Produced by Miranda van de Heijning, Marc Hens and the
Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
WERELD BIBLIOTHEEK
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.
UITGEGEVEN DOOR
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM
~GOETHE~
EEN LEVENSBESCHRIJVING
DOOR
E. d'OLIVEIRA
MET 26 AFBEELDINGEN
INHOUD
VOORWOORD
EERSTE BOEK.
HOOFDSTUK PAG.
I. Goethes jongensjaren te Frankfort 9
II. Goethes studietijd te Leipzig 27
III. Ziekte en inkeer 45
IV. Studietijd te Straatsburg 52
V. Merck, Urania en "Götz v. Berlichingen". 71
VI. Wetzlar 85
VII. Das Leiden des jungen Werthers 92
VIII. Allerlei genieën en "Clavigo" 105
IX. Lili 122
X. ~Oriëntatie~ 131
TWEEDE BOEK.
HOOFDSTUK PAG.
XI. Het gevaarlijke Weimar 143
XII. Charlotte von Stein 154
XIII. Grootmeester der apen 161
XIV. De ontnuchterde staatsman 165
XV. Verlangen naar Italië 171
XVI. Het land waar de citroenen bloeien 179
XVII. ~Stellige winst~ 185
XVIII. Egmont 189
XIX. Iphigenie in Tauris 195
DERDE BOEK.
HOOFDSTUK PAG.
XX. De grimmige halfgod en Christiane 215
XXI. De Fransche revolutie 222
XXII. ~God en Wereld~ 237
XXIII. De Xeniën 256
XXIV. Hermann und Dorothea 266
XXV. Wilhelm Meisters Lehrjahre 274
XXVI. Schillers dood 284
XXVII. Huwelijk 292
XXVIII. Die Wahlverwantschaften 297
XXIX. Laatste Kwarteeuw 310
XXX. Faust 326
XXXI. + 348
BIJLAGE
Vertalingen 351
Illustraties
CATHERINA ELISABETH GOETHE-TEXTOR
(Goethes moeder)
_Naar de lithographie van F. C. Vogel_
JOHANN CASPAR GOETHE
(Goethes vader)
_Naar de lithographie van F. C. Vogel_
GOETHE
(Silhouet uit het jaar 1765)
_Frankfortsche Goethe-Museum_
KÄTHCHEN SCHÖNKOPF
_Naar een miniatuur_
CORNELIA GOETHE
_In 1773 door haar broer op
den rand van een drukproef geschetst_
FRIEDERIKE BRION
(vermoedelijk)
KERKPLEIN MET "GOETHE-LINDE" TE GARBENHEIM
CHARLOTTE BUFF
_a_ JOHANN BERNHARD BASEDOW _b_ JOHANN HEINRICH MERCK
_c_ JOHANN CASPAR LAVATER _d_ FRIEDRICH GOTTLIEB KLOPSTOCK
_e_ FRIEDRICH HEINRICH JACOBI
_a_ GOETHE IN 1775
_Naar het gipsmedaillon van Melchior_
_b_ LILI SCHÖNEMANN
GOETHE IN "KAARSRECHTE HOUDING"
(kort na zijn vestiging te Weimar)
GOETHES TUINHUIS MET VERANDA
CHARLOTTE VON STEIN
_Naar haar zelfportret_
CARL-AUGUST
HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR
CHRISTIANE VON GOETHE
(Op 36 jarigen leeftijd)
_Naar de krijtteekening van F. Bury_
GOETHE
(in 1791)
_Naar de teekening van Lips_
GOETHE-SCHILLER GEDENKTEEKEN
GOETHES WERKKAMER IN WEIMAR
(Na zijn dood aldus gelaten)
_a_ GOETHE. _b_ GROOTHERTOG CARL-AUGUST
(bij hun 50-jarig jubileum)
_naar de teekening van H. F. Brandt_
GOETHE IN ZIJN LAATSTE LEVENSJAAR
_Naar de teekening van C. A. Schwerdgeburth_
Einde Illustraties
VOORWOORD
Aan den invloed van Goethe dank ik, dat ik spoedig den weg tot mij zelve
heb gevonden, nadat ik had gedwaald in de mooie oppervlakkigheid en de
doodsche diepzinnigheid, die de voornaamste geestesstroomingen in ons
land mij boden.
Dit boek nu is ontstaan uit het verlangen: den mensch Goethe te naderen
en rustig te aanschouwen. Het is een werk waaraan scheppende intuïtie en
historiekennis, critische speurzin en beeldend begrip gelijkelijk
aandeel hadden; zooals betamelijk is voor een werk dat niet met den
verfkwast maar met den Geest werd voortgebracht. Het beantwoordt--naar
mij dunkt--aan de eischen die ik in een tienjarig oplettend verkeer met
Goethe aan een levensbeschrijving heb leeren stellen; deze eischen vindt
men in De Ploeg (3e Jaargang, No. 7) nader uiteengezet.
Ik weet natuurlijk dat mijn boek min of meer uitdrukkelijk partij kiest
tegen de meeningen van vermaarde Goethe-kenners en critici. In de
verwachting dat het velen moge voorlichten die--den bloei van onze
literatuur niet waardeerend--zoekend zijn zooals ik het ben geweest,
vind ik hiervoor een heerlijken troost!
=d'OLIVEIRA.=
~EERSTE BOEK~
[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,
loopen van 28 Augustus 1749 tot September 1765]
I
Bezems worden altijd stomp geveegd.
En jongens altijd--geboren.
Aan de uiterste grens van het schemer-grijze Frankfort, leefde kleine
Wolfgang opgesloten in een hol ouwerwetsch huis, met geheimzinnige
wenteltrappen en getraliede venstertjes; zijn vader had hem vroeg
geleerd, dat hij zich moest verzetten tegen het sprookachtige
angstgevoel, dat hem beving in de half duistere schuilhoeken van zijn
woning. Hij kwam niet dikwijls buiten: de menschen toen hielden niet van
frissche lucht. En graag klom hij naar "de tuinkamer", die zoo genoemd
werd omdat men er ... buurmans tuin kon zien. Zijn droomerige blikken
gingen dan over de stadswallen en de vruchtbare Mainvlakten tot aan het
wazige Taunusgebergte. Hij staarde op de aandrijvende onweerswolken of
naar de ondergaande zon,--maar als hij dichtbij kinderen van zijn
leeftijd zag spelen, werd hij weemoedig. Hij wist dat hij niet een
gewoon kind was. Toen zijn moeder hem eens vertelde, dat hij door zijn
kaarsrechte houding en zijn gebiedende manieren erg afstak bij zijn
kameraadjes, zei hij ernstig: Dat is het begin, moeder; later zal ik mij
door nog veel meer onderscheiden. Ik ben onder een gelukkig gesternte
geboren.
--Maar andere kinderen denken toch niet aan zulke dingen!
--Moeder, waar een ander zich mee te vreden stelt, dat is voor mij niet
voldoende.
Geheimraad Goethe vervolgde zijn zoon van den ochtend tot den nacht met
zijn pedante, ouwbakken-schoolsche geleerdheid. Hij wilde zooiets als
een wonderkind van hem maken, en stelde hem van begin af zijn uitvoerig
opvoedingsplan voor oogen; wat ten gevolge had dat kleine Wolfgang vaker
dan noodig nadacht over zijn eigen karakter. Meer geluk dan wijsheid
dat hij ten slotte nog iets werd: een kind van zwakker aanleg ware onder
Caspars opvoed-systeem gek geworden of bezweken.
Johann Caspar Goethe was een eerzuchtig, leergierig, koppig, soms
grillig sinjeur. Zijn vader, een kleermakers-gezel, na veel omzwervingen
in Frankfort terecht gekomen, had daar een logementhoudster tot tweede
vrouw gekregen en fortuin gemaakt; maar hoogmoed krenkte zijn geest. Hij
zelf had ijverig gestudeerd en daarna een reis gedaan door Italië,
Frankrijk en Holland. Als bekwaam rechtskundige thuis gekomen, had hij,
na een korte stage aan het opperste gerechtshof te Wetzlar, van zijn
geboortestad een klein ambt gevraagd, dat hij onbezoldigd op zich wilde
nemen, mits men hem niet blootstelde aan de toen gebruikelijke
ballotage. Deze voorwaarde werd natuurlijk niet aanvaard, en hij legde
in woede de gelofte af, nooit meer een gemeentebetrekking, welke dan
ook, te zullen bekleeden. Om zich den weg daartoe voor goed af te
sluiten, nam hij twee maatregelen: Hij verwierf den titel van
Geheimraad, waardoor hij in rang gelijk kwam te staan met den eersten
burger van Frankfort, den schout; en vervolgens dong hij naar de hand
van diens dochter Elisabeth, een en twintig jaar jonger dan hij.
Het meisje, een kind nog bijna, was onder de hoede van een jonge,
eenvoudig-brave moeder opgegroeid; had weinig geleerd, maar was echt
natuurlijk gebleven; hield van vroolijke gezichten en zocht
instinctmatig de keerzij van ieder verdriet. Zij was in stilte verliefd
geweest op den schoonen maar ongelukkigen keizer Karel VII. Die reed
vaak voorbij met herauten en gevolg en als hij toevallig opkeek naar
haar venster, meende ze in zijn oogen wederliefde te vinden. Maar de
keizer stierf en wekenlang bamden de klokken over de stad, iederen dag
twee uur. Toen voelde mooie, bruingelokte Elisabeth in het aanzoek van
den geleerden, vermogenden Caspar Goethe den vinger Gods. En zij volgde
den Geheimraad, die haar vader had kunnen zijn, in het duistere
heerenhuis, dat hij met zijn moeder alleen bewoonde; ze was toen
zeventien.
Ze had hem niet lief: ze achtte hem en vertrouwde dat hij het goed met
haar meende. Hij, van zijn kant, oordeelde zich verplicht, haar zang- en
clavierles te geven, zelfs schrijfles. De goeie man had niets omhanden
en als "Vrouw Raad" maar wat leerzamer ware geweest, hadd' hij haar met
alle genoegen Italiaansch bijgebracht. Zij troostte zich met het
humoristisch geloof, dat dit een uiting moest zijn van hoog-rustige,
verstandige genegenheid. Doch ze leerde nu ook levensomstandigheden
kennen waar geen zonnetje in scheen: het werd haar een gewoonte, voor
zulke omstandigheden eenvoudig het oog te sluiten. Ze ontweek overbodige
emoties; ze negeerde, als ze kon, ongeluk of verdriet totdat ze er mede
was verzoend. Later zou ze haar bedienden uitdrukkelijk last geven, haar
iedere nare tijding zoolang mogelijk te verzwijgen.
Toen haar jeugdzoon Wolfgang kwam--aanvankelijk een broos popje!--was ze
tegen de onderwijswoede van haar echtgenoot beveiligd. Dichter dan bij
hem stond ze bij haar kind. En niet alleen in leeftijd: de kleine werd
haar vriend; hij hield haar jong. Hij kreeg veel van haar gelukkige
karaktereigenaardigheden: In de eerste plaats de gave, waarvan hij later
zou verklaren, dat noch de kunstenaar, noch de man van de daad ze kan
missen; dat ook het beste verstand ze niet vervangt; de gave die hij
kortweg "hart" noemde. Dan zijn onwrikbaar vertrouwen op den God "die
hem in 't geheim zegende". Ook zijn weeke vatbaarheid voor indrukken.
Maar--en hier treedt wellicht een gemoedstrek van den vader te
voorschijn--zijn geest was heel snel verzadigd en wilde bijna terstond
weer nieuwe indrukken tot zich nemen en verwerken. Van zijn gewone
omgeving had hij dra genoeg; hij streefde hartstochtelijk naar
afwisseling. Het best kon hij denken als hij liep, of worstelde met
storm en ontij. Ook het sterke bewustzijn van eigenwaarde had hij van
zijn vader; en dan de neiging om anderen van zijn ideeën te doen
genieten; liefde voor détails die bijna pedanterie werd; stipt
plichtsgevoel; drang naar zelfvolmaking. Maar dit alles zat bij hem veel
dieper: hij had een vrouwelijk-teere inborst, die door een manlijken wil
werd bestuurd.
Caspar Goethe bespeurde vroeg de wonderlijke begaafdheid van zijn zoon.
In het byzonder zijn vlug verstand. Hij besloot hem zoo op te voeden,
dat het kind op de wereld zou veroveren, wat de wereld den vader had
onthouden: een staatsmans-carrière, waar hij zich dan door eerlijkheid
en kunde naar voren moest dringen; zoodat hij--uit een werkmansgeslacht
gesproten--zou gaan behooren tot de besturende kaste in de vrije stad
Frankfort, waar de standen zoo scherp van elkander waren gescheiden. Hij
wilde Wolfgang verre houden van de lichtzinnigheid en de
brooddronkenheid die, volgens hem, tot in de school waren doorgedrongen.
Hij wilde hem zelf onderwijzen. In de eentonige stilte van zijn
schaduwrijke huizing, in de stijve tucht van zijn vroom gezin, zelf als
een burchtheer geëerbiedigd, wilde hij hem wapenen tegen de vijandige
wereld.
Met zijn moedertje en zijn jongere zus Cornelia vormde Wolfgang van
begin af een sentimenteel verbond tegen de rechtzinnigheid des vaders.
Deze drie schuilden bijeen, als zochten ze warmte en vastheid tegen een
ijzigen storm. Maar de vader trok zijn jongen toch òok aan: de
overeenstemming in karakter verloochende zich niet. Wolfgang wilde
leeren, rusteloos.
En zelfs in hun vrijen tijd moesten de kinderen nuttig werk doen, de
stinkende zijdewormen van hun vader voederen, zijn kopergravures bleeken
in de zon, met taai geduld; of zij moesten bestellingen overbrengen aan
leveranciers, of, toen zij ouder waren, rapporten opmaken over
belangrijke gebeurtenissen in de stad. Lezen leerden zij al heel vroeg;
vóor zijn achtste jaar schreef Wolf niet alleen zijn moedertaal maar ook
Fransch, Grieksch en Latijn. Italiaansch had hij spelenderwijs opgepikt,
terwijl zijn vader het zusje in die taal les gaf; het leek hem een
grappig soort van Latijn. Een reizend onderwijzer, die aanbood de
kinderen in vier weken Engelsch eigen te maken, werd gretig ontvangen;
de Geheimraad blokte ijverig mee.
[Illustratie: CATHERINA ELISABETH GOETHE-TEXTOR
(Goethes moeder)
_Naar de lithographie van F. C. Vogel_]
Wat afwisseling kwam er, toen voor de oude talen een leeraar werd
geëngageerd en wel twintig kinderen van vrienden en bekenden verlof
kregen, diens voordrachten bij te wonen. Ook, toen de heer Goethe
begon, zijn kweekelingen al wandelend de geschiedenis van hun
geboortestad te demonstreeren, aan de vele oude gebouwen die zij voorbij
kwamen: die gebouwen, vestingen binnen de veste, herinnerden aan
veelbewogen tijden.... En het werd bijna vroolijk, als de stijve ouwe
Frankforter dansles gaf, zijn kleintjes met effen gelaat en starre
ruggegraat tot een menuet schaarde en hun pasjes begeleidde op een
dwarsfluit. Hij hield wel van muziek en hij was ook zoo barsch niet als
hij scheen; maar hij wilde zijn jongen niet teerhartig maken en achtte
zich verplicht zijn weekere gevoelens stelselmatig te verhullen.
Al wat hij zei berustte op nauwkeurig overleg; bij al wat ze deden
moesten de kinderen zich afvragen: Wat is de consequentie hiervan? waar
loopt dit op uit?--en als er in het duistere huis een of ander werk was
aangepakt, dan moest het ook onvoorwaardelijk afgemaakt. Caspar kreeg
het plan, ook de avonden nuttig met de zijnen door te brengen: hij las
aan vrouw en kinders de Geschiedenis der Pausen van Bower voor--van welk
werk toen reeds vijf kwarto deelen waren verschenen. En hij wilde
daarmee niet ophouden, al begon hij ook zelf telkenmale het eerst van
narigheid te geeuwen.
Slechts oogluikend liet hij toe, dat het moedertje nu en dan ter
ontspanning een van haar sprookjes vertelde, die zij onder 't vertellen
phantaseerde. Dan verslond kleine Wolf (dit zijn haar eigen woorden)
haar al gauw met zijn groote zwarte oogen. Als het een van zijn
lievelingen niet voor den wind ging, dan zag zij de driftaders op zijn
voorhoofd zwellen en merkte dat hij zijn tranen verbeet.--Terloops zij
gezegd, dat haar jongen geen zwarte oogen had, doch bruine; zijn
pupillen waren echter zoo groot en zoo schitterend, dat men de iris niet
zag.--Tusschen "Vrouw Raad" en de oude grootmoeder (die 't huishouden
bestierde) heerschte een eigenaardige diplomatische afspraak. Moesten de
kinders naar bed voordat een sprookje was uitverteld, dan vertelde dat
sprookje zich zelf ten einde in Wolfgangs roerige verbeelding. En hoe
het dan afliep met zijn helden vertrouwde hij aan het frissche
witgekleede vrouwtje toe.... Die bracht het stillekens aan de moeder
over. Den volgenden avond werd dan de ontknooping ingericht, zooals hij
die graag had; opgewonden luisterde hij naar de vervulling van zijn
wenschen, en "men kon zijn hartje onder zijn kanten kraag zien bonzen".
Groot genoegen vond hij ook in het poppenspel, de vertooningen van
"David en Goliath" die de grootmoeder gaf met Kerstmis. Maar hij rustte
niet eer hij wist hoe dit alles in zijn werk ging en hij het tekstboekje
ter inzage kreeg. Toen moest hij natuurlijk ook zelf voorstellingen
geven. Weldra had hij van de poppen genoeg en vormde uit de
buurt-kinderen een tooneelgezelschap.
Geheimraad Goethe paste wel op dat zulk vermaak niet te ver ging, of te
veel tijd in beslag nam. De oude boeken die hij zelf had doorgeblokt
werden uit de stoffigheid opgediept: Romeinsche antiquiteiten en
Grieksche fabelleer, een bijbel met prenten en een aardrijkskundeboek op
rijm. Ook allerlei langvergeten Duitsche dichters, waarvan Wolf beweerde
dat hij er "veel meer uit leerde lezen dan dat hij ze las"; en
reisbeschrijvingen, die men thans te realistiesch zou vinden. De toen
moderne poëten, als de "Messias"-zanger Klopstock, werden zorgvuldig
verbannen wijl zij rijmlooze verzen schreven; en hiervan moest de
conservatieve Geheimraad (die zoo veel van Italiaansch hield, dat hij in
die taal het relaas van zijn reis stelde) heelemaal niets hebben! Zijn
vrouw las nu Klopstock in het geheim met haar kleintjes, die spoedig
aangrijpende passages van buiten kenden en declameerden.
In al die wetenschap hield Wolfgang een helderen kop; en toen hij er een
beetje in thuis geraakte en tijd vrij kreeg, werden nieuwe vakken bij
het onderwijs getrokken. In wiskunde bracht hij het niet ver. Teekenen
naar de natuur was zijn liefhebberij; en een van zijn meesters vond het
jammer dat hij geen schilder mocht worden. Deze meester heeft niet een
goed inzicht gehad in zijn talenten. Want ofschoon Wolfgang zich later
onder de bekwaamste mannen van zijn tijd met groote volharding in het
schilderen oefende, hij bracht het nooit boven middelmatigheid. Hij zag
alles met schildersoogen; doch de kracht om binnen hem levende en
kleurende beelden op doek te leggen bleef hem ontbreken, al gaf hij de
studie nooit geheel op.--Muziek, clavier- en fluitspel leerde hij
vroegtijdig, beoefende hij langdurig; werd hij ondanks al zijn liefde
nooit dragelijk meester. Doch het heimwee naar tastbare beelden en snel
wisselende kleuren en ontroerende melodieën zou uit zijn streven spoedig
blijken....
Hij werd een echte baas in paardrijden en schermen; de vele
lichaamsoefening gaf hem een houding als van een prins: hij ging grooter
lijken dan hij werkelijk was.
Godsdienstonderwijs kreeg hij aanvankelijk alleen van zijn innig vrome
moeder. "Vrouw Raad" die bij iederen tegenspoed naar haren bijbel greep,
doch niet zoo orthodox was als zij wel meende, las met haar kinderen het
Oude Testament. De Heilige Schrift met haar hartstochtelijke,
diepbewogen taal, met hare helden, zinnebeelden en idyllen, met haar
warme gebeden en hare trillende liefdesliederen, werd den veel-wetenden,
immer zoekenden knaap in waarheid het Boek der boeken; zij hielp hem
zijn verstrooide geleerdheid ordenen. Zijn latere bedrevenheid in
natuurwetenschappen kon zijn eerbied voor naïef-onwaarschijnlijke
wonderverhalen nooit schokken. Maar de tijding van de aardbeving in
Lissabon, waarbij, naar men zeide, zestigduizend menschen het leven
hadden verloren, greep den zesjarigen knaap smartelijk aan. Wat! riep
hij uit (en de toen tienmaal zoo oude Voltaire riep het zelfde) onze God
die aarde en hemel heeft geschapen en in stand houdt; God, die volgens
ons eerste geloofsartikel zoo wijs en goedertieren is; is God
onvaderlijk genoeg om brave en slechte menschen in éen slag te
vernielen? Dat kan ik niet gelooven.--En dagen lang trachtte hij zijn
twijfel te overwinnen. Zijn vader, die hem liefst rechtzinnig hield,
pakte hem mee naar de kerk, waar een bekend dominee naar aanleiding van
de ramp een preek gaf. Nu, zei de kleuter bij het thuis komen, ik heb er
nog eens over nagedacht, maar de zaak is toch eenvoudiger dan dominee
zegt: God zal nu toch ook wel weten, dat onsterfelijke zielen niet
vernietigd kunnen worden door aardsche gebeurtenissen.
Natuurlijk moest ieder blijk van oprechte kinderlijkheid in haar al te
ernstigen Wolf de moeder diep treffen, vooral wijl hij zijn beste
gevoelens binnenhield als men hem die niet ontlokte. Toen hij in zijn
negende jaar zijn jonger broertje verloor, huilde hij niet, want Broer
was bij God in den hemel.--Maar hield je dan niet van 'm, dat je zoo
makkelijk zonder hem kunt?--Of ik van hem hield...? Wolf snelde naar
zijn dakkamertje en haalde van onder zijn bed een pak papieren. Lessen,
oefeningen, eigengemaakte verhalen: Kijk, dat heb ik allemaal voor 'm
bewaard, zei hij eenvoudig; dan kon hij er later plezier van hebben.
Na den dood van de grootmoeder liet Geheimraad Goethe zijn huis--tot dan
toe ongeschonden bewaard--verbouwen en gezelliger inrichten.
Geleidelijk, en stelselmatig, opdat de kinderen overal van konden
leeren. Zóo geleidelijk, dat de bewoners in hun bedden nat regenden.
Kleine Wolfgang, als metselaar gekleed, legde den eersten steen; en hoe
toen de meesterknecht een redevoering wilde houden, doch middenin bleef
steken, vinden wij in een van zijn Latijnsche opstellen verhaald. Nu
moesten de kinderen den heer des huizes helpen: zijn rijke
mineralen-verzameling, zijn collectie Venetiaansche glazen, zijn oude
wapenen, zijn talrijke boeken moesten gerangschikt: gangen en zalen
werden met gravures van Italiaansche landschappen, met schilderijen
behangen; overbodige meubels en erfstukken werden van de hand gezet;
Wolf moest op kunstvoorwerpen bieden in veilingen, en maakte van de
gelegenheid gebruik om zich zelf een en ander aan te schaffen. Nu kwamen
allerlei werklieden en fijnschilders in huis; die moesten hem hun
procédés en handgrepen uitleggen; hij keek ze op hun vingers, en
trachtte de wisselwerking tusschen karakter en beroepskeus in hen na te
speuren. Te midden van al die drokte vond hij zich zelf, daar de vader
hem niet zoo streng op de hielen kon zitten.
Zijn aanleg tornde op tegen Caspars stelselmatige grondigheid: Hij
schreef oude en nieuwe talen, hij schreef ze correct, en wist toch
weinig van spraakkunst. Hij was niet in staat, zijn weten langzamerhand
en uit kleine onderdeeltjes op te bouwen. Het was hem allereerst te doen
om den dràad; hij wilde de zaken ineens, van uit hun kern doorzien. Nu
deze taal beoefenen en over een uur weer een andere, dat stond hem niet
aan. Hij zon op middelen om al zijn kennis tegelijkertijd te beheerschen
en uit te breiden. Zoo schreef hij een veeltaligen roman in brieven: Een
half dozijn broers en zusters, over heel de aarde verspreid, vertelden
elkander hun wederwaardigheden, in lange epistels, zooals die destijds
vaak van hand tot hand gingen. De een had het in deftig Duitsch over
zijn reizen, waarop een zuster in zoogenaamd "vrouwenduitsch", met korte
gebrokkelde zinnetjes, antwoordde. De theologische student van het
troepje bediende zich van 't Latijn en maakte Grieksche na-schriften;
twee kantoorbedienden schreven Fransch en Engelsch, een musicus
Italiaansch, en een die thuis was gebleven, in zijn geboortestad had
opgelet, schreef Jodenduitsch.--Een dergelijke poging tot samenvatten is
te vinden in de "Ochtendgelukwenschen", die hij in zijn geboortemaand
Augustus aan zijn "dierbaarsten vader" opdroeg. Tot den 14en schreef hij
ze in 't Duitsch, daarna in Latijn en Duitsch, vervolgens in 't
Grieksch.
Hij was nog heel jong, toen hij werd aangegrepen door een formeele
"vers- en rijmwoede", nog aangewakkerd door de wedstrijden in het
dichten en improviseeren, die een huisvriend de kinderen uit zijn
omgeving deed houden. Op elk onderwerp dat men hem voorlegde wist hij
vlam te vatten, in alle genres beproefde hij zijn geluk; boertige
dingskens zoowel als geestelijke zangen bracht hij voort. En ieder jaar
bood hij zijn gevleiden vader een bundel "Verzamelde Gedichten" van
vijfhonderd kwarto bladzijden aan als verjaarsgeschenk;--waardoor hij
zich hoopte te vrijwaren van de doodsche oefeningen in het
schoonschrijven. Om zich in zijn Latijnsche-taalwerk een beetje
zelfstandigheid te veroveren, stelde hij zijn Latijnsche gesprekken op,
tusschen "De Vader" en "De zoon"; hij behandelde daarin onderwerpen uit
zijn eigen leven. Zoo, een bezoek aan den welgevulden wijnkelder, dien
de familie Goethe uit grootvaders logement had geërfd; en een
woordenwisseling met zijn gestrengen heer en vader, die te weinig
eerbied koesterde voor zijn boetseerwerk in was. Met uitbundige
scherpzinnigheid, met onvertaalbare woordspelingen en ouwelijke grappen
treedt "De zoon" zijn knorrigen belager tegemoet. In kernachtigen
dialoog wordt "De vader" schaakmat gezet, en ten leste, bij wijze van
genadeslag, verbluft met een vraag aangaande de grondbeginselen van de
schoonheidsleer. Acht jaar is de schrijver van deze gesprekken. En:
"Labores Juveniles"--"Jeugdwerk"--zet hij er boven. Die titel zegt veel!
Daar brak oorlog uit tusschen Pruisen en Oostenrijk. Zijn grootvader de
schout, en met dien het grootste deel van de familie, stond aan de zijde
van den keizer; hij en zijn vader kozen partij voor den grooten Fritz,
den manmoedigen Pruisenkoning. Hij had altijd veel van zijn
aanzienlijken grootvader gehouden, maar van toen af kon hij des Zondags
aan diens tafel, waar allerlei kwaad werd gesproken van zijn held, niet
meer aarden; de brokken bleven hem in de keel, en voor het eerst kreeg
hij het gevoel van minachting voor de meeningen van de groote massa, dat
hem later zoo eigen zou worden. Zijn verbeelding gloeide, toen daar uit
den toren de nadering van troepen werd aangekondigd, toen de Fransche
bondgenooten des Keizers de wacht listiglijk overweldigden en de stad
bezetten. De heer Goethe beschuldigde zijn schoonvader van verraad: de
twee stonden met getrokken degen tegenover elkaar. Caspar verweet den
schout dat hij de vrije stad had verkocht aan den vijand; en dat hij een
mooie gouden keten had aanvaard van de keizerin.... Hij was een lang
poos doorloopend uit zijn humeur, zoo dat hij het leeraren er aan gaf.
Wolfgang werd naar school gezonden.
[Illustratie: JOHANN CASPAR GOETHE
(Goethes vader)
_Naar de lithographie van F. C. Vogel_]
Daar kreeg hij aanleiding, te getuigen van zijn grooten eerbied voor
tucht en orde: Drie apen-van-jongens sarden hem gedurende de afwezigheid
van den meester; hij liet ze begaan, want vechten was verboden. De
leeraar bleef weg en ze prikten hem in zijn beenen tot het bloed er
langs liep; hij bleef roerloos zitten. Maar toen het uur voorbij was,
rammelde hij de kwelgeesten met de koppen tegen elkander, dat de buren
er aan te pas kwamen.
In de juist verbouwde woning van den ouden Goethe werd een "luitenant
des konings", de Franschman Thoranc ingekwartierd. Een kunstlievend,
wellevend man, tactvol genoeg. Hij had den overval van Frankfort
voorbereid en was thans met de rechtspraak belast. De heer des huizes
kon hem niet luchten of zien en moest aanhoudend door zijn vrouw gesust
worden. Maar eens--de Pruisen waren nabij Frankfort geslagen--gaf hij
toe aan een dolle woede jegens zijn gast; en werd met moeite voor
gevangenschap behoed.
De gast nam eenige kunstschilders in dienst, om groote doeken voor hem
te vervaardigen, die op zijn kasteel als wandversiering zouden dienen.
Wolfgangs dakkamer werd het atelier. Hij maakte van de gelegenheid
gebruik om de techniek van het schilderen af te neuzen en fungeerde ook
gaarne als model.
Van zijn grootvader kreeg hij een vrijbiljet voor den Franschen
schouwburg. Nu zijn vader niet meer zoo voortdurend op hem lette, kon
hij daar vaak rondzwerven; en hij keek scherp uit zijn oogen. Hij maakte
kennis met een jong Fransch acteur, zekeren Dérone, een echten snoever,
die alle critische wijsheid van die dagen in pacht scheen te hebben, en
beweerde, dat hij de directie tamelijk wel naar zijn hand zette. Nu
kreeg jonge Wolfgang achter de coulissen--er was maar één
kleedkamer!--heel veel ongegeneerdheid te zien. Hij werd vroeg ingewijd.
Maar zijn moeder overschatte hem niet, toen ze vertrouwen stelde in zijn
reeds gevormd karakter: inderdaad nam hij aan de lichtzinnige
tooneelisten geen aanstoot; natùurlijk hadden acteurs noch actrices twee
costuums op elkander aan!
Hij ontmoette ook de zuster van zijn nieuwen vriend en hij kwistte dit
dametje allerlei romantische galanterieën, die met tanteachtige
gelijkmoedigheid in ontvangst werden genomen. Doch geen verdere gevolgen
hadden.
Het Fransche treurspel prikkelde hem nu tot navolging. Hij had inzicht
in de tooneeltechniek, de rimram der Alexandrijnen dreunde hem door 't
hoofd. Hij schreef een "classieke tragedie", welke hij aan het deskundig
oordeel van het jongemensch, dat de directie naar zijn hand zette,
onderwierp. "Zeer geslaagd", meende de criticus; "ik zal een goed
woordje voor je doen en meteen hier en daar een kleinigheid voor je
veranderen".--Maar tot Wolfs ontsteltenis bleef er na de correctie van
het heele drama niets meer over; en de revisor overdonderde hem met de
machtspreuk, dat "Het drama" eenheid van plaats, van tijd, van handeling
eischte. Hij bestudeerde toen ernstig wat Corneille en Racine daarover
hadden geschreven. Dat hij er niet in slaagde, de Fransche meesters te
bewonderen, het zal den lezer later blijken.
Al bereikte hij nog niet een toonbaar resultaat, in zijn onbewuste wezen
had zich reeds smaak voor het tooneel gevormd. Hij had zich en zijn
huisgenooten meermalen vermaakt, door in de van grootmoeder geërfde
poppenkast voorvallen uit het dagelijksch leven, uit den bijbel, achter
het voetlicht te brengen: de Bühne[A] werd dan in de deuropening van
zijn kamertje opgesteld. Hij kreeg een voorproeve van den strijd dien
hij zijn leven lang met zich zelf op dit gebied zou voeren, toen hij
zijn geestelijk spel "Jerusalem Verlost" gaf; en daarbij eensklaps bleef
haperen, uit den dialoogvorm in den verhaaltoon overging, wijl hij de
zielsbewegingen van zijn helden niet langer door aaneensluitende daden
of gesprekken wist uit te beelden. Het publiek lachte en begreep niet,
hoezeer deze principiëele mislukking hem verdroot. En hij bleef altijd
pogen, bekende verhalen te "dramatiseeren". Bij de geschiedenisles ging
hij pas goed luisteren, als er personen werden behandeld, wier wezen hij
zàg, wier woorden hij rechtstreeks hoorde. Hij had dit van zijn moeder,
die in haar zelfverzonnen sprookjes aan natuurkrachten en beesten en
hemellichamen menschelijke vormen gaf en menschelijke stemmen. Eerst
later jaren zou hij zich bewust worden van de taak: zijn talent, dat op
beschrijven en op analyseeren was aangewezen, te verzoenen met zijn
phantasie, die hem het plastische, tooneelmatige voorspiegelde.
[A] De vertaling van in dit werk gebezigde Duitsche woorden,
uitdrukkingen etc. vindt men in de Bijlage; ook enkele niet Duitsche
maar toch vreemde woorden zijn daar verklaard.
Als kind organiseerde hij een eigen troep, die door vaders vindingrijken
huisknecht van costuums en requisiten werd voorzien en welks
voorstellingen meestal uitliepen op een ranselpartij: Wolfgang
verwachtte dat zijn medespelertjes bij intuïtie hun rollen zouden kennen
in de stukken, die hij hun kort te voren in hoofdtrekken had verteld.--
Tot groote verlichting van den Geheimraad trokken de Franschen
eindelijk, na zeven jaren, af. Nu werd de bovenwoning verhuurd, zoodat
er voor het gezin weinig, voor inkwartiering heelemaal geen plaats meer
bleef. Het was met Wolfgangs vrijheid gedaan: zijn vader zette hem weer
aan 't werk. Hij kende nu genoeg Latijn om de lessen aan een academie te
volgen, maar hij was nog veel te jong. Daarom wijdde de Geheimraad zelf
hem in in het Romeinsch recht en liet hem ook kennis maken met de
elegantere jurisprudentie van latere tijden. De oude heer moet wel
verrast zijn geweest, toen het zoontje verzocht, hem nu ook een
Hebreeuwschen meester te geven: zijn afkeer van het uitverkoren volk had
hij allang overwonnen en hij had eerbied voor de eigenzinnigheid,
waarmede de Joden aan hun gebruiken hingen; bij het voorbereiden van
zijn veeltaligen roman hadden sommige vreemde woorden zijn
nieuwsgierigheid geprikkeld. De rector van het gymnasium onderwees hem
nu in het Hebreeuwsch, probeerde hem den bijbel in den grondtekst
verstaanbaar te maken; hij bracht den man in verlegenheid door zijn
bemoeizuchtige vragen, waaruit duidelijk genoeg bleek, dat hij liever
met zijn twijfel pronkte dan dat hij een antwoord vond.
Hij ondernam nu tochten door het Ghetto, kreeg in de "Judengasse" aldra
kennissen, bezocht de synagoge, verdiepte zich in ritueele
plechtigheden, wisselde glimlachen en knipoogen met mooie donkere
Jodinnetjes, als die Zaterdags wandelden op een veld bij de stad, wijl
de groote pleinen haar waren ontzegd.
Zoo deed hij heel wat menschenkennis op, maar een kind bleef hij, en
dit maakte hem zoo aantrekkelijk voor sommige vrienden van zijn vader,
ouwe gesloten bullebakken, die hem aan hun tafel noodden en zich in zijn
levenswijsheid verlustigden; misschien wel met de bijgedachte, hem voor
hun ideeën te winnen. Geboren Frankforters hadden in dien tijd een
hoogen dunk van zichzelf; daar nu echter niet alle burgers in den
Gemeenteraad konden zitten, werd Frankfort de stad van de "miskenden".
Een er van hoopte een diplomaat uit hem te vormen, omdat diplomaten het
best nog door de wereld rollen. Een ander, een geleerde eenzame
menschenhater met éen oog en een pokdalig gezicht, die de rechtspractijk
niet mocht uitoefenen omdat hij gereformeerd was, trachtte hem aan het
verstand te brengen dat hij advocaat moest worden; om have en goed te
kunnen verdedigen tegen het altijd loerende menschgespuis, of van tijd
tot tijd (als je er de moeite voor over hadt) een of anderen schurk in
de doos te draaien....
Op zijn Zondags uitgedost: 't haar gefriseerd en bepoederd, een slepend
lint aan het degengevest, groote zilveren gespels op zijn schoenen; met
witte kousen, zijden gilet en zwarten rok (die uit het trouwpak van zijn
vader was gesneden).... zóó legde hij naarstig bezoeken af bij oude en
jonge vrienden. Hij had van moedertje geleerd, in ieder het goede te
zoeken, niemand te "bemoraliseeren". En hij gaf klagers en mopperaars
ten volste zijne aandacht, maakte voorzichtige, diepzinnige opmerkingen
(in Frankforter trant met kernwoorden gekruid), vermeed gezegden die tot
botsing konden leiden: en ontwikkelde dus zijn ingeschapen vaardigheid,
van tegenstanders te leeren. Zijn speelmakkers beheerschte hij, wat die
zich gaarne lieten welgevallen, als hij maar een van de sprookjes
verhaalde, waarin hij zelf als held optrad: dan waren ze zijn "lakeien".
Eens, toen hij er zich naar gewoonte op liet voorstaan, dat de schout
van de vrije stad Frankfort zijn grootvader was, wierp een kwaadaardig
joch hem tegen, dat zijn papa de natuurlijke zoon was van een adellijk
heer. Wolfgang vond het echter zoo prettig, te zijn zooals hij was, dat
het er voor hem verder niet op aan kwam hòe hij het was geworden.
Overigens toonde hij zich niet gekrenkt maar gevleid. Op alle portretten
van edellui, die hij onder het oog kreeg, zocht hij naar gelijkenis met
vaders trekken. Dat hij wel eergevoel bezat bewijst het
duel-op-den-degen, dat hij met Monsieur Dérone voerde, waarna een
plechtige verzoening werd gevierd, onder het genot van een ferm
glas--amandelmelk. Vreemde jongen! Op zijn zevende jaar besloot hij, de
theologische disputen met zijn catechiseermeester beu, "naar eerwaardig
bijbelsgebruik God rechtstreeks, d.i. in Zijn werken te eeren". In zijn
dakkamertje stapelde hij tegen een muziekhouder een pyramidevormig
altaar van steenen en schelpen die hij uit de bekende mineralen-verzameling
had ontvreemd; en als de eerste stralen van de morgenzon door zijn venster
streken, werden zij in een brandglas saamgetrokken en ontstaken een
welriekend dankoffer. De opstijgende rook beduidde het verlangen van zijn
ziel naar den schepper der natuur.
Wolfgang kreeg bedenkelijk veel vrijheid, toen in Frankfort, na afloop
van den oorlog, de kroning van Keizer Joseph II plaats had. Hij moest,
nadat hij het détail van vroegere kroningen vaak tot diep in den nacht
had bestudeerd, zijn vader over alle belangrijke gebeurtenissen rapport
uitbrengen.
Kort te voren had hij kennis gemaakt met een aantal jongens "uit lagere
standen", die hem gelegenheidsgedichten lieten schrijven en de opbrengst
daarvan verbrasten. Bij een hunner ontmoette hij Gretchen, een
"beeldschoone" maagd, op wie hij, als vanzelf spreekt, verliefd werd, al
was zij een paar jaar ouder dan hij. Vermomd, aan Gretchens arm, begaf
hij zich in het gedrang van de kroningsfeesten, en toen hij eens zijn
huissleutel had vergeten, bracht hij met haar en haar gezellen den nacht
door; 't kopje tegen zijn schouder viel zij in slaap. Bij het
afscheidnemen drukte zij haar eersten kus op zijn voorhoofd. Zóo was hij
van haar vervuld, dat hij zich de opoffering van herhaalde kerkgangen
getroostte, wijl hij haar in de kerk uren lang kon zien.... Deze
historie nam een leelijke wending, toen een van zijn nieuwe kennissen,
dien hij aan een stadsbetrekking had geholpen, valschheid in geschrifte
pleegde. Hij werd nu, verdacht van medeplichtigheid, aan een streng
verhoor onderworpen. Hij bekende al zijn avonturen, maar zwoer dat hij
zich een ongeluk zou aandoen, als zijn eigenlijke vriend, als Gretchen,
straf moest oploopen door zijn schuld. Hij weigerde alle voedsel,
verliet zijn zolderkamertje niet meer, dacht niet aan de groote sinjeurs
die daar buiten galoppeerden door de straten. Maar het pijnlijke genot
van deze zelfkwelling werd gebroken, toen de te hulp geroepen
"paedagoog" hem na eenige voorbereiding vertelde, dat ook Gretchen in
verhoor was genomen: zij had getuigd, dat zij den kleinen Wolfgang van
beginne af had beschouwd als een _kind_, en zich alleen maar had
beijverd hem van malle streken terug te houden.... Hemel! voor zoo een,
voor een die hem niet beminde dus, had hij gehuild tot zijn keel was
ontstoken! voor zoo een wilde hij zich in het ongeluk storten?--En hij
vluchtte het huis uit en de stad uit; in de vrije natuur, bij bosch en
beek, bij zonneschijn of storm streed hij met zijn drift: en er kwam een
heroïsche kalmte over hem.
Zijn geest kon eerst in een andere omgeving tot hernieuwde werkzaamheid
zich spannen. Reizen en trekken werd nu en in later tijd zijn redding,
als hij een verdriet, een aarzeling, een onbegrijpelijkheid moest
overwinnen.--
[Illustratie: GOETHE
(Silhouet uit het jaar 1765)
_Frankfortsche Goethe-Museum_]
Met zijn nieuwen onderwijzer,--die schrander genoeg was, om hem in de
vrije natuur vaak aan zijn gevoelens over te laten--doorliep hij de
geschiedenis van de oude wijsbegeerte. Hij maakte het den man lastig met
vragen, "die deze later wel eens zou beantwoorden". Vurig verdedigde hij
de bewering dat een afzonderlijke wetenschap van het denken overbodig
was. Neen! een boek als de bijbel, waarin kernachtige wijsheid met
geloof en poëzie was vermengd, daar had de wereld behoefte aan; en aan
mannen als de Stoïcijnen die zich in hun ziel wapenden tegen
moeilijkheden des levens!... Hij had de tastbare werkelijkheid te zeer
lief om zich met ijle gedachten te vergenoegen; doch hij bezat een te
fijnen geest en te veel neiging om in alles éénheid te zoeken, om in een
enkele kunstuiting--hetzij beeldende kunst of lyriek--bevrediging te
verwachten. Het was hem niet te doen om de gedachte-zelf, want die
leefde voor hem geen afzonderlijk leven; doch om de innerlijke
beteekenis van wat hij zag en ondervond. Zijn verswoede werd
langzamerhand een virtuositeit, die van toen af op zich zelf geen doel
kon hebben. Het ontbrak hem echter aan stof en hij was blij als iemand
hem iets voorlegde dat hij "bezingen" kon: zoo zijn zijn "Poëtische
gedachten over Christus' hellevaart" blijkens hun ondertitel "op
verlangen ontworpen". Zijn vaardigheid in het spelen met woorden en
rijmen was sneller gegroeid dan zijn levensinzicht, en zoo moest zijn
beeldspraak, waar hij eigen meeningen wilde aanduiden, wel tamelijk los,
en ineengedrongen duister zijn,--hoe cordaat ook neergeschreven. Een
kenmerkend voorbeeld hiervan geeft het dichtje, dat hij op zijn
zestienden verjaardag in het album van een vriend stelde. Zonder naderen
uitleg maar "in allen ernst" vergelijkt hij daar de wereld "die men voor
de beste houdt" beurtelings bij een moordenaarshol--een
studente-kamer--een operagebouw--een professorsdrinkgelag--met
poëetkoppen, schoone rariteiten, afgesleten geldstukken.
"Een die zich op de schoone wetenschappen toelegt", aldus teekende hij
het gedicht. En verried daarmee meer dan hij wilde zeggen: Terwijl hij
zich door zijn vader liet africhten tot de rechtsstudie; terwijl hij, de
kamer op en neer marcheerend, zijn invallen dicteerde aan een
schrijfknecht; terwijl hij doolde op jaarmarkten en missen, waar bizar
gekleede vreemdelingen dooreenwoelden--rees in hem het voornemen, zèlf
zijn loopbaan te kiezen, professor te worden in de kunstgeschiedenis of
in de classieke letteren. Zijn algemeene kennis ontwikkelde hij nog
verder door in eenige encyclopedieën, o.a. in de bekende "Dictionnaire
historique et critique" van Pierre Bayle, te snuffelen; en meer en meer
teekende zich de weg, die hem door zijn geestesbehoeften was aangewezen.
Maar alleen zijn zus Cornelia wist er van: zij begreep hem zoo volkomen,
dat hij haar man zou willen worden indien hij haar broer niet was.
Hij heeft zich eens in enkele verzen afgevraagd, wat er nu toch
eigenlijk voor oorspronkelijks in hem zat. Van mijn vader, zoo dichtte
hij:
Vom Vater hab' ich die Statur,
Des Lebens ernstes Führen;
Von Mütterchen die Frohnatur,
Die Lust zu fabulieren....
en als de deelen het geheel vormen, wat heeft het wicht ten slotte dan
van zich zelf!?
Het oorspronkelijke in zijn persoonlijkheid was hem nog niet helder
bewust, toen hij als 17-jarig jongeling naar de Leipziger hoogeschool
vertrok; toch zou hij zich nooit losmaken van zijn jeugd-indrukken, dat
is te zeggen: van de wijze waarop zijn kiemende geest zich met zijn
eerste ervaringen verstond; toch zal den lezer blijken, dat deze
kinderdroomen in den gerijpten man nog uitwerken. Nog, of liever: pas,
want kinderen grijpen ver.
Maar wel wist hij, dat hij anders was als degenen die hem met zooveel
zorg hadden opgevoed: De teruggetrokkenheid waarin zijn vader leefde
maakte hem bang; en hevig verlangde hij ontslagen te worden van de
geestestucht, die men hem had opgelegd; daar onder de balkrijke
zolderingen van het sombere ouderhuis.
[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald,
loopen van September 1765 tot September 1768.]
II
Verpflanze den schönen Baum,
Gärtner! er jammert mich.
ODE aan BEHRISCH.
Hij voelde zich niet bepaald treurig, toen hij de poorten van zijn
geboorteplaats achter zich had: voortaan zou hij zelf zijn leven
regelen, met frisch gestel en sterken geest zich op de schoone
wetenschappen werpen, rechtstreeks aansturend op het hoogleeraarsambt!
Maar toen hij Leipzig binnenreed had hij den eersten klap al te pakken:
de postwagen was onderweg in de modder vastgeraakt, Wolfgang wilde
natuurlijk met uitbundig krachtsbetoon een handje helpen en verrekte een
paar borstspieren. Gedurende heel zijn studietijd zou telkens een
knagende pijn zijn zenuwen overprikkelen.
Hij vond dat hij, om op slag te komen, zich eens flink moest vertreden
en de academie-stad beviel hem wel bij eerste kennismaking. Deftige
gebouwen met mooie gaarden; straten breeder dan in Frankfort en ook
lichter, doordien de hooger gelegen étages der huizen de verdiepingen
gelijkvloers niet overschaduwden; interessante omstreken met overvloed
van gezellige roomtuinen; boekenstalletjes huis aan huis, en gewoel van
vreemd-gedoste buitenlanders; een Fransche kolonie,--die als een
leerschool van smaakvolle wellevendheid werd beschouwd en aan Leipzig
wijd en zijd den roep gaf van "een galante stad", een "klein Parijs";
waar men er zich bovendien op liet voorstaan, je "feinste Teutsch" te
spreken. Het was juist mistijd: drinkgelagen en banketten en rijjolen
gingen niet van de lucht en de goudstukken schoten den onervaren
studiosus tusschen de vingeren door, snel als waren het guldens. Maar
hij genoot, en in zijn naïeve verbazing vond hij 't gewenscht, zijn
zuster de zeer byzondere spijzen op te sommen, die de Fransche keuken
hem van dag tot dag gaf te savoureeren.
Toen de teleurstelling: de Frankforter patriciërszoon, het dichterlijke
wonderkind, stond hier maar matig in tel. Zijn uitspraak klonk boersch
en men glimlachte als hij zijn taal doorspekte met spreekwoorden,
bijbelsche beelden, krachtige oud-Duitsche uitdrukkingen, die hij uit
kronyken had opgediept.. Zijn kleeren, waarvan hij hoogen dunk had,
bleken van verouderden snit en ze zaten nogal slof. Geen wonder: de
huisknecht, die niet mocht leegloopen, had ze uit vaders onverslijtbare
plunje gemaakt. En nu gebeurde het dat een komiekeling in een derderangs
theater de menschen deed proesten, enkel en alleen door in juist zulke
kleeren op te treden. Jonge Wolfgang, tot tranen geërgerd, was blij dat
hij er in slaagde, zijn rijkvoorziene garderobe, met bijbetaling van
ettelijke goudstukken, te ruilen tegen een paar moderne pakjes.
Hij ging zijn aanbevelingsbrief overhandigen aan den rector van de
universiteit, hofraad Böhme. Deze verbood hem, de studie van de
rechtswetenschap, waarvoor hij bestemd was, zonder verlof van zijn vader
op te geven, teneinde voor zijn lievelingsvakken tijd te winnen. Dit
ontnuchterde hem: doch Böhme, practiesch man, met weinig ontzag voor
geleerdheid die door anderen werd onderwezen--overtuigde hem dat hij,
als bewonderaar van de classieken, niet beter kon doen dan zich wijden
aan de studie van het Romeinsche Recht. Deze raad, gevoegd bij de
overweging dat zijn moeder en Cornelia het zouden ontgelden als papa
Goethe tot de ontdekking kwam dat zijn plannen werden gedwarsboomd,
maakte hem aanvankelijk tot een stipt en ijverige collegehengst. Maar
Böhme had hem over het Recht en over de geschiedenis der
staatsinstellingen niet veel nieuws te vertellen. En hij verdreef zijn
verveling door in zijn dictaten caricaturen te teekenen van de
rechterlijke ambtenaren die de lessen verduidelijkten.
Mevrouw Böhme interesseerde zich voor hem; ze trachtte met veel tact hem
te beschaven, leerde hem kaartspelen en de nieuwste dansen, als middel
om zich in gezelschap te kunnen bewegen. Ze won zijn vertrouwen. Toen
droeg hij haar de verzen voor die hem hadden ontroerd, ook verzen van
hem zelf, zonder de namen van de dichters te verraden. Zij keurde af,
hij verdedigde. Maar toen zij haar oordeel motiveerde en de groote vraag
aanroerde: Hoe onderscheidt men mooi van leelijk?--ging hij zwijgend
naar huis.
Hij had tot dan toe in alle mogelijke "genres" gewerkt, omdat en zooals
"men" het mooi vond; zijn onderwerpen werden hem, door vader of door
zijn onderwijzers opgegeven. Juist doordat geen diepwortelende voorkeur
hem aan een bepaalden stijl bond, juist doordat hij zich zoo vrij
gevoelde tegenover zijn materiaal--het woord--juist daardoor kon hij als
jongen verregaand bedreven zijn in vers-techniek. Hij wist wel te
onderscheiden juiste verzen van foute verzen, maar niet schoone verzen
van valsche verzen. Hij wist dat de vraag naar de normen van het Schoone
hem eens zou verontrusten. Maar, alles wat hij onder vaders leiding deed
als voorloopig en voorbijgaand beschouwend, had hij ze uitgesteld tot
later. De vermaningen van deze hoofsche dame, denkelijk zoo zwaarwichtig
niet bedoeld, betroffen de kern van zijn talent. Eensklaps besefte hij
ten volle dat hij leege dichtstukjes had voortgebracht, vormen, wier
correctheid doelloos was, omdat poëtische inhoud ontbrak; woordenpraal
die onder het niveau bleef, waarop men zich om mooi of leelijk bekreunt.
In hem hadden kunde en leven elkander nog niet bereikt.... En op een
goeden dag smeet hij heel het pak dichtoefeningen dat hij van huis had
meegebracht in den vlammenden keukenhaard.