III.

Hoe zonderling dat wij voor een keerpunt in ons leven kunnen staan,

zonder dat een geheim voorgevoel ons waarschuwt. Hoe zonderling dat wij

het wezen naderen dat de hoofdrol in ons lot spelen zal,--naderen,

altijd meer, tot wij eindelijk van aangezicht tot aangezicht

staan,--zonder dat ons hart sneller klopt, of ons gesprek hapert,

of onze hand beeft.

Renée Gerlings was rustig de trap afgedaald en met vlugge stapjes

de vestibule doorgeloopen zonder eenige bijzondere gewaarwording;

en toen zij tegenover Hugo Freeze stond, zag zij hem onbevangen aan,

eenvoudig denkende: "Zoo, zoo, is dit nu de veelgeprezen Huug." En zij

legde hare kleine hand in de zijne, omdat hij de broer harer tante

was en begon op zijn innemende vragen met den grootsten eenvoud en

natuurlijkheid te antwoorden.

Haar rijzig en slank figuurtje--slank van natuur en niet door

kunstmiddelen--kwam allerliefst uit in het zilvergrijze japonnetje

met polonaise en demi-traîne; de zilveren sieraden pasten uitstekend

daarbij en haar jong gezichtje kwam in die zachte nuances geheel tot

zijn recht. Het was waar, zij had blanker kunnen zijn, maar er was

niets liefelijkers denkbaar dan dit crême en rose van haar gelaat,

waarin de heldere bruine oogen fonkelden als zonnen, en dat omlijst

werd door glanzend, golvend haar, hetwelk haar tot een volslagen

brunette stempelde. En ofschoon haar mond zeker wat kleiner had kunnen

zijn, reiner, kinderlijker uitdrukking, dan in den vorm der lippen lag,

was niet mogelijk, terwijl al hare bewegingen die rustige waardigheid

hadden, welke men somtijds opmerkt bij jongelieden, die met ernst

zich een karakter vormen.

"U hebt pas uw papa verloren, niet waar?" vroeg hij na de eerste

voorstelling en begroeting, en in den blik, (hij had dezelfde

eigenaardige fluweelzwarte oogen zijner zuster) waarmede hij op haar

neerzag, lag een wereld van goedhartige deelneming.

"Ja," antwoordde zij zacht en keek dankbaar naar hem op; want zij

had reeds bemerkt dat oom en tante niet gaarne meer dan strikt noodig

was over haren lieven doode spraken.

"Hebt u hem gekend?" vroeg zij met een flauwe flikkering van hoop.

"Neen, ik heb uw papa nooit ontmoet," antwoordde hij met een stille

spijt. "Maar," jokte hij haastig, "ik heb dikwerf mijn broer en zuster

met veel sympathie over hem hooren spreken.... Hij is zeker wel altijd

een trouwe, lieve vader voor u geweest."

"O ja," zeide zij, weer even zacht, en sloeg toen haastig de oogen

neer, wijl de herinnering aan die trouw en liefde er tranen in te

voorschijn riep.

"Ik herinner mij," ging hij vriendelijk voort, hoewel eenigszins

aarzelend, want heel zeker wist hij het niet meer, "indertijd uw

oom Albert te hebben hooren vertellen dat uw papa uit den dienst was

gegaan om uwentwil."

"Ja, ik was, toen mama stierf, zoo aan de dienstboden overgelaten. Papa

heeft zich toen geheel aan mij gewijd."

Hij vond dat hij nu genoeg over den overledene gepraat had en bracht

met tact het gesprek op een ander onderwerp.

"Ik hoop nu maar dat u hier zult kunnen gewennen. Dat gaat zeker nog

niet best?"

"Waarom denkt u dat?" vroeg zij, hem nog niet geheel aanziende,

verlegen over hare tranen, die maar niet onder hare oogleden drogen

wilden.

"Omdat ik mij dat wel begrijpen kan. U voelt u (ik geloof wel dat ik

het kan raden) als een veldbloempje overgeplant in een trekkas. Is

't niet zoo?"

Hij had iets vertrouwelijks over zich, iets hartelijks, iets,

wat iedere vrouw aantrok tot wie hij met zijn innemenden glimlach

en bedaarde, vloeiende stem het woord richtte; en zooals hij zich

nu onder het spreken tot haar overboog, begon hij ook Renée zeer

aantrekkelijk toe te schijnen.

"Wel een beetje," gaf zij toe, verrast dat hij zoo juist in woorden

bracht wat zij onbewust had gevoeld. "Maar er zijn vriendelijke tuinlui

in de serre...." Zij wilde er nog iets bijvoegen, maar bedwong zich,

vreezende onoprecht te zullen worden.

Hier werd hun kort gesprek door de komst van andere gasten gestoord.

Hij raakte met de heeren over politiek aan het disputeeren, zij werd

door de dames in beslag genomen; en een gegons van stemmen begon,

nu en dan afgebroken door een opklinkenden lach of een korte stilte,

maar overigens gestadig voortdurende tot de gasten zich aan de speel

tafeltjes verdeelden.

Soms, als het gesprek meer algemeen werd, ontmoette Renée zijn

welwillenden blik, maar merkte dit nauwelijks op; althans zij ving

dien juist even rustig op als den blik der oude dame naast hem. En

hij, zonderling getroffen, zeide tot zichzelf dat haar gedrag in

niets geleek op dat van sommige grootsteedsche gekkinnetjes, die hij

kende. Terwijl hij zijne meeningen uiteenzette over de handelingen

van den Duitschen keizer, volgde hij haar heimelijk met zijn blik,

en merkte op dat haar oog hem volstrekt niet zocht noch volgde; zij

was kalm in gesprek, of soms, als zij zich onbespied waande, staarde

zij droomerig voor zich uit, als waren hare gedachten elders. En

voortdurend bleef het verlangen in hem levendig nog eens zulk een

gesprekje met haar te kunnen voeren.

Eerst tegen het souper gelukte hem dit.

Renée stond juist alleen. Zij, nog geheel onder den indruk van haar

groot verlies, was vermoeid van het vele hooren en vele spreken,

en dacht met verlangen aan haar stil vertrekje, waar zij weer met

zichzelf alleen zou zijn, waar zij hare schatkamer openen mocht en naar

hartelust toeven bij hare schatten. Wat wist zij van deze mannen met

hunne verschillende gezichten, ernstig, flauw of energiek;--en deze

vrouwen, lieve en spraakzame, geestige, hartelijke of koele--en wat

wisten zij allen van haar!.... Wat was hun verleden?.... Waar waren

zij opgegroeid? en hadden zij die herinnering aan hunne jeugd zoo

lief als zij de hare?....

Dit was dan nu een dier conversatie-avondjes, waarover papa haar

steeds met zooveel vermakelijken spot had gesproken; en nu begreep zij

hem zoo goed! Zij was beu van het gegiegel en gebabbel en gelispel om

haar heen, en toch kon zij zich voorstellen dat zij zich misschien zou

hebben vermaakt, ware zij in een andere stemming geweest. Maar nu was

hare ziel nog geheel vervuld van een groote treurigheid, die als een

schoone smart was,--als een treurmuziek, die voortzong en voortzong,

haar boeiende en hare gedachten afleidende. Mocht zij al uiterlijk een

vroolijk jong meisje schijnen, innerlijk was zij een gebogen gedaante

in rouwgewaad, wijlend ver van dit salon vol gemaakte vroolijkheid en

schijn. En haar oog was scherper en haar oor gevoeliger, waar tegen

de waarheid gezondigd werd.

Hoor, dat groepje dames ginds lachte;--hoe onnatuurlijk klonk die

lach!.... Nu ving zij eenige woorden van tante Lucie op, die in

gesprek was met twee heeren, en Renée vond dat hare stem gemaakt

klonk en dat zij er geéchauffeerd uitzag.... Andere dames maakten

denzelfden indruk; het was als waren zij marionetten, opgewonden

voor eenige uren, om straks tehuis weer gewoon te zijn. Blijkbaar

streefden zij er allen in de eerste plaats naar dames du monde te

zijn, daarna pas vrouw. Zij niet, o neen, zij nimmer. Zij zou altijd

allereerst vrouw willen zijn, de rein-menschelijke vrouw, en daarna

pas, als een onvermijdelijk iets, wereldlinge.

Zie, nu luisterde oom oogenschijnlijk met belangstelling naar iemand,

die over de nieuwe richting in de letterkunde sprak, een onderwerp,

waaromtrent hij dien middag aan tafel nog verklaard had volkomen

onverschillig te zijn.... En die dikke mijnheer dáár maakte aan

tante een compliment over hare "eeuwige jeugd." Zou zij hem wel

gelooven?.... Maar zij glimlachte toch heel gracieuselijk!

Wat scheen zulk een bijeenzijn haar doelloos en vervelend! Er was

iets scheefs in, er haperde iets. Haar aan zuivere toonen gewend oor

vernam voortdurend dissonnanten. Was dit genot, als dat hetwelk zij

kende? Was dit vriendschap?

Daar plaatste zich een hooge gestalte tusschen haar en het gewoel,

waarop zij staarde.

"Hoe bevalt u dit staaltje van onze steedsche soirées?" vroeg hij

met een zweem van ironie.

Zij was te oprecht om iets anders te zeggen dan zij meende en wilde

hem toch niet hinderen, waarom zij een ontwijkend antwoord gaf.

"Naar één staaltje kan men ze niet in het algemeen beoordeelen,

denk ik."

"O, ja wel, zij gelijken alle op elkaar.... Nu, zeg het maar, het is

niets voor u, geloof ik," riep hij op goed geluk.

"Neen," gaf zij aarzelend en een weinig verlegen toe; maar toen,

glimlachend naar hem opziende met het aangename gevoel hem te kunnen

vertrouwen, zeide zij vrijmoediger: "Het kaarten vond ik het prettigste

gedeelte van den avond."

"Eigenlijk dacht ik niet dat u die kunst verstondt...."

"Waarom niet? Juist op de dorpen wordt veel gespeeld. Wij hadden

enkele gezellige vrienden."

"Was het niet eentonig daar, vooral met zulk een stil huishoudentje?"

"Een stil huishoudentje was het niet," protesteerde zij met hare

eigenaardige beslistheid. "Daar was papa--en juf--en ik--en Toon

de knecht--en de oude Kee--en dan Caesar. Zij brachten allen hunne

drukte mee."

"Wie was Caesar?" vroeg hij, zijn arm gemakkelijk op den

schoorsteenmantel leggend, waarbij zij stonden.

Hij schepte groot vermaak in haar eenvoud, en het was hem een

verkwikking dat gezichtje vrij en rustig te mogen beschouwen, terwijl

het naar hem opgeheven was. Geen zweem van behaagzucht ontsierde het;

zij, die geen hulde zocht, bemerkte de zijne niet eens.

"Caesar was mijn hond," antwoordde zij, denkend dat het toch

vriendelijk van hem was haar zoo belangstellend te vragen naar alles,

wat zij had verlaten, en met zooveel aandacht te luisteren naar

alles, wat zij zoo gaarne vertelde. "Oom kreeg gisteren bericht van

Toon dat de nieuwe huurder--een goed vriend van papa--de paarden zal

overnemen. Maar wie wil een oude hond hebben? Hij is nu bij Toon in

huis. Natuurlijk zal hij het daar niet zoo prettig hebben, als bij

ons.... Hier kan hij niet zijn, dat begrijp ik wel; maar zoodra ik

getrouwd ben, mag hij komen."

Hij lachte gul.

"Maar uw man?.... Die heeft toch ook wat te zeggen?"

"Ja, dat is waar," gaf zij toe, een weinig uit het veld geslagen. "Maar

misschien zal hij het wel goedvinden om mijnentwil, denkt u niet?"

"Als ik hem spreek, zal ik het hem vragen," schertste hij. "Zoodra

u kunt, moet u mij zijn adres opgeven."

Zij wist niet goed wat te antwoorden en zweeg daarom. Zij had zeer

weinig liefdesgeschiedenissen gelezen en beschouwde het huwelijk als

de lotsbestemming van het meisje zooals een beroep de lotsbestemming

is van een knaap. Waarom lachte hij dan, nu zij zeide: "zoodra ik

getrouwd ben?"

"U correspondeert natuurlijk met Caesar?" plaagde hij.

Nu lachte zij ook en pareerde den aanval.

"Ja zeker, in gedachten."

"Waarlijk?--Nu, ik zou wat liefs willen geven om te weten wat u

hem schrijft.... Eén ding zie ik," vervolgde hij ernstiger, met den

lieven glimlach, die zijn gezicht zoo recht aantrekkelijk maken kon,

"het hartje van de vrouw is al even trouw als dat van den hond. Is

't zoo niet?"

Zij zag naar hem op.

"Hebt u nooit een hond gehad?"

"Ja, lang geleden; ik was toen pas tweede luitenant. Hij was mij een

waar vriend."

Zij zag dat hij met liefde aan dien tijd terugdacht en lokte nu hèm

tot verhalen uit. En terwijl zij luisterde, merkte zij op dat hij

goed sprak. Wat hij zeide, was wel niets buitengewoons: het was niet

veel meer dan gewone salontaal, met een tintje van weemoedigen ernst

vermengd; maar er lag in den toon zijner welluidende stem zulk een

bekoring en er sprak zulk een warme waardeering uit zijn blik, dat zij,

die zoo groote behoefte aan liefde had, een gewaarwording van geluk

haar hart voelde verwarmen. En terwijl hij in den geest weder toefde

in dien vervlogen tijd, toen hij een jongeling was vol droomen en

idealen, was het hem alsof haar blik vol licht hem diep in het hart

drong, en alles wat daar eenmaal goed en rein in hem geleefd had,

wakker riep. Aan haar toonde hij in die enkele oogenblikken meer de

goede zijde van zijn karakter, dan hij in vele jaren aan iemand deed.

Bij Renée liet dit gesprek een aangename herinnering na. Maar dat

was ook alles; toen zij zich ter ruste had gelegd, dacht zij er nog

slechts in zooverre aan, dat zij in stilte overwoog wat zij aan Caesar

schrijven zou, als zij het eens werkelijk deed.

"Lieve Cae, hoe gaat het je toch?--Ik denk altijd aan je, hoor,

en ik word nu al een echte dame. Ik heb nu dikwijls de japon

met den sleep aan; je weet wel, waar je altijd op trapte en

waarop je eens ging liggen om je te laten meesleepen. En weet

je nog hoe papa toen lachte en zeide dat jij mij bespotte? Maar

nu draag ik die dikwijls, zoodat ik op een dame gelijk,

en zal dus misschien wel gauw trouwen. Dan mag je komen,

Cae. Ik verlang erg naar je en in het geheim blijf ik altijd

de oude Renée."

En Hugo Freeze was vergeten.

Maar hij liep nog lang op zijne kamer op en neer. Zijne ziel was in

ontroering. Het was hem alsof hij in een hemel geblikt had, en het

was toch maar een meisjeshart. Niet hare schoonheid greep hem aan,

hij had reeds zoovele schoone vrouwen bemind--maar hare onschuld. Die

oogen--die reine kinderoogen! Nog altijd staarden zij hem aan,

onbevangen en ernstig. Dat gezichtje, donzig, frisch en ongerept,

met de aristocratische, even omgekrulde bovenlip, zoo fier en toch

zoo kinderlijk;--die teedere leden, die rijzige gestalte.... het

scheen hem, als smeekten zij om bescherming....

Maar tegelijk was het hem als mocht hij die beschermer niet zijn,--als

zou zijne aanraking haar ontheiligen.

Een verlaten post · 第 7 / 17 题