Hoe zonderling dat wij voor een keerpunt in ons leven kunnen staan,
zonder dat een geheim voorgevoel ons waarschuwt. Hoe zonderling dat wij
het wezen naderen dat de hoofdrol in ons lot spelen zal,--naderen,
altijd meer, tot wij eindelijk van aangezicht tot aangezicht
staan,--zonder dat ons hart sneller klopt, of ons gesprek hapert,
of onze hand beeft.
Renée Gerlings was rustig de trap afgedaald en met vlugge stapjes
de vestibule doorgeloopen zonder eenige bijzondere gewaarwording;
en toen zij tegenover Hugo Freeze stond, zag zij hem onbevangen aan,
eenvoudig denkende: "Zoo, zoo, is dit nu de veelgeprezen Huug." En zij
legde hare kleine hand in de zijne, omdat hij de broer harer tante
was en begon op zijn innemende vragen met den grootsten eenvoud en
natuurlijkheid te antwoorden.
Haar rijzig en slank figuurtje--slank van natuur en niet door
kunstmiddelen--kwam allerliefst uit in het zilvergrijze japonnetje
met polonaise en demi-traîne; de zilveren sieraden pasten uitstekend
daarbij en haar jong gezichtje kwam in die zachte nuances geheel tot
zijn recht. Het was waar, zij had blanker kunnen zijn, maar er was
niets liefelijkers denkbaar dan dit crême en rose van haar gelaat,
waarin de heldere bruine oogen fonkelden als zonnen, en dat omlijst
werd door glanzend, golvend haar, hetwelk haar tot een volslagen
brunette stempelde. En ofschoon haar mond zeker wat kleiner had kunnen
zijn, reiner, kinderlijker uitdrukking, dan in den vorm der lippen lag,
was niet mogelijk, terwijl al hare bewegingen die rustige waardigheid
hadden, welke men somtijds opmerkt bij jongelieden, die met ernst
zich een karakter vormen.
"U hebt pas uw papa verloren, niet waar?" vroeg hij na de eerste
voorstelling en begroeting, en in den blik, (hij had dezelfde
eigenaardige fluweelzwarte oogen zijner zuster) waarmede hij op haar
neerzag, lag een wereld van goedhartige deelneming.
"Ja," antwoordde zij zacht en keek dankbaar naar hem op; want zij
had reeds bemerkt dat oom en tante niet gaarne meer dan strikt noodig
was over haren lieven doode spraken.
"Hebt u hem gekend?" vroeg zij met een flauwe flikkering van hoop.
"Neen, ik heb uw papa nooit ontmoet," antwoordde hij met een stille
spijt. "Maar," jokte hij haastig, "ik heb dikwerf mijn broer en zuster
met veel sympathie over hem hooren spreken.... Hij is zeker wel altijd
een trouwe, lieve vader voor u geweest."
"O ja," zeide zij, weer even zacht, en sloeg toen haastig de oogen
neer, wijl de herinnering aan die trouw en liefde er tranen in te
voorschijn riep.
"Ik herinner mij," ging hij vriendelijk voort, hoewel eenigszins
aarzelend, want heel zeker wist hij het niet meer, "indertijd uw
oom Albert te hebben hooren vertellen dat uw papa uit den dienst was
gegaan om uwentwil."
"Ja, ik was, toen mama stierf, zoo aan de dienstboden overgelaten. Papa
heeft zich toen geheel aan mij gewijd."
Hij vond dat hij nu genoeg over den overledene gepraat had en bracht
met tact het gesprek op een ander onderwerp.
"Ik hoop nu maar dat u hier zult kunnen gewennen. Dat gaat zeker nog
niet best?"
"Waarom denkt u dat?" vroeg zij, hem nog niet geheel aanziende,
verlegen over hare tranen, die maar niet onder hare oogleden drogen
wilden.
"Omdat ik mij dat wel begrijpen kan. U voelt u (ik geloof wel dat ik
het kan raden) als een veldbloempje overgeplant in een trekkas. Is
't niet zoo?"
Hij had iets vertrouwelijks over zich, iets hartelijks, iets,
wat iedere vrouw aantrok tot wie hij met zijn innemenden glimlach
en bedaarde, vloeiende stem het woord richtte; en zooals hij zich
nu onder het spreken tot haar overboog, begon hij ook Renée zeer
aantrekkelijk toe te schijnen.
"Wel een beetje," gaf zij toe, verrast dat hij zoo juist in woorden
bracht wat zij onbewust had gevoeld. "Maar er zijn vriendelijke tuinlui
in de serre...." Zij wilde er nog iets bijvoegen, maar bedwong zich,
vreezende onoprecht te zullen worden.
Hier werd hun kort gesprek door de komst van andere gasten gestoord.
Hij raakte met de heeren over politiek aan het disputeeren, zij werd
door de dames in beslag genomen; en een gegons van stemmen begon,
nu en dan afgebroken door een opklinkenden lach of een korte stilte,
maar overigens gestadig voortdurende tot de gasten zich aan de speel
tafeltjes verdeelden.
Soms, als het gesprek meer algemeen werd, ontmoette Renée zijn
welwillenden blik, maar merkte dit nauwelijks op; althans zij ving
dien juist even rustig op als den blik der oude dame naast hem. En
hij, zonderling getroffen, zeide tot zichzelf dat haar gedrag in
niets geleek op dat van sommige grootsteedsche gekkinnetjes, die hij
kende. Terwijl hij zijne meeningen uiteenzette over de handelingen
van den Duitschen keizer, volgde hij haar heimelijk met zijn blik,
en merkte op dat haar oog hem volstrekt niet zocht noch volgde; zij
was kalm in gesprek, of soms, als zij zich onbespied waande, staarde
zij droomerig voor zich uit, als waren hare gedachten elders. En
voortdurend bleef het verlangen in hem levendig nog eens zulk een
gesprekje met haar te kunnen voeren.
Eerst tegen het souper gelukte hem dit.
Renée stond juist alleen. Zij, nog geheel onder den indruk van haar
groot verlies, was vermoeid van het vele hooren en vele spreken,
en dacht met verlangen aan haar stil vertrekje, waar zij weer met
zichzelf alleen zou zijn, waar zij hare schatkamer openen mocht en naar
hartelust toeven bij hare schatten. Wat wist zij van deze mannen met
hunne verschillende gezichten, ernstig, flauw of energiek;--en deze
vrouwen, lieve en spraakzame, geestige, hartelijke of koele--en wat
wisten zij allen van haar!.... Wat was hun verleden?.... Waar waren
zij opgegroeid? en hadden zij die herinnering aan hunne jeugd zoo
lief als zij de hare?....
Dit was dan nu een dier conversatie-avondjes, waarover papa haar
steeds met zooveel vermakelijken spot had gesproken; en nu begreep zij
hem zoo goed! Zij was beu van het gegiegel en gebabbel en gelispel om
haar heen, en toch kon zij zich voorstellen dat zij zich misschien zou
hebben vermaakt, ware zij in een andere stemming geweest. Maar nu was
hare ziel nog geheel vervuld van een groote treurigheid, die als een
schoone smart was,--als een treurmuziek, die voortzong en voortzong,
haar boeiende en hare gedachten afleidende. Mocht zij al uiterlijk een
vroolijk jong meisje schijnen, innerlijk was zij een gebogen gedaante
in rouwgewaad, wijlend ver van dit salon vol gemaakte vroolijkheid en
schijn. En haar oog was scherper en haar oor gevoeliger, waar tegen
de waarheid gezondigd werd.
Hoor, dat groepje dames ginds lachte;--hoe onnatuurlijk klonk die
lach!.... Nu ving zij eenige woorden van tante Lucie op, die in
gesprek was met twee heeren, en Renée vond dat hare stem gemaakt
klonk en dat zij er geéchauffeerd uitzag.... Andere dames maakten
denzelfden indruk; het was als waren zij marionetten, opgewonden
voor eenige uren, om straks tehuis weer gewoon te zijn. Blijkbaar
streefden zij er allen in de eerste plaats naar dames du monde te
zijn, daarna pas vrouw. Zij niet, o neen, zij nimmer. Zij zou altijd
allereerst vrouw willen zijn, de rein-menschelijke vrouw, en daarna
pas, als een onvermijdelijk iets, wereldlinge.
Zie, nu luisterde oom oogenschijnlijk met belangstelling naar iemand,
die over de nieuwe richting in de letterkunde sprak, een onderwerp,
waaromtrent hij dien middag aan tafel nog verklaard had volkomen
onverschillig te zijn.... En die dikke mijnheer dáár maakte aan
tante een compliment over hare "eeuwige jeugd." Zou zij hem wel
gelooven?.... Maar zij glimlachte toch heel gracieuselijk!
Wat scheen zulk een bijeenzijn haar doelloos en vervelend! Er was
iets scheefs in, er haperde iets. Haar aan zuivere toonen gewend oor
vernam voortdurend dissonnanten. Was dit genot, als dat hetwelk zij
kende? Was dit vriendschap?
Daar plaatste zich een hooge gestalte tusschen haar en het gewoel,
waarop zij staarde.
"Hoe bevalt u dit staaltje van onze steedsche soirées?" vroeg hij
met een zweem van ironie.
Zij was te oprecht om iets anders te zeggen dan zij meende en wilde
hem toch niet hinderen, waarom zij een ontwijkend antwoord gaf.
"Naar één staaltje kan men ze niet in het algemeen beoordeelen,
denk ik."
"O, ja wel, zij gelijken alle op elkaar.... Nu, zeg het maar, het is
niets voor u, geloof ik," riep hij op goed geluk.
"Neen," gaf zij aarzelend en een weinig verlegen toe; maar toen,
glimlachend naar hem opziende met het aangename gevoel hem te kunnen
vertrouwen, zeide zij vrijmoediger: "Het kaarten vond ik het prettigste
gedeelte van den avond."
"Eigenlijk dacht ik niet dat u die kunst verstondt...."
"Waarom niet? Juist op de dorpen wordt veel gespeeld. Wij hadden
enkele gezellige vrienden."
"Was het niet eentonig daar, vooral met zulk een stil huishoudentje?"
"Een stil huishoudentje was het niet," protesteerde zij met hare
eigenaardige beslistheid. "Daar was papa--en juf--en ik--en Toon
de knecht--en de oude Kee--en dan Caesar. Zij brachten allen hunne
drukte mee."
"Wie was Caesar?" vroeg hij, zijn arm gemakkelijk op den
schoorsteenmantel leggend, waarbij zij stonden.
Hij schepte groot vermaak in haar eenvoud, en het was hem een
verkwikking dat gezichtje vrij en rustig te mogen beschouwen, terwijl
het naar hem opgeheven was. Geen zweem van behaagzucht ontsierde het;
zij, die geen hulde zocht, bemerkte de zijne niet eens.
"Caesar was mijn hond," antwoordde zij, denkend dat het toch
vriendelijk van hem was haar zoo belangstellend te vragen naar alles,
wat zij had verlaten, en met zooveel aandacht te luisteren naar
alles, wat zij zoo gaarne vertelde. "Oom kreeg gisteren bericht van
Toon dat de nieuwe huurder--een goed vriend van papa--de paarden zal
overnemen. Maar wie wil een oude hond hebben? Hij is nu bij Toon in
huis. Natuurlijk zal hij het daar niet zoo prettig hebben, als bij
ons.... Hier kan hij niet zijn, dat begrijp ik wel; maar zoodra ik
getrouwd ben, mag hij komen."
Hij lachte gul.
"Maar uw man?.... Die heeft toch ook wat te zeggen?"
"Ja, dat is waar," gaf zij toe, een weinig uit het veld geslagen. "Maar
misschien zal hij het wel goedvinden om mijnentwil, denkt u niet?"
"Als ik hem spreek, zal ik het hem vragen," schertste hij. "Zoodra
u kunt, moet u mij zijn adres opgeven."
Zij wist niet goed wat te antwoorden en zweeg daarom. Zij had zeer
weinig liefdesgeschiedenissen gelezen en beschouwde het huwelijk als
de lotsbestemming van het meisje zooals een beroep de lotsbestemming
is van een knaap. Waarom lachte hij dan, nu zij zeide: "zoodra ik
getrouwd ben?"
"U correspondeert natuurlijk met Caesar?" plaagde hij.
Nu lachte zij ook en pareerde den aanval.
"Ja zeker, in gedachten."
"Waarlijk?--Nu, ik zou wat liefs willen geven om te weten wat u
hem schrijft.... Eén ding zie ik," vervolgde hij ernstiger, met den
lieven glimlach, die zijn gezicht zoo recht aantrekkelijk maken kon,
"het hartje van de vrouw is al even trouw als dat van den hond. Is
't zoo niet?"
Zij zag naar hem op.
"Hebt u nooit een hond gehad?"
"Ja, lang geleden; ik was toen pas tweede luitenant. Hij was mij een
waar vriend."
Zij zag dat hij met liefde aan dien tijd terugdacht en lokte nu hèm
tot verhalen uit. En terwijl zij luisterde, merkte zij op dat hij
goed sprak. Wat hij zeide, was wel niets buitengewoons: het was niet
veel meer dan gewone salontaal, met een tintje van weemoedigen ernst
vermengd; maar er lag in den toon zijner welluidende stem zulk een
bekoring en er sprak zulk een warme waardeering uit zijn blik, dat zij,
die zoo groote behoefte aan liefde had, een gewaarwording van geluk
haar hart voelde verwarmen. En terwijl hij in den geest weder toefde
in dien vervlogen tijd, toen hij een jongeling was vol droomen en
idealen, was het hem alsof haar blik vol licht hem diep in het hart
drong, en alles wat daar eenmaal goed en rein in hem geleefd had,
wakker riep. Aan haar toonde hij in die enkele oogenblikken meer de
goede zijde van zijn karakter, dan hij in vele jaren aan iemand deed.
Bij Renée liet dit gesprek een aangename herinnering na. Maar dat
was ook alles; toen zij zich ter ruste had gelegd, dacht zij er nog
slechts in zooverre aan, dat zij in stilte overwoog wat zij aan Caesar
schrijven zou, als zij het eens werkelijk deed.
"Lieve Cae, hoe gaat het je toch?--Ik denk altijd aan je, hoor,
en ik word nu al een echte dame. Ik heb nu dikwijls de japon
met den sleep aan; je weet wel, waar je altijd op trapte en
waarop je eens ging liggen om je te laten meesleepen. En weet
je nog hoe papa toen lachte en zeide dat jij mij bespotte? Maar
nu draag ik die dikwijls, zoodat ik op een dame gelijk,
en zal dus misschien wel gauw trouwen. Dan mag je komen,
Cae. Ik verlang erg naar je en in het geheim blijf ik altijd
de oude Renée."
En Hugo Freeze was vergeten.
Maar hij liep nog lang op zijne kamer op en neer. Zijne ziel was in
ontroering. Het was hem alsof hij in een hemel geblikt had, en het
was toch maar een meisjeshart. Niet hare schoonheid greep hem aan,
hij had reeds zoovele schoone vrouwen bemind--maar hare onschuld. Die
oogen--die reine kinderoogen! Nog altijd staarden zij hem aan,
onbevangen en ernstig. Dat gezichtje, donzig, frisch en ongerept,
met de aristocratische, even omgekrulde bovenlip, zoo fier en toch
zoo kinderlijk;--die teedere leden, die rijzige gestalte.... het
scheen hem, als smeekten zij om bescherming....
Maar tegelijk was het hem als mocht hij die beschermer niet zijn,--als
zou zijne aanraking haar ontheiligen.