V.

Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere

najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige

jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door

de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht

van pas afgewaaide bladeren--eerst in de lucht, dan op den grond;--een

dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten,

eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.

In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel

donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen

namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot

smaakte.

In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige

schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in

het vuur zat te staren, hare voeten koesterend weggedoken in de

schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel

van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den

vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.

En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester

opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om

in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien

juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht,

en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne

dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken,

waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel

van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig,

hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil,

wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen,

als riep hij haar, eenzame....

Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?-- Ach, de tijd was voorbij

dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend

trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of

droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare

krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een

stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....

Zou zij hier altijd zoo blijven leven?

's Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken

doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en

des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.

Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het

verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen:

papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar

best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet

gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen

wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare

stemming.

En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed,

maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel

van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te

verhoogen....

Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige

voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers

of een snel voortrollend rijtuig--dat was alles, wat men van buiten

hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het

vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.

Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke

stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels,

dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.

Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook in zijn smaak te

vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert

dat bezoek ter wille der handschoenen, die nooit gevonden waren,

was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch

avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.

Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig

weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij

had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij

had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel

toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met

grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte

veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met

overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem

gemaakt had.

Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen

terugdacht! En een arm klein meisje, dat "een centje" vroeg had hij

een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke

vermaning nu naar huis te gaan.

"Zoo lief!" vond zij, glimlachend bij de herdenking.

Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde

zij sympathie;--maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was,

hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers

meer komen!....

En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden

gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich

eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte,

en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven

en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij

beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben

durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk

te weten waarom.

Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen,

het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis

van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.

Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na

eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering

herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo

Freeze.

"Juist zoo dacht ik u te vinden," zeide hij met gedempte stem, terwijl

hij haar de hand reikte. "U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo

eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?"

Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting

met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich

"dien onzin uit het hoofd te zetten." Haar fortuin was immers niet

groot genoeg om zijn huwelijk "brillant" te maken, en dan: zij was

"zoo'n kind!" Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en,

toch--toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar

het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen

als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.

De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over

de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik

uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling

beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken,

en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin

te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed

opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het

te krijgen.

"Het is heel vriendelijk van u," zeide zij, en hij zag met voldoening

een blijden glans in hare "kinderoogen."

"Neen, neen, er is ook egoïsme bij," wierp hij tegen, een fauteuil

aanrollend. "Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.--O,

wat zitten wij gezellig nu!"

Zij lachte om zijn welbehagen.

"Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven," ging hij voort op zijne

eigenaardige, vertrouwelijke manier, "want dames hebben het altijd

gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid

om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste

niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig."

"Misschien omdat u er alleen ben...."

"Misschien wel, ik weet het niet," antwoordde hij langzaam en keerde

zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker

hoekje met sympathie gadesloeg. "Ik denk dikwijls," ging hij zacht

voort, "aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het

vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen

wandelaar daarbuiten.--Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames

willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te

huis hebben."

Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte,

en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de

gelegenheid zou zijn hem zulk een gezellig pied-à-terre aan te bieden.

"Knap-knap!" zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen

den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde,

dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.

"Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt," zeide Renée eindelijk,

als slotsom van haren gedachtengang.

Hij glimlachte--niet zonder verlegenheid.

"Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls."

Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn

schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée's vlug

verstand deed haar het laatste raden.

"Hij is ook van ander hout gesneden," dacht zij met zekere vreugde,

en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.

"Maar ik zal voortaan dikwijls komen," ging hij voort. "Hoe kan ik

straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder

heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?"

Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in

hare oogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik

zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen

voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren

theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden

moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij

dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt,

die hem in eene weeke stemming bracht.

"Hebt u wel eens heimwee gevoeld?" vroeg hij met een hem anders geheel

vreemden ernst.

"Ik geloof het wel," antwoordde zij en hare oogen kregen een vochtigen

glans, maar dat zag niemand.

"Het is nog niets," vond hij, "als men maar ergens heen kan gaan om het

te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?"

"Och soms!" antwoordde zij zacht.

"Hier natuurlijk!" hernam hij, voor haar gevoelende.

"Het was dáár zeker een heel ander leventje," ging hij vriendelijk

voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden

te spreken. "Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk

voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en

groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?"

En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind

met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar

overstemmen. Zij verhaalde--eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk

met geestdrift--van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en

sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij

wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij,

met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou

daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte

altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden

invloed te mogen ondervinden....

Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.

"Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming

brengt?" vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. "Wat

bent u in gepeins!"

"Ja," antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de

trap gehoord werd, "onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet

u waaraan ik dacht," vervolgde hij met een zonderlingen klank van

aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen,

"terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van

La Bruyère: l'harmonie la plus douce est le son de voix de celle que

l'on aime."

Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist

de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om

den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.

Een verlaten post · 第 10 / 17 题