Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid
gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend
toevoegde: "Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte
nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je
bleef maar snorken."
"Wie--wij?" vroeg Albert stug, die door Hugo's lange afwezigheid alle
vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.
"Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen
dezelfde muziek hebben gemaakt!"
"Het ware te wenschen," zeide Albert vinnig, terwijl hij in den
fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, "dat alle jongelui
zulke lange nachten maakten als ik!"
En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot
zichzelf zeggend dat deze woorden ad rem waren.
De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten
strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij
vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende
dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem
onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die
algemeen hoog gezien en geacht werd.
"Ja, ja," antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het
gas aanstak, "dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal
wist!...."
Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en
staarde met verbitterden blik in het vuur.
"Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik."
"Zeker--in de militaire wereld gaat heel wat om. Qu'y faire! 't Is
de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?"
"Neen, dat ben ik volstrekt niet met je eens.... Och, Renée, je
staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender
staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij
niet juist."
Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den
kalender ging en de woorden van Lavater voorlas: "Vereer al wat
eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al
wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert."
"Daar heb je 't!" vervolgde Albert, "en de toepassing is niet ver
te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze
vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen
man van karakter onwaardig."
"Tut, tut!--Il faut que jeunesse se passe," kwam zijne vrouw
vergoelijkend tusschenbeide.
"Ziedaar het devies van onze ridders à la mode!" riep hij uit
met een minachtend handgebaar. "Dat devies staat op het vaandel,
waarmede zij de wereld inmarcheeren: il faut que jeunesse se passe. En
daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd
overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven,
want.... il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat
zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?--O, schijnbaar
heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking
waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat
ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten
te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen
en--rust--ziedaar hunne levensidealen."
"Hm!" waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig
bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.
"Il faut que jeunesse se passe!.... En als die jeunesse voorbij is,
zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!-- Dan hebben ze geleerd het
huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening,
hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen,
en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd."
Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten;
hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende
die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de
zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet
wist hoe den bruisenden stroom van Albert's woorden te stuiten, of
hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan
die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.
"In mijne jeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is;
in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we
nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar
waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren
zeggen dat hij wenschte bij de muziek van Weber's Letzte Gedanke te
kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:
In die Kneipen laufen,
Und sein Geld versaufen
Ist ein höher, herrlicher Beruf.
Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar
men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek
na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke
ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee
gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift
en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in
handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij
nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij
noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het
verschil tusschen passie en liefde weten ze ook al niet meer!) en
wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen."
Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere
gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een
smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden
blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer
op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom's
redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende
oogen aan.
"Als de meisjes nu ook eens zoo deden," barstte Albert weer los. "Zoo
heel geniepig, weet je, en dan trouwden--met allerlei herinneringen en
oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan...."
"En wie wil er nu een lekkeren kop thee?" viel zijne vrouw
op eens in. "Ha, ha, ha!--Maar man, wat heb je toch voor
invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig
en warm,--Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!.... Zie zoo.--Zeg, Huug,
blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!"
"En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert,
in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet
hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.--Hier Renée,
de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen
nemen, hè?--Vindt je dat hij gelijkt, man?"
Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier
"toch wel prettig" vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was
haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen
gestild was en haar heimwee een einde had.