Het was buitengewoon heerlijk weer voor zóó vroeg in het voorjaar. De
namiddagzon schitterde in de ruiten, en wierp over het slotpark een
lichten sluier, waardoor het slot in al zijne schoonheid tegen den
prachtig gekleurden voorjaarshemel uitkwam. De dikke kruitdamp van
de saluutschoten, die te Akershus waren gelost, verspreidde zich,
de vlaggen wapperden overal feestelijk, en van alle kanten stroomde
het volk naar de Karel-Johanstraat, die langs de trottoirs reeds vol
menschen stond.
In de geopende ramen zaten of lagen de dames in de nieuwe
voorjaarstoiletten, de jonge heeren stonden achter hare stoelen en
waren geestig, of deden hun best het te zijn. Vóór het perron van
het station waren de politie-agenten ijverig bezig eene groote plaats
open te houden; "het gele Corps" stond reeds in al zijne pracht voor
het stationsgebouw; de groothandelaar Falck-Olsen zat stijf en deftig
op zijne Isabella, en keek naar het volk.
De trein, waarmee de Koning verwacht werd, kwam eindelijk aan en
men wachtte op het einde van de ceremoniën, die bij de ontvangst op
het perron gewoonlijk plaats vinden. Van de kade en uit alle kleine
straten waren de menschen bij het stationsgebouw saamgestroomd: zeelui,
sjouwers, vrouwen en werklieden.... een weinig voornaam publiek dus
om mee te beginnen.
Toen eene stem uit die menigte luidkeels riep: "Leve de
Koning! Hoera!" werden deze woorden slechts flauw door eenigen
herhaald. Eene doodsche, onaangename stilte heerschte, terwijl de
voorname heeren in de gereed staande rijtuigen stapten.
Voorop marcheerde het "gele corps," dan volgden de koninklijke
equipages; over de markt ging de stoet en door de nauwe passage bij
Dybwadgaarden. Hier en daar riep een getrouw burger uit al zijne macht
"Hoera!" maar de al te groote geestdrift van een' enkele scheen de
menigte te weerhouden de kreten te herhalen; zoo ging het den geheelen
tijd tot dat de optocht de kazerne van de brandweer voorbij was.
Toen ging het wat beter, en de Zweedsche heeren en het gevolg des
konings knikten elkander verheugd toe; bij de Akerstraat en bij de
Egermarkt werd het geroep meer algemeen.
De prachtige oprijlaan, die van het Storthing-gebouw naar het slot
voert, werd in al hare schoonheid beschenen door de vroolijke
voorjaarszon. De fraai uitgedoste gele ruiters in vollen draf,
het groote aantal rijtuigen, de prachtige uniformen, de talrijke
groepen van netgekleede personen, die een hoerageroep aanhieven--alles
verhoogde de feestelijke stemming, zoo dat nu werkelijk met geestdrift
het "leve de Koning!" werd geroepen. Toen de stoet voorbij was,
zagen allen, die op de Karel-Johanstraat stonden, naar het slot,
waar zij ruiters èn rijtuigen als een glinsterende slang de hoogte
zagen beklimmen, terwijl het stof, door de koninklijke equipages in
beweging gebracht, als eene goudgekleurde wolk omhoog steeg en zich
over het volk uitbreidde, alsof het dit wilde zegenen.
Het plein voor het Stations-gebouw was spoedig geheel verlaten,
want de meesten keerden naar hun werk terug. Niet allen evenwel:
eene menigte vrouwen en jongelieden volgden den stroom naar de stad,
zij waren eenmaal in eene feestelijke stemming en vonden, dat het
tot niets diende den arbeid weder te beginnen.
Het was zoo zacht in de lucht, en het weer was zoo mooi, en dan had men
gehoord, dat er eene illuminatie zou plaats hebben en meer dergelijks!
De koning had in den loop van den winter aan eene keelziekte geleden
en om zijn herstel te vieren hadden de studenten een' fakkeltocht
naar het slot geregeld, waar zij zouden zingen:
"Hoor ons Svea! moeder van allen!"
Om dezelfde reden was er in "Tivoli" ook een "Groot Dankzeggings-Feest"
met declamatie en vuurwerk. Eene verbazende menschenmassa was des
avonds op de been inzonderheid in de buurt van "Tivoli;" en het
"Studenten-boschje." Het rook er naar slechte sigaren, versche aarde
en het pas ontsproten gras; nu en dan verspreidde zich de geur der
populieren, welker kleverige knoppen op het punt stonden open te
breken. Ministers en oud-ministers, militaire en civiele uniformen
reden naar het slot, waarvan de vensters hel verlicht waren, terwijl
de vlag op het dak, ten teeken dat de koning in de hoofdstad was,
scherp tegen den lichtgekleurden hemel afstak.
Maar daar, waar het vaartuig voor de landverhuizers geankerd lag,
werd hard gewerkt en geschreeuwd; er heerschte zulk eene verwarring,
dat eenige der emigranten op hunne kisten, die langs den waterkant
stonden, gingen zitten en hartstochtelijk begonnen te schreien.
Toen Njaedel en de opperloods aan de haven kwamen ontmoetten zij
hunnen vriend "den agent" maar hij riep, terwijl hij hen voorbij
stoof slechts: "all right!" hij baadde letterlijk in zijn zweet en
was zoo heesch, dat hij nauwelijks geluid kon geven.
Een paar sjouwers stonden vlak bij de loopplank van het vaartuig,
en toen Njaedel, achter den opperloods over de plank liep, zei de
een tot den ander: "Het is schande, dat die Amerikanen hier zulke
reusachtige kerels vandaan mogen halen."
Njaedel hoorde deze woorden en reikte den spreker de hand toe.
Maar de sjouwer, die wat wantrouwend van karakter was, vreesde dat
Njaedel niet veel goeds met hem in den zin had, en stak de hand naar
de krachtige vuist, die hem gereikt werd, niet uit; toen echter zijn
blik dien van Njaedel ontmoette, kreeg hij dadelijk vertrouwen in
hem, schudde hem de hand en zei op half beschaamden toon: "Ja, ja,
je weet zelf wel het best, waarom je zoo ver weggaat. Vaarwel en eene
voorspoedige reis!"
Aan boord was het leven en de verwarring nog grooter. De opperloods
zette zich met de kalmte van eenen philosoof op zijne kist voor zijne
kooi en liet de anderen schreeuwen, zooveel zij maar wilden. Njaedel
daarentegen kon niet rustig blijven zitten, toen hij al die zware
tonnen en balen aan boord zag brengen. Af en toe trad hij dichter
bij en hielp met de kracht van een "beer" een handje mee; toen de
matrozen hem verwonderd aanzagen, knikte hij hen toe en een glimlach
verhelderde zijn gelaat.
Ten laatste nam hij voor vast plaats bij het luik van het ruim en
daar de sjouwers juist met een heel zwaar stuk kwamen aanslepen,
riep de bemanning: "Laat de "beer" een handje helpen!"
Die woorden deden Njaedel goed: zij gaven hem het verloren
zelfvertrouwen terug en verdreven zijne sombere gedachten. Hij
voelde weer grooten lust met een recht zwaar werk te beginnen. Maar
laat op den avond, toen het werk gestaakt was, en de lieden afscheid
van elkander begonnen te nemen, werd hij "week als boter," zooals de
opperloods zeide. Hij had niemand vaarwel te zeggen, en daarom voelde
hij zich gedrongen allen de hand te drukken, die hem voorbij en naar
wal gingen.
De opperloods bemerkte spoedig, dat hij en Njaedel tot de armste
passagiers behoorden. De meeste andere landverhuizers waren welgezeten
boeren, die jaren lang gewerkt hadden met het doel naar Amerika te
gaan, wanneer zij geld genoeg hadden overgespaard. Anderen hadden
reisgeld gekregen van hunne familie aan gene zijde des oceaans, die
hun tevens het noodige geld voor de uitrusting had verschaft. Bij
alles wat zij deden, zag men, dat zij alles met bedaardheid hadden
overlegd. Groepsgewijze zaten zij op het tusschendek en haalden hunne
provisie, die zij voor den overtocht hadden meêgenomen, voor den dag,
terwijl zij de medepassagiers er van meedeelden. Zij hadden een open
oog voor alles, wat rondom hen voorviel; spraken op half luiden toon
tot elkaar, maakten gewillig plaats, wanneer zij in den weg zaten en
schenen aan niets anders te denken, dan goed en wel over te komen,
en de kinderen het best te beschermen.
Op het achterdek, (eerste kajuit), ging het levendiger toe. De
passagiers waren meest jonge menschen, die aan boord kwamen, gevolgd
van eene schaar vrienden, die ter eere van de vertrekkenden zongen
en leven maakten. Een welgekleed jong man werd zelfs stom dronken
aan boord gedragen en dadelijk naar de kooi gebracht.
Er waren onder hen eenige handelsreizigers, een bankroetier en een
misnoegd ingenieur, "die het ondankbare vaderland den rug toekeerde,"
zooals een zijner vrienden, met het afscheidsglas in de hand, in het
salon zeide--dadelijk nadat men aan boord was gekomen, had men een
afscheidsfeestje gearrangeerd.
Verder was er nog een verloopen student, die door de familie
weggezonden werd, en nog twee of drie andere half verloopen individuen
in nieuwe pakken, "die het dankbare vaderland wegzond," zooals de
student zich uitdrukte.
Tegen elf uur kwam dokter Bennecken met zijne zuster aan
boord. Zij waren alleen. De minister was op het slot, Alfred had
zich verontschuldigd en mevrouw lag ziek te bed. Toen zij begreep,
dat het met de reis ernst was, voelde zij toch iets, dat naar berouw
zweemde, want zij omhelsde Hilda heel lang en prevelde binnensmonds,
dat zij--Hilda--hare moeder moest vergeven, wanneer deze soms wat
onrechtvaardig tegen haar was geweest.
De twee "mislukten" verlieten het ouderlijke huis treurig gestemd
en Hilda leed aan zulk een hevige hoofdpijn, dat zij dadelijk naar
de dameskajuit ging, die haar geheel alleen gedurende den overtocht
ten dienste stond. Het rumoer in het salon werd minder naarmate het
gezelschap in meer sentimenteelen toestand kwam. De dokter ging op
het dek, en wandelde heen en weer.
Het was stil, helder weder, maar in het Zuidwesten vertoonden zich
donkere wolken, en spoedig zou het beginnen te regenen. Geen geluid
hoorde hij dan het geraas, dat in de machinekamer door het kolen
inscheppen veroorzaakt werd, en het geluid van zijne voetstappen.
Van tijd tot tijd voerde de wind het geknal van het vuurwerk naar het
vaartuig, dat op het "Dankzeggingsfeest" werd afgestoken, of drongen
eenige tonen van eene fanfare tot zijn oor door.
Raketten en het licht van bengaalsch vuur zag men over de daken der
huizen, en vóór dit geheel was uitgedoofd, wierp het nog een oogenblik
een lichtglans langs den hemel.
Johan Bennecken ging geruimen tijd op het halfdek heen en weer en
tuurde naar de stad, die hij zoo goed kende; naar de stad waarin
hij zijn leven had gesleten. De kleine ruimte, die zich tusschen het
vaartuig en de kade bevond, scheen hem een gapende afgrond te zijn,
waarin hij al zijne zorgen, al zijne teleurstellingen achterliet. En
toch was hij moedeloos. Duizenden herinneringen hadden hare kleine
scherpe klauwen in zijn gemoed gedrukt, en het deed pijn ze weg te
rukken.--Hij verwachtte niet veel van het leven aan de andere zijde
des Oceaans.
De trouwe vrienden beneden in het salon moesten eindelijk van boord
gaan, en zij plaatsten zich op de kade om een afscheidslied te
zingen. Doch dit plan kon niet tot uitvoering komen: zij waren al
te geroerd, en wandelden rustig naar stad. En stil werd het op het
vaartuig, en stil werd het in de stad, terwijl de machine als een
uit zijnen slaap gewekten reus zware zuchten slaakte.
Johan Bennecken zag op zijn horloge: het was half één. De regenwolken
zagen er dreigender en dreigender uit. Hij keek nog eenmaal om
zich heen als wilde hij, vóór hij naar beneden ging, het leven,
dat achter hem lag, beschouwen in het schoone vreedzame beeld van
den voorjaarsnacht.
Daar hoorde hij een rijtuig langs de kade rollen; het reed de
gaslantaarns voorbij en hield stil bij de Engelsche stoomboot. Een
heer met eenen steek op en in eenen mantel gehuld kwam er uit en
sprak een paar woorden met den koetsier.
Een oogenblik later hoorde Johan eene stem, die hij meende te kennen,
den Steward vragen waar Dokter Bennecken was.
"Hier.... wil iemand mij spreken," riep Johan van het halfdek.
De onbekende liep de trap op en de dokter herkende de kamerheer
George Delphin.
"Goeden avond, dokter. Gij denkt zeker, dat ik te veel gedronken
heb, wat ook eigenlijk het geval is. Ik ben in ongenade gevallen,
en heb door een goed glas wijn mijne smart verdoofd. Is uwe zuster
ook aan boord?"
"Ja, zij slaapt al, hoop ik."
"Kom, laat ons liever binnengaan," zeide Delphin en hij opende de
deur van de rookkamer. "Hier kunnen wij een afscheidsglas met elkaar
drinken. Gij hebt toch geenen slaap Dokter?"
"Neen, in het geheel niet," antwoordde Johan en hij draaide de lamp
wat op, "wilt gij eene sigaar rooken?"
"Ja, maar gaarne had ik wat te drinken."
De kamerheer deed zijn mantel af, en wierp zich in zijne met goud
geborduurde en met allerlei ordeteekenen bezaaide uniform op de
sofa. Johan Bennecken ging naar beneden om een flesch wijn te halen,
maar het eenige, wat de Steward zoo laat in den nacht kon vinden,
was whiskey en water.
De kamerheer verzekerde hem, dat dit zijne lievelingsdrank was, wat
werkelijk het geval scheen te zijn. Nadat hij een glas geledigd had,
zeide hij: "uwe zuster is dus aan boord?"
"Ja, ik hoop dat zij sedert lang slaapt," antwoordde Johan eenigszins
verbaasd.
"Dat gij de stad kunt verlaten... dokter, in zulk een interessanten
tijd als wij beleven! Hoor wat er is voorgevallen. Ten eerste:
de kamerheer George Delphin in ongenade gevallen, ten tweede: de
groothandelaar Falck-Olsen, wegens een Isabella-paard met een orde
gedecoreerd; ten derde: de assistent-commiezen Hiorth en Bennecken
tot kamerjonkers bevorderd--en de eerste daarbij verloofd...."
"Een beetje minder snel, s.v.p. Wie is verloofd, zegt gij?"
"Hiorth.... want toen zijn vader tot minister werd benoemd, nam zij
hem; ja, gij begrijpt wel, wie ik bedoel, zij..... de Isabella van
Falck-Olsen, Sophie heet zij, geloof ik. De andere..... die met dat
bolbleeke gezicht heeft haar engagement verbroken."
"Maar kamerheer, is het mogelijk," riep de dokter "alles draait mij
voor de oogen."
"Ja mij ook. Al het nieuws, dat ik opgedaan heb, komt uit den koker
van Mortensen, die niettegenstaande zijne lucifers, aan het hof
is voorgesteld geworden. O, wat benijd ik u, dokter, dat gij dien
geheelen rommel verlaat."
Op zijn gelaat lag plotseling zulk een slappe, oudachtige trek,
dat Johan oprecht medelijden met hem voelde. "Gij moest maar met ons
meegaan kamerheer."
"Ik ben immers in uniform."
Toen Johan op dit gezegde glimlachte, zeide hij.
"O, gij vondt dit zeker eene flauwe geestigheid. Neen beste vriend,
't was bittere ernst. Ziet gij, de met uniform bekleeden blijven
in dit land achter en nemen in aantal toe.... de in uniform
gedosten en de in lompen gehulden. De laatste rat, die het schip
zal verlaten, is zeker een directeur van een armenkamer. Dit is een
post der toekomst: "Koninklijk Noorsch opperstaatsarmendirecteur,"
met den rang en de uniform van een krijgscommissaris. Ik zou zelf
naar dien post gesolliciteerd hebben, zoo ik niet in ongenade was
gevallen. Buitendien," ging hij voort, en maakte een nieuw glas
gereed, "zoo ik het al zonder de stad kan redden, zoo kan de stad
het waarachtig niet zonder mij doen. Hoe zou het met de stakkers van
menschen gaan, die nu in die caricatuur van eene hoofdstad slapen,
als zij morgen wakker werden en de kamerheer misten. Want--ziet
gij, beste emigrant, wat ons eigenlijk pijnigt, dat is de twijfel,
de vrees, die wij koesteren, dat alles hier niet geheel, comme
il faut is.... niet volkomen zoo als alles op het vaste land,
en--dat kan men ook werkelijk niet van Mortensen met zijne lucifers
beweren. Maar dan heeft men gelukkig nog den kamerheer Delphin en
een paar anderen..... die de wereld hebben gezien, of ten minste
doen of zulks het geval is, en over alles kunnen praten; die alle
namen en bijnamen weten; die de kunst verstaan iedere ernstige zaak
door eene wending van de hand tot eene grappige te maken; die de
ingewikkelste zaken in zakformaat weten te brengen; die de questions
brûlantes van den dag samen vatten in vijf of zes bons mots, die ze
zich elk oogenblik herinneren en dadelijk bij de hand hebben; en die
ten laatste te midden van de meest onzinnige bureau-praatjes volkomen
op de hoogte zijn der dames-toiletten en met den grootsten ernst daar
over redeneeren. Ziet gij, dit zijn de onontbeerlijke personen voor de
hoofdstad! Ach!" riep hij plotseling uit en zijn hoofd viel op tafel:
"ik ben dit leven zoo moe, ik ben zoo moe van alles!"
Eensklaps lag er zoo iets ernstigs over den eleganten cavalier,
die met het hoofd tegen den arm geleund vóór hem zat, dat Johan
Bennecken begreep, dat deze woorden niet alleen aan den roes,
waarin hij verkeerde, toe te schrijven waren. Hij legde de hand op
zijnen schouder, en zei met oprechte deelneming: "luister naar mij
Delphin! Gij zijt niet gelukkig, evenmin als ik.... hier zijn gewis
niet vele gelukkige menschen aan boord. Maar kom,.... ga met ons mee,
hier moogt ge niet blijven."
De kamerheer beurde het hoofd op, zijn gelaat zag er weêr uit als in
vroegere dagen, de ironische glimlach zetelde er weêr:
"Gij doet mij levendig aan uwen vader denken.... diezelfde
woorden zeide hij een paar uren geleden, tot mij: "Het is werkelijk
noodzakelijk voor u, hier van daan te gaan," zei hij, en ik wil ook
zijnen raad volgen, ik wil solliciteeren naar de betrekking van chef
van de politie te Aalsund."
Johan Bennecken ging teleurgesteld een paar schreden achteruit:
deze woorden krenkten hem.
De kamerheer trok zijne overjas aan om weg te gaan, maar talmde
voortdurend; het scheen alsof hij nog iets zeggen wilde, maar niet
wist, hoe zich uit te drukken; de dokter vond zijn gedrag al vreemder
en vreemder. Eindelijk draaide hij zich op de loopplank even om,
en drukte innig de hand van den dokter, terwijl hij mompelde: "Groet
uwe zuster van mij, en zeg haar van mij.... zeg haar van mij...." de
laatste woorden waren onverstaanbaar, zij losten zich op in een geluid,
dat veel van snikken had. Toen ging hij spoedig naar wal en stapte
in het rijtuig, dat op hem wachtte.
De koetsier, die op den bok had zitten dutten, nam schielijk het dek
van de paarden af. De hemel was geheel bewolkt; een uur lang had het
reeds geregend.
De dokter tuurde naar het rijtuig en naar de lange schaduw, die
de pooten der paarden in de plassen op de straat maakten, wanneer
zij voorbij eene gaslantaarn kwamen. Dit was het laatste, wat hij
van de stad zag, toen hij zich naar kooi begaf. Vroeg in den morgen
lichtte het Engelsche vaartuig het anker. Het was reeds zes uur, vóór
alles gereed was en de machine begon te werken. Juist toen het schip
in de nabijheid van het grootste eiland van de Fjord was gekomen,
steeg er van den kant der vesting eene rookwolk op, en hoorde men
kanonschoten dreunen. Op het achtergedeelte van het schip vroeg
iedereen nieuwsgierig waar die saluutschoten toch voor dienden.
Johan Bennecken was zoo moede, dat hij er bijna niets van hoorde;
ook op het voordek bekommerde men er zich weinig over; men had daar
het gevoel, alsof men met het vaderland en zijne saluutschoten had
afgerekend.
En terwijl de een en twintig schoten plechtig over de stad dreunden,
dreef het vaartuig met de landverhuizers uit de Fjord, en de dikke
gele rook verborg de vesting aan aller oog, en verbreidde zich over
de daken der huizen in het grauwe regenachtige morgenuur.