XXII.

Het was buitengewoon heerlijk weer voor zóó vroeg in het voorjaar. De

namiddagzon schitterde in de ruiten, en wierp over het slotpark een

lichten sluier, waardoor het slot in al zijne schoonheid tegen den

prachtig gekleurden voorjaarshemel uitkwam. De dikke kruitdamp van

de saluutschoten, die te Akershus waren gelost, verspreidde zich,

de vlaggen wapperden overal feestelijk, en van alle kanten stroomde

het volk naar de Karel-Johanstraat, die langs de trottoirs reeds vol

menschen stond.

In de geopende ramen zaten of lagen de dames in de nieuwe

voorjaarstoiletten, de jonge heeren stonden achter hare stoelen en

waren geestig, of deden hun best het te zijn. Vóór het perron van

het station waren de politie-agenten ijverig bezig eene groote plaats

open te houden; "het gele Corps" stond reeds in al zijne pracht voor

het stationsgebouw; de groothandelaar Falck-Olsen zat stijf en deftig

op zijne Isabella, en keek naar het volk.

De trein, waarmee de Koning verwacht werd, kwam eindelijk aan en

men wachtte op het einde van de ceremoniën, die bij de ontvangst op

het perron gewoonlijk plaats vinden. Van de kade en uit alle kleine

straten waren de menschen bij het stationsgebouw saamgestroomd: zeelui,

sjouwers, vrouwen en werklieden.... een weinig voornaam publiek dus

om mee te beginnen.

Toen eene stem uit die menigte luidkeels riep: "Leve de

Koning! Hoera!" werden deze woorden slechts flauw door eenigen

herhaald. Eene doodsche, onaangename stilte heerschte, terwijl de

voorname heeren in de gereed staande rijtuigen stapten.

Voorop marcheerde het "gele corps," dan volgden de koninklijke

equipages; over de markt ging de stoet en door de nauwe passage bij

Dybwadgaarden. Hier en daar riep een getrouw burger uit al zijne macht

"Hoera!" maar de al te groote geestdrift van een' enkele scheen de

menigte te weerhouden de kreten te herhalen; zoo ging het den geheelen

tijd tot dat de optocht de kazerne van de brandweer voorbij was.

Toen ging het wat beter, en de Zweedsche heeren en het gevolg des

konings knikten elkander verheugd toe; bij de Akerstraat en bij de

Egermarkt werd het geroep meer algemeen.

De prachtige oprijlaan, die van het Storthing-gebouw naar het slot

voert, werd in al hare schoonheid beschenen door de vroolijke

voorjaarszon. De fraai uitgedoste gele ruiters in vollen draf,

het groote aantal rijtuigen, de prachtige uniformen, de talrijke

groepen van netgekleede personen, die een hoerageroep aanhieven--alles

verhoogde de feestelijke stemming, zoo dat nu werkelijk met geestdrift

het "leve de Koning!" werd geroepen. Toen de stoet voorbij was,

zagen allen, die op de Karel-Johanstraat stonden, naar het slot,

waar zij ruiters èn rijtuigen als een glinsterende slang de hoogte

zagen beklimmen, terwijl het stof, door de koninklijke equipages in

beweging gebracht, als eene goudgekleurde wolk omhoog steeg en zich

over het volk uitbreidde, alsof het dit wilde zegenen.

Het plein voor het Stations-gebouw was spoedig geheel verlaten,

want de meesten keerden naar hun werk terug. Niet allen evenwel:

eene menigte vrouwen en jongelieden volgden den stroom naar de stad,

zij waren eenmaal in eene feestelijke stemming en vonden, dat het

tot niets diende den arbeid weder te beginnen.

Het was zoo zacht in de lucht, en het weer was zoo mooi, en dan had men

gehoord, dat er eene illuminatie zou plaats hebben en meer dergelijks!

De koning had in den loop van den winter aan eene keelziekte geleden

en om zijn herstel te vieren hadden de studenten een' fakkeltocht

naar het slot geregeld, waar zij zouden zingen:

"Hoor ons Svea! moeder van allen!"

Om dezelfde reden was er in "Tivoli" ook een "Groot Dankzeggings-Feest"

met declamatie en vuurwerk. Eene verbazende menschenmassa was des

avonds op de been inzonderheid in de buurt van "Tivoli;" en het

"Studenten-boschje." Het rook er naar slechte sigaren, versche aarde

en het pas ontsproten gras; nu en dan verspreidde zich de geur der

populieren, welker kleverige knoppen op het punt stonden open te

breken. Ministers en oud-ministers, militaire en civiele uniformen

reden naar het slot, waarvan de vensters hel verlicht waren, terwijl

de vlag op het dak, ten teeken dat de koning in de hoofdstad was,

scherp tegen den lichtgekleurden hemel afstak.

Maar daar, waar het vaartuig voor de landverhuizers geankerd lag,

werd hard gewerkt en geschreeuwd; er heerschte zulk eene verwarring,

dat eenige der emigranten op hunne kisten, die langs den waterkant

stonden, gingen zitten en hartstochtelijk begonnen te schreien.

Toen Njaedel en de opperloods aan de haven kwamen ontmoetten zij

hunnen vriend "den agent" maar hij riep, terwijl hij hen voorbij

stoof slechts: "all right!" hij baadde letterlijk in zijn zweet en

was zoo heesch, dat hij nauwelijks geluid kon geven.

Een paar sjouwers stonden vlak bij de loopplank van het vaartuig,

en toen Njaedel, achter den opperloods over de plank liep, zei de

een tot den ander: "Het is schande, dat die Amerikanen hier zulke

reusachtige kerels vandaan mogen halen."

Njaedel hoorde deze woorden en reikte den spreker de hand toe.

Maar de sjouwer, die wat wantrouwend van karakter was, vreesde dat

Njaedel niet veel goeds met hem in den zin had, en stak de hand naar

de krachtige vuist, die hem gereikt werd, niet uit; toen echter zijn

blik dien van Njaedel ontmoette, kreeg hij dadelijk vertrouwen in

hem, schudde hem de hand en zei op half beschaamden toon: "Ja, ja,

je weet zelf wel het best, waarom je zoo ver weggaat. Vaarwel en eene

voorspoedige reis!"

Aan boord was het leven en de verwarring nog grooter. De opperloods

zette zich met de kalmte van eenen philosoof op zijne kist voor zijne

kooi en liet de anderen schreeuwen, zooveel zij maar wilden. Njaedel

daarentegen kon niet rustig blijven zitten, toen hij al die zware

tonnen en balen aan boord zag brengen. Af en toe trad hij dichter

bij en hielp met de kracht van een "beer" een handje mee; toen de

matrozen hem verwonderd aanzagen, knikte hij hen toe en een glimlach

verhelderde zijn gelaat.

Ten laatste nam hij voor vast plaats bij het luik van het ruim en

daar de sjouwers juist met een heel zwaar stuk kwamen aanslepen,

riep de bemanning: "Laat de "beer" een handje helpen!"

Die woorden deden Njaedel goed: zij gaven hem het verloren

zelfvertrouwen terug en verdreven zijne sombere gedachten. Hij

voelde weer grooten lust met een recht zwaar werk te beginnen. Maar

laat op den avond, toen het werk gestaakt was, en de lieden afscheid

van elkander begonnen te nemen, werd hij "week als boter," zooals de

opperloods zeide. Hij had niemand vaarwel te zeggen, en daarom voelde

hij zich gedrongen allen de hand te drukken, die hem voorbij en naar

wal gingen.

De opperloods bemerkte spoedig, dat hij en Njaedel tot de armste

passagiers behoorden. De meeste andere landverhuizers waren welgezeten

boeren, die jaren lang gewerkt hadden met het doel naar Amerika te

gaan, wanneer zij geld genoeg hadden overgespaard. Anderen hadden

reisgeld gekregen van hunne familie aan gene zijde des oceaans, die

hun tevens het noodige geld voor de uitrusting had verschaft. Bij

alles wat zij deden, zag men, dat zij alles met bedaardheid hadden

overlegd. Groepsgewijze zaten zij op het tusschendek en haalden hunne

provisie, die zij voor den overtocht hadden meêgenomen, voor den dag,

terwijl zij de medepassagiers er van meedeelden. Zij hadden een open

oog voor alles, wat rondom hen voorviel; spraken op half luiden toon

tot elkaar, maakten gewillig plaats, wanneer zij in den weg zaten en

schenen aan niets anders te denken, dan goed en wel over te komen,

en de kinderen het best te beschermen.

Op het achterdek, (eerste kajuit), ging het levendiger toe. De

passagiers waren meest jonge menschen, die aan boord kwamen, gevolgd

van eene schaar vrienden, die ter eere van de vertrekkenden zongen

en leven maakten. Een welgekleed jong man werd zelfs stom dronken

aan boord gedragen en dadelijk naar de kooi gebracht.

Er waren onder hen eenige handelsreizigers, een bankroetier en een

misnoegd ingenieur, "die het ondankbare vaderland den rug toekeerde,"

zooals een zijner vrienden, met het afscheidsglas in de hand, in het

salon zeide--dadelijk nadat men aan boord was gekomen, had men een

afscheidsfeestje gearrangeerd.

Verder was er nog een verloopen student, die door de familie

weggezonden werd, en nog twee of drie andere half verloopen individuen

in nieuwe pakken, "die het dankbare vaderland wegzond," zooals de

student zich uitdrukte.

Tegen elf uur kwam dokter Bennecken met zijne zuster aan

boord. Zij waren alleen. De minister was op het slot, Alfred had

zich verontschuldigd en mevrouw lag ziek te bed. Toen zij begreep,

dat het met de reis ernst was, voelde zij toch iets, dat naar berouw

zweemde, want zij omhelsde Hilda heel lang en prevelde binnensmonds,

dat zij--Hilda--hare moeder moest vergeven, wanneer deze soms wat

onrechtvaardig tegen haar was geweest.

De twee "mislukten" verlieten het ouderlijke huis treurig gestemd

en Hilda leed aan zulk een hevige hoofdpijn, dat zij dadelijk naar

de dameskajuit ging, die haar geheel alleen gedurende den overtocht

ten dienste stond. Het rumoer in het salon werd minder naarmate het

gezelschap in meer sentimenteelen toestand kwam. De dokter ging op

het dek, en wandelde heen en weer.

Het was stil, helder weder, maar in het Zuidwesten vertoonden zich

donkere wolken, en spoedig zou het beginnen te regenen. Geen geluid

hoorde hij dan het geraas, dat in de machinekamer door het kolen

inscheppen veroorzaakt werd, en het geluid van zijne voetstappen.

Van tijd tot tijd voerde de wind het geknal van het vuurwerk naar het

vaartuig, dat op het "Dankzeggingsfeest" werd afgestoken, of drongen

eenige tonen van eene fanfare tot zijn oor door.

Raketten en het licht van bengaalsch vuur zag men over de daken der

huizen, en vóór dit geheel was uitgedoofd, wierp het nog een oogenblik

een lichtglans langs den hemel.

Johan Bennecken ging geruimen tijd op het halfdek heen en weer en

tuurde naar de stad, die hij zoo goed kende; naar de stad waarin

hij zijn leven had gesleten. De kleine ruimte, die zich tusschen het

vaartuig en de kade bevond, scheen hem een gapende afgrond te zijn,

waarin hij al zijne zorgen, al zijne teleurstellingen achterliet. En

toch was hij moedeloos. Duizenden herinneringen hadden hare kleine

scherpe klauwen in zijn gemoed gedrukt, en het deed pijn ze weg te

rukken.--Hij verwachtte niet veel van het leven aan de andere zijde

des Oceaans.

De trouwe vrienden beneden in het salon moesten eindelijk van boord

gaan, en zij plaatsten zich op de kade om een afscheidslied te

zingen. Doch dit plan kon niet tot uitvoering komen: zij waren al

te geroerd, en wandelden rustig naar stad. En stil werd het op het

vaartuig, en stil werd het in de stad, terwijl de machine als een

uit zijnen slaap gewekten reus zware zuchten slaakte.

Johan Bennecken zag op zijn horloge: het was half één. De regenwolken

zagen er dreigender en dreigender uit. Hij keek nog eenmaal om

zich heen als wilde hij, vóór hij naar beneden ging, het leven,

dat achter hem lag, beschouwen in het schoone vreedzame beeld van

den voorjaarsnacht.

Daar hoorde hij een rijtuig langs de kade rollen; het reed de

gaslantaarns voorbij en hield stil bij de Engelsche stoomboot. Een

heer met eenen steek op en in eenen mantel gehuld kwam er uit en

sprak een paar woorden met den koetsier.

Een oogenblik later hoorde Johan eene stem, die hij meende te kennen,

den Steward vragen waar Dokter Bennecken was.

"Hier.... wil iemand mij spreken," riep Johan van het halfdek.

De onbekende liep de trap op en de dokter herkende de kamerheer

George Delphin.

"Goeden avond, dokter. Gij denkt zeker, dat ik te veel gedronken

heb, wat ook eigenlijk het geval is. Ik ben in ongenade gevallen,

en heb door een goed glas wijn mijne smart verdoofd. Is uwe zuster

ook aan boord?"

"Ja, zij slaapt al, hoop ik."

"Kom, laat ons liever binnengaan," zeide Delphin en hij opende de

deur van de rookkamer. "Hier kunnen wij een afscheidsglas met elkaar

drinken. Gij hebt toch geenen slaap Dokter?"

"Neen, in het geheel niet," antwoordde Johan en hij draaide de lamp

wat op, "wilt gij eene sigaar rooken?"

"Ja, maar gaarne had ik wat te drinken."

De kamerheer deed zijn mantel af, en wierp zich in zijne met goud

geborduurde en met allerlei ordeteekenen bezaaide uniform op de

sofa. Johan Bennecken ging naar beneden om een flesch wijn te halen,

maar het eenige, wat de Steward zoo laat in den nacht kon vinden,

was whiskey en water.

De kamerheer verzekerde hem, dat dit zijne lievelingsdrank was, wat

werkelijk het geval scheen te zijn. Nadat hij een glas geledigd had,

zeide hij: "uwe zuster is dus aan boord?"

"Ja, ik hoop dat zij sedert lang slaapt," antwoordde Johan eenigszins

verbaasd.

"Dat gij de stad kunt verlaten... dokter, in zulk een interessanten

tijd als wij beleven! Hoor wat er is voorgevallen. Ten eerste:

de kamerheer George Delphin in ongenade gevallen, ten tweede: de

groothandelaar Falck-Olsen, wegens een Isabella-paard met een orde

gedecoreerd; ten derde: de assistent-commiezen Hiorth en Bennecken

tot kamerjonkers bevorderd--en de eerste daarbij verloofd...."

"Een beetje minder snel, s.v.p. Wie is verloofd, zegt gij?"

"Hiorth.... want toen zijn vader tot minister werd benoemd, nam zij

hem; ja, gij begrijpt wel, wie ik bedoel, zij..... de Isabella van

Falck-Olsen, Sophie heet zij, geloof ik. De andere..... die met dat

bolbleeke gezicht heeft haar engagement verbroken."

"Maar kamerheer, is het mogelijk," riep de dokter "alles draait mij

voor de oogen."

"Ja mij ook. Al het nieuws, dat ik opgedaan heb, komt uit den koker

van Mortensen, die niettegenstaande zijne lucifers, aan het hof

is voorgesteld geworden. O, wat benijd ik u, dokter, dat gij dien

geheelen rommel verlaat."

Op zijn gelaat lag plotseling zulk een slappe, oudachtige trek,

dat Johan oprecht medelijden met hem voelde. "Gij moest maar met ons

meegaan kamerheer."

"Ik ben immers in uniform."

Toen Johan op dit gezegde glimlachte, zeide hij.

"O, gij vondt dit zeker eene flauwe geestigheid. Neen beste vriend,

't was bittere ernst. Ziet gij, de met uniform bekleeden blijven

in dit land achter en nemen in aantal toe.... de in uniform

gedosten en de in lompen gehulden. De laatste rat, die het schip

zal verlaten, is zeker een directeur van een armenkamer. Dit is een

post der toekomst: "Koninklijk Noorsch opperstaatsarmendirecteur,"

met den rang en de uniform van een krijgscommissaris. Ik zou zelf

naar dien post gesolliciteerd hebben, zoo ik niet in ongenade was

gevallen. Buitendien," ging hij voort, en maakte een nieuw glas

gereed, "zoo ik het al zonder de stad kan redden, zoo kan de stad

het waarachtig niet zonder mij doen. Hoe zou het met de stakkers van

menschen gaan, die nu in die caricatuur van eene hoofdstad slapen,

als zij morgen wakker werden en de kamerheer misten. Want--ziet

gij, beste emigrant, wat ons eigenlijk pijnigt, dat is de twijfel,

de vrees, die wij koesteren, dat alles hier niet geheel, comme

il faut is.... niet volkomen zoo als alles op het vaste land,

en--dat kan men ook werkelijk niet van Mortensen met zijne lucifers

beweren. Maar dan heeft men gelukkig nog den kamerheer Delphin en

een paar anderen..... die de wereld hebben gezien, of ten minste

doen of zulks het geval is, en over alles kunnen praten; die alle

namen en bijnamen weten; die de kunst verstaan iedere ernstige zaak

door eene wending van de hand tot eene grappige te maken; die de

ingewikkelste zaken in zakformaat weten te brengen; die de questions

brûlantes van den dag samen vatten in vijf of zes bons mots, die ze

zich elk oogenblik herinneren en dadelijk bij de hand hebben; en die

ten laatste te midden van de meest onzinnige bureau-praatjes volkomen

op de hoogte zijn der dames-toiletten en met den grootsten ernst daar

over redeneeren. Ziet gij, dit zijn de onontbeerlijke personen voor de

hoofdstad! Ach!" riep hij plotseling uit en zijn hoofd viel op tafel:

"ik ben dit leven zoo moe, ik ben zoo moe van alles!"

Eensklaps lag er zoo iets ernstigs over den eleganten cavalier,

die met het hoofd tegen den arm geleund vóór hem zat, dat Johan

Bennecken begreep, dat deze woorden niet alleen aan den roes,

waarin hij verkeerde, toe te schrijven waren. Hij legde de hand op

zijnen schouder, en zei met oprechte deelneming: "luister naar mij

Delphin! Gij zijt niet gelukkig, evenmin als ik.... hier zijn gewis

niet vele gelukkige menschen aan boord. Maar kom,.... ga met ons mee,

hier moogt ge niet blijven."

De kamerheer beurde het hoofd op, zijn gelaat zag er weêr uit als in

vroegere dagen, de ironische glimlach zetelde er weêr:

"Gij doet mij levendig aan uwen vader denken.... diezelfde

woorden zeide hij een paar uren geleden, tot mij: "Het is werkelijk

noodzakelijk voor u, hier van daan te gaan," zei hij, en ik wil ook

zijnen raad volgen, ik wil solliciteeren naar de betrekking van chef

van de politie te Aalsund."

Johan Bennecken ging teleurgesteld een paar schreden achteruit:

deze woorden krenkten hem.

De kamerheer trok zijne overjas aan om weg te gaan, maar talmde

voortdurend; het scheen alsof hij nog iets zeggen wilde, maar niet

wist, hoe zich uit te drukken; de dokter vond zijn gedrag al vreemder

en vreemder. Eindelijk draaide hij zich op de loopplank even om,

en drukte innig de hand van den dokter, terwijl hij mompelde: "Groet

uwe zuster van mij, en zeg haar van mij.... zeg haar van mij...." de

laatste woorden waren onverstaanbaar, zij losten zich op in een geluid,

dat veel van snikken had. Toen ging hij spoedig naar wal en stapte

in het rijtuig, dat op hem wachtte.

De koetsier, die op den bok had zitten dutten, nam schielijk het dek

van de paarden af. De hemel was geheel bewolkt; een uur lang had het

reeds geregend.

De dokter tuurde naar het rijtuig en naar de lange schaduw, die

de pooten der paarden in de plassen op de straat maakten, wanneer

zij voorbij eene gaslantaarn kwamen. Dit was het laatste, wat hij

van de stad zag, toen hij zich naar kooi begaf. Vroeg in den morgen

lichtte het Engelsche vaartuig het anker. Het was reeds zes uur, vóór

alles gereed was en de machine begon te werken. Juist toen het schip

in de nabijheid van het grootste eiland van de Fjord was gekomen,

steeg er van den kant der vesting eene rookwolk op, en hoorde men

kanonschoten dreunen. Op het achtergedeelte van het schip vroeg

iedereen nieuwsgierig waar die saluutschoten toch voor dienden.

Johan Bennecken was zoo moede, dat hij er bijna niets van hoorde;

ook op het voordek bekommerde men er zich weinig over; men had daar

het gevoel, alsof men met het vaderland en zijne saluutschoten had

afgerekend.

En terwijl de een en twintig schoten plechtig over de stad dreunden,

dreef het vaartuig met de landverhuizers uit de Fjord, en de dikke

gele rook verborg de vesting aan aller oog, en verbreidde zich over

de daken der huizen in het grauwe regenachtige morgenuur.

Arbeiders: Roman · 第 31 / 34 题