De een en twintig kanonschoten verkondigden de bevolking dat de koning
naar Stockholm was teruggekeerd. Dit was genoeg voor de oppositie en
gretig maakte zij van de gelegenheid gebruik om in hare bladen met de
gewone onbeschaamdheid de regeering aan te vallen. De geheele pers kwam
in gisting; al de oude strijdvragen werden opgedolven, iedere partij
rukte met hare scheldwoorden aan, die, tot groot genot der abonnés,
als pluimballen heen en weer gekaatst door de lucht vlogen.
Niet bewogen door politieke stormen ging de ridder Falck-Olsen den
volgenden Zondag voor zijnen grooten spiegel op en neer. Mevrouw
zette het een en ander te recht, en met trotsch keek zij naar het
kleine ordelint.
"Hoor vrouwlief.... wij moeten op reis."
"Op reis? Waarom? Ben je nog niet tevreden? Nu is uwen lang
gekoesterden wensch vervuld."
"Och wat!--Één ordeteeken is maar eene eerste schrede."
"Wel, goede hemel," riep mevrouw min of meer uit haar humeur, "gij
meent nu wel op eens eene gewichtige persoonlijkheid te zijn geworden,
Ole Johan? Wanneer een ordeteeken slechts de eerste schrede is,
zoo wilde ik wel eens weten waaruit de tweede bestaat."
"Nog een ordeteeken," antwoordde haar man en hij verliet het salon. Men
had hem namelijk wijs gemaakt, dat de Duitsche vorsten, wanneer zij
aan eene badplaats vertoeven, altijd ordeteekenen mede nemen, en dat
het zeer gemakkelijk gaat, er een te krijgen.... inzonderheid wanneer
reeds een lintje op de borst prijkt.
De familie Falck-Olsen reisde dus naar Ems en een paar weken later
ontving Caroline Hjelm een' brief van Louise, waarin o. a. stond:
"Je kunt niet half gelooven, hoe heerlijk het voor mij is, des morgens
wakker te worden en niet meer aan Hans te moeten denken.
"Dat ik zoo dom kon zijn! Wij pasten volstrekt niet bij
elkander. Gisteren reden wij op ezels en een Engelschman, die ook van
de partij was (Papa zegt dat hij een Lord is), is er zoo stijf van,
dat hij nauwelijks kan zitten als andere menschen, maar een gedeelte
van zijne ruggegraat moet gebruiken."
Caroline was onvoorzichtig genoeg deze regels aan hare moeder voor
te lezen, en den volgenden dag zeide Mevrouw Hjelm tot neef Hans:
"Je hebt Louise Falck-Olsen juist beoordeeld. Het buitenland heeft
haar reeds in den grond bedorven."
Neef Hans zuchtte.
Anders de almachtige was werkelijk zwak van geest geworden.
Een paar dagen later veroorzaakte hij in het Departement een groot
schandaal, door dingen te vertellen, die niet verteld mochten
worden. De minister zag zich genoodzaakt krachtige maatregelen te
nemen en door bemiddeling van den Redacteur Mortensen gelukte het den
ouden trouwen dienaar bij zekere Madam Gluncke, die naaimeisjes hield,
onder dak te brengen.
Hier gevoelde hij zich zeer gelukkig. Toen men onderzocht, hoe het
met zijne geldzaken stond, kwam men tot de ontdekking, dat hij,
inzonderheid in de laatste jaren, groote sommen ja, onbegrijpelijke
groote sommen in de spaarbank had geplaatst. Nadat hij eenigen tijd
met de levenslustige meisjes in de naaischool van "Malle Bimbam" had
verkeerd, scheen hij weldra het Departement en wat daartoe behoorde,
vergeten te hebben.
Daarentegen werd hij een trouw bezoeker van de kerk... en plaatste
zich altijd aan den kant, waar de vrouwen zaten. Voor menige jonge
dame was het een stichtend genot den eerwaardigen grijsaard in haar
psalmboek den text van het gezang te laten volgen; men werd er bijna
van geroerd naar het bleeke gezicht en het sneeuw witte haar, dat in
lokjes op den jaskraag viel, te kijken.
Intusschen werd de pluimbal door de pers met eene woede, die bijna
aan razernij grensde, heen en weer geworpen en inzonderheid was de
oppositie zeer ijverig.
Eerst begreep men niet, wat de ambtman Hiorth eigenlijk in het
Ministerie moest doen, een man, dien niemand kende. Zoo ook werden
er toespelingen gemaakt op een vreeselijk schandaal, dat in het
Departement van den minister Bennecken moest hebben plaats gehad;
documenten moesten verdwenen zijn, geheime verbergplaatsen aan het
licht zijn gekomen, waarin de gewichtigste staatsstukken gestopt
werden, en eene menigte ontdekkingen van de bedenkelijkste soort
zijn gedaan.
De mondelinge geruchten, die in omloop kwamen, waren van erger soort;
er werd gefluisterd, dat de minister in zeer nauwe betrekking had
gestaan tot een zeer slecht ter naam en faam staande vrouw, eene
zekere madam Gluncke; buitendien wist de geheele stad, dat twee der
kinderen van de familie, na eene hevige familie-scène, hals over kop
naar Amerika waren vertrokken.
Maar waar toch Anders, de almachtige gebleven was, met dit vraagstuk
hield men zich het meest bezig.
De minister droeg zijn hoofd nog een weinig hooger dan gewoonlijk, en
dezelfde genadige glimlach plooide zich om zijnen mond, wanneer hij
op straat de voorbijgangers groette. Niettegenstaande het volkomen
kalme uitzicht van den minister allen in het Departement zou hebben
moeten tevreden stellen, steeg de ongerustheid meer en meer.
Iederen morgen zag men met verlangen uit naar den "Waren Vriend des
Volks," maar deze bewaarde het stilzwijgen; geen heftig hoofdartikel,
dat den mond der schreeuwers kon stoppen en de gemoederen tot bedaren
kon brengen, verscheen.
"Maar nu wordt het toch waarachtig tijd, dat Mortensen de zaak
aangrijpt;" riep de commies Orseth uit en zijne vuist viel hard op
de tafel.
"Ja voor den d..... dat moet hij;" herhaalde de kamerjonker Hiorth,
die, nu hij zoo hoog was gestegen, zich verbeeldde ook wat te zeggen
te hebben. En het geheele Departement was het eens, dat Mortensen
nu wat doen moest. Allen verkeerden in eene gespannen en heftige
stemming, toen de Redacteur binnenkwam en het nog vochtige nieuwsblad
op tafel wierp.
Hiorth greep de courant en las: "Geruchten-uitstrooiers en
Intriganten."
"Eindelijk!" eene doodsche stilte ontstond, toen hij begon te lezen.
Eerst werd de aandacht van de lezers gevestigd, op het gebrek aan
wapenen der oppositie, nu zij zich liet verleiden, in politieke
quaestiën, geruchten en oudewijvenpraat te mengen. Daarna werd onder
de aandacht gebracht, dat de voor het oogenblik bestaande politieke
toestand ieder welgezind en verlicht burger tot tevredenheid moest
stemmen.
"Dat intusschen," las Hiorth verder, maar de Redacteur trok hem de
courant uit de hand: "laat mij lezen!".... "dat intusschen eene zoo
alledaagsche zaak, als het ontslag van eenen bejaarden conciërge aan
het Departement tot zulke artikelen vol schandalen aanleiding kan
geven, is, op zich zelf genomen, een teeken des tijds, dat waard
is ad notam te nemen. Want achter dit.... achter deze gehuichelde
belangstelling voor de minste bijzonderheden van het Staatsbestuur
ligt heel iets anders, iets dat iederen dag meer en meer veld bij
ons wint, iets dat wij van den aanvang, van den wortel af, ernstig
moeten trachten uit te roeien, indien wij willen verhinderen, dat er
schadelijke vruchten aan rijpen voor onze maatschappij. Het is de
ingewortelde haat, die alle lage karakters, alle slechts ten halve
ontwikkelden tegen alle autoriteiten, tegen allen, die geestelijk boven
hen staan, voeden; een haat die zich openbaart tegen de van God over
ons gestelde Overheid, en die, terwijl hij aan het schandelijkste
ongeloof de hand reikt, tot in de heiligste schuilhoeken van het
familieleven doordringt, met het verhevenste den spot drijft, en
dreigt onze maatschappij geheel ten onder te brengen, ons tot de
wildste anarchie te voeren. Zekerlijk zijn er velen onder ons, die
zich geruststellen met de gedachte, dat de Noorsche ambtenaarsstand
zich aan dergelijke uitvallen niet zal storen--en met recht. Maar toch
beschouwen wij het als onzen plicht den vinger op deze wondeplek te
leggen, want hier begint een gevaar, waardoor de geheele maatschappij
wordt bedreigd. Eene grens moet er gesteld worden aan de al meer en
meer toenemende onbeschaamdheid, die in woorden en geschrift zich het
recht aanmatigt te oordeelen over hetgeen, naar de verordeningen Gods
en der menschen, boven hun oordeel verheven is; en zoo dit niet door
gemeenschappelijke krachtsinspanning van alle burgers geschiedt, zoo
zullen wij spoedig van het ergerniswekkende schouwspel getuige zijn,
dat eene oproerig gestemde menigte openlijk de wetten trotseert en
met de handhavers der wet den spot drijft. Laat ons daarom waakzaam
zijn en acht geven op de teekenen des tijds.
Niet dat wij eenige vrees koesteren, neen Goddank! Zoowel in onzen
verhevenen monarch, als in de vereeniging met ons broedervolk
en werkelijk niet het minst van allen in den sterken kring van
intelligente, begaafde staatslieden en ambtenaars, die zoolang onze
maatschappij met hunne krachten bijgestaan hebben en die aan de dagen
van voorheen getrouw zullen blijven--in alle dezen hebben wij te
goede waarborgen, dan dat er reden zou kunnen bestaan eenige vrees
te koesteren. Maar--wij herhalen het--laat ons waakzaam zijn en op
de teekenen des tijds acht geven. Booze, het licht schuwende machten
staan in onze maatschappij op den loer; laat het volle daglicht maar
eens op hen vallen en als booze geesten zullen zij terugvliegen naar
de duisternis, die hen geboren deed worden."
Een groot gejubel ontstond er onder de hoorders, toen Mortensen had
geëindigd. Orseth wreef zich vergenoegd de handen en riep: "Kijk,
dat is ferm--heel ferm gezegd. Hebt gij er naar geluisterd Hansen,
dat was ook wat voor u!"
De oude Hansen boog zich wat verder over den hoop papieren, die voor
hem lag.
Al de anderen voelden zich als van eenen zwaren last ontheven. Het
schandaal was tot eene kleinigheid teruggebracht en den schreeuwers
was een goed pak toegediend.
Mortensen zag den kring, die zich om hem heen had gevormd, rond
en zeide: "Ja.... nu ziet gij eens, kereltjes, wat gij zonder mij
waart! Bestaat er iets zoo zegenrijk voor een land als eene verlichte,
waarheidlievende en rechtvaardig gezinde pers?"
Toen Mortensen deze woorden zeide, had de dubbelzinnige glimlach,
die hem meestal eigen was, om zijne lippen gespeeld; men was er
nooit van verzekerd, of hij oprecht meende, wat hij zeide, dan of
het satirisch bedoeld was.
Maar thans lachte niemand, want op dit oogenblik gevoelden allen,
dat Mortensen gelijk had.