Hij mòest echter zingen en hij zocht naar een inhoud, maar wie zou hem

helpen. Zijn professoren in de letterkunde hadden geen begrip van

aangeboren, niet aangeléérde, poëzie. In hun colleges werden de namen

die hem lief waren nooit genoemd. Gottsched was een geslacht te oud, en

voelde meer voor jeugdige vrouwen dan voor jeugdige dichters; Gellert

vroeg hem teemend of hij wel trouw ter kerke ging, en wie zijn

biechtvader was? Clodius was een rijmelaar, die kans zag in het kleinste

gedichtje een tiental Grieksche goden en godinnen te huisvesten, doch

dit van zijn leerlingen niet duldde; zonder te verklaren waarom.

Wolfgang schreef meestal in verzen de hartstochtelijke gedeelten van

zijn brieven en zijn opstellen--en dit waren zijn slechtste verzen

niet--maar zijn leeraar verbood hem zulke ruwheid. Op het "Collegium

philosophicum et mathematicum", dat alle studenten verplicht waren te

volgen, werd de geest "duchtig gedresseerd en in Spaansche laarzen

geregen". De meening van den jongen Goethe, dat een afzonderlijke

wijsbegeerte niet noodig was, vond hier verdere bevestiging. De

werkingen die ieders brein van jongsaf onbewust doch juist volbracht,

zoo natuurlijk als eten en drinken, werden hier blijkbaar willekeurig

ontleed; wat vroeger in eenen ging werd nu in drieën geprutst;

Philosophie en levende Gedachte gingen hier elkander uit den weg.--Eens

bleef Wolfgang uit de gehoorzaal teneinde bij een koekenbakker in de

buurt de flensjes, die juist op het lesuur dampend en geurend uit de pan

kwamen, te gaan nuttigen. Het beviel hem zoo goed dat hij voor zulke

flensjes in 't vervolg zijn aanspraken op wijsheid liet varen.

Tegen 't einde van het eerste leerjaar trok hij zich volkomen

ontnuchterd uit het academieleven terug. Mevrouw Böhme stierf en haar

echtgenoot, die Wolfgangs caricaturen had ontdekt, wilde niets meer van

hem weten; de overige hoogleeraren van middelmatige geleerdheid ook

niet. Het gezellig verkeer smaakte hem niet. Zijn manieren, aangeleerd

evenals zijn dichtkunst, gingen hem niet vlot af. In de comedie gaapten

de menschen als hij bewonderde, en ze juichten toe wat hem tegenstond.

Hij voelde dat de brieven, die Cornelia hem schreef, bijna geheel door

den ouwen heer waren voorgekauwd of ingegeven, en hij dorst haar niet

schrijven wat hem beklemde, sinds zijn vader hem zijn epistels,

gecorrigeerd met rooden inkt en van taal-, stijl-, en schriftkundige

aanmerkingen voorzien, terugzond.

Hij kreeg het eenzaam. Geen mensch begreep hem. En als iemand hem kon

helpen, dan hij zelf. "De laurier die den dichter siert"--hij had ze

voor zijn vertrek uit Frankfort zeer nabij geacht--was uit zijn

gezichtskring geweken. In hem was ruime leegte, en een benauwend-vaag

bewustzijn van eigen genialiteit, een nooit gekend plichtsbesef, dat

hem dreef tot zoeken, mijmeren en alleen-zijn.

Hij dineerde met een stelletje studenten in de medicijnen en de

natuurwetenschappen: hun gesprekken kon hij verdragen, hun kennis had

tenminste tastbare werkelijkheid tot inhoud; en met het algemeene er van

raakte hij langzamerhand vertrouwd. Maar het gebeurde dat hij dagen

achtereen van tafel bleef. Dan lag hij ergens in een bosch bij een

beekje te peinzen en te neuriën, kon zich geheel vergeten in de

beschouwing van boom en plant, dacht terug aan het ouderhuis, aan zijn

vrienden en de lieve meisjes die hij in Frankfort had gekend, aan den

rustigen jongenstijd dien hij had doorleefd.... Maar plots herinnert hij

zich dat dit alles niet terugkeert. Dan scheurt een schel wit licht de

wazige woud-atmospheer vaneen, de golfjes van 't beekje gaan hem plagen,

jagen hem voort. Hij kan zich niet wennen aan het idee dat hij verder

moet, maar de twijfel maakt zijn bestaan van nu onhoudbaar.

In dezen tijd gebeurt hem voor het eerst wat hij later als een

noodzakelijkheid zal leeren doorzien: Hij heeft gezocht een vaag ideaal

en hij vindt--een vrouw die hem weergeeft aan het leven.

Hij heeft kennis gemaakt met den Frankforter advocaat Schlosser, een

kalm en kundig man, die waarschijnlijk van den ouden Goethe opdracht

had, bij gelegenheid een oogje te houden op den vreemddoenden zoon.

Schlosser woont in bij den pensionhouder en wijnkooper Schönkopf, en

Wolf gebruikt daar voortaan met hem het middagmaal, in gezelschap van

enkele beschaafde, literair aangelegde heeren. Daar wordt dikwijls lang

nagetafeld, en met de verdraagzaamheid, die een rustige spijsvertering

teweeg brengt, onder het genot van de glaasjes wijn, door de aardige

dochter des huizes geschonken, hooren die heeren onverstoorbaar

elkanders meeningen aan en trachten zelfs het met elkaar eens te worden.

In dezen kring, en niet 't minst door de ernstige toespraken van

Schlosser, met wien hij nu dagelijks een paar uur verkeert, wordt mosjé

(d. i. monsieur) Wolfgang dra de oude. Fransche en Duitsche,

Italiaansche en Engelsche brieven vloeien weer uit zijn pen, zijn

vrienden ontvangen weer ontboezemingen in welgemeten Fransche

alexandrijnen, koddig en opgeschroefd nabrouwsel van Racine. Als

Schlosser is vertrokken, kan hij van deze middagtafel niet scheiden:

niet zoozeer om de spijzen als wel om de wijnschenkster. Want hij heeft

zich binnen een week smoorlijk in haar verliefd.

Anna Catharina Schönkopf--hij noemt haar Antje, Annette of Kaatje--was

drie jaar ouder dan hij. Aardig figuurtje, niet groot, maar flink

ontwikkeld, open rond gezichtje; verstandig zonder geleerd te zijn,

natuurlijk in haar manieren, altijd opgewekt, altijd gereed om een

lastige aanbidder op zijn vingers te tikken; spotziek maar

goedhartig,--zoo beschrijven haar Goethes vrienden. Hij zelf vond haar

natuurlijk volmaakt, een engel; en ze had (meende hij) maar één gebrek,

nl. dat ze hem beminde.

Immers hij wist dat hij haar nooit zou trouwen. Niet omdat het verschil

in stand hem hinderde, ook niet omdat hij vreesde zijn vader te

weerstaan. De reden lag dieper: Onophoudelijk drukte hem de plicht, zijn

geestesaanleg ten volle uit te leven. Hij wist zich onvoltooid maar voor

iets groots bestemd. Hij voorzag niet wat er uit hem zou worden, maar

hij besefte dat hij niet mocht rusten, nergens wortel mocht schieten,

voordat de leegte in hem was vervuld, voordat de scheppingsdrang in hem

doel had gevonden.

--Toch kon hij geen afstand van haar doen. Zijn jeugd-krachtige

hartstocht joeg hem telkens weer tot haar. Op hun liefhebberijtooneel

speelden zij samen de verliefde rollen, en ze zongen samen, en zij

begeleidde zijn fluitspel op het clavecimbel. En hij kon haar niet zien,

of in zijn reeds overgevoelig gemoed ging de wroeging woeden; liet hij

zijn verliefdheid gaan, dan bedacht hij daarbij dat hij een onvervulbare

hoop in haar sterkte.

[Illustratie: KÄTHCHEN SCHÖNKOPF

_Naar een miniatuur_]

En hij laat zijn verliefdheid gaan. Om ongestoord met haar te kunnen

samen zijn, neemt hij list te baat. Hij maakt het hof aan een uiterst

coquette maar leelijke juffer, schijnt zich aan de grillen van die

juffer geheel te onderwerpen: kleedt zich overdreven modieus, stapt met

afgemeten passen en uitgestreken tronie door Leipzig, begroet zijn

vrienden met zoo comedianterigen praat, dat zij het geen kwartier met

hem kunnen uithouden. En zoo vermoedt niemand iets kwaads als hij met

Antje babbelt. Maar hij voelt het kwaad. Hij zou haar zoo gaarne

gelukkig zien en neemt zich in goede oogenblikken voor, nooit haar

ontrouw te worden, als hij haar niet eerst in de armen van een ander

heeft aangetroffen. IJdele gelofte! In zijn ziel heeft hij haar reeds

verlaten. Hij is overspannen genoeg om de reden daarvan in haar te

zoeken: Hij bestookt het meisje met fijn-gesponnen jaloezie, verlangt

van het meisje onweerlegbare bewijzen dat hij "de eenige" is. Weer

alleen op zijn kamer zet hij zich tot diep in den nacht durende

zelfkwelling; hij kent geen genot of hij misgunt het zich, ontleedt het

totdat er niets van blijft.

Maar zij weet dit niet en zou het niet hebben begrepen. Zij raakt in de

war en lijdt; ze moet toch altijd vriendelijk doen tegen de gasten.

En als ten tweede male over hun grillige liefde het voorjaar strijkt,

vlucht hij de stad uit en vindt zich weêr onder de linde, waarin hij te

voren haar initialen heeft gesneden boven de zijne. Ziet: de

levenssappen van den boom zijn naar buiten gebroken en lekken als tranen

door haar naam over zijn naam. Nauwelijks heeft hij dit beeld doordacht

of hij snelt naar huis en smeekt haar om vergiffenis. Te laat. Zij heeft

in stilte hare liefde weggeschreid....

Aan Schönkopfs tafel verschijnt geregeld een zekere Behrisch: lange,

magere sinjeur met scherpe trekken en wel-verzorgde kleedij; gouverneur

van een paar jeugdige graven, die te Leipzig studeeren. Het

waarlijk-geniale in Wolfgangs optreden, dat zijn gelijken in ouderdom

ontsnapt of door hen als aanstellerij wordt beschouwd, trekt de aandacht

van dezen kern-echten zwijger, die de gewoonte heeft, zijn

wereldwijsheid onder vormelijke manieren en langgerekte grappen te

verhullen. Een biechtvader, zooals mosjé Wolf er een noodig heeft. Met

cynischen spot verhaast hij het zuiveringsproces in den ontluikenden

dichter. Valsche verzen die Wolfgang hem voorlegt neemt hij zoo

bedrijvig onderhanden, dat dezen alle eigenliefde vergaat. Daarentegen

is aan liederen die genade bij hem vinden een byzondere gunst beschoren.

Naar den drukker mogen ze niet; maar hij copiëert ze zorgvuldig en

geduldig met ravenvederen en oostindischen inkt, met sierlijke letters

en uitvoerige vignetten, op zwaar papier. Men zegt dat hij die

afschriften mee heeft genomen in 't graf....

Intusschen: Behrisch houdt van uitgaan en genieten; hij brengt Wolfgang

bij meisjes die--als wij hem mogen gelooven--beter zijn dan haar faam;

de romantische jongeling, balsturig om zijn vermoorde liefde, fuift mee

en ontziet zijn lichaam niet meer. En als hij zich slap voelt,

onderwerpt hij zich aan streng dieet en koudwaterbehandeling, zooals

Rousseau ze in de mode heeft gebracht. Terwijl hij aldus "terugkeert

naar de natuur" vernielt hij zijn gestel; zijn prikkelbaarheid neemt

toe.

Spoedig moest hij Behrisch missen. Hij had in een oolijke bui een

lofdicht op een in de studentenwereld beroemden koekbakker geschreven;

een vriend had er een verlengstuk aan gehecht, zoodat het een

parodiëerend hekeldicht leek op Prof. Clodius, en zoo circuleerde het

onder de studenten. Dit bracht den vriendenkring in opspraak. De vader

van de jonge graafjes kwam te weten in welk gezelschap zijn zoons

verkeerden en ontsloeg Behrisch op staanden voet. Wolfgangs

verontwaardiging uitte zich in drie "Oden", die vooral merkwaardig zijn

om de huiveringwekkende beelden, waarmede de ongezonde atmosfeer van het

gekunstelde en lasterende Leipzig wordt geteekend.

Maar nù kon de eenzaamheid hem drijven tot studie en arbeid. Hij

verdiepte zich in Molière's tooneeltechniek en begon diens "Menteur" te

vertalen. Uit Dodds "Beauties of Shakespeare" schitterde een nieuwe

schoonheid hem tegen, en dit noopte hem nader kennis te maken met den

Engelschen dichter, mede aan de hand van Wielands "verduitschingen" die

toen juist verschenen. Hij waardeerde Shakespeare, zonder hem te

begrijpen, en noemde hem zijn meester, wijl hij, voelend dat hij met een

held in aanraking kwam, meer vertrouwen kreeg in zijn eigen begaafdheid.

Hij keerde al meer tot zichzelf in, en schatte zijn eigen

persoonlijkheid het ware en schoone tegenover de onware buitenwereld. Om

hem heen vond hij niets dat zich liet bezingen, en, daar hij toch zingen

moest, "koos" hij--als had hij daar vrij zeggen over!--de rustigste

momenten die zijn ziel doorleefde tot onderwerp voor zijn liederen. Zijn

ervaringen, vooral zijn liefde-ervaringen, werden in de eenzaamheid lang

overdacht en, van alle toevalligheid gezuiverd, neergeschreven. Maar als

dan zoo'n ervaring, in korte, scherp gestelde verzen te boek stond, liet

ze hem tot klaarheid met zich zelf komen, hielp ze hem de tegenstelling

tusschen zijn Ik en de onware buitenwereld overbruggen met

verstandelijke overwegingen. Zoo kregen zijn liederen een eigen,

doelmatigen stijl, waarin 's dichters overleg tot ongemengde uiting

kwam: Beginnend met de aanduiding van een tegenstelling, eindigen zij

plots met een korten, scherp afgepunten zet, belichamend aldus de

luchtige, eenigszins koude wereldwijsheid, waarmede Wolfgang zich

verstandelijk troostte. Liet hij hier en daar--bijvoorbeeld in

"Brautnacht"--zijn schoon verbeelden hartstocht ook dòorleven, deze

heeft voor het eind van 't lied zijn toppunt bereikt en een

veelbeteekenende grap toont dat Goethe zijn eigen warmte voornaam en

rustig heeft doorstaan.

Men zegt dat deze liederen aan Fransche en Italiaansche voorbeelden

herinneren, maar verzuimt te verklaren, waarom Goethe--die al zijn

vroegere gedichten, naar bepaalde voorbeelden vervaardigd, eenvoudig in

het vuur wierp--deze liederen ook in de latere uitgaven van zijn werk

liet herdrukken: Vast staat dat déze vorm juist paste bij zijn blik op

de dingen; hij hadd' hem dus, rusteloos zoekend, ook geheel op eigen

initiatief gevonden, indien het buitenlandsche voorbeeld hem niet in

dezen tijd had gevoerd tot de ontdekking van zijn _stijl_. Hier bereikte

hij van beginne af het meesterschap. Van uitgave tot uitgave opgetoetst

en ontdaan van persoonlijke elementen vinden deze liedjes ook voor zijn

geoefenden smaak van later jaren genade.

Hun eigenaardige, in hoofdzaak telkens weerkeerende opbouw, de

geleidelijke vervloeiing van hun geestesspanning, die maakt dat de

lezer, eenmaal aan het einde gekomen, nooit aan 's dichters

zelfbeheersching wanhoopt, de groote effecten, die met weinig middelen

worden bereikt, het samenvallen van intellectueel en melodieus

zwaartepunt--dit alles heeft in den loop der tijden verschillende

componisten, waaronder Beethoven, aangetrokken: Muziek, heeft Goethe

later gezegd, is het ware element waaruit alle poëzie ontspringt, en

waarheen ze terugkeert. Kort na hun ontstaan reeds werden twintig

liederen getoonzet door zijn vriend Breitkopf, een zoon van den

Breitkopf die de noten-typographie uitdacht. Zij verschenen in 1769

onder den titel: _Neue Lieder_. Goethes naam is op het titelblad niet

gemeld.

Zijn oude liefhebberij voor beeldende kunst meldde zich weer aan en hij

ging de lessen volgen van Oeser, den directeur van de teeken-academie;

een man die niet bestemd was om roem als schilder te verwerven, maar die

als kunst-criticus en als onderwijzer uitmuntte. Aan hem had de

vermaarde Winckelmann, de geleerde "hernieuwer" van de classieke kunst,

zijn vruchtbaarste ideeën te danken. Hij kon Wolfgang, die geen

eigenlijk teekentalent bezat, niet tot kunstenaar vormen, maar wel

leerde hij hem: zijn oogen gebruiken. Zijn critiek, hoe grondig ook,

ontmoedigde nooit. Hij bracht meer inzicht dan vaardigheid. Met

geestdrift onthulde hij zijn genialen leerling het wezen der Grieksche

schoonheid als _"edele eenvoud en stille grootschheid"_. Toen begreep

Wolfgang dat geen jongeling een meester kan zijn en hij vermoedde--wat

hij pas later eigenlijk begreep--dat men in de werkplaats van een

kunstenaar meer kans heeft wijsheid op te doen, dan in de gehoorzaal van

den philosoof. Dus niet alleen de dampende flensjes hielden hem van zijn

studie!

Geheel in deze geestesrichting pasten Lessings leeringen: vooral de

strenge besprekingen over de grenzen tusschen Poëzie en Schilderkunst,

die Lessing aan beschouwing van de classieke beeldgroep Laokoon

vastknoopte, maakten op Goethe, als op bijna iederen nakomeling, een

verkwikkenden en verlossenden indruk. Toen als thans waren de preekende

schilders en de schilderende dichters in zwang; en nu toonde Lessing aan

dat de dichter, wegens de geaardheid van zijn materiaal, het woord, niet

moet schilderen doch verhalen en breede schilderingen slechts langs een

omweg behoort te geven; dat de schilder zich moet houden binnen de

grenzen van het schoone, niet moet vertellen of beweren, doch zijn

figuren moet te doek stellen in rustende houding: Beweging het element

van den dichter, schoone rust het element van den beeldenden kunstenaar;

en wilde de laatste een _handeling_ na-scheppen of een gedachte

aanduiden, dan moest hij grijpen naar het zoogenaamde "vruchtbare

moment"--zijn figuren een houding geven, waaruit viel af te leiden wat

zij het volgend oogenblik zouden doen. Lessing bewees dan in zijn

bescheiden boekje dat al wat wij in de Ouden, speciaal in Homeros,

bewonderen volgens deze principes was opgezet.

In dien tijd beving Wolfgang onweerstaanbaar het verlangen, antieke

beeldkunst aan zijn nieuwe inzichten te toetsen, en, zonder iemand van

zijn omgeving te waarschuwen, reisde hij stilletjes naar Dresden, om

daar het bekende schilderijen-museum te bezoeken. Hij had zijn naar

voorbeeld gemaakte verzen voor niemand geheim gehouden, schreef zelfs

vaak om zijn vrienden te bekoren. Maar zoodra er iets in hem omging dat

de kern van zijn aanleg betrof, verborg hij het zelfs zijn besten

vriend; daar hij zich dan helder bewust was, iets te veroveren dat nog

niet had bestaan en de stoornis van hun overbodigen raad duchtte. Daarom

ging hij nu ook in stilte naar Dresden. Twaalf dagen lang zwierf hij er

tusschen schilderijen, en de portier, die 's morgens het museum opende,

vond hem geregeld voor de poort op wacht. De Hollanders en de Vlamingen,

realistische uitbeelders van forsche menschvormen, en ook de

landschapschilders boeiden hem. Het gebeurde dat hij, de werkplaats

betredend van den kernachtigen schoenmaker bij wien hij intrek had

genomen, alles in donkerbruine kleurtonen zag, als stond hij voor een

doek van Ostade. Maar hier ondervond hij de waarheid van zijn uitspraak,

dat hij als jongeling nog geen meester kòn zijn: de schoonheid van de

oud-Italiaansche stukken en de antieke beelden begreep hij wel, maar hij

kon ze niet navoelen; hij nam ze aan op gezag. Zijn verstandelijke

ontwikkeling was de ontwikkeling van zijn ziel vooruit.

Vandaar ook, dat scherpe critiek hem wel een oogenblik van de wijs kon

brengen, maar niet blijvend. Zijn ziel werd er op den duur niet door

gemoeid. En hij kénde het middel om de oppervlakkige evenwichts-storingen

in zijn intellect te herstellen: Hij ging nu werken aan een aanklacht

tegen--zich zelf, tegen den pluizenden, grilligen, vroeg-ouden menschhater,

die de liefde van de frissche en goede Antje niet had gewaardeerd, en meer

zekerheid had geëischt totdat hij alles had verloren, en begreep hoe

dierbaar de vroegere "onzekerheid" hem was geweest. Hij had als kind een

herdersspel gemaakt, zooals de Franschen die toentertijd in verre navolging

van Tasso bij groote hoeveelheden fabriceerden; een spel zonder actie,

waarin herders en herderinnen, zacht gekleurd en gloedglansend als

porceleinen popjes, elkander zoetelijke papieren gedachtetjes over

jaloezie, liefde en onschuld zeiden. Nù was hem de mogelijkheid gerezen,

aan het spel een levenden inhoud te geven; en na diepgaande omwerking,

waarover hij al weer het stilzwijgen bewaarde, kreeg het ongeveer den

vorm waarin wij _Die Laune des Verliebten_ thans kennen:

--Twee minnende paartjes zijn op het tooneel tegenover elkander

geplaatst, kransen vlechtend. Eridon en Amine lieven elkander

hartstochtelijk, maar Eridon's naijverige grillen verstoren de vreugd al

te vaak. De min van Lamon en Eglé is kalmer en niet zoo veeleischend,

daardoor gelukkiger. Amine's danslust leidt tot gekibbel met haar

prikkelbaren herder; vergeefs tracht Eglé haar weenende vriendin tot

opstand aan te zetten. Dan besluit ze Amine door list te helpen: als

deze naar bal is, lokt ze Eridon in haar armen, en bewijst daardoor

metterdaad, hoe weinig hij het recht heeft, zijn trouwe herderinne door

verwijten het leven te vergallen.

Wolfgang schreef zijn zuster dat dit stuk naar de werkelijkheid

gecopiëerd was en zeker doen de goedige Amine en de grillige Eridon aan

twee, den lezer reeds bekende, personages denken. Maar de typeering van

Eridon, hoe scherp ook, is vergeleken bij deze werkelijkheid, niet

compleet. De vraag dringt zich op, wat Amine eigenlijk aan hem ziet?

Kaatje verdroeg Wolfs grillen zoo geduldig wijl ze bekoord werd door

diens genialen overmoed; en deze juist ontbreekt Eridon.

Dit verwijst naar een grondtoon van Goethes dichterschap: zijn streven

naar het universeele, d.i. het algemeen toepasselijke. Ongetwijfeld, al

zijn werken, sedert zijn studententijd ontstaan, zijn "brokstukken van

een groote biecht"; en zijn helden dragers van d'een of andere zijde van

zijn eigen karakter. Maar--en dit zegt meer--de teekening van zulke

karaktereigenschappen werd gaandeweg gezuiverd van alle individueele

bijmengselen; zoodat ieder, hoe overigens zijn levensomstandigheden ook

waren, mits zijn persoonlijkheid maar dezen trek bezat, er zich in kon

weervinden. In _Die Laune des Verliebten_ is het hem niet te doen om den

student Wolfgang, doch om den--hem onuitstaanbaar dunkenden--

ziekelijk-jaloerschen jongeling in het algemeen. En aangezien

men niet bepaald geniaal behoeft te zijn om zijn meisje te plagen, werd

de betooverende wildheid van het model weggelaten: Er zijn veel

jaloersche jongelingen, doch er is maar éen prikkelbare Goethe.--In deze

beschouwing ligt opgesloten, dat in het herdersspel de liefde van Amine

ongemotiveerd is, en dat dus het heele stuk op losse schroeven staat.

Maar hier is tevens een onderscheiding gemaakt, die de lezer wèl zal

doen tot goed begrip van Goethes later leven in het oog te houden:

Goethe wil twee karakters naast elkaar plaatsen, op elkander laten

inwerken: _hoe_ ze tot elkaar komen,--daarover bekreunt hij zich

allerminst!

Eenmaal aan het werk, ontwierp Wolfgang plannen voor een aantal stukken,

waarin sommige levenservaringen, misschien zelfs reeds sommige

bespiegelingen naar aanleiding van ervaringen, op soortgelijke wijze

moesten verbeeld. Maar deze concepten werden niet uitgewerkt--omdat ze

alle tragiesch eindigden. Dit beduidt niet dat Wolfgang het leven,

zooals het zich nu eenmaal aan hem had voorgedaan, niet wilde zien; maar

wel, dat zijn geest altijd uit was op _herstel_ van een verstoord

geestelijk evenwicht, en voor iedere ramp instinctief een door diep

inzicht gemotiveerden troostgrond zocht. Eerst als hij, al werkend, voor

een bepaalde groep zielsverschijnselen zulk een troostgrond had

gevonden, voelde hij zich er tegen opgewassen, kon hij als een verder

ziend God zweven boven de werkelijkheid; eerst dan was het stuk

"realiteit" _rijp_ voor bewerking. Hij besteedde een groot deel van zijn

leven aan de _verovering_ van de hier aangeduide neiging, die hij van

zijn moeder had geërfd.

--Eén stof nu, hoewel vol treurnis, leek hem geschikt om eenigszins

schertsend te worden opgevat, en hij maakte ze tot onderwerp van zijn

blijspel in verzen _Die Mitschuldigen_. Gelijk men bespeuren zal, kon

deze samenloop van omstandigheden voornamelijk hierom onschuldig worden

voorgesteld, omdat hij in een luchtig-"verdraagzame" moraal een

oplossing schijnt te vinden, voordat de tragiek, die er eigenlijk uit

voortvloeit, hem heeft achterhaald. De opmerking is gewettigd, dat in

het dagelijksch leven een hoeveelheid zedelijk bederf, als hier met wat

uiterlijke grappen overgoten wordt aangevoerd, op iets hevigers moet

uitmonden. Maar het doek valt, voordat dit hevige kan beginnen.

Dit stuk is te rekenen tot de eerste periode van Goethes ontwikkeling

als dramaturg, nl. tot de periode van het gewrongen, of juister: van het

_voorkomen slot_.

Ziehier het geraamte van dit blijspel, waarin Goethe allerlei

wantoestanden objectiveert, die hij als wijsneuzig knaapje heeft

aanschouwd:

--De vierentwintigjarige herbergiersdochter Sophie (het wachten moede)

heeft een slampamper gehuwd, met name Söller, die zich ook in den

echtelijken staat maar niet betert. Door een speelgenoot om geld

gemaand, wil hij een logé, Alcest, dien hij op een feestje gelooft,

bestelen. Doch op het oogenblik dat hij diens kamer binnensluipt, heeft

Sophie daar een rendez-vous met Alcest, haar vroegeren minnaar; die

gaarne zou doen als berouwvolle minnaars meestal doen. Op het oogenblik

dat Söller wil stelen, drijft de verschijning van den waard, zijn

schoonvader, hem in het alcoof, waar hij gedwongen wordt een warm

liefdesonderhoud tusschen Alcest en Sophie bij te wonen, dat duurt

totdat Alcest al te vurig zich betoont. Den ochtend daarop beklaagt

Alcest zich over den diefstal. Hij belooft den nieuwsgierigen waard dat

deze den brief mag lezen, dien hij in den afgeloopen nacht vergeefs

heeft gezocht, en de waard verraadt nu zijn dochter; hij meent nl. dat

Sophie het geld heeft gestolen. Alcest, met deze wetenschap toegerust,

hoopt dat Sophie hem nu meer ter wille zal zijn; maar zìj beschuldigt

haar vader. Söller laat nu voorzichtig los dat hij de dief is, maar ook

dat hij weet wat er tusschen den logé en zijn vrouw is voorgevallen,

zoodat Alcest het wel uit zijn lijf zal laten hem aan te klagen.--Geen

van vieren volkomen onschuldig zijnde, schenken deze "medeplichtigen"

elkaar vergiffenis en "niemand wordt gehangen".

Goethe: Een Levensbeschrijving · 第 2 / 29 段