Als ge, op een zonnigen Junimorgen, de stad Veere uit de verte
ziet, maakt zij bijkans op u den indruk eener oostersche stad. Hare
donkerroode daken, de zware toren harer eerbiedwaardige groote kerk,
haar stadhuis met zijn belfroot, teekenen zich scherp en donker af
tegen den helderblauwen hemel, aan den horizon in een zilverachtigen
nevel vervloeiende. Het is bijkans een soort van fata morgana! Meer
dan eens heb ik haar zoo gezien, de oude stad, haar antieke monumenten
weerspiegelende in de grijze wateren.
Maar ik heb haar ook gezien op een kouden somberen Octoberdag, in
grauwe nevelen gehuld, die loodzwaar over gracht en straat hingen,
waarlangs de snerpende, doordringende wind blies. Zoo zag ik haar voor
het eerst: en nog herinner ik mij die eenzame grachten en straten,
waar, in den letterlijken zin, het gras tusschen de steenen groeide
en geen voetstap weerklonk; die akelig vervallen, ledigstaande huizen,
waaruit dood en ellende u schenen tegen te grijnzen; nog, dat voorkomen
van onbeschrijfelijke armoede en jammerlijke verlatenheid, zoowel
der uitgestorven stad als haar weinigen inwoners eigen.
Inderdaad, zij was diep, welhaast reddeloos diep gevallen, de
stad, wier heer eenmaal den markgrafelijken titel voerde, en in
de vergadering van Zeelands edelen de eerste plaats innam; de
stad der Borsselens en Oranjes, tot beneden den rang van een dorp
afgedaald. Geheele wijken worden voor en na afgebroken; een aantal
huizen stonden ledig; voor vijf-en-twintig gulden in het jaar kon
men eene goede woning huren..... Er was letterlijk noch handel,
noch nijverheid, noch vertier: de stad kwijnde weg en stierf een
langzamen dood. Gelukkig is hierin, dank zij vooral ook de ijverige
bemoeiingen van den wakkeren burgemeester Snijder, in den laatsten
tijd, eenige verandering ten goede gekomen. Het nieuwe kanaal door
Walcheren, dat Vlissingen met Middelburg verbindt, is, met wijziging
van het oorspronkelijke plan, naar Veere geleid, en loopt daar in het
Sloe of het Veersche gat uit. Daardoor is althans de geheel verzande
haven der stad weder voor de scheepvaart toegankelijk geworden, en
laat de toekomst voor de diep gezonken veste zich weder gunstiger
aanzien. Reeds is er verbetering; er is leven en vertier; naar men
mij zeide, wordt thans voor enkele huizen een huur van driehonderd
gulden gevraagd. Mogen die voorteekenen niet bedriegen en het grijze
Veere zich weder eenigszins verheffen tot den vroegeren voorspoed.
Want zij heeft betere dagen gekend, de oude stad, waarschijnlijk
in het laatst der dertiende eeuw door den edelen Baron Wolfaert
Van Borsselen, den welbekenden voogd en raadsman van Graaf Jan I,
's Graven Floris V zoon, gesticht. In den loop der veertiende eeuw
van muur en wallen voorzien, ontwikkelde zij zich gaandeweg onder de
hoede harer heeren, uit het machtige geslacht van Van Borsselen, die
haar tot in het begin der zestiende eeuw bezaten, toen zij overging in
handen van Adolf Van Bourgondië, zoon van Anna Van Borsselen. Ter wille
van zijn zoon Maximiliaan Van Bourgondië, stadhouder van Holland,
verhief Keizer Karel V, ten jare 1555, de heerlijkheid van Veere,
met die van Vlissingen, evenzeer het eigendom van Maximiliaan,
tot een markgraafschap. Bij den dood van den Markgraaf werden zijne
zeer met schulden bezwaarde goederen in het openbaar verkocht. Het
markgraafschap ging toen over in handen van Koning Filips II; maar
ten gevolge van de kort daarop uitgebroken troebelen werden de beide
heerlijkheden van Veere en Vlissingen eenige jaren daarna, wederom
ten verkoop aangeboden, en werden toen het eigendom van den Prins van
Oranje, die het markgraafschap van Veere, met het oude, door de Van
Borsselens gestichte slot Sandenburg, en de heerlijkheden van Sandyck,
Domburg en Vrouwepolder, voor f74500 kocht. Sedert bleven de Prinsen
van Oranje in het bezit van het markgraafschap van Veere tot aan de
omwenteling van 1795, en voerden als zoodanig den titel van eersten
Edele van Zeeland.
Een voorname bron van welvaart voor Veere was weleer de handel
met Schotland, waarvan nog de herinnering wordt bewaard door een
fraai gothisch gebouw, het Schotsche Huis genaamd. Deze bijzondere
betrekking met Schotland dagteekende uit de helft der veertiende eeuw,
toen de heer van Veere, Woefaert Van Borsselen, in het huwelijk trad
met Maria Stuart, Koning Jacobs dochter van Schotland. Tusschen de
kooplieden van dat rijk en de stad Veere werd een contract van handel
gesloten, dat telkens werd vernieuwd, het laatst op den 17 October
1780, en dat voor Veere zeer aanzienlijke voordeelen afwierp. Maar
dergelijk privilegie en monopolie was natuurlijk een gruwel in de
oogen der hoogwijze wetgevers, die na de omwenteling het gezag in
handen hadden gekregen; en zoo werd het contract, in 1799, door het
toenmalig departementaal bestuur van Zeeland vernietigd. Wat deerde
het, of daarmede ook de welvaart der arme stad vernietigd werd? Mocht
eene omstandigheid van zoo luttel beteekenis eenigszins in aanmerking
komen, waar het de toepassing eener theorie, de afschaffing van een oud
middeleeuwsch recht--immers natuurlijk een misbruik en onrecht?--gold?
Als ge uit zee de stad nadert--want de rivier en de zee vloeien
hier samen--wordt uw oog getrokken door een ouden zwaren toren,
nabij het zuidelijke havenhoofd, de Kampveersche toren genaamd;
een naam, waarin, naar men wil, nog de herinnering voortleeft aan
den alouden oorsprong van Veere, toen op de plaats waar nu de stad
verrijst, een veer zou hebben bestaan op de stad Kampen, weleer aan
den noord-bevelandschen oever gelegen en sedert lang door de golven
verzwolgen. De toren dient thans tot herberg en logement; uit de
kamers op de bovenverdieping heeft men een fraai uitzicht over de
rivier en de kusten van Noord-Beveland. Aan de andere zijde der kaai
stond weleer een soortgelijke toren, die in zekeren kalmen zomernacht
plotseling in de wateren verdween, ten gevolge van eene afschuiving
van den waarschijnlijk sedert lang ondermijnden grond.
Wandelen wij even de stad in, al duurt onze wandeling maar kort,
en al mag ze juist niet opwekkend heeten, daar ons overal de sporen
van verval en achteruitgang zullen tegenkomen. Niet verre van de haven
staat de voormalige groote kerk, die hoewel onvoltooid--haar ontbreekt
het koor--toch een merkwaardig monument van gothische bouwkunst
is, en oorspronkelijk een der fraaiste kerken van geheel Zeeland
was. Het eerwaardige gebouw, van grijsachtigen steen opgetrokken,
werd ten jare 1348 gesticht en aan Onze-Lieve-Vrouwe toegewijd. Na
de omwenteling van 1572 van hare altaren, beelden en sieraden
beroofd, werd de kerk in 1686 een prooi der vlammen, die alleen de
buitenmuren lieten staan. Zij werd echter weder hersteld en voor de
predikdienst ingericht; maar in het begin dezer eeuw, nadat zij door
het bombardement van 1809 zeer geleden had, eerst door de Engelschen
en daarna door de Franschen als militair hospitaal gebruikt. Na de
restauratie van 1813 werd het jammerlijk gehavende en misvormde
gebouw eerst tot een bedelaarswerkhuis, later tot een bergplaats
en militair magazijn ingericht. Uit handen van het departement van
oorlog is het vervolgens in die van het departement van financiën
overgegaan, en behoort thans nog tot de domeinen van den nederlandschen
staat. Het is wel noodig, dat ge deze laatste bijzonderheid niet
uit het oog verliest, als ge dit eerbiedwaardig monument van den
kunstzin en de eerbiedige vroomheid der voorgeslachten aanziet;
dit monument, thans welhaast tot eene ruïne geworden, en inwendig
door allerlei betimmeringen volstrekt onherkenbaar. Men zeide mij,
dat het domeinbestuur van voornemen was, de kerk, die tot niets meer
dient, voor afbraak te verkoopen. Natuurlijk: dat is het eenvoudigste
en meest praktische middel om zulke oude gebouwen op te ruimen en er
nog wat van te halen op den koop toe! Aan eene restauratie der kerk,
die toch niet onmogelijk zijn zou, denkt natuurlijk niemand. Zulk
eene restauratie zou trouwens geld kosten, en geld mag men voor
dergelijke zaken immers niet uitgeven. Voor spoorwegen, kanalen,
havens; voor het droogmaken van plassen; voor het bouwen van met
bespottelijk kwistige weelde ingerichte scholen:--nu ja, daarvoor
moet op geen tonnen gouds gelet; maar voor het herstel en behoorlijk
onderhoud van monumenten van vaderlandsche kunst en geschiedenis, die
niet meer voor een of ander praktisch doel bruikbaar zijn--ziet ge,
daarvoor is elke gulden te veel. En dan heeft men nog den mond vol van
den kunstzin onzes volks! Van de regeering zwijg ik: zij zou zoo niet
durven en niet kunnen handelen, indien zij niet de overtuiging had,
althans in dit opzicht, inderdaad de vertegenwoordigster der openbare
meening te zijn. Misschien zullen zich stemmen verheffen tegen den
verkoop der kerk, en zal deze dan achterwege blijven: maar wat zal er
dan gewonnen zijn? Men zal het gebouw eenvoudig laten staan, zooals
het is; tot het eindelijk zoo bouwvallig is geworden, dat aan geene
restauratie meer te denken valt, en dan--dan wordt het gesloopt.
Ik trachtte de aandacht van mijn vriend zooveel mogelijk van deze
zoo gruwelijk mishandelde kerk af te leiden, om voor den vreemdeling
althans deze schande te verbergen, en voerde hem naar de ruime
marktplaats, waarop het stadhuis staat, mede een monument van gothische
architectuur, schoon tot een later tijdperk behoorende. Het is een
fraai gebouw, dat met zijn sierlijken toren een zeer goeden indruk
maakt. De voorgevel prijkt met zeven beelden van Heeren en Vrouwen
van Veere uit het geslacht van Borsselen. Ook inwendig is het stadhuis
der bezichtiging waardig. In de voormalige vierschaar hangt boven eene
antieke schouw--op zich zelve een meesterstuk van beeldhouwkunst--eene
groote schilderij, voorstellende de vloot, waarmede Willem III in 1688
naar Engeland overstak. In een ander vertrek kunt ge een portret ten
voeten uit zien van denzelfden Vorst, in zijn staatsiekleeding als
Koning van Groot-Brittanje.--Maar vergeet niet, eer ge de vierschaar
verlaat, die drie fraai bewerkte metalen vuisten te bezien, waarvan
de eene een bijl omklemd houdt. Wat ze beduiden? Naar men zegt,
zijn zij ten geschenke gegeven door de drie personen, wier namen
nog op het metaal te lezen zijn, en die, ten jare 1546, wegens een
of ander vergrijp, werden veroordeeld om hunne handen door den beul
te zien afhouwen. Zij werden begenadigd; maar moesten nu, ten teeken
van dankbaarheid waarschijnlijk, deze metalen handen der stede ten
geschenke geven: het zijn dus een soort van ex-voto's. Aldus luidt
het verhaal, waarvan ik de waarheid niet kan bevestigen.
Wel zoo bezienswaardig als deze metalen vuisten, en zelfs als de
metalen deurknoppen met het wapen en naamcijfer van Willem III,
hoe fraai overigens ook van bewerking, is de inderdaad prachtige
beker van verguld zilver, door Maximiliaan Van Bourgondië aan zijne
stad Veere geschonken, en nog steeds op het raadhuis bewaard. De
beker was oorspronkelijk het eigendom van Maximiliaan Van Egmond,
Graaf van Buren; het verheven beeldwerk, waarmede hij prijkt, stelt
dan ook twee episoden uit het veel bewogen leven van dien edelman
voor: zijn overtocht over den Rijn, op den 15den September 1546,
om zich met zijne vendelen bij het leger des Keizers te voegen; en
de daarop gevolgde gevangenneming van den Keurvorst van Saksen. Op
de binnenzijde van het deksel prijkt, in email, het wapen van den
Graaf van Buren; dat van Maximiliaan Van Bourgondië is op den voet des
bekers aangebracht; terwijl het schild, waarop het beeldje boven op het
deksel leunt, het wapen der stad vertoont. Het latijnsche opschrift
langs den rand vermeldt den overtocht over den Rijn door Maximiliaan
van Buren. De kolossale beker, niet minder dan zeven-en-vijftig duim
hoog, in uitnemenden renaissance-stijl bewerkt, is een waar kunststuk,
waarop Veere trotsch mag zijn, en dat het trouw heeft te bewaren als
eene herinnering aan vroegere betere dagen.
Maar nu hebben wij ook alles gezien, wat Veere bezienswaardigs heeft,
en kunnen ons naar buiten begeven, om daar, in de frissche, eeuwig
jonge natuur, te bekomen van den treurigen indruk, door het gezicht
dezer kwijnende stad op het gemoed gemaakt. "Eene gestorven stad",
zeide mijn vriend, toen wij de vervallen veste verlieten.--"Laat ons
hopen, eerlang eene weder herlevende stad", antwoordde ik.