XI.

Wij hebben een heel eind weegs af te leggen: wij willen nog voor den

avond te Kruiningen zijn, om daar te overnachten. Alzoo vroegtijdig

op marsch.

Het is een heerlijke, frissche zomermorgen: kleine zilveren wolkjes

drijven langs den azuren hemel, en vroolijk giet de zon hare stralen

uit over het ernstige, liefelijke landschap: weilanden, bloeiende

akkers, waarop graan en vlas en boekweit elkander afwisselen, en

bevallige boomgaarden, wier donker groen zich krachtig afteekent

tegen de heldere lucht, en waar het zwellende ooft tusschen de

bladeren rijpt.

Een breede, goed onderhouden, fraai beplante straatweg voert ons

midden door akkers en gaarden, langs hoeven en boerenwoningen, met

hare groen en wit of groen en rood geschilderde vensterluiken en

stijve tuintjes, vol zonnebloemen en papavers. Zoo bereiken wij het

fraaie dorp Kloetinge, met zijne statige kerk en heerenhuizinge;

en verder, na eene wandeling van ruim een uur, Kapelle, een niet

minder aanzienlijk dorp, welks groote ruime kerk met een hoogen

toren prijkt. Biezelingen en Schore, waarlangs de weg verder loopt,

zijn van minder beteekenis, vooral het laatste.

Ik heb natuurlijk niet noodig, u al deze dorpen afzonderlijk

te beschrijven. Zij hebben zeker ieder hunne eigenaardigheid,

maar gelijken toch ook sterk op elkander. Van verre herkent gij

ze meest allen aan den zwaren hoogen toren der kerk, doorgaans een

monument uit de vijftiende eeuw, toen Zeeland welhaast het toppunt

van welvaart en bloei had bereikt, waarvan het in de volgende eeuw,

met hare vele en geduchte rampen, zoo van watervloeden als van

oorlogsgeweld, zoo droevig zou afdalen. Naderbij komende, ontwaart

ge rondom de kerk, half tusschen het geboomte verscholen, een groep

huizen met donkerroode daken; in het rond, akkers en weilanden,

door enkele grijsachtig gele stoffige wegen doorsneden. Treedt ge

het dorp binnen, dan vindt ge doorgaans een pleintje, waarop, in

den regel, de kerk staat, zeer dikwijls in een krans van geboomte,

dat het nederige kerkhof overschaduwt: en voorts, in het midden van

het pleintje, een oude linde, om welks stam een bank is geplaatst,

de zoogenoemde klapbank, de geliefkoosde zitplaats van minnende

paartjes, die daar, in den liefelijken avondstond, plegen te

keuvelen. De lindeboom was, bij de oude Germanen, een heilige boom,

aan Freya gewijd, de godin der liefde; ook aan Holle, de godin der

gerechtigheid. Onder den lindeboom namen de rechters plaats om recht

te spreken; de lindeboom prijkte in later eeuw voor de poort van het

kasteel, voor de kerk, op het dorpsplein, op de viersprongen in de

velden, waar hij in vroeger tijden, en in katholieke landen nog wel,

gemeenlijk het beeld droeg van Onze Lieve Vrouwe. Telkens verplaatsen

ons de oud-duitsche en oud-nederlandsche sproken, legenden en liederen

onder of bij een lindeboom, die altijd in het duister bewustzijn des

volks nog iets van zijne vroegere heiligheid en eerbiedwaardigheid

behouden heeft. Is het niet wederom de linde, die een eigenaardige

rol speelt in zoo menig minnelied; met name in dat schoone lied Het

daghet uit den Oosten, dat hier eene plaats moge vinden, als een der

liefelijkste overblijfselen van onze middeleeuwsche, lyrische poëzie;

dat nog niet geheel vergeten lied der trouwe minne:

--"Het daghet uit den oosten,

"het licht schijnt overal;

"hoe weinich weet de liefste,

"waer dat ic henen sal.

"Warent al mijn vrinden,

"dat myn vyanden syn,

"ic voerde u uitter lande,

"myn troest, myn minnekyn!"--

--"Werwaerts wout ghy my voeren,

"stout ridder, wel ghemoet?"--

--"Al onder de linde groene,

"myn troest, myn waerde goet!"--

--"Ic ligghe in myn liefs armen,

"met groot eerwaerdicheit;

"ic ligghe in myn liefs armen,

"stout ridder, wel ghemoet."

--"Licht ghy in u liefs armen?

"Bylo! dat is niet waer.

"Gaet onder de linde groene:

"verslaghen so leit hy daer!"--

De joncfrou nam haer mantel,

en si ginc enen ganc,

al tot den lindeboom groene,

daer si hem verslaghen vant.

--"Och, lichdy hier verslaghen,

"versmoort al in u bloet!--

"Dat hevet u gedaen u roemen,

"en uwen hoghen moet!

"Och, lichdy hier verslaghen,

"die my te troesten plach!

"Wat hebdy my naghelaten,

"so menich droeven dach!"--

De joncfrou nam haer mantel,

en si ginc enen ganc,

al voor haers vaders poerte,

die si der ghesloten vant.

--"En is hier niemant inne,

"noch heer, noch edelman,

"die mij nu desen dooden

"ter aerden helpen can?"--

Die heren sweghen stille,

si en gaven geen geluut;

Doe keerde die joncfrou haer omme,

si ghinc al wenende uut.

Si nam hem in hare armen;

si custe hem den mont;

si custe hem gheen corter wilen,

maer also menigher stont.

Met haren blonden haren

wreef si hem af dat bloet;

met haar cleene witte handen

si sinen ooghen sloet.

Met sinen blanken sweerde

dat si syn grafken groef;

met haer sneewitte armen

dat si hem ter aerden droech.

Met haren blanken handen

dat si dat belleken clanc;

met hare suete heldere kele

dat si vigilien sanc.

--"Nu willic mi begheven

"in een clein cloosterkyn;

"ende draghen die swarte wilen (sluier),

"ter eeren des liefsten mijn." [2]

Dit roerend schoone, in zijn naïeven eenvoud zoo treffend lied, dat de

vrome Geertruida van Voorburg, begijntje te Delft, dagelijks plach te

zingen, zoodat zij er den bijnaam van Sinte-Geertruide van Oosten aan

dankt;--het kwam mij op dezen fraaien, verkwikkenden zomerdag weer in

de gedachte, bij het aanschouwen dier groene linden, de geur van wier

welriekende bloesems de lucht vervulde. En gij, lezer der negentiende

eeuw, en als kind van uw tijd waarschijnlijk afkeerig van poëzie,

gij duidt het niet ten kwade, dat wij hier, te midden der eeuwig

jeugdige, onveranderlijke natuur, u dit oude lied voorzingen, waar,

uit iederen regel, u de volle frissche, onsterfelijke waarheid van

het menschenhart tegenademt. Niet waar, zulke poëzie wordt nooit oud.

Maar wij zijn op weg naar Kruiningen, en de drukte van wagens

en volgepropte rijtuigen op den weg ontvoert ons weldra aan de

middeleeuwen, en brengt ons terug naar het heden. Het was langzamerhand

avond geworden, toen wij aan het dorp kwamen; waar wij nog alles in

de weer vonden. Er werd gepoetst, geplast, geschrobd, geboend; het

stroomde water langs de stoepen en straatsteenen, in de voorhuizen en

van de trappen; al het koperwerk in de keukens blonk als een spiegel;

al het houtwerk glom.... Van waar dit alles? Het zou morgen kermis

zijn, en het dorp was bereids vol gasten. Niet dan met groote moeite,

gelukte het ons een nachtverblijf te vinden.

Den volgenden dag was de pret welhaast in vollen gang. De weinige

kramen waren geopend, en stalden hunne waren, meest kinderspeelgoed en

opschik, op de gunstigste, althans de meest in het oog vallende wijze

ten toon; een goochelaar verbaasde de menigte door zijne kunsten en

handgrepen; een paar koorddansers of akrobaten verrichtten hunne meer

of min gevaarlijke toeren in de open lucht. Ginds was de boerenjeugd

aan het koekhakken; en daar, daar wordt naar den vogel geschoten. Daar

staat, boven op een hoogen paal, aan een ijzeren stang bevestigd,

de zoogenaamde papegaai: een houten vogel, met een merkwaardig

groot lijf en merkwaardig kleinen kop en met half uitgespreide

vlerken. De schutters zijn met een boog gewapend, en moeten den vogel

van den stang afschieten, wat niet zoo heel gemakkelijk is als het wel

schijnt. Menigmalen draait de papegaai klirrend en knarsend om zijn as,

of stuift een eind omhoog, zonder dat het gelukt hem naar beneden te

doen tuimelen. Reeds menige schutter heeft zijne bekwaamheid getoond

en zijne kunst beproefd; maar, al scheelde het soms ook weinig,

nog niemand is het gelukt, den vogel op het juiste punt te treffen.

Ge ziet het: onder de mededingers is er meer dan een, die reeds vroeger

den prijs gewonnen heeft: ze zijn kenbaar aan de medailles, die hun

borst versieren, en die ze bij deze gelegenheid niet verzuimd hebben om

te hangen. Daar is drukte en vroolijkheid genoeg in den wijden kring,

die de schutters omgeeft, en die blijkbaar groot belang stelt in den

strijd. Daar nadert een nieuwe kampvechter, een die reeds menigmalen

als overwinnaar uit een soortgelijken kamp mocht keeren: zijn borst

prijkt met een aantal zegeteekenen. Er ontstaat beweging in de schare,

als hij zich gereed maakt den boog te spannen: blijkbaar verwacht men,

dat het oogenblik der beslissing thans gekomen is.

De kloeke jonkman stelt zich in postuur; hij spant den boog en

mikt. Daar trilt de pees; daar snort de pijl snerpend door de lucht,

en treft den houten vogel. Deze maakt snel eene draaiende beweging,

vliegt omhoog, boven de ijzeren punt uit, en ploft ter aarde, op

vrij verren afstand van den paal. Een daverend gejuich gaat op uit

de menigte, en groet den overwinnaar, die voor het volgende jaar

schutterkoning zal zijn. Het teeken zijner waardigheid, een zilveren

vogel, wordt hem aan een lint om den hals gehangen, en hij in triomf

naar de herberg gedragen, waar hij natuurlijk trakteeren moet. Wie

weet, misschien volgt er straks wel een maaltijd voor de schutters

in de dorpsherberg;--de maaltijden der schuttersgilden plachten van

ouds beroemd te zijn om hun weelderigen overvloed.

Vroeger behoorden bij zulk een boerenkermis nog andere vermaken,

zoo als katknuppelen, gans- of palingtrekken en dergelijken, die

in den laatsten tijd meer en meer in onbruik zijn geraakt: iets,

waarover men zich niet dan verheugen kan, want het martelen van

weerlooze dieren is, in vollen nadruk, een barbaarsch vermaak, dat

in alle opzichten een verderfelijken invloed moet uitoefenen. Dat het

volk, in krachtige, mannelijke spelen, ook al hebben ze geen dadelijk

praktisch nut, zijn spieren stale en zijn zintuigen oefene, zich een

vast oog en eene vaste hand verwerve;--uitnemend; maar dat het zich

niet daarbij verdierlijke. En opdat het dit niet doe, ontwikkel en

veredel zijne verbeelding, zoodat het zich kunne verplaatsen in den

toestand, ook van het sprakelooze schepsel, dat door zijne schuld

gemarteld wordt. Van deze veredeling en verheffing van gevoel en

verbeelding is, ook in dit opzicht als in zoo menig ander, naar mijne

vaste overtuiging, veel meer te wachten dan van louter verstandelijk

onderwijs, waarmede--de ondervinding bewijst het dagelijks--iedere

graad van zedelijke verdorvenheid kan gepaard gaan:--omdat, ja omdat

kennis en zedelijkheid nu eenmaal twee zaken zijn, die veel minder

met elkander hebben uit te staan, dan onze eeuw, in noodlottige en

gevaarvolle verblinding, wel meent. Tot hare groote schade, vergeet

zij steeds meer het diepzinnig woord van den ouden wijze: bewaar uw

hart boven alles wat te bewaren is, want dáár--en niet in het hoofd,

in het verstand--zijn de uitgangen des levens.

Van Kruiningen wandelen wij naar Krabbendijke, een dorp, als vele

andere zeeuwsche dorpen, ter wederzijde van den dijk gebouwd, die hier

als elders tevens de hoofdstraat vormt. Bijna alle huizen staan in

twee rijen naast elkander. De roode en witte vensterluiken vervangen

de groene en gele; en in plaats van linden, ziet ge hier pereboomen,

langs staketsels geleid, en zoo gesnoeid, verwrongen en verdraaid,

dat de takken een soort van parallelogram vormen. Eene ten platten

lande vrij algemeene, maar niettemin zeer leelijke mode.

Een der woningen in het dorp is gesloten, en tegen den buitenmuur

ligt een groote hoop stroobossen opgestapeld. Wij weten reeds wat

dat beduidt, maar willen toch een of anderen dorpeling ondervragen;

misschien dat we van hem nog eenige minder bekende bijzonderheden

vernemen.

Daar zit, voor zijn opengeschoven raam, een kleermaker ijverig te

werken, hij zal ons wel vertellen wat we weten willen: de lieden

van de naald, zegt men, zijn praatziek. Ik zie hem nog voor mij,

dien kleermaker, in gesprek met een paar aardige boerinnetjes, die

van het veld huiswaarts keerden. Een origineele figuur: alles was

even klein aan en om hem. Het kamertje, waarin hij zat, was klein;

klein waren zijne armen en beenen; klein en pieperig was zijne stem:

klein zijn knijpbrilletje op zijn puntig neusje: toch zag hij er

opgewekt en schalks genoeg uit. Stellig zal hij ons te woord staan.

Aha! hij heeft ons reeds zien aankomen, en kijkt ons aan met zijne

kleine, levendige, zwarte oogen: echter gaat hij rustig voort met

naaien, en ziet tevens scherp toe op den kleinen knaap, die hem bij

den arbeid behulpzaam is. Wij naderen het venster; en wijzende op

het gesloten huis, vraag ik den kleermaker:

"Wat beduidt dat stroo?

--Dat stroo; da's een dooie.

--Zoo, onder dat stroo?

--Nèë, in 't 'uus. Van waer kommen gulli, dat ge datte niet en wèët?

--Ja, wij komen ver van hier; maar vertel ons eens, wat dat stroo

met den doode te maken heeft.

--Wel, antwoordt de kleermaker, dien wij nu maar verder gewoon

hollandsch zullen laten spreken; wel, als er hier bij de boeren

iemand sterft, dan gaan de arbeiders in de schuur stroo halen, binden

dat tot bossen, en stapelen die bossen op een hoop, hetzij voor

den hoofdingang der woning, hetzij voor het hek van het land. Die

hoop is meer of minder hoog, naar gelang van den ouderdom van den

overledene. Ge ziet daar een zeer grooten hoop: de man was dan ook

vijf-en-tachtig jaar oud."

Toen eensklaps zich tot den jongen wendende, die, natuurlijk, zijn

oogen niet van ons af had, en het strijkijzer koud liet worden:

"Waar heb jij zoo naar te kijken, bengel? Maak voort met je werk en

vergeet je ijzer niet."

Daarop keerde hij zich weer tot mij, en vervolgde:

"Is de overledene ongetrouwd, dan steekt men een palmtakje in het

stroo. Ziet ge daar dien knecht wel, die de deur uitkomt? Die is er

niet kwaad aan toe. Hij moet de tijding van het overlijden aan al de

bloedverwanten gaan mededeelen, zelfs aan hen, die twee of drie mijlen

hier vandaan wonen. Ieder van deze verwanten moet den boodschapper

te eten geven, waaraan ook niemand zich onttrekt. Die snuiter zal van

daag, binnen drie of vier uren, vijf of zes maal achtereen zijn buik

kunnen vullen.

"Twee dienstmeiden zijn op dit oogenblik bezig, den doode af te

leggen. Zij trekken hem een opzettelijk daarvoor bestemd schoon hemd

aan, wikkelen hem daarna in een laken, en leggen het lijk op stroo. De

anderen zijn bezig met het in orde maken der rouwkleeren: want er is

daar volk genoeg in huis, zoodat ze alles zelven kunnen doen. Voor

het maken van den rouw hebben zij tweemaal vier-en-twintig uren

tijd. Inmiddels zorgen de vrouwen voor het noodige om de familie en

vrienden te onthalen, die bij de begrafenis tegenwoordig zullen zijn.

"Als ge nu in het huis kondt binnentreden, zoudt ge zien, dat al de

schilderijen en al de spiegels tegen den wand omgekeerd zijn; dat al

de klokken stilstaan, en de schoorsteenmantels zijn ontdaan van de

schalen en borden en pullen, waarmede ze anders prijken.

"Zoo de heeren nog een paar dagen hier bleven, dan zouden zij ook de

begrafenis kunnen bijwonen. Dan zouden ze 's morgens de bloedverwanten

en vrienden met hunne vrouwen, in rouwgewaad, zien komen, en zich

aanstellen of zij zeer bedroefd waren, schoon ik overtuigd ben, dat

niemand van hem hield, den ouden vrek, die, hoe rijk hij ook was,

niemand iets gunde. Hij onthield zijn volk het noodige, en was te

trotsch om met hen aan dezelfde tafel te eten.

"Maar die tranen zullen daar binnen wel gauw gedroogd zijn. In de

groote kamer zijn banken en tafels gereed gezet; de mannen plaatsen

zich aan de eene zijde, de vrouwen aan de andere. Op de tafels voor de

mannen en de vrouwen staan groote koffiekannen en reusachtige borden

met stapels boterhammen. Hoe zij zich daaraan zullen te goed doen! Die

het ergst bedroefd zijn, eten er althans een dozijn: de anderen nog

meer, zooveel zij maar bergen kunnen. Op de tafel voor de mannen

staat tabak, heel fijn gesneden, en liggen lange pijpen gereed. In

afwachting van de begrafenis, wordt er gerookt en gepraat.--Vroeger

mochten de boeren, gedurende den rouwtijd, niet anders eten dan wat

wit en zwart was: karnemelk met krenten, bij voorbeeld, en schol,

omdat het vel van dien visch zwart is.

"Met het slaan van twaalven gaat men uit ter begrafenis. Eerst

heeft men de friesche klok, die stilstond, weer aan den gang

gemaakt, om het juiste uur aan te geven, waarop het lijk moet worden

uitgedragen. Zoodra de klok twaalf geslagen heeft, staan de mannen op,

en binden zich een krippen rouwband en lamfer om den hoed. De vrouwen

krijgen een witten zakdoek, om hare tranen mede af te drogen. Zij

houden die doeken ook zorgvuldig voor haar gezicht--want, o, ze zijn

zoo innig bedroefd! Vroeger kregen ze kleine kommetjes om haar tranen

in op te vangen.... De kommetjes waren altijd ledig!

"Dan komt de lezer van de rouwrolle binnen, ook met een grooten lamfer

aan zijn hoed. Hij houdt een stuk papier met een rouwrand in de hand,

en begint, op somberen toon, te lezen:

"De bloedverwanten en vrienden worden verzocht acht te geven op het

aflezen hunner namen, en in die volgorde het lijk te volgen van....,

overleden den 10den Juni, des morgens ten negen uur, in den ouderdom

van vijf-en-tachtig jaren, een maand en zeven dagen."

"Dan worden al de namen afgelezen, en komen ze allen achtervolgens te

voorschijn, de verwanten, de vrienden, met hunne vrouwen. Allen hebben

hun gelegenheidsgezicht aangetrokken; maar de eenigen, die in waarheid

bedroefd zijn, dat zullen wel de twee zoons van den overledene zijn,

schoon hij die ook niet heeft behandeld, zoo als het wel behoorde. Maar

het zijn brave jongens, die hun vader eerden. Verder zoudt ge in den

stoet opmerken, den voorman, die de plechtigheid regelt; den dominee,

die hier niet ontbreken mag, en doorgaans ook den meester of dokter;

benevens den lezer van de rouwrolle, die straks als rouwsluiter

zal optreden.

"De dragers, die gereed staan, nemen de baar op, en wandelen langzaam

naar het kerkhof, gevolgd door den ganschen stoet, uit minstens vijftig

personen bestaande. Op het kerkhof wacht hen de doodgraver. Hij neemt

zijn hoed van zijn hoofd, en zijn pruim uit zijn mond, en zegt:

"De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den

overledene bewezen. Ik zal voor het overige zorgen."

En hij zorgt dan ook voor het overige: namelijk, voor de ter

aarde bestelling van het lijk. De stoet keert in dezelfde orde weer

terug. Aan het sterfhuis gekomen, houdt de voorman voor de deur stil,

en zegt nu op zijn beurt:

"De vrienden en buren worden bedankt voor de laatste eer, den

overledene bewezen. Zij worden verzocht binnen te komen."

"Aan die uitnoodiging wordt gevolg gegeven. De lijkdienaars, die

het lijk gedragen hebben, worden in de eene kamer ontvangen; de

bloedverwanten en vrienden in een andere. Allen worden nu onthaald op

aardappelen met brood en zoutevisch. Voor de maaltijd begint, doet

de dominee het gebed, waarbij de mannen hunne hoeden voor de oogen

houden, en zich althans den schijn geven van mede te bidden. Duurt

het gebed wat lang, dan beginnen zij te hunkeren naar de aardappelen

en de zoutevisch. Eindelijk zegt de dominee amen, en nu valt ieder

op de welvoorziene schotels aan. Als hij er nu nog lust in hoeft,

dan mag dominee verder praten, zoo lang hij verkiest.

"Na den eten zal hij wederom bidden of danken, en vervolgens een

hoofdstuk uit den Bijbel voorlezen. Is dat afgeloopen, dan gaat de

dominee weg, met den dokter. Nauwelijks zijn zij vertrokken, of het

gesprek loopt nu verder uitsluitend over den landbouw en over het

vee. Vervolgens gebruiken al de genoodigden nog een kop thee met een

boterham. Eindelijk, tusschen vijf en zes uren, is de plechtigheid

afgeloopen, en keert ieder naar zijne woning terug."

De kleermaker had uitgesproken: wij waren nu geheel op de hoogte

van eene zeeuwsche boerebegrafenis. Wij dankten hem voor de gegeven

inlichtingen, gaven den jongen een paar kwartjes, en vervolgden

onze wandeling.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 12 / 16 题