De zon scheen warm en koesterend op Hugo Freeze neer, toen hij het
huis zijner zuster verliet en door de drukke straten werktuiglijk
den weg naar zijne kamers nam; maar evengoed had het kunnen stormen
en regenen, zonder dat hij het bemerkt zou hebben.
Naast hem klonk gelach en gepraat; straatjongens staken vuurwerk af;
hier en daar zelfs knalde een pistoolschot in zijne nabijheid ter eere
van het nieuwe jaar; maar hem ging het alles voorbij als een droom.
Hij zag slechts die meisjesgestalte in haar lichtkleurig gewaad,
staande in den gloed der zonnestralen; hij zag dat lieve, onschuldige
gelaat en den blik vol vast vertrouwen; en hij hoorde maar steeds
die zachte woorden: "Dat zal hij niet doen."
O, die toon vol onwrikbaar geloof! Diep had hij hem in het hart
gegrepen. Want die woorden golden hèm, hèm alleen, daarvan was hij
overtuigd. Het was juist iets voor haar oprecht karakter om zich
aldus te verraden, hoewel met hooger blos, als zelf verschrikt over
hare vrijmoedigheid.
En nog gisteren was hij in een gesprek met een paar vrienden--een
heel philosophisch gesprek en heel philosophische vrienden--tot de
conclusie gekomen dat een getrouwd man.... nu ja, dat hij zich wel eens
wat meer vrijheid mag veroorloven dan een getrouwde vrouw. Zij hadden
prachtige bewijsgronden aangevoerd, onomstootelijke argumenten;--en
nu!.... Deze vielen alle in elkaar als dorre geraamten voor dien éenen,
reinen, vertrouwenden blik....
In gedachten verzonken bereikte hij zijne kamer, maar zette daar zijn
wandeling voort, altijd met gebogen hoofd en starenden blik. Hij zag
plotseling al de armzaligheid der sophismen van zwakke mannen, nu er
het licht op neerstraalde eener smettelooze vrouwenziel, en als een
openbaring kwam de gedachte tot hem hoe schoon het leven kan zijn voor
den mensch, in wiens hart de liefde haar gewijden intocht houdt, als
dat hart nog onbedorven is. Hij zag het plotseling, als in een visioen,
welke machtige, heerlijke gewaarwordingen het zijne zouden vervuld
hebben, had hij de liefde niet anders gekend dan als deze zachte,
heilige aandoening, welke hem door de ziel voer als een gebed....
Nu begreep hij Albert's woorden: "Zij weten niet eens het verschil
tusschen passie en liefde." Nu wist hij het--voor het eerst.
Zijne vuisten balden zich krampachtig, zich samentrekkend in jeugdige,
pas ontwaakte geestdrift; zijne borst zwoegde van pijnlijk berouw. Iets
zeide hem dat, als hij waarlijk liefhad, hij hare wederliefde niet
vragen zou, eer hij een ander man geworden zou zijn. En wild drukte
hij zich de handen tegen het voorhoofd. Titanen worstelden in zijn
brein en hij zag sidderend den strijd aan. Al wat eenmaal goed
en edel in hem geleefd had, als kind, als knaap en als jongeling,
ontwaakte opnieuw; en het hief zich op, hoog, hoog, als een lang
getergd en ten doode gemarteld dier en ving opnieuw de worsteling
aan tegen Begeerte, Zelfzucht en Zwakheid. Hij zag den strijd aan,
langen, langen tijd en.... hielp de laatsten overwinnen.
Ja, hij wist het wel, hij was harer niet waardig, maar hij wilde het
worden. Hij wilde het verleden afschudden, vergeten; het bestond
reeds niet meer voor hem, meende hij.... En hij zou haar alles
bekennen.... Of alles wel niet, maar toch veel, zóóveel, dat het
hem bevrijden zou van dien drukkenden gedachtenlast, als pleegde hij
verraad tegen haar....
Ja, met dat verleden zou hij breken, en voortaan slechts voor
háár leven, voor háár geluk. En deze week nog zou hij haar
vragen. Morgenavond misschien, als zij weer bij den haard zouden
zitten schemeren, want dan zouden zij geheel alleen zijn. Albert zou
niet vóór Dinsdag terugkomen. En als hij maar eenmaal Renée's woord
had, zou hij Lucie vragen Alberts toestemming te verkrijgen; het was
haar toevertrouwd! Wat wist Albert trouwens kwaad van hem.... Hij kon
wel gissen, maar niet weten, en op gissingen zou hij geen weigering
durven gronden.
Niet met zijne vrienden wilde hij gaan rijden, neen, hij moest
alleen zijn. Zijn gemoed ging open voor de weelde van dezen
heerlijken winterdag, die wel een lentedag geleek. Hij wilde ver
gaan, heel ver, altijd voort, diep ademhalend van geluk, bijna het
uitjubelend.... denkende aan haar, steeds maar denkende aan haar!
"Zoo alleen op weg?" vroeg hij eenige uren later aan zijne zuster,
die hij hier ver van haar huis ontmoette.
"Ik zou je dezelfde vraag kunnen doen," antwoordde zij lachend,
terwijl zij zijn vurig paard beschouwde, dat nauwelijks geduld had
tot stilstaan.
"Ja, ik ga maar alleen vandaag."
"Ga niet te ver, Huug. De lucht betrekt zoo."
"Neen.... Renée thuis gebleven?"
"Zij had geen lust.--Adieu!"
En zij gingen beiden hun weegs, ieder met zijne eigene tevreden
gedachten.
Lucie's poging was gelukt; zij was uitgegaan in de hoop hem te
ontmoeten, opdat hij weten zou dat Renée alleen tehuis was. Er was
nu zulk een goede gelegenheid voor een beslissing, vond zij; Albert
van huis, zij uit--bijna nooit hadden de kinderen zulk een kansje.
De slotsom van Hugo's gedachtengang voerde hem inderdaad in vollen draf
huiswaarts. Snel verwisselde hij zijne rijkleeding voor een andere,
en spoedde zich toen naar de woning zijner zuster, waar de meid hem
mededeelde dat alleen de juffrouw thuis was en dat hij haar in de
serre zou vinden.
Zijn hart klopte wilder, toen hij de kamerdeur zacht opende en sloot,
en over het mollig tapijt onhoorbaar naar de serre trad. Bij de
opengeschoven deur bleef hij staan. Zij zat half van hem afgewend; op
haar schoot lag een boek, maar zij las niet; haar blik was peinzend op
den grond gevestigd. Als gevoelde zij echter zijne tegenwoordigheid,
zag zij op, en weer kleurde een blos hare wangen, een blos, die van
onstuimigen hartslag sprak en Hugo Freeze opeens iedere inleiding
overbodig deed achten. Want er zijn oogenblikken in het leven, wanneer
onze gemoedsaandoeningen ons zoo geheel beheerschen, dat ons alles,
wat naar conventioneele vormen zweemt, belachelijk schijnt; en iets
daarvan gevoelde Hugo Freeze, toen hij met zwoegende borst daar stond
en haar blik ontmoette.
"Renée!"
Hij zag haar aan, niet overmoedig als gewoonlijk, maar ernstig,
smeekend. En zij begreep dat het oogenblik gekomen was, waarnaar zij
zoolang had uitgezien. Zij legde haar boek ter zijde en stond op,
als aangegrepen door den ernst van dezen stond;--want wat voor den
een soms niet meer is dan een "interessante emotie," is voor den
ander als een heilige plechtigheid. Renée beefde van het hoofd tot
de voeten en haar blos week voor een teedere bleekheid.
Hij trad nader en vatte hare hand.
"Renée!"--en zijne anders zoo klankvolle stem klonk dof van
ontroering--"ik wilde je vragen of je nòg niet weet wat ik mij dit
jaar als geluk droom."
Zij zweeg en boog diep het hoofd, als ontbrak haar de moed het zelf
in woorden te brengen.
"Mag ik het zeggen?"
Een nauw hoorbaar ja kwam over hare lippen.
"Ik zou een goed en dapper aanvoerder willen worden," zeide hij
zacht, "en ik zal dat worden, als jij mijn kleine schildwacht zijn
wilt.... Wil je?"
Nu sloeg zij de oogen naar hem op. Een wereld van zaligheid lag in
die schuchtere meisjesoogen, een juichend ja, en toen verborg zij
het gelaat aan zijne borst.
En hij wachtte niet meer op antwoord; hij was tevreden en zag teeder
neer op het hoofdje, dat zoo gelukkig aan zijn schouder lag.... zóó
gelukkig, dat zij plotseling in tranen uitbarstte.
"Het is niets," zeide zij echter dadelijk om hem gerust te stellen,
het is alleen van geluk...." en zij lachte hem toe met stralenden
blik en wischte haastig hare tranen weg.
"Ik zal een goed aanvoerder zijn," ging hij voort, want juist het
bewustzijn zijner zedelijke zwakheid deed hem kracht zoeken in
beloften. "Geloof je dat, kind?" en hij streelde liefkoozend haar
lokkig hoofd.
"O, ja!" antwoordde zij, als vond zij het volkomen overbodig daarvan
te spreken.--"O Huug, het is zoo heerlijk dat je mij liefhebt!"
Maar hij ging door over hetzelfde onderwerp; hij had zich immers
voorgenomen een bekentenis te doen.
"En wil jij dan mijn kleine, trouwe schildwacht zijn.... die mij
helpt en...."
"Dat beloof ik," viel zij hem in de rede; groote tranen welden
opnieuw in hare oogen en zij reikte hem met zekere plechtigheid de
hand, al klonken hare woorden eenvoudig: "Je zult mij altijd trouw
op post vinden, bij nacht en bij dag. Je hebt het immers zelf gezegd
van morgen: "Voor een aanvoerder tegen wien een soldaat kan opzien,
doet hij alles." En tegen jou kan ik opzien, Huug; wat zou ik voor
jou niet kunnen!"
"Maar je moogt niet al te goed van mij denken, kind. Bedenk
eens:.... ik ben al twee en dertig en...."
Zij zag hem verwonderd aan; blijkbaar was het haar onmogelijk verband
te vinden tusschen zijne eerste en zijne laatste woorden. Maar daar
ging haar een licht op.
...."O, je meent dat je voor dien leeftijd nog niet ver genoeg ben
naar je zin?.... Wees gerust," vervolgde zij met een engelachtigen
glimlach, "je denkt veel te nederig van jezelf, Huug. In ieder geval
is de aanvoerder zijn klein schildwachtje ver vooruit."
Zij, die alle mannen beoordeelde naar haar ernstigen, edelen vader en
het een eenvoudigen plicht achtte voor ieder mensch er naar te streven
elken dag beter te zijn dan den vorigen, veronderstelde dat verlangen
naar volmaking in anderen ook; en daar zij Hugo Freeze met de oogen
der liefde beschouwde, dacht zij dit in de eerste plaats van hem en
sprak met zóóveel overtuiging, dat hij er zelf bijna door overtuigd
geraakte. Toch vond hij dat hij nog niet genoeg gezegd had; hij wilde
nu als het ware biechten om met zijnen aflaatbrief heen te gaan en
het verledene voor altijd te vergeten. Dat verleden was harer niet
waardig, maar zijne toekomst zou dit zijn. Hij zou en hij wilde! Nu
kon hij begrijpen dat men behoefte kon gevoelen aan een dagboek. Hij
ook--hij zou het willen opschrijven.... of ten minste wilde hij het
uiten.... als een toekomstigen dwang, dien hij zichzelf oplegde.
Maar telkens als hij weer in dat onschuldige gelaat staarde,
verstomden hem de woorden op de lippen.... O God, neen, het was
onmogelijk--onmogelijk! Hij wilde haar zóó behouden, zoo smetteloos
en kinderlijk, zoo onwetend van alles wat lag buiten haar klein
meisjeswereldje van boeken en snuisterijen, en mooie verzen en
muziekstukjes en ideaaltjes. Zóó juist zou zij hem het beste schild
zijn.
Dit alles ging in zijn hoofd om, terwijl hij haar stil in de oogen zag,
en zij dronk zijn teederen blik in, zwijgend en gelukkig.
"Ik heb bijna wroeging, dat ik mij zoo zalig kan gevoelen, Huug,
terwijl papa zoo kort geleden is heengegaan.... Wat zou hij veel van
je gehouden hebben?"
Een sombere wolk vloog over zijn gelaat; telkens als hij aan dien
vader dacht, van wien hij steeds met zeker ontzag had hooren spreken,
was het hem als plaatste diens schim zich tusschen hem en Renée. Maar
hij had geleerd zijne gedachten te verbergen en antwoordde schertsend:
"Je moet het in ieder geval maar dadelijk aan Caesar schrijven."
Zij glimlachte weemoedig.
"Ja, en als wij getrouwd zijn, mag hij komen, niet waar?"
"Natuurlijk!"--en toen zag hij haar peinzend aan met vergodenden blik.
"Onveranderlijk trouw!" zeide hij. "Ik geloof dat ik een goed
schildwachtje heb uitgekozen."
"En ik een heerlijken aanvoerder," lachte zij en toen drukte hij in
vervoering het ranke kind aan zijne borst, waar zij stil bleef rusten,
overstelpt door geluk. Want háár was alles nieuw, iedere liefkoozing,
ieder teeder woord, iedere zwevende, vage gedachte aan de toekomst, het
was voor haar een zaligheid op zichzelf, nooit gekend, nooit begrepen.
"Wat bedoelde je straks toch?" vroeg zij, opeens het hoofd
opheffende. "Je bent immers niet nòg eens geëngageerd geweest?"
"Och, wel neen! Maar.... misschien heb ik wel eens iets gedaan wat
je verdriet zou doen, als je 't wist, en nu wilde ik je beloven...."
"Neen, doe dat niet!" bad zij zacht. "Het ware berouw belooft niet;
het handelt. Als er ooit zoo iets gebeurd is, denk er dan maar niet
meer aan. Je hadt toen immers nog geen verplichtingen aan mij."
"Neen, misschien niet," antwoordde hij peinzend; want hij dacht
er aan dat toch eigenlijk iedere jonge man, die eenmaal denkt te
huwen, verplichtingen heeft tegenover het hem nog onbekende jonge
schepseltje, dat zich aan hem toevertrouwen zal. En hij gevoelde--als
een ontdekking--dat hij nu zeer zeker verplichtingen aan haar had
en dat zij het als niet meer dan natuurlijk beschouwde dat hij die
trouw zou nakomen, even trouw, met evenveel lust, als zij de hare
nakomen zou.
"Maar ik geloof het niet," liet zij op eens lachend volgen, "o, ik weet
zeker dat het niet waar is, en ik wil er ook niet aan denken.... Maar
laten wij niet vergeten dat er ieder oogenblik bezoek komen kan."
En zij gingen deftig tegenover elkander zitten, ieder aan een kant van
de rieten tafel. Zij hadden zooveel, zoo eindeloos veel te praten:
over het publiek worden van hun engagement, over de toestemming van
oom Albert en over hun huwelijk, dat Hugo zoo spoedig mogelijk wilde
laten voltrekken. Waarop zouden zij wachten?
En zij liet hem maar redeneeren. Zij had geen behoefte aan gedachten
over iets, wat later komen zou. Zij was reeds tevreden met de zoete
zekerheid dat zij in zijn hart woonde, dat zij voortaan voor hem leven
mocht, dat zij hem nu vrijelijk alles mocht zeggen. Het was haar reeds
zaligheid genoeg daar stil tegenover hem te zitten en hem in het gelaat
te mogen zien, terwijl hij sprak, met de gedachte dat hij de hare
was; en zij antwoordde slechts nu en dan fluisterend met een teeder
woord of met de zoete verzekering dat zij niet van hem zou afzien, al
verzette oom Albert en de geheele wereld zich tegen hunne vereeniging.
Hare vermoeide ziel, die zoo lang zoekende was rondgegaan in die
vreemde wereld, had eindelijk de vleugelen dichtgevouwen en rustte
in zalige, liefelijke rust. Zij had haar tehuis gevonden.