VI.

Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid

gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend

toevoegde: "Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte

nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je

bleef maar snorken."

"Wie--wij?" vroeg Albert stug, die door Hugo's lange afwezigheid alle

vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.

"Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen

dezelfde muziek hebben gemaakt!"

"Het ware te wenschen," zeide Albert vinnig, terwijl hij in den

fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, "dat alle jongelui

zulke lange nachten maakten als ik!"

En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot

zichzelf zeggend dat deze woorden ad rem waren.

De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten

strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij

vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende

dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem

onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die

algemeen hoog gezien en geacht werd.

"Ja, ja," antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het

gas aanstak, "dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal

wist!...."

Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en

staarde met verbitterden blik in het vuur.

"Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik."

"Zeker--in de militaire wereld gaat heel wat om. Qu'y faire! 't Is

de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?"

"Neen, dat ben ik volstrekt niet met je eens.... Och, Renée, je

staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender

staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij

niet juist."

Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den

kalender ging en de woorden van Lavater voorlas: "Vereer al wat

eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al

wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert."

"Daar heb je 't!" vervolgde Albert, "en de toepassing is niet ver

te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze

vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen

man van karakter onwaardig."

"Tut, tut!--Il faut que jeunesse se passe," kwam zijne vrouw

vergoelijkend tusschenbeide.

"Ziedaar het devies van onze ridders à la mode!" riep hij uit

met een minachtend handgebaar. "Dat devies staat op het vaandel,

waarmede zij de wereld inmarcheeren: il faut que jeunesse se passe. En

daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd

overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven,

want.... il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat

zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?--O, schijnbaar

heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking

waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat

ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten

te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen

en--rust--ziedaar hunne levensidealen."

"Hm!" waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig

bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.

"Il faut que jeunesse se passe!.... En als die jeunesse voorbij is,

zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!-- Dan hebben ze geleerd het

huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening,

hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen,

en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd."

Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten;

hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende

die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de

zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet

wist hoe den bruisenden stroom van Albert's woorden te stuiten, of

hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan

die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.

"In mijne jeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is;

in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we

nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar

waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren

zeggen dat hij wenschte bij de muziek van Weber's Letzte Gedanke te

kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:

In die Kneipen laufen,

Und sein Geld versaufen

Ist ein höher, herrlicher Beruf.

Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar

men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek

na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke

ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee

gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift

en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in

handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij

nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij

noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het

verschil tusschen passie en liefde weten ze ook al niet meer!) en

wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen."

Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere

gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een

smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden

blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer

op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom's

redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende

oogen aan.

"Als de meisjes nu ook eens zoo deden," barstte Albert weer los. "Zoo

heel geniepig, weet je, en dan trouwden--met allerlei herinneringen en

oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan...."

"En wie wil er nu een lekkeren kop thee?" viel zijne vrouw

op eens in. "Ha, ha, ha!--Maar man, wat heb je toch voor

invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig

en warm,--Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!.... Zie zoo.--Zeg, Huug,

blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!"

"En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert,

in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet

hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.--Hier Renée,

de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen

nemen, hè?--Vindt je dat hij gelijkt, man?"

Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier

"toch wel prettig" vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was

haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen

gestild was en haar heimwee een einde had.

Een verlaten post · 第 11 / 17 题