VIII.

Als ge, op een zonnigen Junimorgen, de stad Veere uit de verte

ziet, maakt zij bijkans op u den indruk eener oostersche stad. Hare

donkerroode daken, de zware toren harer eerbiedwaardige groote kerk,

haar stadhuis met zijn belfroot, teekenen zich scherp en donker af

tegen den helderblauwen hemel, aan den horizon in een zilverachtigen

nevel vervloeiende. Het is bijkans een soort van fata morgana! Meer

dan eens heb ik haar zoo gezien, de oude stad, haar antieke monumenten

weerspiegelende in de grijze wateren.

Maar ik heb haar ook gezien op een kouden somberen Octoberdag, in

grauwe nevelen gehuld, die loodzwaar over gracht en straat hingen,

waarlangs de snerpende, doordringende wind blies. Zoo zag ik haar voor

het eerst: en nog herinner ik mij die eenzame grachten en straten,

waar, in den letterlijken zin, het gras tusschen de steenen groeide

en geen voetstap weerklonk; die akelig vervallen, ledigstaande huizen,

waaruit dood en ellende u schenen tegen te grijnzen; nog, dat voorkomen

van onbeschrijfelijke armoede en jammerlijke verlatenheid, zoowel

der uitgestorven stad als haar weinigen inwoners eigen.

Inderdaad, zij was diep, welhaast reddeloos diep gevallen, de

stad, wier heer eenmaal den markgrafelijken titel voerde, en in

de vergadering van Zeelands edelen de eerste plaats innam; de

stad der Borsselens en Oranjes, tot beneden den rang van een dorp

afgedaald. Geheele wijken worden voor en na afgebroken; een aantal

huizen stonden ledig; voor vijf-en-twintig gulden in het jaar kon

men eene goede woning huren..... Er was letterlijk noch handel,

noch nijverheid, noch vertier: de stad kwijnde weg en stierf een

langzamen dood. Gelukkig is hierin, dank zij vooral ook de ijverige

bemoeiingen van den wakkeren burgemeester Snijder, in den laatsten

tijd, eenige verandering ten goede gekomen. Het nieuwe kanaal door

Walcheren, dat Vlissingen met Middelburg verbindt, is, met wijziging

van het oorspronkelijke plan, naar Veere geleid, en loopt daar in het

Sloe of het Veersche gat uit. Daardoor is althans de geheel verzande

haven der stad weder voor de scheepvaart toegankelijk geworden, en

laat de toekomst voor de diep gezonken veste zich weder gunstiger

aanzien. Reeds is er verbetering; er is leven en vertier; naar men

mij zeide, wordt thans voor enkele huizen een huur van driehonderd

gulden gevraagd. Mogen die voorteekenen niet bedriegen en het grijze

Veere zich weder eenigszins verheffen tot den vroegeren voorspoed.

Want zij heeft betere dagen gekend, de oude stad, waarschijnlijk

in het laatst der dertiende eeuw door den edelen Baron Wolfaert

Van Borsselen, den welbekenden voogd en raadsman van Graaf Jan I,

's Graven Floris V zoon, gesticht. In den loop der veertiende eeuw

van muur en wallen voorzien, ontwikkelde zij zich gaandeweg onder de

hoede harer heeren, uit het machtige geslacht van Van Borsselen, die

haar tot in het begin der zestiende eeuw bezaten, toen zij overging in

handen van Adolf Van Bourgondië, zoon van Anna Van Borsselen. Ter wille

van zijn zoon Maximiliaan Van Bourgondië, stadhouder van Holland,

verhief Keizer Karel V, ten jare 1555, de heerlijkheid van Veere,

met die van Vlissingen, evenzeer het eigendom van Maximiliaan,

tot een markgraafschap. Bij den dood van den Markgraaf werden zijne

zeer met schulden bezwaarde goederen in het openbaar verkocht. Het

markgraafschap ging toen over in handen van Koning Filips II; maar

ten gevolge van de kort daarop uitgebroken troebelen werden de beide

heerlijkheden van Veere en Vlissingen eenige jaren daarna, wederom

ten verkoop aangeboden, en werden toen het eigendom van den Prins van

Oranje, die het markgraafschap van Veere, met het oude, door de Van

Borsselens gestichte slot Sandenburg, en de heerlijkheden van Sandyck,

Domburg en Vrouwepolder, voor f74500 kocht. Sedert bleven de Prinsen

van Oranje in het bezit van het markgraafschap van Veere tot aan de

omwenteling van 1795, en voerden als zoodanig den titel van eersten

Edele van Zeeland.

Een voorname bron van welvaart voor Veere was weleer de handel

met Schotland, waarvan nog de herinnering wordt bewaard door een

fraai gothisch gebouw, het Schotsche Huis genaamd. Deze bijzondere

betrekking met Schotland dagteekende uit de helft der veertiende eeuw,

toen de heer van Veere, Woefaert Van Borsselen, in het huwelijk trad

met Maria Stuart, Koning Jacobs dochter van Schotland. Tusschen de

kooplieden van dat rijk en de stad Veere werd een contract van handel

gesloten, dat telkens werd vernieuwd, het laatst op den 17 October

1780, en dat voor Veere zeer aanzienlijke voordeelen afwierp. Maar

dergelijk privilegie en monopolie was natuurlijk een gruwel in de

oogen der hoogwijze wetgevers, die na de omwenteling het gezag in

handen hadden gekregen; en zoo werd het contract, in 1799, door het

toenmalig departementaal bestuur van Zeeland vernietigd. Wat deerde

het, of daarmede ook de welvaart der arme stad vernietigd werd? Mocht

eene omstandigheid van zoo luttel beteekenis eenigszins in aanmerking

komen, waar het de toepassing eener theorie, de afschaffing van een oud

middeleeuwsch recht--immers natuurlijk een misbruik en onrecht?--gold?

Als ge uit zee de stad nadert--want de rivier en de zee vloeien

hier samen--wordt uw oog getrokken door een ouden zwaren toren,

nabij het zuidelijke havenhoofd, de Kampveersche toren genaamd;

een naam, waarin, naar men wil, nog de herinnering voortleeft aan

den alouden oorsprong van Veere, toen op de plaats waar nu de stad

verrijst, een veer zou hebben bestaan op de stad Kampen, weleer aan

den noord-bevelandschen oever gelegen en sedert lang door de golven

verzwolgen. De toren dient thans tot herberg en logement; uit de

kamers op de bovenverdieping heeft men een fraai uitzicht over de

rivier en de kusten van Noord-Beveland. Aan de andere zijde der kaai

stond weleer een soortgelijke toren, die in zekeren kalmen zomernacht

plotseling in de wateren verdween, ten gevolge van eene afschuiving

van den waarschijnlijk sedert lang ondermijnden grond.

Wandelen wij even de stad in, al duurt onze wandeling maar kort,

en al mag ze juist niet opwekkend heeten, daar ons overal de sporen

van verval en achteruitgang zullen tegenkomen. Niet verre van de haven

staat de voormalige groote kerk, die hoewel onvoltooid--haar ontbreekt

het koor--toch een merkwaardig monument van gothische bouwkunst

is, en oorspronkelijk een der fraaiste kerken van geheel Zeeland

was. Het eerwaardige gebouw, van grijsachtigen steen opgetrokken,

werd ten jare 1348 gesticht en aan Onze-Lieve-Vrouwe toegewijd. Na

de omwenteling van 1572 van hare altaren, beelden en sieraden

beroofd, werd de kerk in 1686 een prooi der vlammen, die alleen de

buitenmuren lieten staan. Zij werd echter weder hersteld en voor de

predikdienst ingericht; maar in het begin dezer eeuw, nadat zij door

het bombardement van 1809 zeer geleden had, eerst door de Engelschen

en daarna door de Franschen als militair hospitaal gebruikt. Na de

restauratie van 1813 werd het jammerlijk gehavende en misvormde

gebouw eerst tot een bedelaarswerkhuis, later tot een bergplaats

en militair magazijn ingericht. Uit handen van het departement van

oorlog is het vervolgens in die van het departement van financiën

overgegaan, en behoort thans nog tot de domeinen van den nederlandschen

staat. Het is wel noodig, dat ge deze laatste bijzonderheid niet

uit het oog verliest, als ge dit eerbiedwaardig monument van den

kunstzin en de eerbiedige vroomheid der voorgeslachten aanziet;

dit monument, thans welhaast tot eene ruïne geworden, en inwendig

door allerlei betimmeringen volstrekt onherkenbaar. Men zeide mij,

dat het domeinbestuur van voornemen was, de kerk, die tot niets meer

dient, voor afbraak te verkoopen. Natuurlijk: dat is het eenvoudigste

en meest praktische middel om zulke oude gebouwen op te ruimen en er

nog wat van te halen op den koop toe! Aan eene restauratie der kerk,

die toch niet onmogelijk zijn zou, denkt natuurlijk niemand. Zulk

eene restauratie zou trouwens geld kosten, en geld mag men voor

dergelijke zaken immers niet uitgeven. Voor spoorwegen, kanalen,

havens; voor het droogmaken van plassen; voor het bouwen van met

bespottelijk kwistige weelde ingerichte scholen:--nu ja, daarvoor

moet op geen tonnen gouds gelet; maar voor het herstel en behoorlijk

onderhoud van monumenten van vaderlandsche kunst en geschiedenis, die

niet meer voor een of ander praktisch doel bruikbaar zijn--ziet ge,

daarvoor is elke gulden te veel. En dan heeft men nog den mond vol van

den kunstzin onzes volks! Van de regeering zwijg ik: zij zou zoo niet

durven en niet kunnen handelen, indien zij niet de overtuiging had,

althans in dit opzicht, inderdaad de vertegenwoordigster der openbare

meening te zijn. Misschien zullen zich stemmen verheffen tegen den

verkoop der kerk, en zal deze dan achterwege blijven: maar wat zal er

dan gewonnen zijn? Men zal het gebouw eenvoudig laten staan, zooals

het is; tot het eindelijk zoo bouwvallig is geworden, dat aan geene

restauratie meer te denken valt, en dan--dan wordt het gesloopt.

Ik trachtte de aandacht van mijn vriend zooveel mogelijk van deze

zoo gruwelijk mishandelde kerk af te leiden, om voor den vreemdeling

althans deze schande te verbergen, en voerde hem naar de ruime

marktplaats, waarop het stadhuis staat, mede een monument van gothische

architectuur, schoon tot een later tijdperk behoorende. Het is een

fraai gebouw, dat met zijn sierlijken toren een zeer goeden indruk

maakt. De voorgevel prijkt met zeven beelden van Heeren en Vrouwen

van Veere uit het geslacht van Borsselen. Ook inwendig is het stadhuis

der bezichtiging waardig. In de voormalige vierschaar hangt boven eene

antieke schouw--op zich zelve een meesterstuk van beeldhouwkunst--eene

groote schilderij, voorstellende de vloot, waarmede Willem III in 1688

naar Engeland overstak. In een ander vertrek kunt ge een portret ten

voeten uit zien van denzelfden Vorst, in zijn staatsiekleeding als

Koning van Groot-Brittanje.--Maar vergeet niet, eer ge de vierschaar

verlaat, die drie fraai bewerkte metalen vuisten te bezien, waarvan

de eene een bijl omklemd houdt. Wat ze beduiden? Naar men zegt,

zijn zij ten geschenke gegeven door de drie personen, wier namen

nog op het metaal te lezen zijn, en die, ten jare 1546, wegens een

of ander vergrijp, werden veroordeeld om hunne handen door den beul

te zien afhouwen. Zij werden begenadigd; maar moesten nu, ten teeken

van dankbaarheid waarschijnlijk, deze metalen handen der stede ten

geschenke geven: het zijn dus een soort van ex-voto's. Aldus luidt

het verhaal, waarvan ik de waarheid niet kan bevestigen.

Wel zoo bezienswaardig als deze metalen vuisten, en zelfs als de

metalen deurknoppen met het wapen en naamcijfer van Willem III,

hoe fraai overigens ook van bewerking, is de inderdaad prachtige

beker van verguld zilver, door Maximiliaan Van Bourgondië aan zijne

stad Veere geschonken, en nog steeds op het raadhuis bewaard. De

beker was oorspronkelijk het eigendom van Maximiliaan Van Egmond,

Graaf van Buren; het verheven beeldwerk, waarmede hij prijkt, stelt

dan ook twee episoden uit het veel bewogen leven van dien edelman

voor: zijn overtocht over den Rijn, op den 15den September 1546,

om zich met zijne vendelen bij het leger des Keizers te voegen; en

de daarop gevolgde gevangenneming van den Keurvorst van Saksen. Op

de binnenzijde van het deksel prijkt, in email, het wapen van den

Graaf van Buren; dat van Maximiliaan Van Bourgondië is op den voet des

bekers aangebracht; terwijl het schild, waarop het beeldje boven op het

deksel leunt, het wapen der stad vertoont. Het latijnsche opschrift

langs den rand vermeldt den overtocht over den Rijn door Maximiliaan

van Buren. De kolossale beker, niet minder dan zeven-en-vijftig duim

hoog, in uitnemenden renaissance-stijl bewerkt, is een waar kunststuk,

waarop Veere trotsch mag zijn, en dat het trouw heeft te bewaren als

eene herinnering aan vroegere betere dagen.

Maar nu hebben wij ook alles gezien, wat Veere bezienswaardigs heeft,

en kunnen ons naar buiten begeven, om daar, in de frissche, eeuwig

jonge natuur, te bekomen van den treurigen indruk, door het gezicht

dezer kwijnende stad op het gemoed gemaakt. "Eene gestorven stad",

zeide mijn vriend, toen wij de vervallen veste verlieten.--"Laat ons

hopen, eerlang eene weder herlevende stad", antwoordde ik.

Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 9 / 16 题