[1] Op bladz. 3 van dezen jaargang staat abusievelijk 1550: lees 1530.
[2] Het gaat met dit lied, als met meer oude volksliederen:
het geheele verloop der gebeurtenis wordt er niet in verhaald,
maar alleen in enkele trekken de toestand geteekend. Die trekken
moet de lezer of hoorder--want deze liederen zijn allen bestemd om
voorgedragen, gezongen te worden, waarbij stembuiging en gebarenspel
medewerken--tot een geheel samenvoegen en aldus de schilderij
voltooien. De middeleeuwsche hoorders konden dit waarschijnlijk ook
zeer wel; voor ons, kinderen van later tijd, is tot recht verstand
van dit lied, eenige toelichting niet overbodig.--Wij hebben ons
de toedracht der zaak aldus voor te stellen. Twee ridders dingen
naar de hand derzelfde jonkvrouw; de voorkeur, dien zij, tegen den
zin haars vaders, den een schenkt, ontsteekt zoo zeer den toorn en
minnenijd van den ander, dat hij zijn medeminnaar 's nachts overvalt
en vermoordt. Hij beseft dat hij, na dezen manslag, vluchten moet,
maar eer hij voor goed het land verlaat, wil hij nog eenmaal haar zien,
om wier wil hij deze bloedschuld op zich geladen heeft. Hij gaat naar
haar woning, en spreekt haar, daar zij voor het venster verschijnt,
aan met de verklaring, dat hij haar gaarne naar het buitenland zou
voeren, indien zijn vijanden hem dit niet beletten. Spottend vraagt
zij hem, waarheen hij haar dan voeren zou; en als hij met zoete en
tevens dreigende taal, antwoordt: naar de linde, den boom der liefde en
des gerichts, dan herneemt zij dartel: wel, dat is niet noodig; mijn
liefste is hier bij mij.--Nu barst hij uit: uw liefste is niet bij u:
hij ligt ginds verslagen. Uit den toon, uit de geheele houding van
den ridder, die zich nu ijlings verwijdert, begrijpt de jonkvrouw,
dat deze tijding waar moet zijn. Zij gaat aanstonds heen, om zich
daarvan te overtuigen; het verdere behoeft geene verklaring.