IX.

Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek

gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge

eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem

VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en

een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere

vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en

rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.

Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog

vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne

schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk

en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik

geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week

voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis

te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche

dorpskermis. 't Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden,

dansen, zingen en drinken, vooral drinken:--want zoolang hij niet

half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene

ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls

den mannen niets toe.

Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten

gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de

andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een

schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal

binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel

geplaatst; de talrijke toeschouwers vormen een dichten kring rondom

de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek

is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond

van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke,

zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden--eene

wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal--kent, moet dan ook deze

vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk

plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het

dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen

alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van

uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke

beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De

nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers,

wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste

uiting zijn voor hunne kalme vreugde.

Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de

vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als

vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg

aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de

Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd,

maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren

leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op,

om eenige ruimte tusschen ons te laten.

Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er

nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden

schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen

den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden,

schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop

nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop

verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de

banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.

Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een

paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar

slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar

accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een

vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke

en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.

Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet

er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den

regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi:

ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat

het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook

dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken

werpt op den leelijken, maar rijken jongen.

Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even

een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of

hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind

op den arm houdt.

Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt,

het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder

een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende

stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel

slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende

contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware

voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij

komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons,

met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te

overvloedige licht onderscheppende.

Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied

aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen:

althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en

herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter,

en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van

ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen,

portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde

menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren

presenteeren ons parfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en

laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.--Altijd door

dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden

te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons

heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer

in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers

het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal

door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge

man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op,

draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen,

deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt

eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer

uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!

Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt

een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich

hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander

op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort;

het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van,

en gaan naar buiten.

Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche

taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in

al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak,

hebben gehoord.

Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van

bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en

Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm,

tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het

eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer

noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren

met elkander hoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben

om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die

hem vreemd zijn,--want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is

niet zoo bijzonder groot;--maar om de eigenaardige wijze, waarop zij

de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel

mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen,

half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der

bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.

Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen,

die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken

van de letter h. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten

platten lande en in de kleinere steden, spreken de h letterlijk nooit

uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige

zeeuwsche boer beschreef mij eens de letter h als de groote a, en

kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank

uit te spreken, niet verder brengen dan tot een ch-klank. Geregeld

hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen van uus,

and, ebben, oornblazer en dergelijke, met trouwe weglating, altijd

en overal, van die fatale h. Het meest komische is echter, wanneer

pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken,

zich inspannen om de h toch uit te brengen, en die dan plaatsen voor

woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dat er

de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van de hengelen

in den emel en de haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche

huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar

zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten

antwoord krijgt: 'k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze

snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.

Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere

nederlandsche stammen, de hollandsche ui als u en de ij als lange i

uit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordt huus of eigenlijk

uus; tuin wordt tuun; kuif, kuuf; lijf, liif: vijf daarentegen niet

fiif, als in het friesch, maar vuuf; pijp, niet piip, maar pupe,

wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen

scheppen in de uitspraak van de a, die doorgaans als een zware oa, of

wel, in andere streken van Zeeland, als blatende ae klinkt. Daarentegen

maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en

de scherplange o en e, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken:

bij voorbeeld twèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de

vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen,

volstrekt niet onbehagelijk klinkt.

Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan

althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere

nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is,

beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen

zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den

eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig

zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt,

zijn bij voorbeeld: guus, guês, kind, kinderen; kelf, zindelijk;

puutjes, kinderhandjes; daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook

het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen

als deze: i was d'r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er

zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland,

dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element

in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt

ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking:

ik ben er broaf ongevoelig over.

Woorden als puut voor kikvorsch, weeg voor houten wand, bepaaldelijk

eener schuur, stute voor boterham, kuus voor zuiver, zindelijk,

vele (vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook

in Vlaanderen en in sommige provinciën van ons vaderland algemeen

in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukking kachel voor veulen;

misschien is dit woord met guil, gaul, paard, verwant.

Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche

taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekende Dialecticon

van den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren

zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland,

waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand

heeft gehouden. Zij luidt aldus.

Dir was is 'n man, die twèë zeuns a'.

En den jongsten (op Walcheren zegt men joenksten) van ulder (hen,

elders in Zeeland hulli) zei tegen z'n voader: voader, gee miin m'n

possie van 't goed, da' m'n toekomt. En i verdèëlden 't goed.

En ni lange naedien, a' den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a',

is 'n vort ereisd nir 'n land, varre van ier, en dir eit 'n al z'n

goed deur ebrocht en i leefden baldadig.

En as 'n alles op eteerd a', kwam d'r in dat land 'n gròòten

oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.

En i giing èëne en i prezenteerden z'n zelven bi 'n boer van dat land,

en die stierden 'm nir z'n land om de verkens te wachten (hoeden).

En i verlangden z'n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens

gaf ze 'm.

En as 'n z'n ersens bi mekaore a', zeit 'n bi z'n eigen: oe vee'

errebeiers van m'n voader ae d'r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.

Ik za' ik nir me voader toe gae, en 'k za' tegen z'n zegge: voader! 'k

ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.

En ik bin ni mir wæærd om je zeune t' èëten; mææk me mer gelike mit

èën van j'n errebeiers.

En i stong op en i giing nir z'n voader. En as 'n d'r nog varre van

dææn was, zag z'n voader 'm, en i kreeg innerlikken medeliën mit z'n,

en i liep nir z'n toe, en i viel om z'n ales (hals), en i kost' 'm.

En den zeune zei tegen z'n voader: voader! 'k ae zonde edae tegen

den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t' èëten.

Mer den voader zei tegen z'n knechs: æælt ier 'n best pak kleeren,

en lææt 'm dat an doeë, en geeft 'n riink an z'n anen (anden, handen)

en schoenen an z'n voeten.

En briingt 't vette kalf en slacht 't; dan zu' me ete en plazier ouë.

Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was

verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t' ouën.

En z'n ouste zeune was in 't veld; en as 'n vrom (weerom) kwam en

kort bi uus kwam, oorden i 't geziing en gespriing.

En i riep èën van de knechs bi z'n, en i vroeg wat 'r omgiing.

En die zei tegen z'n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit

't gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat 'n 'm wee' gezond t'

uus ekregen eit.

Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z'n voader

nir z'n toe, en i schooiden d'r om (drong er op aan).

Mer i zei tot antwoord tegen z'n voader: kiik! ik ae' noe a' zòò vee'

jæær voe' j' ewerkt, en 'k ae' altiid edae da' je me belast eit,

en j' eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe' m' eslacht,

om ok is mit m'n kammeraas plazier t' ouen.

Mer noe die zeune van je t'uus ekommen is, die je goed mit oeren

verkwanseld eit, noe ei je voe' ziin 't vette kalf eslacht.

En i zei tegen z'n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a' 'k ae',

dat is 't joeë.

Dir om b' oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en

i is wee' levendig eworre; i was verlore en i is evonde.

Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij 't ook maar

vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene

vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke

reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond,

wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn

gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde

bevolking der stad verdient wel de aandacht.

De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar

gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene

verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering

visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel,

die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt

met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij

een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is

een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs

stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond,

goed zeeuwsch.

Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden

veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke

aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige

koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in

vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange

ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden

verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde

en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik

op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar,

niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze

bede tot opschrift: Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer,

want wij vergaan!

Naar men zegt, bestond er van ouds eene veete tusschen de burgers

van Arnemuiden en die van Middelburg. Of de kleinere stad zich over

aanmatiging en verdrukking van de zijde der groote te beklagen had,

zoo als men wil, durf ik niet te beslissen; zeker is het, dat de

verstandhouding tusschen beiden dikwijls veel te wenschen overliet. In

onze tegenwoordige orde van zaken, waarin alles zoo nauwkeurig

afgepast en afgemeten, en in een zoo eng mogelijk sluitend keurslijf

van eenvormige en eensluidende wetten en reglementen gewrongen wordt,

komen natuurlijk twisten en veeten tusschen twee naburige steden niet

meer te pas. De burgers mogen heden ten dage niet meer het zwaard tegen

elkander trekken; daarentegen staat het hun wel vrij, om elkander op

alle mogelijke manieren te onderkruipen en te benadeelen, en elkander

door alle middelen--mits niet onder het bereik van den strafrechter

vallende--het brood uit den mond te stelen. Is het nog wellicht

een overblijfsel der oude veete, dat de visschers van Arnemuiden de

burgers van Middelburg zoo dikwijls vergeefs naar visch laten uitzien?

Toch niet. De visschers van Arnemuiden gaan ver de Noordzee in,

tot zelfs op de hoogte van Texel en Vlieland. Wanneer zij nu met

hun vangst terugkomen, worden zij zeer dikwijls opgewacht door

hollandsche on belgische vaartuigen, die, tegen goeden prijs, de

gevangen visch opkoopen, zoodat de visschers ledig naar Arnemuiden

terugkeeren. Vandaar dat men te Antwerpen, te Brussel en zelfs te

Parijs doorgaans beter en goedkooper visch kan eten dan te Middelburg.

De visschers keeren gewoonlijk Vrijdags naar huis terug. Dan bakken

de vrouwen ouder gewoonte koeken, om hare echtgenooten en zonen te

onthalen, die met welgevulden buidel wederkomen. Echter is de opbrengst

der visscherij niet meer wat zij vroeger was: in 1844, bij voorbeeld,

kon, naar men mij verzekerde, een visscher van Arnemuiden op eene

verdienste van vijf-en-twintig gulden per week rekenen. Daar is nu

geen denken meer aan.

Vroeger, in den goeden ouden tijd, toen de visch nog naar huis werd

medegenomen en daar verkocht, geschiedde de verdeeling van den buit

op de volgende wijze.

De visschers zetten zich rondom eene tafel; op het midden van die

tafel werd het geld van den verkoop nedergelegd. Men maakte van de

groote en kleine muntstukken een hoop: rijksdaalders, guldens, halve

guldens, kwartjes, dubbeltjes. Eerst werden de groote stukken verdeeld:

rijksdaalders, guldens en halve guldens. Het kleine geld--kwartjes,

dubbeltjes, enz.--werd in theekommetjes geworpen. Beurtelings werden

al de kommetjes met kwartjes en dubbeltjes gevuld, tot de voorraad

verdeeld was. Wanneer al de kopjes gevuld waren, werd alles wat boven

den rand uitstak, weggestreken. Dit werd zoolang herhaald, tot er

juist genoeg dubbeltjes en kwartjes overschoten om den visschers een

drinkgeld te geven.

Was de verdeeling afgeloopen, dan toog men aan den maaltijd. De koeken

dampten in den schotel en vervulden de woning met uitlokkende,

den eetlust prikkelende geuren: moeder de vrouw zorgde dat er

een goede voorraad was om den eisch der hongerige magen te kunnen

voldoen. Natuurlijk mocht bij dien feestelijken maaltijd de flesch

met klare niet ontbreken. Er werden pijpen of sigaren opgestoken; men

lachte, men praatte, en maakte het zich ook verder zoo genoegelijk

mogelijk, tot de visschers, doorgaans des Maandags morgens, weder

uitvoeren om op nieuw van de zee, de onuitputtelijke, te vragen wat

er noodig was om hun kommetjes te vullen.

De visschers van Arnemuiden leven echter niet uitsluitend van de

vischvangst. Als de vangst slecht gaat, varen zij met hunne schuiten

naar Amsterdam of Haarlem, om daar gemeste varkens ter markt te

brengen, en zelven eenige inkoopen te doen. Ook wordt er een weinig

landbouw gedreven.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 10 / 16 题