"Wat zien mijne oogen!" riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit,
toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het
spionnetje wierp. "Daar heb je Huug zoo waarlijk!" en ontevreden
merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.
Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.
"Wel, waarde broeder," riep mevrouw Gerlings hem toe, "waaraan hebben
wij de eer van je ongewone verschijning te danken?"
"Aan twee redenen," antwoordde hij, terwijl hij zich naast zijne
zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée;
"1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar
het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen."
"Renée," zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder
vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) "ik zweer je
plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust
bekommert hem geen zier!--Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend
geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant's verveeld!"
"Ja, nogal," antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die
aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want
mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een
liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen
begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu
vriendelijk over ontfermd had.
"Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig,"
ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend,
dien hij op Renée's gebogen hoofdje vestigde. "Maar Albert had
het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne
jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te
spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend;
maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van
haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man
schrijft zelf, zie je, en...."
Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar
intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée
gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter,
die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek,
bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar
zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien
druk, welke haar goeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik
meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig:
"Dag juffrouw Gerlings!" dat zij er zich zonderling door getroffen
gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij
den naam noemde.
"En de handschoenen?" riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de
deur was.
"O ja, dat is waar."
De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en
commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd,
maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.
"Nu, zij zullen wel terechtkomen," zeide hij eindelijk vrij
onverschillig. "Adieu!"--en mevrouw Gerlings wist genoeg.
"Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?" vroeg
zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion
aanwees.
"Ja, heel knap," antwoordde Renée vriendelijk.--"Zie eens, tante, wat
zegt u er van? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?" en
recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen
een woordje van lof.
"Albert!"
Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat
mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare
ontdekking na te denken; maar nu--in bed--had zij de zaak nog eens
rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.
"Albert!"
"Nu?" vroeg hij knorrig.
"Neen, als je al slaapt, zeg ik niets."
"Ik slaap nog niet. Wat is er?"
Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest,
juist als zijn broeder, Renée's vader, en evenals deze had hij liever
de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en
avontuurlijke in zijn karakter. Maar zijne levensomstandigheden hadden
hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die
hij met al den hartstocht van een reeds eenigszins gevorderde jeugd
had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.
Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren
geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en
bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen
weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij
haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;--die
concertzalen, waar zij coquetteerde,--die balzalen, waar zij nog
als jong meisje mededeed;--hij haatte ze, niet omdat hij haar nog
liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar
omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch
gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat--zij
wist het wel--tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks
gewild en zich om zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen
onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn
humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met
zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het
uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan
glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk,
de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij
zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo
was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden,
maar ook een zeer knorrig huisgenoot.
"Hebt je niets gemerkt?"
"Wat dan?"
"Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?--Dat
Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen."
"Zoo-oo?" vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en
snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.
"Wat vindt je er van?"