XXIII.

De een en twintig kanonschoten verkondigden de bevolking dat de koning

naar Stockholm was teruggekeerd. Dit was genoeg voor de oppositie en

gretig maakte zij van de gelegenheid gebruik om in hare bladen met de

gewone onbeschaamdheid de regeering aan te vallen. De geheele pers kwam

in gisting; al de oude strijdvragen werden opgedolven, iedere partij

rukte met hare scheldwoorden aan, die, tot groot genot der abonnés,

als pluimballen heen en weer gekaatst door de lucht vlogen.

Niet bewogen door politieke stormen ging de ridder Falck-Olsen den

volgenden Zondag voor zijnen grooten spiegel op en neer. Mevrouw

zette het een en ander te recht, en met trotsch keek zij naar het

kleine ordelint.

"Hoor vrouwlief.... wij moeten op reis."

"Op reis? Waarom? Ben je nog niet tevreden? Nu is uwen lang

gekoesterden wensch vervuld."

"Och wat!--Één ordeteeken is maar eene eerste schrede."

"Wel, goede hemel," riep mevrouw min of meer uit haar humeur, "gij

meent nu wel op eens eene gewichtige persoonlijkheid te zijn geworden,

Ole Johan? Wanneer een ordeteeken slechts de eerste schrede is,

zoo wilde ik wel eens weten waaruit de tweede bestaat."

"Nog een ordeteeken," antwoordde haar man en hij verliet het salon. Men

had hem namelijk wijs gemaakt, dat de Duitsche vorsten, wanneer zij

aan eene badplaats vertoeven, altijd ordeteekenen mede nemen, en dat

het zeer gemakkelijk gaat, er een te krijgen.... inzonderheid wanneer

reeds een lintje op de borst prijkt.

De familie Falck-Olsen reisde dus naar Ems en een paar weken later

ontving Caroline Hjelm een' brief van Louise, waarin o. a. stond:

"Je kunt niet half gelooven, hoe heerlijk het voor mij is, des morgens

wakker te worden en niet meer aan Hans te moeten denken.

"Dat ik zoo dom kon zijn! Wij pasten volstrekt niet bij

elkander. Gisteren reden wij op ezels en een Engelschman, die ook van

de partij was (Papa zegt dat hij een Lord is), is er zoo stijf van,

dat hij nauwelijks kan zitten als andere menschen, maar een gedeelte

van zijne ruggegraat moet gebruiken."

Caroline was onvoorzichtig genoeg deze regels aan hare moeder voor

te lezen, en den volgenden dag zeide Mevrouw Hjelm tot neef Hans:

"Je hebt Louise Falck-Olsen juist beoordeeld. Het buitenland heeft

haar reeds in den grond bedorven."

Neef Hans zuchtte.

Anders de almachtige was werkelijk zwak van geest geworden.

Een paar dagen later veroorzaakte hij in het Departement een groot

schandaal, door dingen te vertellen, die niet verteld mochten

worden. De minister zag zich genoodzaakt krachtige maatregelen te

nemen en door bemiddeling van den Redacteur Mortensen gelukte het den

ouden trouwen dienaar bij zekere Madam Gluncke, die naaimeisjes hield,

onder dak te brengen.

Hier gevoelde hij zich zeer gelukkig. Toen men onderzocht, hoe het

met zijne geldzaken stond, kwam men tot de ontdekking, dat hij,

inzonderheid in de laatste jaren, groote sommen ja, onbegrijpelijke

groote sommen in de spaarbank had geplaatst. Nadat hij eenigen tijd

met de levenslustige meisjes in de naaischool van "Malle Bimbam" had

verkeerd, scheen hij weldra het Departement en wat daartoe behoorde,

vergeten te hebben.

Daarentegen werd hij een trouw bezoeker van de kerk... en plaatste

zich altijd aan den kant, waar de vrouwen zaten. Voor menige jonge

dame was het een stichtend genot den eerwaardigen grijsaard in haar

psalmboek den text van het gezang te laten volgen; men werd er bijna

van geroerd naar het bleeke gezicht en het sneeuw witte haar, dat in

lokjes op den jaskraag viel, te kijken.

Intusschen werd de pluimbal door de pers met eene woede, die bijna

aan razernij grensde, heen en weer geworpen en inzonderheid was de

oppositie zeer ijverig.

Eerst begreep men niet, wat de ambtman Hiorth eigenlijk in het

Ministerie moest doen, een man, dien niemand kende. Zoo ook werden

er toespelingen gemaakt op een vreeselijk schandaal, dat in het

Departement van den minister Bennecken moest hebben plaats gehad;

documenten moesten verdwenen zijn, geheime verbergplaatsen aan het

licht zijn gekomen, waarin de gewichtigste staatsstukken gestopt

werden, en eene menigte ontdekkingen van de bedenkelijkste soort

zijn gedaan.

De mondelinge geruchten, die in omloop kwamen, waren van erger soort;

er werd gefluisterd, dat de minister in zeer nauwe betrekking had

gestaan tot een zeer slecht ter naam en faam staande vrouw, eene

zekere madam Gluncke; buitendien wist de geheele stad, dat twee der

kinderen van de familie, na eene hevige familie-scène, hals over kop

naar Amerika waren vertrokken.

Maar waar toch Anders, de almachtige gebleven was, met dit vraagstuk

hield men zich het meest bezig.

De minister droeg zijn hoofd nog een weinig hooger dan gewoonlijk, en

dezelfde genadige glimlach plooide zich om zijnen mond, wanneer hij

op straat de voorbijgangers groette. Niettegenstaande het volkomen

kalme uitzicht van den minister allen in het Departement zou hebben

moeten tevreden stellen, steeg de ongerustheid meer en meer.

Iederen morgen zag men met verlangen uit naar den "Waren Vriend des

Volks," maar deze bewaarde het stilzwijgen; geen heftig hoofdartikel,

dat den mond der schreeuwers kon stoppen en de gemoederen tot bedaren

kon brengen, verscheen.

"Maar nu wordt het toch waarachtig tijd, dat Mortensen de zaak

aangrijpt;" riep de commies Orseth uit en zijne vuist viel hard op

de tafel.

"Ja voor den d..... dat moet hij;" herhaalde de kamerjonker Hiorth,

die, nu hij zoo hoog was gestegen, zich verbeeldde ook wat te zeggen

te hebben. En het geheele Departement was het eens, dat Mortensen

nu wat doen moest. Allen verkeerden in eene gespannen en heftige

stemming, toen de Redacteur binnenkwam en het nog vochtige nieuwsblad

op tafel wierp.

Hiorth greep de courant en las: "Geruchten-uitstrooiers en

Intriganten."

"Eindelijk!" eene doodsche stilte ontstond, toen hij begon te lezen.

Eerst werd de aandacht van de lezers gevestigd, op het gebrek aan

wapenen der oppositie, nu zij zich liet verleiden, in politieke

quaestiën, geruchten en oudewijvenpraat te mengen. Daarna werd onder

de aandacht gebracht, dat de voor het oogenblik bestaande politieke

toestand ieder welgezind en verlicht burger tot tevredenheid moest

stemmen.

"Dat intusschen," las Hiorth verder, maar de Redacteur trok hem de

courant uit de hand: "laat mij lezen!".... "dat intusschen eene zoo

alledaagsche zaak, als het ontslag van eenen bejaarden conciërge aan

het Departement tot zulke artikelen vol schandalen aanleiding kan

geven, is, op zich zelf genomen, een teeken des tijds, dat waard

is ad notam te nemen. Want achter dit.... achter deze gehuichelde

belangstelling voor de minste bijzonderheden van het Staatsbestuur

ligt heel iets anders, iets dat iederen dag meer en meer veld bij

ons wint, iets dat wij van den aanvang, van den wortel af, ernstig

moeten trachten uit te roeien, indien wij willen verhinderen, dat er

schadelijke vruchten aan rijpen voor onze maatschappij. Het is de

ingewortelde haat, die alle lage karakters, alle slechts ten halve

ontwikkelden tegen alle autoriteiten, tegen allen, die geestelijk boven

hen staan, voeden; een haat die zich openbaart tegen de van God over

ons gestelde Overheid, en die, terwijl hij aan het schandelijkste

ongeloof de hand reikt, tot in de heiligste schuilhoeken van het

familieleven doordringt, met het verhevenste den spot drijft, en

dreigt onze maatschappij geheel ten onder te brengen, ons tot de

wildste anarchie te voeren. Zekerlijk zijn er velen onder ons, die

zich geruststellen met de gedachte, dat de Noorsche ambtenaarsstand

zich aan dergelijke uitvallen niet zal storen--en met recht. Maar toch

beschouwen wij het als onzen plicht den vinger op deze wondeplek te

leggen, want hier begint een gevaar, waardoor de geheele maatschappij

wordt bedreigd. Eene grens moet er gesteld worden aan de al meer en

meer toenemende onbeschaamdheid, die in woorden en geschrift zich het

recht aanmatigt te oordeelen over hetgeen, naar de verordeningen Gods

en der menschen, boven hun oordeel verheven is; en zoo dit niet door

gemeenschappelijke krachtsinspanning van alle burgers geschiedt, zoo

zullen wij spoedig van het ergerniswekkende schouwspel getuige zijn,

dat eene oproerig gestemde menigte openlijk de wetten trotseert en

met de handhavers der wet den spot drijft. Laat ons daarom waakzaam

zijn en acht geven op de teekenen des tijds.

Niet dat wij eenige vrees koesteren, neen Goddank! Zoowel in onzen

verhevenen monarch, als in de vereeniging met ons broedervolk

en werkelijk niet het minst van allen in den sterken kring van

intelligente, begaafde staatslieden en ambtenaars, die zoolang onze

maatschappij met hunne krachten bijgestaan hebben en die aan de dagen

van voorheen getrouw zullen blijven--in alle dezen hebben wij te

goede waarborgen, dan dat er reden zou kunnen bestaan eenige vrees

te koesteren. Maar--wij herhalen het--laat ons waakzaam zijn en op

de teekenen des tijds acht geven. Booze, het licht schuwende machten

staan in onze maatschappij op den loer; laat het volle daglicht maar

eens op hen vallen en als booze geesten zullen zij terugvliegen naar

de duisternis, die hen geboren deed worden."

Een groot gejubel ontstond er onder de hoorders, toen Mortensen had

geëindigd. Orseth wreef zich vergenoegd de handen en riep: "Kijk,

dat is ferm--heel ferm gezegd. Hebt gij er naar geluisterd Hansen,

dat was ook wat voor u!"

De oude Hansen boog zich wat verder over den hoop papieren, die voor

hem lag.

Al de anderen voelden zich als van eenen zwaren last ontheven. Het

schandaal was tot eene kleinigheid teruggebracht en den schreeuwers

was een goed pak toegediend.

Mortensen zag den kring, die zich om hem heen had gevormd, rond

en zeide: "Ja.... nu ziet gij eens, kereltjes, wat gij zonder mij

waart! Bestaat er iets zoo zegenrijk voor een land als eene verlichte,

waarheidlievende en rechtvaardig gezinde pers?"

Toen Mortensen deze woorden zeide, had de dubbelzinnige glimlach,

die hem meestal eigen was, om zijne lippen gespeeld; men was er

nooit van verzekerd, of hij oprecht meende, wat hij zeide, dan of

het satirisch bedoeld was.

Maar thans lachte niemand, want op dit oogenblik gevoelden allen,

dat Mortensen gelijk had.

Arbeiders: Roman · 第 32 / 34 题