X.

Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne

tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens

sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren

bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid,

waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland,

door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft

geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die

tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden

over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of

verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame

vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient

Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag

Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen:

alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier

in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan

twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een

klooster met den naam Paradisus maris, het Paradijs der zee. Welnu,

voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld

van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien

titel aanspraak maken.

Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige

gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich

vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel

terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante

gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland

vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook

menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de

terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en

aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige

punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland

verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of

tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:--het water heeft zich

gewroken over dat verlies en zich met woekerwinsten schadeloos gesteld.

Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling

van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in

de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen

van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van

het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375,

storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan

de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne

telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende

eeuw opent, op den 19den November des jaars 1404, met den vreeselijken

Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke

kalmte voorbij, de volgende zou met des te geduchter kracht de felle

geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware,

het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 1530 [1], dien

verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte

des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de

eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af:

rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in

1557, in 1561, in 1563, in 1570--telkens en telkens op nieuw bruisen

de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken

vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam

verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.

Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij

herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele

oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een

waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven

overdekt--had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des

oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf

jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd,

en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden,

zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en

strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden:

beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo

belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het

twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking,

aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze

gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het

weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende

eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk

verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.

Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook

de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw

de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers

te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst

van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel,

meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger

eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water

gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar

de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven

wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er

op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer

bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige

bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie

en bezienswaardige.

De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg

langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs 's Heer-Arendskerke,

naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden

wij onze wandeling door het eiland beginnen.

Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig

te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige

logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte

oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een

zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich een air de

grand seigneur gevende; hier, geen pedante garçons, die u met hun

onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen;

geen maître d'hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt,

behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot

etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans,

al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling,

van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat

alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken,

waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en

karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters

vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te

deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met

de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in

de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag

aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan,

dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen:

neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren

smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van

verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor

de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en

een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt,

in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de

vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij

hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen,

waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer

terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.

Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een

smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw

geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe

gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw

over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren,

een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den

stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt

en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis,

bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk:

een alleszins bezienswaardig monument van gothische architektuur uit

de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en

nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone,

ruime kerk is inwendig geheel bedorven door een muur, die haar in twee

gedeelten splitst, waarvan het eene door de Hervormden, het andere

door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens

worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke

bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen

geschikt is, teruggegeven--dan zou Nederland een schoon gedenkteeken

van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten

in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen

te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen,

die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne

eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening,

zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en

voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze

heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan

dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen

indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze,

ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms,

waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men

het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het

schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende,

terwijl al het overige ledig blijft;--gevoelt men het niet, dat

men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het

kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet

passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort,

een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw

tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene

beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis,

aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei

armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten

beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk

verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met

min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk

zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele

anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden

wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst,

slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen

in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het

alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der

herstelling spoedig aanbreken!

Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot

van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden

ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van

Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de

stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw

van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de

vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van

Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden

verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan

zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken;

later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin

der zestiende eeuw in bezit van het adellijk geslacht Van der Goes,

welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het,

bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair

hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar

aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier

verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot

herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar,

niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de

ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein

deel toegankelijk zijn.

Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van het adellijk slot uwe

belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit

grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet

alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig

stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang

aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den

edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral

aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en

treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd,

en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat

althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel

weet:--Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij

voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans

reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open

vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en

wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den

strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door

den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos

opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield

zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf

op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe,

geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg

van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot

een hofburcht te maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde

van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En

ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid

zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo

veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare

zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene

belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan

de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En

de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar

volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten,

waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten,

dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare

mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,

zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een

welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij,

mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd

uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid

van Goes onderhoorige dorpen, 's Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke,

Baarsdorp, Sinoutskerke en 's Heer-Abtskerke, haar met dien triomf

kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich

vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als

het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering

van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks,

dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.

Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In

den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden

moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de

Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering

gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust

op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en

vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook

Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,--hij mag

inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet

zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die

naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal

Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der

oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo

menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid

tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den

nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve,

althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was,

voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden

heeft, en in 't einde als slachtoffer gevallen is.

Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare

schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het

schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der

kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen

is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene

andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog

vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende

lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de

zinspreuk van het oude schuttersgilde: van ongeneuchten vrij, heeft

behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een

dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in

stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm,

die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd

omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude

schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier

bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen,

geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een

geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld

en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige

kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde

leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest

het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets

anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen

onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en

tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije

poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst

had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die

hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer

of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen,

al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel-

of papegaaischieten, niet geheel uitgestorven.

Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs

oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 11 / 16 题