Van Krabbendijke voert onze weg over Rilland naar Bath. Bath is niet
meer dan een fort, eene groote kazerne, met een tolkantoor en enkele
partikuliere woningen. Bloedrood en grijs zijn hier de heerschende
kleuren, en de plaats zelve maakt een alles behalve aangenamen
indruk. Vergoeding vindt ge hiervoor in het prachtige gezicht op
den koninklijken stroom, die, van Antwerpen komende, zich juist hier
in twee armen splitst. Het fort werd, na den afstand van Lillo, in
het jaar 1785, gesticht. Bath werd, bij de landing der Engelschen,
in 1808, door hen bezet, maar spoedig daarop weder door de Hollanders
genomen. Deze laatste gebeurtenis werd door Bilderdijk verheerlijkt
in een prachtigen lierzang:
Sla lust- en liefdetonen,
Wien dartel bloed doorstraalt!
Wy zingen zegekronen,
Door heldenmoed behaald!
Wy zingen in de baren
Geen wieg van Cythereê,
Maar Hollands heldenscharen,
Gerezen uit de zee!
Hoe bruist het in die kolken!
Hoe zwirrelt kil en vloed!
Hoe trekken lucht en wolken
Dit schouwspel te gemoet!
Gy zult die helden dekken,
(Gij nevels uit het West!)
Die door de baren trekken,
Door gloriezucht geprest.
Of voert gy donderslagen
En bliksems in uw' schoot?
Gy zult hen niet vertsagen,
Zoo min als 't Britsche lood.
Zy treden in die golven
Op 't smal onzichtbaar pad,
Van stroomen overdolven,
Van zeeschuim overspat.
Ja, laat uw baren schuimen,
O groots doorwaadde vloed!
Uw zilvren waterpluimen
Versieren hun den hoed.
Ziedaar den echten veder,
Die Hollands krijgsliên past!
De lauwer buigt zich neder,
Waar deze zeepluim wast!
Wat zoekt gy, watertemmers,
De dood door deze dood?
Ja, trotst haar, fiere zwemmers!
De moed braveert den nood.
Den baren uitgestegen,
Als goden van het meir,
Ontziet u vuur en degen,
En geeft uw stoutheid eer.
Ontbrandt, gij bliksemvuren,
En, donders, rolt en knalt!
Doorklinkt en vest en muren,
De Britsche standaart valt!
De Zeeleeuw is verrezen,
En Hollands vlag hersteld!
Het Lot is uitgewezen:
De schaal van Holland helt!
Laat thands de blijdschap schateren!
De Zeegod doet haar stem
Langs golf en deining klateren,
En geeft haar tonen klem!
In schaaûw van Uw banieren,
Geliefde Lodewijk,
Mag Holland zegevieren!
Ontfang zijn vreugdeblijk!
In schaaûw van die standaarden,
Waarop de zege rust,
Zal Holland niet ontaarden,
Wordt nooit de moed gebluscht!
Het legt zijn oorlogspalmen
Voor Uw onwrikbren troon:
En; mag het zege galmen,
Het dankt het aan Uw kroon!
Deze lierzang is ruim zoo belangrijk, als het feit zelf, dat hij
bestemd is te verheerlijken, en dat Bilderdijk stoffe leverde voor
nog een tweede, uitvoeriger gedicht: de Scheldebewoner. Immers,
is het niet, als wij dezen lierzang lezen, als gold het hier
een schitterende heldendaad, voor 't minst een wapenfeit van
beslissend gewicht? Welnu: toen de generaal Cort-Heiligers, met
weinige manschappen, naar Zuid-Beveland overstak en Bath bezette,
wist hij dat de vijand reeds in vollen aftocht was, en was het
fort bereids door de Engelschen ontruimd! Merkwaardig is deze ode
Bath hernomen, ook in dit opzicht, als een voorbeeld te meer van de
zonderlinge, bijkans naïeve overdrijving, waarin deze dichter--wij
moeten haast aannemen, onbewust--telkens verviel. Ook maakt het een
eigenaardigen, tragi-komischen indruk, in het jaar Onzes Heeren 1809,
te hooren gewagen van Hollands oorlogspalmen en van de banieren van
den geliefden Lodewijk, waarop de zege rust! En dan die onwrikbare
troon, waarvan reeds een jaar later geen spoor meer te vinden was!.....
Na een kort oponthoud te Bath, aan de uiterste landpunt van
Zuid-Beveland gelegen, wandelen wij terug naar Rilland, om daar den
trein af te wachten, die ons weder naar Goes voeren moet.
Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele
lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker
licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en
schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit
de sociëteit Van ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt
ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust
en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen
voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.
Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen
's Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer
aanzienlijke 's Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze
dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend;
de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd
de stichting door zijne kinderen volbracht. 's Heer-Arendskerke
is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene
vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing,
dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet
algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in
zwang te komen. 't Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen
ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche
en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten,
of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden;
zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke,
smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de
mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der
vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier,
de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen,
in manieren en levenswijze, doen zegevieren.
Nog een kleine tijd--en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen
zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te
gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand
tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig
heerschen zal:--dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke
lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen
verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft:
de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar
kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der
mannen:--in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie,
de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal,
en de oude kleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten
richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland,
in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.
Ten zuiden van 's Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp,
grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk
deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van
geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen
paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of
halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken,
met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde
of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche
kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed
uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.
Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men
doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde,
het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn
eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen
reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men
eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene
betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden
twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen
kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning
van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere
gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de
leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde,
en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij
jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.
Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de
dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde
kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd;
dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met
bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en
gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen
werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn
zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en
daar de vorm eenigszins te veranderen.
Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche
landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen
werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij
het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het
uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij
gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan
de garancine-fabrieken afgeleverd.
In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen
morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het
veld. Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder
of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen
de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid
opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld
gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten
van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar
wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half
uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met
den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham,
en hervatten weldra weder het werk. 's Middags en 's avonds, bij het
gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.
Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing,
in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen,
dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens
rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen
huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt
uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening,
een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.
Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door
een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte,
op spottenden toon:
Mèëdelver, lange spae,
Laet je 'anden wat dichter gae!
Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de
bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht
op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij
moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en
hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in
een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven:
niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk
de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar
intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor
dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot
den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint
jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een
grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt
dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind,
dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers
rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding,
alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag
aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche
zeden herinnert.
Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend
belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur
en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten
onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger
onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en
goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het geval
blijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld,
tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen
dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang
dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen
enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar
een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof
aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien
nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet
meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal,
van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein
den delvers in de ooren klinken:
Mèëdelver, lange spae,
Laet je 'anden wat dichter gae!
--Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter
op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd
meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;--niets
van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek
arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer,
tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig
eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine
veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn
uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons,
tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken
te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.
Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en
ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware
het slechts de kalme, idyllische natuur.
Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en
keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig
waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische
uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp
was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij
geweerschoten.
"Wat is dat?
--"O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten," antwoordt lachende
de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar
de deur der herberg loopt.
Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.
De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen
stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:--de vader ernstig,
de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten,
en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk
geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien
door de jongsten zwermen afgestoken.
Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het
raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen,
eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord,
eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en
sprak op officiëelen toon:
"In naam der wet verklaar ik u gehuwd."
Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was
louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan
met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze
wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven
meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher,
minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle
persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms
alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon,
tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een
snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende
handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een
stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij
het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een
woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang
staan van een zoo gewichtige toekomst!
Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.
Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft,
neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van
links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de
andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.
Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening
van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land
vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend
protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie,
die met die burgerlijke handeling alléén geen vrede heeft, maar ook
den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad
des levens.
De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg
gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid,
zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd
der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd
en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen
omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn
vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon
was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.
De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om
deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood,
geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken,
en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in
dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge
bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.
Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten,
geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het
dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen,
waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en
een fluit, werd geaccompagneerd. De vader van den bruigom lachte
en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie,
die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen
geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming,
die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de
bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning,
nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.
Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te
maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene,
en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het
eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim
vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland
verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare,
zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het
tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532
ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd
en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten
verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De
thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die,
welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien
tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar
en bewoond werd.
Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den
eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.