Van Walcheren begeven wij ons naar Zuid-Beveland, in zijne
tegenwoordige gestalte het grootste der zeeuwsche eilanden, volgens
sommigen ook het schoonste. Dit laatste kan ik niet toegeven. Walcheren
bezit in zijn duinstreek landschappen van eigenaardige schoonheid,
waarnaar ge op Zuid-Beveland vergeefs zoeken zoudt. Zuid-Beveland,
door de beide takken der Schelde en hare nevenstroomen omsloten, heeft
geen duinen; daarentegen een groot aantal sierlijk beplante dijken, die
tot rijwegen zijn ingericht, en van waar ge uw blik kunt laten weiden
over vlakke velden, uitmuntende niet door romantische schoonheid of
verrassende afwisseling van gezichtspunten, maar wel door zeldzame
vruchtbaarheid, waarvan bij uitstek partij is getrokken. Verdient
Walcheren den naam van den tuin, den lusthof van Zeeland, dan mag
Zuid-Beveland met recht dien van Zeelands moestuin en boomgaard dragen:
alle zeeuwsche gewassen, granen, beetwortel, boonen, gedijen hier
in zeldzame mate. Nabij de oude stad Reimerswael, sedert meer dan
twee eeuwen door de wateren verslonden, stond in vroeger tijd een
klooster met den naam Paradisus maris, het Paradijs der zee. Welnu,
voor zoo ver ge aan dien naam van paradijs bij voorkeur het denkbeeld
van weelderige vruchtbaarheid hecht, mag Zuid-Beveland nog op dien
titel aanspraak maken.
Ik sprak daar zoo even van Zuid-Beveland in zijne tegenwoordige
gestalte, en niet ten onrechte. Immers, het eiland vertoonde zich
vroeger geheel anders: het heeft, in den loop der eeuwen, zoowel
terrein gewonnen en verloren, en is meer dan eens van gedaante
gewisseld. Borsselen en Oost-Beveland, thans met Zuid-Beveland
vereenigd, waren weleer afzonderlijke eilandjes; terwijl voor en na ook
menige uiterwaard, menig schor, langzamerhand rijp geworden en door de
terugtrekkende wateren verlaten, aan het vaste land is verbonden, en
aldus de grenzen der bewoonbare aarde uitgebreid. Maar zijn, op sommige
punten, de weleer breede stroomen, die het tegenwoordige Zuid-Beveland
verdeelden of van de naburige eilanden scheidden, thans afgedamd of
tot smalle rivierarmen en kreeken geslonken:--het water heeft zich
gewroken over dat verlies en zich met woekerwinsten schadeloos gesteld.
Ook de geschiedenis van Zuid-Beveland is eene aaneenschakeling
van wanhopige worstelingen met het geweld der wateren. Vooral in
de veertiende en in de zestiende eeuw hooren wij telkens verhalen
van geduchte watervloeden, die gansche uitgestrekte gedeelten van
het eiland verwoesten. In 1288, in 1304, in 1324, in 1352, in 1375,
storten zich de opgeruide golven over het geteisterde land, waarvan
de inwoners nauwelijks den tijd hebben, adem te scheppen, en hunne
telkens vernielde zeeweringen en dijken te herstellen. De vijftiende
eeuw opent, op den 19den November des jaars 1404, met den vreeselijken
Sint-Elisabethsvloed; en gaat die eeuw ook verder in betrekkelijke
kalmte voorbij, de volgende zou met des te geduchter kracht de felle
geesel zwaaien. De watervloeden van 1509 en 1511 zijn, als het ware,
het voorspel van dien noodlottigen vijfden November 1530 [1], dien
verschrikkelijken Sint-Felixvloed, toen geheel het oostelijk gedeelte
des eilands ten prooi werd der woedende wateren en ook Reimerswael de
eerste doodelijke wonde ontving. En de grimmige vijand liet niet af:
rusteloos hernieuwde hij zijn aanval: in 1532, in 1539, in 1551, in
1557, in 1561, in 1563, in 1570--telkens en telkens op nieuw bruisen
de wilde wateren, nu hier dan daar, over het reddelooze land, dijken
vernielende, akkers verwoestende, dorpen overstelpende, de moeizaam
verworven vrucht van jaren arbeids in een oogwenk verdelgende.
Bange en bittere dagen waren voor het bloeiende eiland gekomen. Bij
herhaling door geweldige overstroomingen geteisterd, het geheele
oostelijke kwartier voor goed verloren, herschapen in een
waterwoestijn, een vaal moeras, bij iederen vloed door de golven
overdekt--had Zuid-Beveland ook zwaar te lijden van de rampen des
oorlogs. Tot in 1577 in spaansche macht gebleven, werd het eiland vijf
jaren lang door de schepen der Prinsgezinden als het ware geblokkeerd,
en van bijna alle gemeenschap met het overige van Zeeland afgesneden,
zoodat alle handel stilstond. Daarbij kwamen herhaalde invallen en
strooptochten, eerst van de Geuzen, later, na 1577, van de Spanjaarden:
beiden er op uit om het vruchtbare, ook door zijne ligging zoo
belangrijke eiland in hunne macht te krijgen of te houden. Tijdens het
twaalfjarig bestand, werd Zuid-Beveland door een deel zijner bevolking,
aan de katholieke kerk getrouw gebleven en deswege op velerlei wijze
gekweld, verlaten; bij de hervatting der vijandelijkheden stond het
weder aan nieuwe aanvallen bloot; zoodat het eenmaal zoo bloeiende
eiland, toen eindelijk de vrede voor goed gesloten werd, in deerlijk
verval verkeerde, arm aan bevolking en van welvaart beroofd.
Sedert herstelde het zich langzamerhand van de geleden verliezen; ook
de watervloeden werden zeldzamer; al behoefde ook nog in onze eeuw
de vloed van 1808 in hevigheid niet voor velen zijner voorgangers
te wijken. Toch, dank zij misschien de steeds meer volmaakte kunst
van verdediging tegen het water, bleven de rampen, in den regel,
meer beperkt tot enkele punten, en werd niet meer, als in vroeger
eeuw, het grootste gedeelte van het eiland op eenmaal onder water
gezet. Tegenwoordig is Zuid-Beveland eene welvarende streek, waar
de landbouw op groote schaal en met voortreffelijk gevolg gedreven
wordt. Het is een echt boerenland: in dien zin namelijk, dat er
op het gansche eiland maar ééne stad, en dan nog wel eene van zeer
bescheiden afmetingen, gevonden wordt, terwijl de gansche overige
bevolking verdeeld is over een aantal dorpen, waaronder zeer fraaie
en bezienswaardige.
De spoortrein voerde ons, in minder dan een half uur, van Middelburg
langs Arnemuiden, over het afgedamde Sloe, langs 's Heer-Arendskerke,
naar de eenige zuid-bevelandsche stad, naar Goes. Van hier uit zouden
wij onze wandeling door het eiland beginnen.
Goes is eene oude, zeer stille, niet zeer mooie stad, waar weinig
te zien valt. Wij hadden onzen intrek genomen in een der eenvoudige
logementen op de Groote markt, waar nog alles toeging met die echte
oud-hollandsche eenvoudige huiselijkheid, die op vreemdelingen een
zoo zonderlingen indruk maakt. Hier geen kellners, zich een air de
grand seigneur gevende; hier, geen pedante garçons, die u met hun
onuitstaanbaar fransch en nog onuitstaanbaarder hollandsch vervolgen;
geen maître d'hotel, die u, voornamelijk als ge voetganger zijt,
behandelt met al de voornaamheid, die den meester van een groot
etablissement past; hier, niets van al dien praal, al dien glans,
al die pracht en beweging, die nu eenmaal, in onze voorstelling,
van groote hotels onafscheidelijk is. Och neen, hier niets van dat
alles. Ge moet zelf de voordeur openen en de gelagkamer opzoeken,
waar ge dan, achter de toonbank en voor een rijkelijk met glazen en
karaffen voorzien buffet, de vrouw des huizes of eene harer dochters
vinden zult, aan wie ge dan uw verzoek om een kamer hebt mede te
deelen. Doorgaans is er, eer ge antwoord bekomt, eenig overleg met
de andere huisgenooten noodig; was moeder de vrouw straks niet in
de gelagkamer, dan verschijnt zij toch nu in persoon om uwe vraag
aan te hooren en te beantwoorden. En wordt uw verzoek toegestaan,
dan vliegen geen trippelende knechts u voor langs breede trappen:
neen, de huisvrouw zelve of een der familieleden zal u, een donkeren
smallen trap op, naar uwe kamer geleiden: uwe kamer, meestal laag van
verdieping, donkergroen of hardgeel geverwd, met witte gordijnen voor
de ramen, gekleurde platen in vergulde lijsten langs de wanden, en
een groot ledikant in den hoek, tenzij er een bedstede gevonden wordt,
in wier donkere diepte ge dan des avonds verdwijnt, veilig achter de
vaak dubbele beschutting van deuren en gordijnen. Toch hebben zij
hare goede zijde, die oud-hollandsche, aartsvaderlijke herbergen,
waar de vreemde reiziger nog dikwijls, als hij zich niet al te zeer
terugtrekt, als een lid des gezins wordt beschouwd.
Op de vrij ruime, sierlijk beplante markt staat het stadhuis, een
smakeloos gebouw, deels van oude dagteekening, deels in de vorige eeuw
geheel vernieuwd, waarbij er natuurlijk niet aan gedacht is, dit nieuwe
gedeelte in overeenstemming te brengen met hetgeen van het oude gebouw
over bleef. Integendeel: boven op een ouden, zwaren, vierkanten toren,
een middeleeuwsch monument, plaatste men een modernen koepel in den
stijl der zeventiende eeuw, die bij den toren in het minst niet voegt
en eene wonderlijke vertooning maakt. Ter zijde, achter het stadhuis,
bevindt zich de ingang tot een der kruispanden van de groote kerk:
een alleszins bezienswaardig monument van gothische architektuur uit
de eerste helft der vijftiende eeuw, maar zoo zeer door huizen en
nauwe stegen ingesloten, dat het bijna onzichtbaar is. De schoone,
ruime kerk is inwendig geheel bedorven door een muur, die haar in twee
gedeelten splitst, waarvan het eene door de Hervormden, het andere
door de Katholieken wordt gebruikt. Mocht deze wanstaltige muur eens
worden weggeruimd, de kerk weder hersteld, en aan hare oorspronkelijke
bestemming, namelijk de katholieke eeredienst, waarvoor zij alleen
geschikt is, teruggegeven--dan zou Nederland een schoon gedenkteeken
van middeleeuwsche bouwkunst rijker zijn. Inderdaad, de Protestanten
in ons land moesten gezond verstand en goeden smaak genoeg toonen
te bezitten, om aan de Katholieken deze oude kerken te verkoopen,
die toch bepaaldelijk voor hen gebouwd en ook alleen voor hunne
eeredienst geschikt zijn. Voor de protestantsche godsdienstoefening,
zoo geheel anders ingericht, zoo geheel andere eischen stellende en
voor zoo geheel andere behoeften voldoening verlangende, zijn deze
heerlijke middeleeuwsche kathedralen volstrekt onbruikbaar, tenzij dan
dat men beginne met ze totaal te verknoeien. En dan nog! Wat akeligen
indruk maken op de bezoekers dezer misvormde kerken, die doellooze,
ongebruikte en onbruikbare ruimten: koor, transept, zijbeuken soms,
waarmede men letterlijk niet weet wat aan te vangen. Gevoelt men
het dan niet, dat men, samenkomende in de afgeperkte ruimte van het
schip, soms ter nauwernood de helft van de kerk in bezit nemende,
terwijl al het overige ledig blijft;--gevoelt men het niet, dat
men zich aanstelt als een kleingeestig burgerman, toevallig in het
kasteel van een vorst gehuisvest, en die nu, zelf met de hem niet
passende woning verlegen, en beseffende dat hij daar niet behoort,
een paar kamers voor zijn klein leven inricht, en het edele gebouw
tot een wildernis maakt? Is daar geen stem, die een verwijt, eene
beschuldiging fluistert wegens de onverantwoordelijke schennis,
aan deze trotsche monumenten gepleegd, waar men ze door allerlei
armzalige betimmeringen onkenbaar maakt, overal den blik door houten
beschotten tegenhoudt, en den katholieken tempel zooveel mogelijk
verhanselt tot eene hoogst ongeschikte, ondoelmatige gehoorzaal met
min of meer gemakkelijke zitplaatsen? Welk een gansch anderen indruk
zouden kerken als die te Utrecht, te Haarlem, te Gouda, en zoo vele
anderen maken, indien zij aan hare oorspronkelijke bestemming werden
wedergegeven, en in plaats van, voor de protestantsche godsdienst,
slechte, onbeholpen spreekzalen te zijn, op nieuw werden herschapen
in katholieke, harmonisch schoone, kathedralen. Mocht, al ware het
alleen om der schoonheid en des goeden smaaks wille, deze dag der
herstelling spoedig aanbreken!
Te Goes vindt ge een oude herberg, die den naam draagt van het Slot
van Oostende, en die ook inderdaad een overblijfsel is van den alouden
ridderburcht van dien naam, waarschijnlijk door een der Heeren van
Borsselen gesticht. Dit slot Oostende is vermoedelijk ouder dan de
stad, die, als zoo vele anderen, zich langzamerhand in de schaduw
van den sterken burcht zal hebben ontwikkeld, en die eerst in de
vijftiende eeuw met stadsrechten werd begiftigd. Toen de goederen van
Floris Van Borsselen, in de burgertwisten der veertiende eeuw, werden
verbeurd verklaard, werd het slot Oostende door Graaf Willem III, aan
zijn jongsten zoon, den ridderlijken Jan van Beaumont, geschonken;
later kwam het weder aan de grafelijkheid, en geraakte in het begin
der zestiende eeuw in bezit van het adellijk geslacht Van der Goes,
welks wapen nog boven een der gangen gevonden wordt. In 1747 ging het,
bij verkoop, over aan den Raad van State, die het tot een militair
hospitaal inrichtte, maar het gebouw reeds in het volgende jaar
aan de stad overdroeg, die het op hare beurt aan een partikulier
verkocht. Nu werd het geheel veranderd, onkenbaar gemaakt, en tot
herberg en logement ingericht, waartoe het heden nog dient. Voorwaar,
niet veel is er van den ouden ridderburcht overig, tenzij dan de
ruime, zwaar gewelfde kelders, die trouwens nog maar voor een klein
deel toegankelijk zijn.
Toch verdient ook dit treurig overblijfsel van het adellijk slot uwe
belangstelling; want groote, historische herinneringen zijn aan dit
grijze gedenkteeken van den ouden tijd verbonden; herinneringen niet
alleen aan de fiere, machtige Heeren van Borsselen, wier doorluchtig
stamhuis zich in den nacht der eeuwen verliest, en die eeuwen lang
aan het hoofd stonden van den zeeuwschen adel; niet alleen aan den
edelen ridderlijken held, Jan van Beaumont; maar herinneringen vooral
aan die beklagenswaardige Vorstinne, wier avontuurlijk leven en
treurig lot haar eene onvergankelijke beroemdheid hebben verzekerd,
en die nog altijd blijft voortleven in de heugenis des volks, dat
althans haar naam in eere houdt, ook waar het van haar daden luttel
weet:--Jacoba van Beieren. Even als haar vader, schijnt ook zij
voor Goes een bijzondere voorliefde te hebben gekoesterd: althans
reeds in het eerste jaar harer regeering schonk zij aan het open
vlek stadsrechten, en, wat geen goede stad mocht ontbreken: muren en
wallen. En toen zij later, na een veel bewogen leven, eindelijk den
strijd tegen haar overmachtige vijanden moede, bezwijkende deels door
den onvermijdelijken loop der dingen, deels door eigen, roekeloos
opgeladen schuld, van de regeering afstand had gedaan, toen hield
zij enkele malen, met haar gemaal Frank Van Borsselen, haar verblijf
op ditzelfde slot Oostende. En al was zij geene gebiedende Vrouwe,
geene regeerende Vorstinne meer, toch omgaf haar nog altijd genoeg
van den vorstelijken luister, om den burcht, waar zij inkeerde, tot
een hofburcht te maken, die althans eenigermate een beeld vertoonde
van den schitterenden luister van het hofleven der vijftiende eeuw. En
ook al ware dit niet het geval geweest: was niet de tegenwoordigheid
zelve der nog zoo jeugdige, zoo rampspoedige Vorstinne, die zoo
veler hart had weten te betooveren en in geestdrift voor haar en hare
zaak te ontvlammen, voldoende om de algemeene aandacht, de algemeene
belangstelling te wekken, nog verlevendigd door de herinnering aan
de weldaden, waarvoor de ontluikende stad haar had te danken? En
de voormalige Landsvrouwe toonde zich nog niet vervreemd van haar
volk. Was het niet bij gelegenheid van een dier oude volksfeesten,
waarvan de herinnering hier nog voortleeft, bij het vogelschieten,
dat zij zich, naar het loffelijke gebruik dier dagen, onder de schare
mengde, en zelve deel nam aan den wedstrijd? Naar de overlevering wil,
zou de Gravinne toen zelve, met eigen hand, den houten vogel, door een
welgemikt schot, van zijn hoogen paal hebben doen tuimelen, waarop zij,
mede naar aloude zede, door de schutters tot schutterkoningin werd
uitgeroepen. En toen de bewoners der omliggende, aan de heerlijkheid
van Goes onderhoorige dorpen, 's Heer-Hendrikskinderen, Wissekerke,
Baarsdorp, Sinoutskerke en 's Heer-Abtskerke, haar met dien triomf
kwamen geluk wenschen en geschenken aanbieden, toen toonde zij zich
vorstelijk mild, door hun de vlastienden kwijt te schelden, zoo als
het sedert gebleven is tot dezen dag. Alzoo leeft de herinnering
van de bekoorlijke Gravinne nog altijd voort in het hart des volks,
dat zij door een duurzame weldaad aan zich verbond.
Maar ook nog een ander zichtbaar gedenkteeken is van haar gebleven. In
den tuin van het aloude Slot van Oostende toont men u nog een overouden
moerbeziënboom, onder welks schaduw, naar de overlevering verhaalt, de
Vorstin meermalen zou neergezeten hebben. Mogen wij deze overlevering
gelooven? Oud is de boom zeker; zijn stam is ter aarde gekromd en rust
op steenen palen, maar nog altijd dragen zijne takken bladeren en
vruchten, ook al is hij inwendig bijna geheel hol. Al heeft dan ook
Jacoba van Beieren nimmer onder dezen zelfden boom gerust,--hij mag
inderdaad gelden voor een getuige van vroeger eeuw, en stellig niet
zonder oorzaak is haar naam aan dien ouden gebogen stam verbonden. Die
naam geeft nog heden den boom beteekenis, en geen vreemdeling zal
Goes bezoeken, zonder ook zijne schreden te richten naar den tuin der
oude herberg, om daar een der relieken te aanschouwen van de in zoo
menig opzicht merkwaardige vrouw, wier aantrekkelijke, in waarheid
tragische figuur zoo beteekenisvol daar staat op den drempel van den
nieuweren tijd, aan den uitgang der middeleeuwen, waarvan zij zelve,
althans in sommige opzichten, eene getrouwe vertegenwoordigster was,
voor wier traditioneele beginselen zij zelve kloekmoedig gestreden
heeft, en in 't einde als slachtoffer gevallen is.
Goes bezat weleer, als iedere goede middeleeuwsche stad, hare
schutterdoelens of schutterhoven, en wel ten getale van drie: het
schuttershof van den handboog, dat van den voetboog, en het hof der
kloveniers of schutters van de busse. Deze laatste schuttersdoelen
is verdwenen; de beide anderen bestaan nog, doch hebben thans eene
andere bestemming gekregen; in het schuttershof van den handboog
vindt ge tegenwoordig een schouwburgzaal met bijbehoorende
lokalen, een teekenschool, en een societeit, welke laatste de
zinspreuk van het oude schuttersgilde: van ongeneuchten vrij, heeft
behouden. Voorheen behoorden alle gezeten burgers der stad tot een
dezer drie schuttersgilden, die tot het laatst der vorige eeuw zijn in
stand gebleven, maar toen mede ondergegaan in den geweldigen storm,
die zoo vele andere en gewichtiger instellingen van den ouden tijd
omverwierp. Toch waren ook zij eerwaardige instellingen, die aloude
schuttersgilden, zoo oud als de vrije steden en gemeenten, wier
bescherming hunne voorname taak was, ja zelfs ouder nog; instellingen,
geworteld in het volksleven, haar ontstaan niet dankende aan een
geschreven wet of reglement, maar van zelve geworden en ontwikkeld
en opgegroeid met het volk, en mede behoorende tot de eigenaardige
kringen, waarin het gezonde, rijk geschakeerde, organisch gevormde
leven der middeleeuwen zich bewoog. Tot verdediging der veste moest
het schuttersgilde steeds vaardig zijn; maar het deed nog iets
anders dan nu en dan soldaatje spelen in vredestijd: het was geen
onsamenhangende hoop, alleen door dwang aldus te saam gebracht en
tijdelijk gehouden: het was eene vrijwillige vereeniging van vrije
poorters, eene corporatie, die hare eigene plaatsen van bijeenkomst
had, hare eigene rechten en privilegiën, waarop zij trotsch was; die
hare eigene feesten vierde, waaraan de halve bevolking der stad, meer
of minder rechtstreeks, deel nam. Ook zij zijn voor altijd verdwenen,
al is nog de herinnering aan het oude schuttersvermaak, het vogel-
of papegaaischieten, niet geheel uitgestorven.
Zoo wandelende, hadden wij al spoedig gezien, wat Goes bezienswaardigs
oplevert. Morgen zullen wij onze voetreis door het eiland aanvangen.