Dokter Johan Bennecken bleef een jaar lang te Weenen. Van Hilda alleen
ontving hij berichten van huis en van haar hoorde hij dat Christine
met haren oom was getrouwd. Na dit bericht schreef hij geen enkelen
brief meer naar huis en lang dacht hij er over, voor goed te Weenen
te blijven of wel naar Amerika te gaan.
Na den geheelen winter zijn leed gedragen te hebben, kreeg hij in
het voorjaar zulk een verlangen haar nog eenmaal te zien en tevens
om te hooren, hoe alles in 't werk was gegaan, dat hij in het midden
van Maart naar het vaderland terugkeerde.
Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein en hoe nader hij kwam,
des te verwarder werden zijne denkbeelden. Zij had Alfred dus niet
bemind, maar waarom dan het aanzoek van dien ouden man niet van de
hand geslagen?
Hilda had hem, ofschoon zij nooit meer antwoord ontving, getrouw
gedurende den geheelen winter geschreven en hij had dus ook van haar
gehoord, dat Christine den geheelen winter ziekelijk was geweest. Toen
hij het ouderlijk huis binnentrad, vermeed hij, eenen blik door de
ramen van Mo te werpen, maar liep dadelijk naar boven.
Mevrouw Bennecken slaakte een' uitroep van de grootste verwondering
toen zij hem zag; in zoo verre was zijne komst eene verrassing, wijl
er slechts vluchtig sprake van was geweest, dat hij misschien tegen
de lente t'huis zou komen.
"Het spijt mij, dat ik u doe schrikken, ik had eigenlijk een telegram
moeten zenden," zeide Johan.
Mevrouw zag hem met een gespannen onderzoekenden blik aan; er lag
iets zoo droefgeestigs in zijne trekken, dat zij, toen zij hem een
welkomstkus gaf, onwillekeurig mompelde: "je bent in je voorkomen
zoo veranderd, Johan, dat ik je niet dadelijk herkende."
Hilda kwam ook binnen en vloog hem om den hals.
"Welkom.... welkom, beste Johan, maar wat ben je veranderd!"
"Vindt gij dat ook?"
"Ja, je ziet er wel tien jaar ouder uit; grijze haren zie ik in je
baard en.... werkelijk Johan.... je haar is ook uitgevallen, je hebt
daar van achteren eene kale plek." Haar broeder glimlachte op de hem
eigene zwaarmoedige wijze; Hilda vond, toen zij hem nauwkeurig opnam,
dat hij geheel veranderd was, en het kwam haar voor, dat hij ook meer
mank ging.
Toen de minister t'huis kwam, had hij een vertrouwelijk gesprek met
zijne vrouw, en gedurende den maaltijd waren beiden zoo vriendelijk
jegens den teruggekeerden zoon, dat Johans hart er van begon te
kloppen; zelfs Alfred was geheel anders tegen hem dan vroeger. Johan
had het plan gemaakt met Hilda een weinig na het eten te praten,
maar mevrouw voorkwam dit; zij zond hare dochter dadelijk na het
middagmaal uit om eenige inkoopen te doen.
Toen het begon te schemeren, sloop hij de trap af naar de woning
van den conciërge. Bij de paar trappen gekomen, die naar Christines
kamer voerden, bekroop hem hetzelfde beklemde gevoel van vroeger,
maar nu smartelijker dan toen. Eindelijk verzamelde hij al zijnen
moed en klopte aan. Een niet meer jong dienstmeisje, dat hij vroeger
nooit had gezien, opende de deur. Nu was hij in het vertrek, dat hij
zoovele malen in zijne droomen had gezien, waar hij in gedachten
gedurende zijne afwezigheid zooveel met haar had doorleefd; eerst
waren die droomen zoo vol hoop en verwachting geweest, toen, nadat
hij gehoord had, dat zij getrouwd was, zoo weemoedig, maar nimmer
had hij het denkbeeld van zich kunnen afzetten, dat zij hem eene
verklaring schuldig was. Alles in de kamer herinnerde hem zoo levendig
aan haar, en met moeite kon hij de woorden uit de keel krijgen:
"is zij te huis?" Het dienstmeisje zag hem vreemd aan en antwoordde:
"madam is binnen."
Een schok ging hem door het lichaam, toen hij haar zoo hoorde
betitelen. De deur van de kamer, die Christine vroeger altijd had
bewoond, stond open. Geen licht was er opgestoken, maar het gaslicht
van de lantaarn, die vlak bij het huis stond, wierp groote gele
vierkante vlekken op den vloer, en de dokter zag dat er iemand in
het bed lag.