Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste
eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel
mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en
weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene
aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in
den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen,
ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd;
en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het
vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche
volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is
een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen
land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen,
waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd
af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken
zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze
aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt;
evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk
en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede
werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.
Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen,
die hem getroffen hadden. "Gijlieden zijt toch een aristokratisch
volk," zeide hij eens tegen mij, "en Voltaire had wel ongelijk met
zijn canaux, canards, canaille."
--Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen
verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende
dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van
zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?
--Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander
niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt,
daaraan ontbreekt het u niet.
--Verklaar u nader.
--Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp
geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der
maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen
heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote
en kleine kringetjes, waarvan de toegang onverbiddelijk gesloten
blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap,
lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn
kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die
hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als
ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid
maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere
geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er
heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van
burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne
bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.--Gij weet, vervolgde mijn
vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de
minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke
gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op
hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van
stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving,
als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik
heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan
bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen
prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden
opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke
waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet
met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is
overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan
onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls
beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk,
in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de
volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.
--Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige
overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring
gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel
hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei
kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu
ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan
vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn
rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen
gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader
althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij
zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil
doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige
coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn."
Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat
ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, dat Weledelgeboren
Heer klonk uitermate dwaas, toen ik het overzette in Sieur bien
noblement né!--"Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn
reismakker.--Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel
niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel
aan bijna ieder fatsoenlijk man.--Zoo; ik wist niet, dat men bij u te
lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat
fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?--Een graaf
voert bij ons den titel van Hooggeboren, hautement né; een baron,
dien van Hoogwelgeboren, haut et bien né"....." Maar ge begrijpt,
dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al
zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk
voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand
aan te spreken dan het eenvoudige Mijnheer, dat ge zoowel tegenover
den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken
moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor
zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet
klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels
erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.
Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke
woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het
noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De
vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets
bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.
Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De
roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen,
met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de
haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware,
massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer
achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts
nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.
Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig
stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u
omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven
stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche
steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude
stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar
levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche
wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der
stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink,
een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon
gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met
zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht
was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden
daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen
van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de
zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk
werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden;
tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in
onbruik geraakt.
Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen
niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde
gegaan. Wij wandelen de stad door, die nog, in enkele gebouwen,
monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis,
een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl,
maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren
is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In
het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen,
met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook
bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl,
en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig
duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar
roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust
van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het
geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de
verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?
De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische
kerken van Noord-Nederland, werd op den 7den October 1832 een prooi
der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd
niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude
toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der
hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren,
naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten
bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den
bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen
van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het
gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en
is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang;
ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze,
moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig
monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen,
zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al
te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet
ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.
Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort
is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk;
terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide
torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee
adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken
getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar
vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel
bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep
verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister
wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de
wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die
vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend
sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.
Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is,
behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit
eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene
aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar
men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat
sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe,
tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt
mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige
geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo
groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk
is geworden door dien Witte van Haemstede, 's Graven Floris zoon,
den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op
Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische
geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.
Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de
noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee
keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en
lommerrijke dreven afgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot
de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts
is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in
het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan
uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken,
die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.
Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite,
althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige
natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde
karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij
den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos
eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke
weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.
De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink
van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van
schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard,
dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht
onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk
door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland;
jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de
nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen
niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.
Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar
Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk
de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan
de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien
ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven
is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei
en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval. Echter vindt
de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door
het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit
zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te
vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen
dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog
gedreven wordt.
Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het
beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien,
juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een
dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt
de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het
karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan
dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied
der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik
Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk
genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker
van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van
den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En
ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te
vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk,
indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten;
Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest
van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten,
in schier elke burgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen
poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader
Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie
te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man,
die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo
veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij,
bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere,
praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, het
philisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van
Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave
geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en
die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen,
vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te
deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van
zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te
vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen,
stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan--behoudens
misschien enkele uitzonderingen--alles ontbreekt wat poëzie tot
poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des
geestes, "gevoel, verbeelding, heldenmoed:"--in één woord, dat niet
te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is
plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig;
zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van
het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van
de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch;
zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal
is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;--desniettemin
wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en
blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel,
dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot
verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons
volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat
het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders
van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor
de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke
afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo
sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde,
vatbaar voor alle hooge aandoeningen;--dan voor het alledaagsch,
breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden
en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot
aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en
gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn
omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek,
in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige
minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats
te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat
hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden,
ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.
Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven
ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland,
Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide
anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant
gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen;
voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden
weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den
landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons
den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste
streken van Zeeland te kunnen doorstaan.
Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende
platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en
kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een
tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang:
althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een
fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige
eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst
begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare
geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven
verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen,
dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage
groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou
wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:--dit
alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger
als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over
akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen
en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt
ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder
uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de
golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het,
behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al
den rijkdom der vruchtdragende aarde.
In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden
een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het
opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een
instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna
nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar
tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het
onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen
door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.