schulen gehen lässt?--
Den gebroken jongen wachtte nu de geduldige, niet-vragende zorgzaamheid
van moeder en zuster, waaraan hij zooveel behoefte had: nu hij eenzaam
was naar den geest. Het vertrouwelijk verkeer tusschen hem en Cornelia
zette terstond in. Ze had hem veel te biechten: van haar ontbloeien tot
vrouw, en van den haat dien zij ouden Goethe toedroeg, nu hij drie jaar
lang zijn pedanterieën op haar alleen had losgelaten; terwijl zij, haar
toestand scherpcritiesch doorziend, angstig overwoog dat wel nooit een
flinke man zich zou verlieven in haar afstootend gelaat met den
onvrouwelijk-vasten mond, den zwaren, sterk gebogen neus en het bolle
kindervoorhoofd. De arme zachte moeder probeerde vergeefs echtgenoot en
dochter tot elkaar te brengen. Ook Wolfgangs terugkomst maakte het thuis
niet gezelliger: hij kon Cornelia niet altijd gelijk geven; en spoedig
genoeg liet de oude wel merken, dat pijnlijk de groote verwachtingen,
die zoontjes leerzaamheid in hem hadden gewekt, waren teleurgesteld. Hij
bespeurde niet hoe veel de jonge zoeker in die drie jaren ten koste van
zijn gezondheid had geleerd. Zijn bedekte verwijten deden Wolfgang
wanhopig naar herstel verlangen, zweepten hem bij het minste vleugje van
beterschap weer aan het werk. De geneesheeren, die het niet eens waren
over zijn ziekte, hadden hem volstrekte rust bevolen; doch de vader
oordeelde dat hij zijn rechtsstudie moest bijhouden. En als zijn hoofd
daar niet naar stond, verdreef hij op zijn zolderkamer den tijd met
lezen, teekenen en etsen; hij teekende personen uit zijn omgeving en
stadsgezichten, die men hem opgaf.
Hij was zonder phantasie; een beangstigend doffe werkeloosheid, door
geen enkele zielsbeweging onderbroken. Met een onbegrepen ziekte, die
hem vaak benauwende pijnen bracht, zat hij een jaar lang opgesloten. Bij
de lichte, breede straten van Leipzig vergeleek hij de schemerige
straten die hij vanuit zijn venster kon zien; de meisjes die
voorbijkuierden leken hem log en stijf: in zijn herinnering leefde een
kleiner, vlugger, ranker soort. Als hij zich overgaf aan den indruk van
het oogenblik, kon hij gelooven tot zijn jongenstijd te zijn
weergekeerd; met de verdrietende bijgedachte dat hij zijn wilden
scheppingsdrang nu kwijt was. Hij dorst niet plannen maken; stervensnood
leek nabij....
En wàs nabij. Een crisis:--twee dagen lang lag hij in doodsgevaar op
zijn bed, half verstikt, met verwrongen gelaat. Cornelia kon het niet
aanzien en vluchtte. De moeder kon het ook niet aanzien en zonderde zich
af met haren bijbel.
Toen hij weer òp zat docht zijn kwijnen hem schooner dan de duistere
diepten die hij had doorduizeld, zooveel schooner, dat hij, zelf ziek,
langen tijd in staat was de morrende, treurende menschen om hem heen met
zijn opgewektheid te troosten.
Doch nauwelijks hadden eenige vrienden van den huize zijn herstel met
een feestmaal gevierd, of hij stortte weer in.
[Illustratie: CORNELIA GOETHE
_In 1773 door haar broer op den rand van een drukproef geschetst_]
En dwars door het op- en afgaan van zijn lichaamskrachten slingerden de
verleidelijkheden en de teleurstellingen van zijn weer opvlammende
liefde voor Annette; wier beeld hij sterk idealiseerde nu hij niet
alleen zoo verre was, maar ook zoo behoefte had aan weeke toegevendheid.
Een poos lang wisselden de twee schijnbaar onschuldige brieven, als ware
er niets tusschen hen voorgevallen. Hij perste luchtige grappen uit zijn
doorploegd gemoed en hij stuurde haar geschenkjes: een beschilderden
waaier en bewerkt leder voor muilen. Hij verzweeg hoe hij uit het feit
dàt ze hem antwoordde opmaakte dat ze hem opnieuw hoop gaf, dat hij
plannetjes ineenspon om naar Leipzig te reizen en haar, alles
trotseerend, te huwen. Zij verzweeg dat ze--naïef genoeg--letterlijk
geloofde zijn verzekering, dat hij zich nu had overwonnen. Ze begreep
niet dat hij twijfelde tusschen de grootste vroolijkheid en de zwaarste
smart, als hij trachtte die twee woordjes "lieve vriend", waarmee ze hem
aansprak in haar brieven, te doorvroeden. Het bericht van haar verloving
met Dr. Kanne--een man dien hij zelf in haar huis had gevoerd--schokte
zijn zwak gestel, zoo dat hij zijn verdriet voor de huisgenooten niet
langer kon verbergen. Annette, in haar wreede argeloosheid, verzocht hem
een bruiloftslied voor haar te dichten. En de ironie, waarmee hij haar
meldde dat hij nu niet in de rechte stemming was voor zulk een schoone
taak, trof hem dieper dan ze haar kon treffen.... En toch kreeg hij weer
hoop, toen hij hoorde dat het huwelijk korten tijd was uitgesteld; hij
bad haar, hem niet te schrijven, verwachtend dat ze het daarom juist zou
doen. En zoo nauw volgde hij haar met zijn door 't kwijnen broos
geworden ziel, dat hij bijna op tijd droomde dat ze werkelijk was
getrouwd; hij schreef haar een zonderling lichten brief, zooals alleen
kan uitgaan van een die sombere levenservaringen heeft verwerkt, tot een
veel jongere, die hem onbewustelijk heeft gekweld. Hij had waarlijk
reeds geboet dus voor de vinnige maar kleine plagerijen die hij haar
goed bedoelend had aangedaan, toen in September 1769, kort na haar
huwelijk, verschenen zijn getoonzette "Nieuwe Liederen", die essentiëele
verbeeldingen van zijn eerste liefde, wier wereldwijze spotternij hem
machteloos was gebleken; wijl zijn ziel in ontwikkeling bij zijn
intellect ten achter stond. Hij kon nu in "de meisjes" geen vertrouwen
meer hebben, en als hij uitgelaten vroolijk wel eens stoeide met
Cornelia's vriendinnen, dan was dit een vroolijkheid des bloeds, die
zijn ziel bijna niet beroerde.
Intusschen had hij voortdurend maagkramp en de geneeslieden ontdekten nu
wel dat het hem in de maag zat, maar ze wisten niet hoe het er uit te
krijgen. Eens was de pijn zoo hevig, dat de moeder ten einde raad de
hulp inriep van een doctor, die haar vriendin Klettenberg met een
geheimzinnig wonderpoeder, welks samenstelling hem alleen bekend was,
had genezen. Dit magische zout, slechts bij uitzondering gebruikt, werd
nu aan Wolfgang toegediend, en ziet, hij genas. Zoodoende kwam hij
geregeld overhuis bij dien doctor, een vroom beoefenaar van de alchemie,
de wetenschap die hem de openbaring van goddelijke mysteriën scheen te
beloven. Onder diens invloed groeide in hem het besluit, langs den weg
der ervaring naar den innerlijken samenhang der dingen te zoeken. En
zijn vader was zoo knorrig en zoo ongeduldig niet, of hij moest hem de
noodige gelden verschaffen om zijn zolderkamer in te richten tot
laboratorium; een werkplaats in middeleeuwschen trant, waar blaasoven en
vuurtangen, kolven en retorten met lange dunne halzen zulk mystiek waas
spreidden als hij later over vele scènes van zijn Faust zou weven.
Gedurende de lange winteravonden las hij zijn moeder en haar vriendin
voor uit de boeken van Welling en van den ultra-wijzen,
vrijpostig-paradoxalen Theophrastus Paracelsus. Hun tamelijk onvatbare
voorschriften nauwkeurig volgend, trachtte hij in zijn tooverhol de
zoogenaamde "maagdelijke aarde", waaruit dan alle dingen zouden zijn
saam te stellen, te fabriceeren; hopend dat hem zou lukken wat eeuwen
lang aan de geduldigste zoekers was onthouden. Van de alchemie kwam hij
weldra tot de wetenschappelijke scheikunde en ook tot de geneeskunde;
vooral Boerhave's "Compendium" en diens wijdvermaarde "Aphorismes"
trokken hem. Later, zich op rijpen leeftijd aan stelselmatig
natuuronderzoek wijdend, zou hij bespeuren, dat hij in zijn zolderkamer
veel feitenkennis en handigheid had opgedaan.
Juffrouw Klettenberg was een zachtmoedig menschje, "een schoone ziel"
zou hij haar later noemen, dat de groote wereld kende, niet schuwde, en
met haar waarlijk godvruchtigen aanleg in de geloofsbelijdenis der
Hernhutters rust had gevonden; kracht om afmattend lichamelijk lijden
geduldig te doorstaan. En "het arme vosje"--zooals Goethe zich in dien
tijd gaarne betitelde--haar geloof niet deelend, doch gemoedsrust als de
hare voor zich begeerend, sprak met haar uit over zijn zoeken naar
vrede. Dat komt doordat ge u niet geheel tot God hebt gekeerd! was dan
altijd de kern van haar antwoord. Wolfgang moest haar gelijk geven mits
hij in plaats van haar bijbelschen God dat vage, ondoorgrondelijke,
alomvattende dacht, waarvan hij ten duidelijkste voelde dat 't hem door
zijn leven stuwde. Maar dan, tot spot gestemd bij de overweging dat dit
geweldige werd saamgevat in eene lettergreep, die ook kon worden gezegd
door menschen die niet hadden geleden, sprak hij met trillende lippen
glimlachend, dat hij God toch ook nog wel wat te vergeven had; waarna
zij met een veelzeggend "gek van een jongen" afscheid nam. Op het
oogenblik dat hij iets doorgrondde, zou het bewustzijn dat hij dieper
voelde dan een ander hem onverdraaglijk hebben gemaakt, indien hij er
niet altijd bij deed weten, dat hij "toch een goeie jongen" was.
Als men tweemaal heeft gestaan voor "de groote zee-engte, waar alles
door moet", dan keert men daar niet van terug zonder veel gezien te
hebben, dat iemand van robuste, onschokbare gezondheid misschien pas op
het eind van zijn leven bevroedt. Zoo had Wolfgang niet veel
wetenschappelijke redeneering noodig om zich bestand te weten tegen de
vrijgeesterij, het zoogenaamd-natuurwetenschappelijk atheïsme, dat juist
in zijn dagen vooral in Frankrijk begon te tieren. Hij knutselde nu een
eigen religie, een mystiek Christendom met een scheppingsverhaal vol
grillige beelden, dat God niet buiten doch ìn de wereld, in ieder
verschijnsel plaatste. Dit schreef hij neer en hij vond er rust in; nam
met vroom gemoed aan het heilig avondmaal deel. Juffrouw Klettenberg kon
echter niet verzwijgen dat ze hem den waren broeder niet geloofde. Want
een persoonlijk God kende hij niet en hij hechtte waarde aan 's menschen
ijdele kracht.
Zijn langzamerhand tot orde gerakende geest ging zich nu tegenover de
wereld stellen, trof daar een orde van zaken aan, waarop zijn eigen maat
niet paste, en moest nu de wereld streng beoordeelen. Goethes meening
over zijn tijdgenooten, op het oogenblik dat hij gereedstond te midden
van hen plaats te kiezen, vinden wij in de drukke briefwisseling die hij
gedurende de laatste periode van zijn ziekte met zijn Leipziger
vrienden, vooral met Oeser, onderhield. Reeds in zijn eerste
studentenjaren had hij het dichterlijk werk van de toenmalige grooten
bij een steeds stijgenden zondvloed vergeleken. Hij wist naderhand zijn
indruk van dien tijd niet beter te karakteriseeren dan met de
mededeeling: Ik hoop dat ik mijn lezers nu totaal in de war heb
gebracht. Er was iets nieuws op komst: de dichters die zich niet
vermeiden in critiek of kunstlooze satyre, wilden terug naar het
oeroude, en zongen barden-poëzie, waarin de ha's en de ho's het gebrek
aan pathos moesten verhelen. De jonge Goethe, wiens eerste stappen ook
eenigszins dien koers uit zouden gaan, kwam toch daartegen in verzet.
En: Laat mij voelen wat ik nooit te voren gevoeld heb, doe mij denken
wat ik nooit gedacht heb! eischte hij van den dichter; een eisch,
waaraan hij zelf pas veel later zou voldoen. Kunst, zoo peinsde hij, is
de schemering die waar en onwaar vereenigt. De waarheid is eenvoudig,
niet in dien zin dat zij voor een ieder toegankelijk is, doch in dezen,
dat de waarheid is een enkel gezichtspunt, van waaruit al het bestaande
zich laat begrijpen. Dit zijn de machtspreuken die Goethes
leiders-carrière in het geestelijk leven van zijn tijd teekenen.
Wolfgang kreeg behoefte, het wetenswaardige dat hij van dag tot dag
opschommelde in klein bestek met zich mee te dragen, de snel
aanlichtende en dan weer verzinkende apercu's die bij het lezen zich in
hem vormden, door enkele woorden vast te houden. En terwijl geestelijk
en lichamelijk zijn herstel intrad, begon hij een aanteekenboek, onder
den titel: _Ephemeriden, was men treibt, heute dies und morgen das,_
1770. Korte opmerkingen, boektitels, Latijnsche en Fransche
opstelletjes, aanhalingen, gegevens over de historie van muziek en van
beeldende kunsten. Met wreede eerlijkheid ging hij nu zijn papieren
schiften. Allerlei gedichtjes die hem niet echt leken werden verbrand;
alleen de Nieuwe Liederen, het copieboek van Behrisch, de twee
tooneelwerkjes waarop hij nog steeds trotsch was, bleven gespaard.
De vader maakte àl plannen voor Wolfgangs verderen studietijd en de
verstandhouding werd steeds slechter. Toen zoonlief eens onvoorzichtig
oordeelde over verbouwingen aan het Goethehuis, die zijn "Leipziger
smaak" niet bevredigden, ontstond er een hatelijke twist, die de moeder
niet kon bijleggen. Daar Wolfgang er nu bovendien op gesteld was, heel
ver van Annette te wonen, liet hij zich, nog niet heelemaal genezen,
gaarne door zijn vader naar Straatsburg loozen. Hij ging dus naar het
buitenland: de Elzas hoorde toen bij Frankrijk; en de Franschen
trachtten deze provincie te beschaven met een heir van ambtenaars,
friseurs, dansmeesters, modistjes.
Hier zou hij Duitscher worden.
[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,
loopen van Maart 1770 tot einde Augustus 1771]
IV
"Als wij in staat zijn een groot man
te waardeeren, dan dragen wij een
vonk van zijn grootheid in ons om."
Uit Goethes "GEDENKREDE"
op den Shakespeare-dag.--
Ternauwernood hersteld van zijn ziekte, nog prikkelbaar, nog treurend om
het verlies van Annette en wanhopend aan de gunst der Muzen--die hem
lang aan zijn lot hadden overgelaten--zoo stapt hij af in zijn nieuwe
woonplaats en vermoedt weinig dat juist nu zijn levensloop een
definitieven keer gaat nemen. De stad en de menschen die hij ontmoet
lijken hem middelmatig--als alles! Over heel zijn doen hangt een doffe
stemming van onderworpenheid en herhaaldelijk zoekt hij troost in het
dierbaar-godzalige dat Fräulein Klettenberg hem heeft ingeprent. Hij is
nu anders, heel anders geworden (dus verklaart een zijner in de tale
Kanaäns gestelde brieven) en daarvoor dankt hij zijnen Heiland. De
hemeldoctor heeft het vuur des Levens in zijn lichaam weer aangeblazen,
moed en vreugd huizen er weder. De liefde is een onrijpe beweging des
harten, een dwaas, die ons bij den neus rondleidt. Overdenkingen zijn
eigenlijk heel licht in 't gewicht: één enkele beweging des harten in
naam van hetgeen wij den Heere noemen, in afwachting van het tijdstip,
dat wij het ònze Heere kunnen heeten, overstroomt ons daarentegen met
ontelbare weldaden. Zijn lieve vriendin Klettenberg moet op zijn
verjaardag voor hem bidden, opdat alles moge worden gelijk het worden
moet....
Toch blijft hij de kunst-minnende vriend Wolf, want, bestoft van de
reis, gunt hij zich rust noch verfrissching, en gaat naar de gothische
cathedraal, de Münster, kijken; die hij als grootsch bouwwerk heeft
hooren roemen en als smaakloos wangedrocht heeft hooren bespotten.
Gedurende de eerste weken van zijn verblijf te Straatsburg doet hij
moeite om te verkeeren met de geesteloos-vrome en bejaarde lieden, in
wier zorg Fräulein Klettenberg hem heeft aanbevolen; doch zij vervelen
hem naarmate zijn gezondheid terugkeert. Aantrekkelijker gezelschap
heeft hij intusschen reeds gevonden aan zijn middagtafel, waar een
twaalftal kranige, opgewekte mannen, meest medici, elkander dagelijks
ontmoeten. Als Wolfgang voor het eerst in de eetzaal treedt, leggen de
aanzittenden mes en vork neer, blijven hem een moment aanstaren: Dit
moet een buitengewoon man zijn! denken ze. Hoewel van niet meer dan
middelmatige lengte, imponeert zijn slanke, trotsch opgerichte gestalte;
zijn groote, donkerbruine kijkers fonkelen onder weekvloeiende
wenkbrauwbogen; zijn krachtig gelijnde neus geeft met zijn besliste kin
flinkheid aan het nog bleeke, beweeglijke gelaat, welks trekken een
voortdurend bezig-zijn met edele gedachten uitdrukken.
Zonder dit te zoeken is hij van beginne af leider der conversatie. Hij
raakt bevriend met dr. Salzmann, den nestor van het groepje; een deftig,
rustig heertje van ongeveer vijftig, een verstandig rechtsgeleerde, die
als secretaris van den Voogdijraad veel levenservaring en
onuitputtelijke welwillendheid had opgedaan. Hij ontvangt Wolfgang in
zijn studeervertrek en geeft hem, bij zijn sierlijken haard gezeten,
menigen nuttigen wenk.