XXI.

Het kostte heel wat tijd, eer Njaedel en Sechus het hospitaal,

waar Christine zich bevond, vonden en hadden zij niet bij toeval

den politie-agent Knudsen naar den weg gevraagd, dan had het kunnen

gebeuren, dat zij onverrichter zake aan boord hadden moeten gaan,

of wel tot laat in den avond de stad in alle richtingen hadden moeten

doorkruisen. Het was reeds bijna drie uur en iedereen stroomde naar

de Karel-Johanstraat om den optocht te zien, zoodat niemand tijd had

te blijven staan om inlichtingen te geven; de politie-agent Knudsen

evenwel, die gelukkig zijnen proeftijd had doorstaan, wees hun,

toen hij hoorde, wie zij zochten, den weg en zoo kwamen zij aan

het hospitaal.

In de poort ontmoetten zij eene der verpleegsters, die naar de stad

wilde gaan. De opperloods nam zijne pelsmuts af en zeide: "Wij komen

hier zekere madam Christine Mo bezoeken."

"Zij is van nacht gestorven," antwoordde zij gejaagd: zij had haast.

"Gaat die gang in de tweede deur links, zij zijn juist met haar

bezig." Schielijk liep zij verder en deed de poort achter zich dicht.

"Nu, nu, Njaedel, dat is misschien maar het best voor haar," zeide

de opperloods om hem wat te troosten, "kom meê, wij hebben hier niets

meer te doen."

"Ik wil haar lijk zien," antwoordde Njaedel, en liep de gang in.

Vóór de deur, die de ziekeverpleegster had aangewezen, bleven

zij staan; de deur stond aan, en zij hoorden in het vertrek luid

spreken. De opperloods stiet de deur open, Njaedel en hij traden

binnen.

Dicht bij het raam stonden eenige jonge studenten over iets wits, dat

op de tafel lag, heengebogen. Een klein man, met grijs haar en in zijne

hemdsmouwen stond het dichtst van allen bij dit witte voorwerp, terwijl

men eenen blanken voet tusschen twee der omstanders zag uitsteken.

"Nooit heb ik het zoo spoedig zien afloopen," zeide dokter Rohde,

tot een der professoren, die hij had uitgenoodigd bij de ontleding

tegenwoordig te zijn. Johan Bennecken had uitdrukkelijk verboden het

lijk naar de ontleedkamer in de universiteit te brengen.

"En zij was met dien schurk van een Mo getrouwd?" vroeg de professor,

"hoe gaat het met hem?"

"De ziekte is naar binnen geslagen en de hersens zijn aangedaan. Wat

wilt gij?" vroeg de dokter plotseling, toen hij de twee mannen in de

deur zag staan.

"Hier is haar vader," zeide de opperloods op Njaedel wijzende,

"die gaarne haar lijk wilde zien."

"Neen, neen, beste vriend, 't is beter dat gij zulks niet doet."

Maar Njaedel kwam dichter bij de tafel; de jonge studenten maakten

voor hem plaats, en de professor gaf aan een der studenten een teeken

een laken over haar te werpen. Door de haast waarmede dit geschiedde

werd het lijk slechts ten halve bedekt; het was zoo uitgeteerd, dat

het slechts vel en been leek. Het dikke roode haar hing verward over

het voorhoofd, de wangen waren geheel ingevallen; zij zag er uit als

eene oude vrouw.

"Dat is zij niet!" fluisterde de opperloods Njaedel in.

Maar toen streek Njaedel het haar van zijne gestorven dochter een

weinig op zijde en legde zijnen vinger op het litteeken, dat zij aan

een der slapen had.

"Kom, Njaedel, nu moesten wij maar gaan."

De opperloods was doodsbleek. Njaedel zag rond en toen hij den indruk

kreeg, dat al deze welgekleede heeren belangstelling in zijne dochter

hadden getoond, reikte hij hun één voor één zijne hand. Toen hij echter

bij den professor kwam, week deze eene schrede achteruit:.. "Neen,

neen, beste man.... ik kan.... het is mij onmogelijk u de hand

te reiken."

Nu eerst zag Njaedel het blanke mes in zijne hand. Op dit gezicht

rilde hij en hij verliet met den opperloods dadelijk het vertrek.

Toen zij weer op straat stonden, zag Sechus Njaedel uitvorschend aan;

hij bemerkte dat deze de vuisten balde, en dat zijne tanden knarsend

tegen elkaar sloegen.

"Hij zal mij daar rekenschap van moeten geven, Anders," mompelde

Njaedel.

"Och," zeide de opperloods ietwat bang, "laat je aan Anders niet

meer gelegen liggen. Wij reizen nu ver weg, laten wij eerst zien,

wat eten te krijgen, want ik heb honger als een wolf."

Maar Njaedel was niet van zijn plan af te brengen; de opperloods

wilde echter niet naar den weg vragen en zoo moest Njaedel zulks

zelf doen; de politie-agent, tot wien hij zich wendde, zeide hem,

waar de minister Bennecken woonde.

Eindelijk stonden zij vóór het huis.

Een vreeselijke strijd had er in Njaedel's binnenste plaats. Hij kon

niet gelooven, dat zijn broeder de schuld van al die ellende was, en

toch ook de gedachte niet van zich zetten, dat zulks wel het geval

was. Maar in toorn ontstak hij niet, neen, eene diepe smart drukte

hem ter neer, hij gevoelde er behoefte aan zijnen broeder te zien:

in zijn hart hoopte hij nog altijd, dat deze misschien zich van die

schuld zou kunnen vrijspreken.

Toen zij een paar treden waren afgegaan, zeide de opperloods: "Eéne

zaak moet gij mij beloven Njaedel, dat gij de hand niet aan hem zult

slaan, denk er aan dat hij je broeder is."

"Daar kunt gij u op verlaten," antwoordde Njaedel.

Anders was juist bezig zich te scheren.

Hij had het spiegeltje aan het vensterkozijn gehangen, zoodat het

volle daglicht, dat van de straat door het raam viel, hem bescheen. Met

eenen kant was hij klaar, maar de andere kant van zijn gezicht was nog

ingezeept. Toen hij zag, wie binnen kwamen, legde hij het scheermes

uit de hand, en een krampachtige trek verwrong zijn gezicht; spoedig

echter herstelde hij zich en de half idiote glimlach, die hem den

laatsten tijd eigen was geworden, vertoonde zich.

Hij stak zijnen broeder de hand toe. "Zoo ben je eindelijk gekomen

Njaedel.... daar hebt ge goed aan gedaan."

"Anders.... Anders!" riep Njaedel uit en met gebalde vuisten stond

hij dreigend voor hem.

"Wat heb je Christine aangedaan?"

Toen hij deze krachtvolle stem hoorde, scheen Anders als uit eene

verdooving te ontwaken. Van schrik kromp hij ineen en vluchtte in

den versten hoek van het vertrek. Zijn gezicht was bijna aschgrauw,

toen hij die dreigende vuisten aanstaarde.

Langzamerhand gelukte het hem met de grootste inspanning zijne zwakke

hersens tot denken te dwingen. De diepe vouwen, ontstaan door den

valschen glimlach, die hem zoo lang eigen was geweest, legden zich

opnieuw om den mond, en hij zeide op klagenden toon:

"Dat je het over je hart hebt kunnen krijgen Njaedel, zóó tegen je

broer te zijn, die altijd zoo zwak en ziekelijk is geweest. Weet

gij niet meer, hoe wij voor moeder heideplantjes gingen plukken,

daar op de hoogte?"

Njaedels armen vielen slap langs zijn lichaam.

Welke herinneringen bracht die zachte, klagende stem hem voor den

geest, dat geluid uit zijne kinderjaren, die stem van den broeder,

dien hij zoo had liefgehad!

"En weet je nog, wat moeder altijd zei," ging Anders voort, terwijl hij

zijn broeder geen oogenblik uit het oog verloor; "moeder zei altijd:

jij Njaedel bent een groote slungel, zei zij, maar Anders is fijn en

glad als een aal."

Njaedel knikte toestemmend. Anders had gelijk.

En zijne moeder, en de hut daar ginds in de bergen, en de hoogte met

de heideplantjes, die in den zonneschijn zulk een' heerlijken geur

verspreidden, alles stond op eens zoo klaar vóór hem; en te midden

van dit alles zag hij zijn broertje, bleek, zwak, hulpbehoevend,

die door hem over gevaarlijke plaatsen gedragen moest worden.

En al, wat tusschen dat verleden en dit tegenwoordige lag, smolt weg

als sneeuw voor de warme lentezon,--hij werd weer een kind, een groote,

linksche, goedhartige jongen, zooals hij altijd was geweest, en alle

toorn was in hem gebluscht, en toen hij wegging zeide hij slechts:

"Anders..... Anders..... dat had je niet moeten doen!"

Toen zij in de poort waren, zeide Sechus:

"'t Is maar goed, dat gij de hand niet aan hem geslagen hebt, gij

hadt hem als een suikerkrakeling aan stukken kunnen breken."

Njaedel's krachten waren gebroken, hij leunde tegen eenen muur en

snikte luid.

De opperloods liet hem zoo lang weenen als hij dacht, dat noodig was;

daarna trok hij hem zacht bij den arm mee, en Njaedel volgde gedwee

als een lam. Eindelijk traden zij bij een restaurant binnen. De

opperloods, die te Petersburg en te Kopenhagen was geweest, vond

zich hier spoedig te huis. Hij bestelde twee portiën beefsteak en

eene flesch bier. Juist toen zij aan de gedekte tafel wilden gaan

plaats nemen, dreunde het huis van de kanonschoten.

"De koning is aangekomen!" riep het meisje, dat bediende [11]. Zij

was in zeer slechten luim, omdat zij die twee boeren moest bedienen

in plaats van eventjes den optocht te zien.

Arbeiders: Roman · 第 30 / 34 题