Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den
avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig
op marsch.
Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes
drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen
uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende
akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en
bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent
tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de
bladeren rijpt.
Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons
midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met
hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en
stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het
fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge;
en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet
minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen
toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt,
zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.
Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk
te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid,
maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij
ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een
monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt
van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw,
met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van
oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart
ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep
huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden,
door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge
het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in
den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte,
dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van
het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst,
de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende
paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te
keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom,
aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der
gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht
te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het
kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de
velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel,
gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen
ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen
onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des
volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid
behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige
rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone lied Het
daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der
liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie;
dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:
--"Het daghet uit den oosten,
"het licht schijnt overal;
"hoe weinich weet de liefste,
"waer dat ic henen sal.
"Warent al mijn vrinden,
"dat myn vyanden syn,
"ic voerde u uitter lande,
"myn troest, myn minnekyn!"--
--"Werwaerts wout ghy my voeren,
"stout ridder, wel ghemoet?"--
--"Al onder de linde groene,
"myn troest, myn waerde goet!"--
--"Ic ligghe in myn liefs armen,
"met groot eerwaerdicheit;
"ic ligghe in myn liefs armen,
"stout ridder, wel ghemoet."
--"Licht ghy in u liefs armen?
"Bylo! dat is niet waer.
"Gaet onder de linde groene:
"verslaghen so leit hy daer!"--
De joncfrou nam haer mantel,
en si ginc enen ganc,
al tot den lindeboom groene,
daer si hem verslaghen vant.
--"Och, lichdy hier verslaghen,
"versmoort al in u bloet!--
"Dat hevet u gedaen u roemen,
"en uwen hoghen moet!
"Och, lichdy hier verslaghen,
"die my te troesten plach!
"Wat hebdy my naghelaten,
"so menich droeven dach!"--
De joncfrou nam haer mantel,
en si ginc enen ganc,
al voor haers vaders poerte,
die si der ghesloten vant.
--"En is hier niemant inne,
"noch heer, noch edelman,
"die mij nu desen dooden
"ter aerden helpen can?"--
Die heren sweghen stille,
si en gaven geen geluut;
Doe keerde die joncfrou haer omme,
si ghinc al wenende uut.
Si nam hem in hare armen;
si custe hem den mont;
si custe hem gheen corter wilen,
maer also menigher stont.
Met haren blonden haren
wreef si hem af dat bloet;
met haar cleene witte handen
si sinen ooghen sloet.
Met sinen blanken sweerde
dat si syn grafken groef;
met haer sneewitte armen
dat si hem ter aerden droech.
Met haren blanken handen
dat si dat belleken clanc;
met hare suete heldere kele
dat si vigilien sanc.
--"Nu willic mi begheven
"in een clein cloosterkyn;
"ende draghen die swarte wilen (sluier),
"ter eeren des liefsten mijn." [2]
Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de
vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te
zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan
dankt;--het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in
de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier
welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende
eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie,
gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig
jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar,
uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van
het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.
Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens
en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de
middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand
avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in
de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het
stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en
van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel;
al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis
zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite,
gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.
Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige
kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en
opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze
ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en
handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer
of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd
aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar
staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd,
de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig
groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide
vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel
van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel
schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as,
of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te
doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond
en zijne kunst beproefd; maar, al scheelde het soms ook weinig,
nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.
Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger
den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun
borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om
te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring,
die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den
strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen
als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst
prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare,
als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men,
dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.
De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en
mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht,
en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging,
vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op
vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit
de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar
schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren
vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf
naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie
weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters
in de dorpsherberg;--de maaltijden der schuttersgilden plachten van
ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.
Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken,
zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die
in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets,
waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van
weerlooze dieren is, in vollen nadruk, een barbaarsch vermaak, dat
in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het
volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk
praktisch nut, zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een
vast oog en eene vaste hand verwerve;--uitnemend; maar dat het zich
niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en
veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den
toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld
gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en
verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne
vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk
onderwijs, waarmede--de ondervinding bewijst het dagelijks--iedere
graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:--omdat, ja omdat
kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder
met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en
gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet
zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw
hart boven alles wat te bewaren is, want dáár--en niet in het hoofd,
in het verstand--zijn de uitgangen des levens.
Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele
andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier
als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in
twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen
de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen,
langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid,
dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten
lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.
Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur
ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat
dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen;
misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden
vernemen.
Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te
werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden
van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij,
dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die
van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was
even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein;
klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem:
klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er
opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.
Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne
kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met
naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij
den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op
het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:
"Wat beduidt dat stroo?
--Dat stroo; da's een dooie.
--Zoo, onder dat stroo?
--Nèë, in 't 'uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?
--Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo
met den doode te maken heeft.
--Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon
hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren
iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden
dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor
den hoofdingang der woning, hetzij voor het hek van het land. Die
hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den
overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook
vijf-en-tachtig jaar oud."
Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn
oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:
"Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en
vergeet je ijzer niet."
Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:
"Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het
stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er
niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de
bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen
hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper
te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van
daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik
kunnen vullen.
"Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te
leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd
aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De
anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is
daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor
het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren
tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en
vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.
"Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de
schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al
de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de
schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.
"Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de
begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze 's morgens de bloedverwanten
en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich
aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat
niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was,
niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te
trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.
"Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de
groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen
zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de
mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden
met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die
het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog
meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen
staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In
afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.--Vroeger
mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat
wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol,
omdat het vel van dien visch zwart is.
"Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst
heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang
gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden
uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op,
en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen
krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij
houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht--want, o, ze zijn
zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen
in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!
"Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer
aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand,
en begint, op somberen toon, te lezen:
"De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het
aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van....,
overleden den 10den Juni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom
van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen."
"Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te
voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben
hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid
bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn,
schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar
het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den
stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee,
die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter;
benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter
zal optreden.
"De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam
naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig
personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt
zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:
"De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den
overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen."
En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter
aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer
terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil,
en zegt nu op zijn beurt:
"De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den
overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen."
"Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die
het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de
bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op
aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet
de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen
houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt
het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar de aardappelen
en de zoutevisch. Eindelijk zegt de dominee amen, en nu valt ieder
op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft,
dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.
"Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een
hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de
dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het
gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het
vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een
boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid
afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug."
De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte
van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven
inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden
onze wandeling.