Nog eenmaal en thans voor het laatst waren wij te Middelburg. Het
najaar stond voor de deur: mijn vriend moest naar zijn vaderland
terugkeeren en zou den weg over Antwerpen nemen. De gelegenheid bood
zich alzoo als van zelve aan, om een bezoek te brengen aan dat deel
van Zeeland, dat wij nog niet gezien hadden, aan het oude Zeeuwsch-
of Staats-Vlaanderen.
Eigenlijk behoort dit land niet meer tot Zeeland, maar tot Vlaanderen,
waarvan het dan ook in de middeleeuwen een deel uitmaakte. Gedurende
den oorlog tegen Spanje werd deze landstreek met de wapenen veroverd,
en bij den Munsterschen vrede aan de republiek toegevoegd. In 1795 aan
Frankrijk afgestaan, werd Staats-Vlaanderen, in 1814, bij de provincie
Zeeland ingelijfd, waartoe het nu nog behoort: een onnatuurlijk
aanhangsel, waarvan de grenzen geheel willekeurig zijn bepaald.
Van Vlissingen varen wij de breede rivier over, die zich hier in
de zee verliest, naar Breskens, een groot en levendig dorp, waar
veel vertier is. Deze streek, het oude land van Cadzand, vertoont
nog in vele opzichten hetzelfde karakter als het tegenover liggende
Walcheren; ook dit land is, in den letterlijken zin, aan de golven
ontwoekerd, stuk voor stuk ingedijkt, en evenzeer bij herhaling door
overstroomingen geteisterd en gedeeltelijk vernield. De steden en
dorpen herinneren u aan de zeeuwsche steden en dorpen; eerst als ge
meer het binnenland ingaat, vooral in het oostelijke deel, in het
land van Axel en Hulst, komt er verandering in de physionomie der
streek en treedt de verwantschap met het naburige Vlaanderen meer op
den voorgrond. De rood en groen of rood en geel geverwde gevels der
boerenwoningen beginnen te verdwijnen; de huizen zijn witgepleisterd en
hebben rieten of ook wel leien daken; roode pannen daken, in Zeeland
algemeen, beginnen hier zeldzamer te worden.
Wat vruchtbaarheid aangaat, kan Zeeuwsch-Vlaanderen de vergelijking
met elke andere streek doorstaan. Welige graanakkers, meekrap en
vlasvelden, malsche weilanden, rijke moestuinen, wisselen elkander af:
het gansche land gelijkt een grooten tuin, waarin van ieder plekje
gronds met zorg partij is getrokken. Voor den landbouwkundige, den
econoom, is een tocht door deze streek een ware verkwikking; en ook
voor den niet deskundige is, op een fraaien zomer- of najaarsdag,
een blik op deze weelderige vruchtbaarheid een genot, dat eenigermate
het gemis van het schilderachtige, stout-natuurlijke, vergoedt.
De bevolking vertoont, naarmate ge u van de kust verwijdert, meer en
meer de vlaamsche type, ook in de kleederdracht. De vrouwen dragen den
grooten zwarten mantel, die in West-Vlaanderen algemeen in gebruik is,
en een geplooide muts of kap, die het gelaat omlijst; de mannen een
pet en een zwart buis met twee rijen knoopen. De taal begint evenzeer
de eigenaardigheden van het vlaamsch over te nemen en verschilt vrij
aanmerkelijk van het eigenlijk zeeuwsche dialect.
Ook zijn de bewoners dezer streek, naar het zeggen van sommigen
althans, in hooge mate bijgeloovig, veel meer dan het landvolk
van Walcheren of Zuid-Beveland, dat toch ook nog niet met de
overleveringen van het verleden gebroken heeft. Hier vindt ge nog
zoo menige middeleeuwsche traditie, nog zoo veel naïef geloof, dat
tot dusverre de wisseling der tijden heeft getrotseerd.
Hier kan het u nog gebeuren, als ge, op een zomermorgen, door eene
malsche weide wandelt, dat uw gids, een boerenknaap of frissche deerne,
met een geheimzinnig gebaar en eene wonderlijke uitdrukking op het
gelaat, u een kring wijst, waar het gras weliger en dichter groeit
en met voller kleur prijkt dan daar rondom of daar binnen. En als
ge met verbazing dien zonderlingen kring aanziet, zoo zuiver rond,
als ware hij met een passer getrokken, dan zal uw leidsman u met den
meesten ernst verzekeren, dat, op die weide, in dien kring, de elfen
hebben gedanst, en dat daarom het gras op die plek zoo welig groeit en
met zoo fraaie kleur prijkt. En het zal u niet gelukken, die meening
uit te roeien: te minder omdat gij zelf meer dan waarschijnlijk niet
bij machte zijt, eene eenigszins aannemelijke verklaring van het
zonderlinge verschijnsel te geven. En als ge, in plaats van tegen
te spreken, verder vraagt, zult ge waarschijnlijk nog meer vernemen
omtrent deze elfen en hunne zonderlinge verrichtingen; hoe zij de
menschen plagen en kwellen en toch ook wederom helpen en dienen;
welke gevaren den onvoorzichtige dreigen, die zich des nachts
op de weide waagt, waar zij plegen bijeen te komen, en doorgaans
zal het ook niet aan voorbeelden ontbreken, tot staving van deze
geheimzinnige berichten. Ook moet het u niet al te zeer verwonderen,
indien ge nog van andere en gevaarlijker wezens hoort dan deze min
of meer onschadelijke elfen, van witte-wijven en spoken, van booze
geesten zelfs, tegen wie verschillende maatregelen zijn te nemen om
hen af te weren. Dat het luiden der klok hen verjaagt, is bekend;
evenzoo, dat zij de drempels der huizen of stallen, met het teeken
des kruises of een ander kabbalistisch teeken gemerkt, niet kunnen
overschrijden. Er is nog een ander middel om de booze geesten af te
weren: men zet een haan of een kip in een ketel en hangt dien over
het vuur, zoodat de arme vogel levend verbrandt. Zijn jammerlijk
geschreeuw jaagt de demonen op de vlucht. Ik geloof echter niet,
dat dit barbaarsche gebruik nog heden in zwang is: indien al, zal
het toch wel zeldzaam voorkomen.
Behoef ik u te zeggen, dat het landvolk ook hier nog aan allerlei
voorteekenen, aan de geheimzinnige kracht van sommige handelingen of
voorwerpen gelooft?
Het gehuil van een hond voor eene woning, het gekras van den raaf in
uwe nabijheid, het geschreeuw van den uil in zijne nachtelijke vlucht
over uw huis, het plotseling breken van een spiegel, het kraken
en splijten van een meubelstuk:--dit zijn al te gader onfeilbare
voorteekenen van een naderend ongeluk, zeer dikwijls van een sterfgeval
in het gezin of in den kring uwer aanverwanten en bekenden.
Daar zijn ook zekere teekenen, waaraan ge vooruit weten kunt, of
de aanstaande oogst overvloedig dan wel schraal zal zijn, of een
pas aangebroken jaar u voorspoed of onheil brengen zal; daar zijn
middelen om althans een slip van den sluier der toekomst op te heffen,
en sommige bijzonderheden van uw volgend leven te vernemen.
Ook gaat het vast, dat er menschen zijn, begaafd met het vermogen
om het verborgene en toekomende te doorschouwen en te verkondigen,
menschen, die meer zien en meer kunnen dan anderen. Voor zoover zij
dit vermogen, gelijk, helaas! meest altijd geschiedt, ten nadeele
van anderen aanwenden, worden zij bij voorkeur toovenaars of--daar
het doorgaans vrouwen zijn--heksen genoemd. Het geloof aan dezen is
hier zeer algemeen verspreid. Dat zulk eene heks de macht heeft, om de
melk in het vat, het brood in de spinde, de hoenders in den hof, het
vee op de weide, ja zelfs de kinderen en volwassenen, te betooveren
en door geheimzinnige middelen en kunstgrepen op allerlei wijze te
verderven,--daaraan wordt door zeer velen geen oogenblik getwijfeld,
terwijl er betrekkelijk misschien maar weinigen zijn, die zoo iets
stoutweg zouden durven ontkennen. Het valt zeer moeilijk, zich voor
zulke heksen in acht te nemen, omdat haar zoovele onbekende krachten
ten dienste staan. Er zijn wel middelen om betooveringen en bezweringen
krachteloos te maken, maar die baten doorgaans slechts in enkele,
bepaalde gevallen. Zoo kan men, bij voorbeeld, het betooveren der melk
verhinderen, door onder de karnton de hand van een ongeboren kindje,
een stukje rood laken of een takje van een door den bliksem getroffen
boom, te verbergen. Doch helpt dit wel, wanneer uw buurvrouw de kunst
verstaat, om, als gij op denzelfden dag karnt als zij, uwe boter
meester te worden, zonder dat gijzelve weet hoe? Er zijn ook middelen
om het vee in de weide of den stal tegen betooveringen te beveiligen,
maar de juiste kennis dier middelen is soms verloren gegaan, of
door onachtzaamheid worden zij niet op het juiste oogenblik of op de
rechte wijze aangewend, zoodat de booze bezwering ongehinderd werken
kan. Immers de gevallen waarin zij zich openbaart zijn menigvuldig,
en de gewone geneeskunst vermag niets daartegen.
En ook in andere gevallen, waar van geene betoovering sprake is, is
het goed, dat er behalve de hulpmiddelen der officiëele wetenschap,
die zoo dikwerf te kort schieten, nog andere zijn, waarvan krachtiger
werking mag worden verwacht. Een beentje uit een varkensoor is een
afdoend geneesmiddel tegen de kiespijn; en zoo ge aan rhumatiek mocht
lijden, kunt ge niet beter doen dan de schroef van een doodkist of
een stukje van een grafzerk bij u te dragen. Ook kent men in Zeeland
een poeder, poeder van sintepathie genoemd, dat van velerlei nut is,
en wonderlijke dingen werken kan. Dat poeder, uitwendig aangebracht,
geneest niet alleen hoofdpijn, wonden en andere kwalen, maar heeft ook,
inwendig gebruikt, het vermogen iemand het geheugen te doen verliezen;
ja zelfs kan men, met behulp van dit poeder, levenlooze voorwerpen,
zooals tafels, stoelen en ander huisraad, in beweging brengen. Voor
eenige jaren woonden er te Domburg twee oude vrouwen, die beroemd waren
van wege de groote dingen, die zij met behulp van dit tooverpoeder
verrichtten; zij waren zelven in de wandeling bekend onder den naam
van de sintepathies. Waaruit dat poeder eigenlijk bestaat weet ik niet,
evenmin als mij de afleiding van den naam recht duidelijk is. Sommigen
denken aan het fransche sympathie: zou Sinte-Passie niet meer voor
de hand liggen?
Dat ge, ter afwering van de nachtmerrie, uw schoenen of muilen met
het achtereinde naar het bed moet zetten; dat het niet goed is uwe
afgeknipte hoofdhairen in het vuur te gooien, en evenmin om aan
tafel twee messen kruislings over elkander te leggen; dat het, in
sommige gevallen, gevaarlijk is, onder den spiegel plaats te nemen,
en hoogst bedenkelijk om met uw dertienen aan tafel te gaan zitten;
dat een zwarte kat in den regel niet vrij is van eenige betrekking
tot toovenarij, en dat een hond met gele plekken boven de oogen
het vermogen bezit om geesten te zien:--dat zijn van die zaken,
die eigenlijk aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn.
Wat zullen wij van al deze dingen zeggen? Er eenvoudig de schouders
over ophalen, en van dom bijgeloof spreken, dat bij de meer algemeene
verspreiding van het onderwijs van zelf wijken zal? Wel, ik wil u wel
bekennen dat dit alles zich voor mij in een eenigszins ander licht
vertoont. Ge spreekt van bijgeloof, en meent daarmede alles gezegd te
hebben; maar waarschijnlijk zoudt ge tamelijk verlegen staan, indien
ik u eens vroeg, mij eene duidelijke omschrijving van dat woord te
geven, de juiste grens aan te wijzen, waar het geoorloofde en in
uwe oogen redelijke geloof in ongeoorloofd en onredelijk bijgeloof
overgaat. Wat is eigenlijk bijgeloof? Hebt ge wel eens beproefd die
vraag te beantwoorden? Zoo ja, dan zult ge ook weten, hoe uiterst
moeilijk dat antwoord te geven is, hoe bij uitnemendheid onzeker en
vlottend hier de grenslijnen zijn. En dan zult ge, ook al vondt ge
geen formule die u bevredigde, althans dit geleerd hebben, dat ge niet
meer zoo haastig schermt met woorden, waarvan de beteekenis u zelven
niet duidelijk is; en ook dit, dat ge niet aanstonds voor domheid en
onverstand uitmaakt al wat uw begrip te boven gaat. O die jammerlijke
bekrompenheid en oppervlakkigheid, die zich zoo vaak en zoo gaarne
onder het masker van hooger ontwikkeling, van wetenschappelijken
zin verbergt, en aanstonds als onmogelijk verwerpt wat in haar
klein kadertje van kennis niet past! Al die meeningen, denkbeelden en
overtuigingen, die wij hier niet verder kunnen bespreken, en nog minder
in haar oorsprong en beteekenis nagaan en toelichten;--ze zijn toch
nog geheel iets anders dan de gewrochten eener kranke verbeelding,
eener overprikkelde fantazie, aan het hollen geraakt bij gemis van
den teugel der kennis. Ze zijn de verstrooide brokstukken, de nu
doorgaans onsamenhangende fragmenten, de verspreide en deels geschonden
relikwiën van eene wereldbeschouwing, waarin geslachten bij geslachten
zijn opgegroeid, hebben geleefd en zijn gestorven, die voor hen de
onuitputtelijke bron van kracht, van moed, van hoop en vertrouwen is
geweest, de oorzaak van wat zij het hoogst en best hebben gewrocht;
eene wereldbeschouwing, die nog heden de geestelijke atmosfeer is
waarin millioenen ademen. Voor die allen was en is de natuur niet
enkel een gewrocht van onbewuste krachten, gebonden aan en werkende
in de doode materie, niet enkel een groot chemisch en mechanisch
proces, maar een levend organisme, in al zijn deelen bezield, eene
openbaring des geestes, en daarom ook door duizenderlei geheimzinnige
banden verbonden met het menschelijk leven, daarop inwerkende, daarin
deelende, daarvan als eene duistere afspiegeling vertoonende. Al deze
zoogenaamde bijgeloovigheden--onredelijk en onzinnig voor hem, die de
diepe beteekenis, de dichterlijke symboliek, den verborgen samenhang
daarvan niet meer begrijpt;--ze zijn duistere klanken uit het verre,
verre verleden, toen de mensch, nog te midden der natuur levende, nog
niet verleerd had hare taal te verstaan, haar hiëroglyphenschrift te
ontcijferen; toen hij nog acht gaf op de teekenen en voorbeduidingen
aan den hemel en op de aarde, en misschien in nog hooger mate dat
raadselachtig voorgevoel, dat wondervol instinkt bezat, dat wij nu
nog in zoovele dieren met verbazing opmerken.
Overigens wil ik u gaarne toegeven dat het wenschelijk is, dat de
onwetendheid, die bij dit alles ongetwijfeld eene rol speelt, voor
betere kennis wijke; maar de wijze, waarop dit geschiedt, is voor
mij verre van onverschillig. Kunt gij den landman van dit bijgeloof
genezen, zonder tevens in hem den zin te verstompen voor eene hoogere,
niet met de zintuigen waarneembare wereld, zonder bij hem het orgaan te
verlammen, waardoor ook hij de dingen des geestes moet leeren kennen
en eerbiedigen, zonder zijn gemoedsleven te schaden: het is mij wel,
en ik zal niet ontkennen, dat ge hem daarmede een dienst hebt bewezen,
door hem te verlossen van zooveel ijdele vreeze. Maar zoo ge, om hem
van zijn bijgeloof te genezen, tevens alle poëzij uitroeit, immers
dien zin voor eene hoogere, geestelijke wereld, die nog voor ons allen
verborgen is; zoo ge hem leert alles te verwerpen en te loochenen wat
hij niet begrijpt, wat buiten zijne zinnelijke waarneming, boven zijne
verstandelijke bevatting ligt;--dan bewijst ge hem stellig geen dienst;
dan maakt ge hem geestelijk armer in plaats van rijker; dan zou ik u
wel willen bidden, laat dien man zoo als hij is, met zijn verbeelding
en vooroordeelen, maar ook met zijne vatbaarheid om nog andere dingen
te verstaan, te erkennen althans, dan die hij met zijne oogen zien of
met zijne handen tasten kan. En in uw verbeterd en meer uitgebreid
onderwijs,--ge leert den kinderen reeds zoo veel, wat hun later van
ondergeschikt nut is;--waarmede gij zoo vele maatschappelijke kwalen
en zoo vele individueele verkeerdheden genezen wilt, in dat onderwijs
wordt reeds zooveel van de poëzy des levens afgetakeld!
Onder de mannen vooral viel een zeer sprekend onderscheid op te merken;
twee sterk geteekende typen trokken onze aandacht.
Sommigen zijn klein en mager van gestalte, donker van hair en uitzicht,
geelachtig van tint, zeer prikkelbaar, zeer onafhankelijk van karakter,
en bijwijlen uitgelaten vroolijk. Zij dragen, in enkele streken, den
naam van Boschkerels, waarschijnlijk omdat hunne voorouders vroeger
de uitgestrekte bosschen bewoonden, die in deze landstreek werden
aangetroffen, maar sedert lang verdwenen zijn.
De Boschkerels lijden over het algemeen een armoedig, half zwervend
leven. Zij oefenen allerlei kleine beroepen uit; zij maken bezems,
vogelkooien, hondenhokken, muizenvallen, strikken en knippen en
dergelijke zaken en bieden die te koop aan. Onverschrokken stroopers,
eten zij zelven niet van het wild, dat zij vangen; uitgeleerde
dieven, stoven zij met de boter van den naaste de groenten, die zij
hem ontstelen. Toch munten de Boschkerels boven de andere boeren
uit, zoodra het aankomt op vlugheid van begrip, op handigheid en
vaardigheid van bewerking. Zij zijn blijkbaar van een ander ras dan
de andere landbewoners: naar hun voorkomen te oordeelen, schijnen
zij van gallischen of keltischen stam.
De bewoner der vlakke landen en polders vertoont een geheel anderen
type. Hij is groot van gestalte, breedgeschouderd, zwaar, plomp in
zijne bewegingen en van herkulische kracht. Als ge hem zoo ziet
loopen, met zijne slingerende armen, zijne groote handen, zijn
een weinig vooruit stekende knieën en reusachtige voeten, schijnt
hij welhaast een kolossale beer, die, in plaats van op vier pooten,
rechtop wandelt. Uitermate wantrouwend, zeer bijgeloovig, zwaarmoedig,
traag van begrip, is hij min of meer bevreesd voor alles wat hij niet
kent of niet begrijpt. Hij vergeet niet licht eene beleediging, maar
zal zijn wrok weten te verbergen tot hij het gunstige oogenblik gekomen
acht, om zijn vijand te treffen. Bij het spel, als hij gedronken heeft,
kan hij onhandelbaar en zeer gevaarlijk worden. Vechtpartijen in de
herbergen zijn hier dan ook geene zeldzaamheid.
Even als op Walcheren, is ook hier het mes het algemeene wapen der
boeren. In de Vier-Ambachten, in het land van Axel en in de omstreken,
draagt de boer het, in een lederen scheede, aan zijn gordel, en legt
het nooit af.
Het is nog zoo lang niet geleden, dat geheele dorpen elkander
uitdaagden tot een geregeld gevecht met messen. Er bestonden overoude,
erfelijke veeten tusschen de bewoners van naburige dorpen, en van tijd
tot tijd werd de wederkeerige haat bot gevierd in zulk een bloedigen
strijd, waarbij het dikwijls heet toeging.
Maar ook behalve deze algemeene veldslagen, zijn vechtpartijen met
messen hier nog maar al te zeer aan de orde van den dag. De wijze om
zijne tegenpartij uit te dagen, is niet overal dezelfde. Somwijlen
wordt het mes in de lage zoldering gestoken; maar meestal plant
de strijdlustige zijn mes in de tafel der herberg, en daagt dan
zijne tegenpartij uit. Zoolang het mes trilt, heeft deze het recht
zijne verdediging voortedragen. Laat hij die oogenblikken ongebruikt
voorbijgaan, dan trekt de ander zijn mes uit de tafel en gaat zijn
vijand te lijf. Het gebeurt ook wel, dat een of andere ruwe gast zijn
mes in de tafel steekt, zonder bepaaldelijk iemand uit te dagen. Hij
blijft dan in de kamer en verliest zijn wapen niet uit het oog; en wee
den onvoorzichtige, die, in zijne onwetendheid vaak, het mes aanraakt
of ook maar er al te zeer naar kijkt: dat wordt als eene beleediging,
als een aanvaarden der uitdaging beschouwd, en hij moet vechten. Wie
daar niet op gesteld is, en liever niet voor zijn volgend leven een
merkteeken in het gezicht draagt, neme zich dus in acht.
In het zeer aanzienlijke dorp Zaamslag zagen wij, in de gelagkamer van
de herberg, een mes, aan de lage zoldering vastgebonden. Wie met een
ander vechten wil, raakt dat mes aan, en roept zijne tegenpartij op;
wie onwetend de hand naar dat mes uitsteekt, wordt onmiddellijk door
een of anderen woestaard uitgedaagd.
Kort voor onze komst was het gebeurd, dat een jong mensch, een
vreemdeling uit de waalsche provinciën van België, vermoeid van eene
lange voetreis, in de herberg kwam, waar verscheidene gasten zaten
te drinken. Hij zette zich neder op de bank bij de tafel, vroeg den
waard, in zeer gebroken vlaamsch, een glas bier en een boterham,
en sloeg verder geen acht op hetgeen er rondom hem gebeurde. Maar
onder de drinkebroers waren er enkelen, die hem hadden opgemerkt, en
die het vaste voornemen hadden opgevat om, zoo eenigszins mogelijk,
met hem slaags te raken; zij verloren hem daarom geen oogenblik uit
het oog, al hielden zij zich of zij hem niet bespeurden.
De jonkman, volkomen onbekend met het eigenaardige gebruik der streek,
had aanvankelijk op het mes in de zoldering geen acht geslagen;
doch toen men hem zijn brood bracht en--met of zonder opzet--geen mes
daarbij werd gevoegd, meende hij, dat het mes boven de tafel opgehangen
tot algemeen gebruik bestemd was. Onergdenkend rees hij half van
de bank op, en wilde het mes losmaken..... Nauwelijks had hij het
wapen aangeraakt, of de kerels, die aan een naburig tafeltje zaten
te drinken, stoven onder luid geroep op, en een van de brutaalsten
kwam, vloekend en dreigend, naar hem toe, en vorderde dat hij met
hem vechten zou: hij had hem uitgedaagd.
De vreemdeling begreep er aanvankelijk niets van, en kon maar niet
vermoeden, waardoor hij zoo zeer de algemeene drift had gaande
gemaakt. Echter al spoedig beseffende dat het ernst was, en dat men
niet enkel een grap met hem wilde hebben, was hij opgerezen, en staarde
zijn aanvaller, met vlammende blikken en gekruiste armen, zwijgend
aan. Deze raasde en tierde voort, en eischte, op steeds dreigender
toon, dat hij met hem vechten zou. De jonkman antwoordde, dat hij met
het gebruik onbekend was; dat hij geene beleediging van wien ook had
bedoeld of had kunnen bedoelen, daar hij niemand der aanwezigen zelfs
van aangezicht kende; dat er dus voor hom geen enkele reden bestond
om te vechten.... Het baatte niet; de woeste kerel had zijn mes uit
de scheede getrokken, en drong met opgeheven arm op hem in.....
Eensklaps maakt de jonkman eene snelle beweging. Met de vlugheid en
kracht van een tijger, springt hij plotseling op zijn belager los,
grijpt met de eene hand den opgeheven arm met het mes, en brengt
hem met de andere een zoo geweldigen vuistslag op het hoofd toe,
dat de kerel achterover waggelt. In een oogwenk heeft de vreemde,
van zijn voordeel gebruik makende, hem ter aarde geworpen en het mes
ontwrongen, dat hij nu dreigend opheft, terwijl hij met de andere hand
zijn vijand de keel omknelt en met de knieën zijne borst plet. Ondanks
zijne meerdere kracht overwonnen, en machteloos aan de genade van
zijne roekeloos uitgedaagde tegenpartij overgeleverd, riep de kerel,
half stikkende, met rochelende stem, om hulp en erbarming. De
kloeke jongeling slingerde het mes verre weg en richtte zich op,
terwijl een glimlach van zelfvoldoening en minachting om zijne lippen
speelde. Zonder verder een woord te spreken zette hij zich aan tafel,
at zijn brood, dronk zijn bier, en verwijderde zich.
De aanwezigen, door zijne moedige daad verrast en tevens ook door zeker
gevoel voor recht gedreven, hadden eene herhaling van den strijd,
waartoe de verslagen kerel, zoodra hij weer tot zich zelven gekomen
was, wel gezind scheen, belet. Bij zijn vertrek beantwoordden de
meesten zelfs den groet van den vreemdeling met zekeren eerbied:
hij had metterdaad getoond een man te zijn, die zijn weerpartij
durfde staan.
Dergelijke tooneelen, die niet altijd zoo goed afloopen, komen hier
telkens voor. Vooral bij gelegenheid van de kermis wordt hier dikwijls
gruwelijk gevochten; niet alleen worden, bij zulke gelegenheid,
ernstige verwondingen toegebracht, maar het is meer dan eens gebeurd,
dat een der strijdenden er het leven bij inschoot.
In Zeeuwsch-Vlaanderen werd en wordt nog heden, naar gelang van het
ernstige van den twist, gevochten met messen, waarvan het lemmet ter
helfte of voor een derde der lengte omwonden wordt. Dit geschiedt
op verzoek van den gedaagde; het scherp wordt dan met garen omwoeld,
tot van de punt niet meer dan de bepaalde lengte vrijblijft.
Somwijlen werden de twee strijders met een riem aan elkander gebonden,
zoodat ontwijken of vluchten onmogelijk was. Het duel begon, en hield
niet op, voordat een der beide vechtenden dood of doodelijk gewond ter
aarde stortte, en den ander in zijn val medesleepte. Ik weet niet, of
deze echt amerikaansche, barbaarsche gewoonte nog heden gevolgd wordt.
Zijn de aloude overleveringen van strijd en veete tusschen de
verschillende streken, stammen, dorpen en geslachten nog niet geheel
vergeten, evenmin is ze vergeten, de aloude traditie van trouwe
vriendschap, onwankelbaar in voor- en tegenspoed, in blijde en in
droeve dagen, trouw tot in den dood. Bij onze germaansche voorouders
was het zede, dat door beide partijen eenige droppelen bloed in den met
bier gevulden beker werden gemengd, dien twee vrienden met elkander
ledigden: ten teeken dat die beiden nu voortaan onafscheidelijk
verbonden waren, dat hun beider bloed als het ware één was geworden,
en tusschen hen een band gelegd, dien hier op aarde alleen de dood
vermocht te breken. Is deze aloude zede, deze ruwe, maar in haar
symbolische beteekenis, haar kalmen ernst, zoo treffende handeling
ook in onbruik geraakt--hoewel misschien niet geheel,--de naam van
bloedvriend is nog niet uitgestorven, en daar zijn er nog, die ten
volle waardig zijn dezen schoonen naam te dragen.
Naar men zegt is de zeeuwsche boer tegenover vreemden min of meer
achterdochtig en wantrouwend; hij geeft zich niet licht bloot, en
draagt niet, zoo als men zegt, het hart op de tong. Veeleer zal het
een onbekende eenige moeite kosten, zijn vertrouwen te winnen en hem
aan het praten te krijgen, en ook dan nog bepaalt hij zich, in den
regel, tot het hoog noodige. Deze achterhoudendheid, aan de meeste
landlieden eigen, is deels een gevolg van hunne meer afgezonderde
levenswijze, deels ook van het natuurlijk wantrouwen, waarmede zij den
stedeling, die in gansch andere verhoudingen leeft, die in denkwijze,
overtuigingen, zeden, gewoonten zoo zeer van hen verschilt, dien
zij niet begrijpen en die zeer dikwijls ook wederkeerig hen niet
begrijpt, beschouwen. Veelvuldige onderlinge aanraking doet die
wederzijdsche terughouding wel tot op zekere hoogte wijken; maar om
velerlei redenen, kan niemand wenschen dat het kenmerkend onderscheid
tusschen de steden en het platteland hierdoor werd opgeheven, dat de
landlieden zich zooveel mogelijk in stedelingen herschiepen.
Wij kwamen van Axel, waar wij nog eenmaal, en nu voor het laatst,
eene zeeuwsche kermis hadden aanschouwd: een tooneel, gelijk aan wat
wij reeds zoo vaak elders hadden gezien, en dat dus niet op nieuw
behoeft beschreven te worden. Het was een heerlijke najaarsdag,
een dier liefelijke dagen, waarin de scheidende zomer nog even
schijnt te keeren, en met zijn zoetsten glimlach ons tegenlacht;
en terwijl wij met de oogen en met het hart het liefelijk landschap
als indronken, dat ons met zijne stille eenvoudige pracht, met zijn
vollen rijkdom, aan alle zijden omgaf, terwijl het gefluit en getjilp
der haast vertrekkende vogelen ons in de ooren klonk, welden mij als
onwillekeurig die schoone verzen van onzen Vondel uit de ziel:
Wat zongh het vrolyck vogelkyn,
Dat in den boomgaert zat
Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn
Van ryckdom en van schat
Hoe ruischt de koelte in 't eickenhout,
En versch gesproten lof!
Hoe straelt de boterbloem als gout!
Wat heeft de wiltzangh stof!
Wat is een dier zyn vryheit waert!
Wat mist het aan zyn wensch,
Terwyl de vreck zyn potgelt spaert:
O slaef! o arme mensch!
Waer groeien eicken t' Amsterdam?
O kommerzieke Beurs,
Daer noit genoegen binnen quam!
Wat mist die plaets al geurs!
Wy vogels vliegen, warm gedost,
Gerust van tack tot tack.
De hemel schaft ons dranck en kost,
De hemel is ons dack.
Wy zaaien noch wy maaien niet:
Wy teeren op den boer.
Als 't koren in zyn airen schiet
Bestelt al 't lant ons voêr.
Wy minnen zonder haet en nyt,
En dansen om de bruit:
Ons bruiloft bint zich aen geen tyt,
Zy duurt ons leven uit.
Wie nu een vogel worden wil,
Die trecke pluimen aen,
Vermy de stad en straetgeschil,
En kieze een ruimer baen.
Een juweeltje, niet waar? Voorwaar onze oude dichter, al was hij
Amsterdammer met hart en ziel en al was de Warmoesstraat arm aan
natuurschoon, had toch het leven der natuur bespied, mede in zijn
hart gevoeld, en hare sprake verstaan. Dit tafreeltje weegt menige
uitvoerige schilderij op. En de wijze raad, in schalkschen vorm,
ten slotte gegeven,--niemand versmade dien: hij heeft ook nog in
onzen tijd zijne volle waarde behouden. In waarheid, het is ons
allen goed, nu en dan den vogelen gelijk te worden, de vleugelen des
geestes te ontplooien, of, zoo als Vader Vondel het geestig zegt,
pluimen aan te trekken, en ruimer baan te kiezen dan de warrelende en
verbijsterende geschillen in staat en stad en huis, dan het verdoovend
krijgsrumoer dat ons van alle zijden in de ooren klinkt. Voor geest en
hart kan zulk eene gedaantewisseling niet dan gunstig zijn, al ware
het slechts om met frisscher krachten en reiner zin terug te keeren
tot den ernstigen strijd des levens, waartoe allen geroepen zijn,
en die zoo zware plichten kan opleggen.
Aan de vlaamsche grenzen genaderd, traden wij eene eenvoudige
woning binnen, half boerderij, half herberg. Het zag er daar van
binnen niet rijk uit. Geen blinkend huisraad langs de wanden, geen
porceleinen schotels en borden op den schoorsteenmantel; geen sierlijk
gebeeldhouwde spinde in de kamer, wier naakte witte wanden geen ander
pronkstuk droegen dan een oude karabijn, tegenover de breede schouwe,
waaronder een turfvuur brandde, opgehangen. Geen enkel sieraad,
dan alleen het eenvoudig kruisbeeld, dicht bij de slaapstede:
het aandoenlijk kruisbeeld, hier, te midden van deze armoede, zoo
roerend welsprekend, zoo dubbel eerbiedwaardig. Een man van middelbaren
leeftijd zat aan de tafel; hij had zoo juist zijn maaltijd voleindigd,
en was bezig een pijp aan te steken. Eene jonge vrouw, met een zacht
en toch ernstig voorkomen, schommelde eene wieg, waarin een kind lag,
dat met zijne groote donkerblauwe oogen zoo zonderling ernstig, zoo
weemoedig bijna voor zich uit staarde, als voelde het nu reeds wat
moeite en zorg en kommer het pas ingetreden leven brengen zou. Het
is soms of op het onbewolkte kindergelaat reeds de schaduw valt
der rampen, in de toekomst verborgen, of het heldere kinderoog,
in schemerende omtrekken, de bittere beproevingen aanschouwt, die
aanstaande zijn.
De man en de vrouw, blijkbaar naar de wereld schraal bedeeld, ontvingen
ons met die eenvoudige waardigheid, die echte wellevendheid, even ver
verwijderd van kruipende onderdanigheid als van krenkende aanmatiging,
dien juisten aangeboren takt, die in onze burgerlijke eeuw schier het
uitsluitend eigendom is van de echte aristokratie en van den onbedorven
landbewoner. Zonder vragen en evenzeer zonder opdringen, werd het
beste van hetgeen de armelijke woning bevatte te onzer beschikking
gesteld. Veel was dit niet: de maaltijd van het gezin bestond uit
salade met aardappelen, zonder olie, maar met veel azijn.....
De jonge moeder zong of liever neuriede, op half gedempten toon, een
liedje om haar zuigeling in slaap te wiegen. Het was eene eigenaardige
wijze, zwaarmoedig en vol van die zachte, roerende melancholie, die u
uit de meeste volkszangen tegenklinkt. Stil ruischte het ongekunstelde
naïeve liedeken door de kamer; en het was of het zonlicht, dat door
het kleine venster naar binnen drong en een breede lichtstreep
over den vloer en tegen den wand teekende, of het kalme, rustige
herfstlandschap daar buiten, met zijne rossige tinten en warme tonen,
of geheel die eenvoudige stille natuur en omgeving, aan het lied eene
nieuwe bekoorlijkheid, eene hoogere beteekenis schonk. Ik luisterde;
en zonderling werd het mij te moede, toen ik in het wiegeliedje, dat
deze jonge moeder zong, het overoude Engelengebed herkende, dat, wie
weet sinds hoevele eeuwen, in verschillende vormen, door millioenen
gebeden is, overal waar volken wonen van germaanschen stam, van de
Alpen tot de Noordzee, van den Oder tot den Rijn, in de Nederlanden,
in Denemarken, in Engeland, in Zweden en Noorwegen. Zoo zong en bad
de moeder, wel zeker niet wetende hoe vele moeders hetzelfde vóór
haar gebeden en gezongen hadden:
's Avonds als ik slapen ga,
Volgen zestien Engeltjes me na:
Twee aan mijn hoofdeneind,
Twee aan mijn voeteneind,
Twee aan mijn rechterzij,
Twee aan mijn linkerzij;
Twee die mij dekken,
Twee die mij wekken,
Twee die mij leeren
Den weg des Heeren,
Twee die mij wijzen
Naar 's Hemels Paradijze.
Dit gebed is eigenlijk een kindergebedje. De kinderen, die het
trouw opzeggen, worden daarvoor, naar men in Vlaanderen verhaalt,
beloond door een krentenkoek, dien de engel Gabriël, in den schoonen
Kerstnacht, onder hun hoofdkussen legt. De jonge moeder had ditzelfde
gebedje gezongen, staande aan den schoot harer moeder; en zij neuriede
het nu haar lieveling voor, opdat de eenvoudig schoone woorden reeds
vroeg in zijn onbedorven zieltje, in zijn ontvankelijk gemoed zouden
dringen, en hij het straks zelf zou kunnen bidden, als hij, voor zijn
kribje geknield, eer hij slapen gaat, door moeder wordt goenacht
gekust. Ge doet wel trouwe moeder; moge uw kind, als het opgroeit,
nog lang, zeer lang, in den geest die engelen blijven zien!
Het was een liefelijk, aantrekkelijk tooneel, ik mag wel zeggen,
een recht oud-hollandsch binnenhuisjen, ondanks dat kruisbeeld en
dat engelengebed. Immers, niet waar, deze dingen ergeren u niet,
en waar gij ze vindt, acht gij wel niet de aanspraak op den naam van
oud-hollandsch verbeurd? Zijn beiden niet teekenen van dien vromen
zin, die den roem en de kracht onzer vaderen, niet enkel onzer
protestantsche vaderen, placht te zijn? Ik wenschte wel, dat in al
de woningen onzes volks van dien zin de teekenen, zij het dan ook in
anderen vorm, werden gezien.
Wij stonden aan de grenzen. Nog eenmaal daagden ze op voor onzen
geest, de dagen in Zeeland doorgebracht, de tooneelen daar aanschouwd,
de genoegens daar gesmaakt, de indrukken daar ontvangen. Straks zou
ieder zijns weegs gaan, waarheen zijne eigenaardige levensbestemming
hem riep; maar de herinnering aan dezen te zamen doorgebrachten tijd
zou niet verloren gaan, en--ik ben er zeker van--ook in het verre
land zou mijn vriend menigmaal het beeld voor den geest staan van
die lage landen aan de Noordzee, om zoo menige reden aller aandacht
en belangstelling waard.
Dien avond zaten wij voor het laatst aan den maaltijd, ditmaal niet
meer in Zeeland, maar op belgischen grond. En toen mijn vriend den
beker hief, om een afscheidsgroet te brengen aan het land, dat hij
verlaten ging, dat hij wellicht nooit weder zou zien; toen voor mijn
geest wederom het beeld oprees van dat vaderland, dat mij als het
ware nog dierbaarder was geworden, nu ik een zijner belangwekkendste,
zijner meest karakteristieke gewesten den vreemdeling had mogen toonen
en hem inleiden tot de kinderen mijns volks;--toen kwamen mij nog
eens de uit het hart gewelde regels van onzen Potgieter op de lippen,
een herinnering, een groet, een bede:
Grauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden;
U schiep natuur met een stiefmoeders hand:--
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!
Al wat gij zijt is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de deugd van die helden,
Beiden de zee en den dwingland te sterk,
Vrijheid een tempel en Godsvrucht een kerk.
Blijf wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem;
Zorg, dat Europe den zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem',
Land mijner Vaadren, mijn lust en mijn roem!
Wat dan de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde:
Lauwren behooren aan 't vleklooze zwaard,
Land, eens het vrijste en gezegendst' der aard!