Het kostte heel wat tijd, eer Njaedel en Sechus het hospitaal,
waar Christine zich bevond, vonden en hadden zij niet bij toeval
den politie-agent Knudsen naar den weg gevraagd, dan had het kunnen
gebeuren, dat zij onverrichter zake aan boord hadden moeten gaan,
of wel tot laat in den avond de stad in alle richtingen hadden moeten
doorkruisen. Het was reeds bijna drie uur en iedereen stroomde naar
de Karel-Johanstraat om den optocht te zien, zoodat niemand tijd had
te blijven staan om inlichtingen te geven; de politie-agent Knudsen
evenwel, die gelukkig zijnen proeftijd had doorstaan, wees hun,
toen hij hoorde, wie zij zochten, den weg en zoo kwamen zij aan
het hospitaal.
In de poort ontmoetten zij eene der verpleegsters, die naar de stad
wilde gaan. De opperloods nam zijne pelsmuts af en zeide: "Wij komen
hier zekere madam Christine Mo bezoeken."
"Zij is van nacht gestorven," antwoordde zij gejaagd: zij had haast.
"Gaat die gang in de tweede deur links, zij zijn juist met haar
bezig." Schielijk liep zij verder en deed de poort achter zich dicht.
"Nu, nu, Njaedel, dat is misschien maar het best voor haar," zeide
de opperloods om hem wat te troosten, "kom meê, wij hebben hier niets
meer te doen."
"Ik wil haar lijk zien," antwoordde Njaedel, en liep de gang in.
Vóór de deur, die de ziekeverpleegster had aangewezen, bleven
zij staan; de deur stond aan, en zij hoorden in het vertrek luid
spreken. De opperloods stiet de deur open, Njaedel en hij traden
binnen.
Dicht bij het raam stonden eenige jonge studenten over iets wits, dat
op de tafel lag, heengebogen. Een klein man, met grijs haar en in zijne
hemdsmouwen stond het dichtst van allen bij dit witte voorwerp, terwijl
men eenen blanken voet tusschen twee der omstanders zag uitsteken.
"Nooit heb ik het zoo spoedig zien afloopen," zeide dokter Rohde,
tot een der professoren, die hij had uitgenoodigd bij de ontleding
tegenwoordig te zijn. Johan Bennecken had uitdrukkelijk verboden het
lijk naar de ontleedkamer in de universiteit te brengen.
"En zij was met dien schurk van een Mo getrouwd?" vroeg de professor,
"hoe gaat het met hem?"
"De ziekte is naar binnen geslagen en de hersens zijn aangedaan. Wat
wilt gij?" vroeg de dokter plotseling, toen hij de twee mannen in de
deur zag staan.
"Hier is haar vader," zeide de opperloods op Njaedel wijzende,
"die gaarne haar lijk wilde zien."
"Neen, neen, beste vriend, 't is beter dat gij zulks niet doet."
Maar Njaedel kwam dichter bij de tafel; de jonge studenten maakten
voor hem plaats, en de professor gaf aan een der studenten een teeken
een laken over haar te werpen. Door de haast waarmede dit geschiedde
werd het lijk slechts ten halve bedekt; het was zoo uitgeteerd, dat
het slechts vel en been leek. Het dikke roode haar hing verward over
het voorhoofd, de wangen waren geheel ingevallen; zij zag er uit als
eene oude vrouw.
"Dat is zij niet!" fluisterde de opperloods Njaedel in.
Maar toen streek Njaedel het haar van zijne gestorven dochter een
weinig op zijde en legde zijnen vinger op het litteeken, dat zij aan
een der slapen had.
"Kom, Njaedel, nu moesten wij maar gaan."
De opperloods was doodsbleek. Njaedel zag rond en toen hij den indruk
kreeg, dat al deze welgekleede heeren belangstelling in zijne dochter
hadden getoond, reikte hij hun één voor één zijne hand. Toen hij echter
bij den professor kwam, week deze eene schrede achteruit:.. "Neen,
neen, beste man.... ik kan.... het is mij onmogelijk u de hand
te reiken."
Nu eerst zag Njaedel het blanke mes in zijne hand. Op dit gezicht
rilde hij en hij verliet met den opperloods dadelijk het vertrek.
Toen zij weer op straat stonden, zag Sechus Njaedel uitvorschend aan;
hij bemerkte dat deze de vuisten balde, en dat zijne tanden knarsend
tegen elkaar sloegen.
"Hij zal mij daar rekenschap van moeten geven, Anders," mompelde
Njaedel.
"Och," zeide de opperloods ietwat bang, "laat je aan Anders niet
meer gelegen liggen. Wij reizen nu ver weg, laten wij eerst zien,
wat eten te krijgen, want ik heb honger als een wolf."
Maar Njaedel was niet van zijn plan af te brengen; de opperloods
wilde echter niet naar den weg vragen en zoo moest Njaedel zulks
zelf doen; de politie-agent, tot wien hij zich wendde, zeide hem,
waar de minister Bennecken woonde.
Eindelijk stonden zij vóór het huis.
Een vreeselijke strijd had er in Njaedel's binnenste plaats. Hij kon
niet gelooven, dat zijn broeder de schuld van al die ellende was, en
toch ook de gedachte niet van zich zetten, dat zulks wel het geval
was. Maar in toorn ontstak hij niet, neen, eene diepe smart drukte
hem ter neer, hij gevoelde er behoefte aan zijnen broeder te zien:
in zijn hart hoopte hij nog altijd, dat deze misschien zich van die
schuld zou kunnen vrijspreken.
Toen zij een paar treden waren afgegaan, zeide de opperloods: "Eéne
zaak moet gij mij beloven Njaedel, dat gij de hand niet aan hem zult
slaan, denk er aan dat hij je broeder is."
"Daar kunt gij u op verlaten," antwoordde Njaedel.
Anders was juist bezig zich te scheren.
Hij had het spiegeltje aan het vensterkozijn gehangen, zoodat het
volle daglicht, dat van de straat door het raam viel, hem bescheen. Met
eenen kant was hij klaar, maar de andere kant van zijn gezicht was nog
ingezeept. Toen hij zag, wie binnen kwamen, legde hij het scheermes
uit de hand, en een krampachtige trek verwrong zijn gezicht; spoedig
echter herstelde hij zich en de half idiote glimlach, die hem den
laatsten tijd eigen was geworden, vertoonde zich.
Hij stak zijnen broeder de hand toe. "Zoo ben je eindelijk gekomen
Njaedel.... daar hebt ge goed aan gedaan."
"Anders.... Anders!" riep Njaedel uit en met gebalde vuisten stond
hij dreigend voor hem.
"Wat heb je Christine aangedaan?"
Toen hij deze krachtvolle stem hoorde, scheen Anders als uit eene
verdooving te ontwaken. Van schrik kromp hij ineen en vluchtte in
den versten hoek van het vertrek. Zijn gezicht was bijna aschgrauw,
toen hij die dreigende vuisten aanstaarde.
Langzamerhand gelukte het hem met de grootste inspanning zijne zwakke
hersens tot denken te dwingen. De diepe vouwen, ontstaan door den
valschen glimlach, die hem zoo lang eigen was geweest, legden zich
opnieuw om den mond, en hij zeide op klagenden toon:
"Dat je het over je hart hebt kunnen krijgen Njaedel, zóó tegen je
broer te zijn, die altijd zoo zwak en ziekelijk is geweest. Weet
gij niet meer, hoe wij voor moeder heideplantjes gingen plukken,
daar op de hoogte?"
Njaedels armen vielen slap langs zijn lichaam.
Welke herinneringen bracht die zachte, klagende stem hem voor den
geest, dat geluid uit zijne kinderjaren, die stem van den broeder,
dien hij zoo had liefgehad!
"En weet je nog, wat moeder altijd zei," ging Anders voort, terwijl hij
zijn broeder geen oogenblik uit het oog verloor; "moeder zei altijd:
jij Njaedel bent een groote slungel, zei zij, maar Anders is fijn en
glad als een aal."
Njaedel knikte toestemmend. Anders had gelijk.
En zijne moeder, en de hut daar ginds in de bergen, en de hoogte met
de heideplantjes, die in den zonneschijn zulk een' heerlijken geur
verspreidden, alles stond op eens zoo klaar vóór hem; en te midden
van dit alles zag hij zijn broertje, bleek, zwak, hulpbehoevend,
die door hem over gevaarlijke plaatsen gedragen moest worden.
En al, wat tusschen dat verleden en dit tegenwoordige lag, smolt weg
als sneeuw voor de warme lentezon,--hij werd weer een kind, een groote,
linksche, goedhartige jongen, zooals hij altijd was geweest, en alle
toorn was in hem gebluscht, en toen hij wegging zeide hij slechts:
"Anders..... Anders..... dat had je niet moeten doen!"
Toen zij in de poort waren, zeide Sechus:
"'t Is maar goed, dat gij de hand niet aan hem geslagen hebt, gij
hadt hem als een suikerkrakeling aan stukken kunnen breken."
Njaedel's krachten waren gebroken, hij leunde tegen eenen muur en
snikte luid.
De opperloods liet hem zoo lang weenen als hij dacht, dat noodig was;
daarna trok hij hem zacht bij den arm mee, en Njaedel volgde gedwee
als een lam. Eindelijk traden zij bij een restaurant binnen. De
opperloods, die te Petersburg en te Kopenhagen was geweest, vond
zich hier spoedig te huis. Hij bestelde twee portiën beefsteak en
eene flesch bier. Juist toen zij aan de gedekte tafel wilden gaan
plaats nemen, dreunde het huis van de kanonschoten.
"De koning is aangekomen!" riep het meisje, dat bediende [11]. Zij
was in zeer slechten luim, omdat zij die twee boeren moest bedienen
in plaats van eventjes den optocht te zien.