Zijn antwoord klonk brusque. "Dat zij veel te goed voor hem is."

"Dat was mijne eerste gedachte ook," jokte zij slim. "Maar bij nader

inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij

komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met

hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als

't ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En

Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen

weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje

in de familie kunnen brengen.--Albert!"

"Nu?"

"Wat vindt je er van?"

"Ik weet het nog niet," antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer

goed dat zij reeds veel gewonnen had.

Pauze.

"Albert!"

Albert echter sliep reeds of hield zich zoo. Hij was nijdig over de

combinatie, maar vond--slaperig als hij was--geen argumenten genoeg

om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde

het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij

zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof;

dáár won hij meestal het pleit.

Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar

hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit

en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te

korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren,

die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek

van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van

Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden: Per Gynt trok de groote,

bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond het kind Solvegj

aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.

En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer

liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj,

maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging

het kind Solvegj "aan zijn bedorven, verwoest leven" willen verbinden.

Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens

zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.

Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende

gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier

lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen

tweestrijd. Toen,--als verdroot hem dat dobberen en weifelen--wierp hij

haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.

Een verlaten post · 第 9 / 17 题