XIII.

Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste

eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel

mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en

weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene

aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in

den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen,

ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd;

en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het

vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche

volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is

een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen

land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen,

waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd

af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken

zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze

aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt;

evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk

en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede

werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.

Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen,

die hem getroffen hadden. "Gijlieden zijt toch een aristokratisch

volk," zeide hij eens tegen mij, "en Voltaire had wel ongelijk met

zijn canaux, canards, canaille."

--Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen

verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende

dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van

zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?

--Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander

niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt,

daaraan ontbreekt het u niet.

--Verklaar u nader.

--Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp

geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der

maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen

heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote

en kleine kringetjes, waarvan de toegang onverbiddelijk gesloten

blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap,

lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn

kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die

hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als

ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid

maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere

geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er

heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van

burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne

bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.--Gij weet, vervolgde mijn

vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de

minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke

gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op

hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van

stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving,

als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik

heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan

bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen

prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden

opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke

waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet

met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is

overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan

onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls

beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk,

in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de

volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.

--Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige

overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring

gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel

hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei

kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu

ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan

vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn

rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen

gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader

althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij

zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil

doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige

coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn."

Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat

ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, dat Weledelgeboren

Heer klonk uitermate dwaas, toen ik het overzette in Sieur bien

noblement né!--"Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn

reismakker.--Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel

niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel

aan bijna ieder fatsoenlijk man.--Zoo; ik wist niet, dat men bij u te

lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat

fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?--Een graaf

voert bij ons den titel van Hooggeboren, hautement né; een baron,

dien van Hoogwelgeboren, haut et bien né"....." Maar ge begrijpt,

dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al

zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk

voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand

aan te spreken dan het eenvoudige Mijnheer, dat ge zoowel tegenover

den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken

moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor

zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet

klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels

erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.

Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke

woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het

noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De

vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets

bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.

Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De

roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen,

met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de

haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware,

massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer

achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts

nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.

Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig

stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u

omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven

stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche

steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude

stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar

levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche

wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der

stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink,

een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon

gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met

zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht

was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden

daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen

van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de

zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk

werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden;

tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in

onbruik geraakt.

Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen

niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde

gegaan. Wij wandelen de stad door, die nog, in enkele gebouwen,

monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis,

een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl,

maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren

is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In

het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen,

met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook

bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl,

en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig

duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar

roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust

van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het

geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de

verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?

De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische

kerken van Noord-Nederland, werd op den 7den October 1832 een prooi

der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd

niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude

toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der

hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren,

naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten

bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den

bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen

van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het

gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en

is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang;

ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze,

moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig

monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen,

zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al

te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet

ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.

Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort

is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk;

terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide

torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee

adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken

getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar

vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel

bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep

verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister

wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de

wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die

vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend

sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.

Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is,

behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit

eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene

aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar

men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat

sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe,

tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt

mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige

geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo

groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk

is geworden door dien Witte van Haemstede, 's Graven Floris zoon,

den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op

Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische

geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.

Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de

noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee

keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en

lommerrijke dreven afgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot

de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts

is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in

het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan

uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken,

die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.

Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite,

althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige

natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde

karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij

den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos

eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke

weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.

De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink

van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van

schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard,

dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht

onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk

door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland;

jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de

nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen

niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.

Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar

Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk

de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan

de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien

ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven

is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei

en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval. Echter vindt

de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door

het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit

zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te

vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen

dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog

gedreven wordt.

Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het

beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien,

juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een

dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt

de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het

karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan

dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied

der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik

Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk

genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker

van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van

den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En

ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te

vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk,

indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten;

Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest

van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten,

in schier elke burgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen

poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader

Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie

te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man,

die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo

veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij,

bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere,

praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, het

philisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van

Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave

geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en

die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen,

vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te

deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van

zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te

vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen,

stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan--behoudens

misschien enkele uitzonderingen--alles ontbreekt wat poëzie tot

poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des

geestes, "gevoel, verbeelding, heldenmoed:"--in één woord, dat niet

te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is

plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig;

zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van

het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van

de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch;

zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal

is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;--desniettemin

wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en

blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel,

dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot

verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons

volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat

het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders

van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor

de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke

afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo

sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde,

vatbaar voor alle hooge aandoeningen;--dan voor het alledaagsch,

breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden

en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot

aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en

gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn

omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek,

in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige

minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats

te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat

hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden,

ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.

Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven

ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland,

Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide

anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant

gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen;

voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden

weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den

landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons

den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste

streken van Zeeland te kunnen doorstaan.

Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende

platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en

kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een

tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang:

althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een

fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige

eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst

begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare

geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven

verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen,

dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage

groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou

wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:--dit

alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger

als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over

akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen

en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt

ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder

uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de

golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het,

behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al

den rijkdom der vruchtdragende aarde.

In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden

een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het

opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een

instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna

nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar

tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het

onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen

door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 14 / 16 题