Het was Nieuwjaarsmorgen.
De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen
en sprak van blijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk
gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en
opgewekte menschenstemmen.
Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder
doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.
Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag
op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij
bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw
dribbelde heen en weer door het huis en Renée stond, na het ontbijt
te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds
bezorgde kaartjes.
Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met
witte kant, een japon, die zij in allen ernst "veel te mooi!" had
verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het
gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar
die laten thuis bezorgen.
"Och, een aardigheidje!" zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk
dankzegde, "alleen--iederen dag dragen, hoor!"
Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling
in Renée's uiterlijk.
"Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje," zeide zij wel eens bij
wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje
had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was
daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld,
Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij,
wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw,
alles deed om Renée's aantrekkelijkheid te verhoogen.
En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij
nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het
werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.
Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom
waren voorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele
handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.
Zou hij haar liefhebben?--zóó lief, dat hij haar vragen zou?
Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke
spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde
verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet
verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen
wanneer?....
Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon
zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men
moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had
veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles
wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar
niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen
toch openen!.... Hoe kon hij eigenlijk blind zijn!--Het was haar als
moest Huugs' volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging
er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde
haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde
zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne
kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel
hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen
zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde
of van verre maar met hem in betrekking stond.
Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....
Zij hief het hoofd op, luisterend.
Ja, dat was zijne stem, die de meid vroeg of de familie in de suite
was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en
met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in
de hand had.
Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Monsieur et madame Verhulst,
p. f.... Wat klopte dat hart toch!--Monsieur et madame....
Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar
rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede
witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.
"Tref ik u alleen?" vroeg hij, schijnbaar verwonderd. "Ik kwam om u
mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings."
"Dank u," antwoordde zij lachend. "Maar nu moet ik toch eerst weten
wat u mij als geluk toewenscht.--U komt toch niet met een gemeenplaats
hier?" vervolgde zij plagend.
Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon
zich in het nauw te laten brengen.
"Zeg mij dan," vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan
en met teederen glimlach op haar neerzag, "wat u dit jaar u als
geluk droomt."
Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de
oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar
één geluk mogelijk: zijne liefde.
"Kunt u ook raden wat ik mij als geluk droom?" vroeg hij zacht.
Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide:
"Promotie natuurlijk!"
Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer
liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie
voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan
hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij
gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken
voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem
misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen
waren even zeldzaam als vluchtig.
"Neen, geen promotie," zeide hij, zijne wenkbrauwen samentrekkend als
een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar
vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.
Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen,
en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien
gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te
spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van
het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan,
zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.
"Van middag," zeide Hugo tot zijne zuster, "gaan wij een toertje
doen. Zijn jullie dan thuis?--Dan komen we even voorbij."
Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard,
en liet zich gaarne bewonderen.
"Dat beloven wij niet," zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij
met haar plumeau de prisma's der gaskroon deed rinkelen. "Wat zeg jij,
Renée?--dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?"
"Ja--denkelijk. En anders toch alleen."
"Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo
krijgshaftig uit, Huug.--Zeg eens, denk je dat de soldaten graag
onder jou ten oorlog zouden trekken?"
Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op--wat hij gaarne
deed, als hij over zichzelf sprak,--en zeide met een ijdel lachje:
"Ja, dat kan ik wel eens merken."
"Hoe zou je ze dapper maken?" vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de
plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée
hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.
"Door mijn voorbeeld," antwoordde hij dadelijk: want het was
werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te
kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en
flink soldaat geworden--misschien wel een edel mensch. Maar zijne
weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne
wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters
zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den
levensweg medegegeven. "Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder,
tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een,
die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan."
"Dat beweerde papa ook altijd," zeide Renée met schitterende
oogen. "Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst
gegaan zijn."
Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen,
en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij
wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende
bladeren der azalia's, die bij den ingang stonden, af te sponsen.
Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij
daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door de neergelaten
gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden
gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke
al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij
stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der
palmen en azalia's, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door
een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon
niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht
er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder
hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij
genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid
en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den
geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils,
achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.
"U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?" vroeg
hij haar toelachend, in antwoord op hare laatste opmerking.
"Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd
oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen
schildwacht--kent u dat misschien?--die trouw op post stond voor de
tent van zijn vorst en dapper: "Werda!" riep bij het minste verdachte
gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te
zijn, doorstak hij zich.--Het is langen tijd mijn ideaal geweest met
papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals
die jongen."
"En ook dood te gaan?" vroeg hij glimlachend.
Zij zag ernstig naar hem op.
"Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker
dan het leven;--dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel,
bij voorbeeld."
Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over
haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.
"Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?"
"Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet
hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood
hebben, vanzelf geloof ik."
Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde,
vastberaden trek.
En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij
niet in haar verwacht....
"Een vreemd ideaal voor een meisje!" ging hij voort. "Nu zal het al
wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is 't niet?"
"Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed
of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel
te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal
een kleine schildwacht zijn."
"Voor uw man," antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.
Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.
"Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en
"werda!" roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal
in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik."
Even zweeg hij.
"En als hij u eens teleurstelde?" vroeg hij langzaam met een
zonderlinge ontroering in zijne stem.
Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar
geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend
op vasten toon: "Dat zal hij niet doen."
Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de
zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet
het huis.