De zieke ging half overeind zitten en staarde hem aan. Johan moest
eenen steun tegen de deur zoeken.
Was dat Christine?
De zieke slaakte een' kreet en met hare armen maakte zij eene beweging
om hem op een' afstand te houden. Het dienstmeisje was zeer boos op hem
en zei: "ik dacht, dat gij heel goed met madam Mo bekend waart." Buiten
de kamer vroeg hij: "welke ziekte heeft zij, wat scheelt haar?"
"Ja, dat weet ik niet," luidde het antwoord en zij opende de voordeur.
Werktuiglijk verliet hij de woning en liep de straat op. Hij had
haar gezien, hij had hare gelaatstrekken zoo duidelijk aanschouwd,
dat hij, al werd hij honderd jaar oud, die nooit zou vergeten. Een
onbepaald angstig gevoel maakte zich van hem meester en met rassche
schreden sloeg hij den weg naar de woning van dokter Rohde in.
De oude dokter zat rustig in zijnen leuningstoel en las de courant.
"Ei, ei! Is mijnheer de professor in het vaderland teruggekeerd,
welkom t'huis beste jongen, hoe heb je het?" Dokter Rohde, die de
huisarts van de familie Bennecken was, had de gewoonte behouden de
kinderen, die hij van jongs af had gekend, familiaar te behandelen.
Johan beantwoordde zijne vriendelijke vraag volstrekt niet, maar met
gejaagde stem zei, hij: "wat scheelt Christine?"
"He?.... Christine?" vroeg de dokter en hij nam zijnen bril af,
"o! je bedoelt de vrouw van den conciërge. Heb je haar bezocht?"
"Ja."
"Nu, zoo weet gij, wat haar scheelt," zeide de oude geneesheer
op ernstigen toon, "het is een van de ernstigste gevallen, die mij
gedurende mijne praktijk zijn voorgekomen. Het schijnt dat haar gezond
lichaam voor de besmetting bijzonder vatbaar was...."
"Maar van wien.... van wien heeft zij de ziekte geërfd?"
Hij was doodsbleek en zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd.
"Maar mijn goede jongen, hoe kunt ge je die zaak zoo aantrekken," vroeg
de oude dokter, die echter het verband der zaken begon te begrijpen,
"natuurlijk heeft zij die van haren man geërfd. Tweemaal is hij in 't
hospitaal in de afdeeling voor huidziekten geweest, wist gij dat niet,
ik heb hem hier in 't boek staan, dien ouden schurk!" en de dokter
begon in een dik boek, dat op zijne schrijftafel lag, te bladeren.
"En gij wist het en hebt haar niet gewaarschuwd, dokter Rohde, dat
was meer dan gemeen van u," en Johan stond met gebalde vuist voor hem.
"Mijn beste jongen, ik heb waarachtig met je te doen," antwoordde
hij, "waart gij niet van huis geweest, zoo had ik het jou als collega
medegedeeld, maar je weet zelf, dat, zoo wij doktoren alles vertelden,
wat wij weten, menig voorgenomen huwelijk zou afspringen, om er nu
nog niet eens van te spreken, dat wij ons zelf veel schade zouden
berokkenen. Overigens kwam het mij voor, dat het ditmaal eene zaak
betrof, die je vader meer aanging dan mij."
"Wilt gij nu nog bovendien beweren, dat mijn vader er van wist! O,
gij zijt en blijft een oude cynicus!" Zijne oogen fonkelden van toorn
en zonder vaarwel te zeggen ging hij weg.
"Arme jongen!" zeide de oude geneesheer en nam de courant weer ter
hand, "het is hem nooit meegeloopen!"
Al de bekenden van Johan Bennecken waren het eens, dat het verblijf
in het buitenland een' vreemden invloed op hem had uitgeoefend. Hij
bezocht niemand, was nooit te huis en liet zich niets aan zijne
praktijk gelegen liggen. Des nachts, of des avonds laat kon men hem
op straat ontmoeten, meest echter in de nabijheid van het huis des
ministers. Naar het scheen, wilde hij niet herkend worden, daar hij
de kraag van zijne jas steeds over de ooren had getrokken. Men meende,
dat hij gewoonlijk in het ouderlijke huis vertoefde.
Dit was niet het geval. Den geheelen dag zwierf hij buiten de stad
rond, maar wanneer het duister werd, ging hij altijd naar de plaats,
waar hij voortdurend met zijne gedachten was.
Op zekeren avond ontmoette hij dokter Rohde, die juist naar Christine
op weg was.
"Ga mee, je kunt mij van dienst zijn," zeide de oude dokter, die
hunne laatste ontmoeting vergeten scheen te zijn. Johan volgde hem;
hij kon onmogelijk weerstand bieden aan het verlangen haar te zien.
Christine kromp ineen, toen zij hem zag binnen komen, maar dokter
Rohde bracht haar tot bedaren en zeide op bijna roerenden toon:
"Zie zoo, beste kind! tracht nu kalm te blijven en stel je niet
kinderachtig aan. Het leven is voor je somber genoeg geweest en je
moet dankbaar zijn, dat ten laatste nog een zonnestraaltje door de
duisternis breekt. Voor zoover ik zien kan, is geen ander geluk voor
u beiden weggelegd, dan dat gij gedurende den tijd, dien gij Christine
nog te leven hebt, je door hem laat verplegen. Vertelt nu aan elkander
alles, wat u op het hart ligt!"
Na deze woorden gezegd te hebben ging de oude cynicus heen; Johan
Bennecken lag langen tijd geknield voor het bed en vertelde alles,
wat in zijn hart was omgegaan.
In het begin begreep zij hem niet, slechts langzamerhand vatte zij,
wat hij bedoelde; toen de volle waarheid haar eindelijk duidelijk
werd, rolde de eene traan na den anderen op haar hoofdkussen en
de liefde, die zij onbewust voor hem had gekoesterd, verwarmde met
haren gloed het arme hart dat zoo veel geleden had; die liefde deed
haar voor een oogenblik vergeten, in welk een ellendigen toestand
haar lichaam zich bevond en schonk haar eene zaligheid, waarvan zij
nooit had gedroomd. Zij vergat al de fraaie woorden en uitdrukkingen,
welke men haar in de stad had geleerd; in 't boeren-dialect vertelde
zij hem hoe alles was toegegaan en smeekte hem haar te vergeven,
dat zij hem zoo slecht had begrepen. En beiden schonken zij elkaar
vergiffenis, en beiden trachtten het verledene te vergeten, om in de
oogenblikken, die haar nog waren vergund, alleen voor hunne liefde
te leven. Van dien dag af belastte dokter Bennecken zich met hare
verpleging. Zijne moeder keek hem met een' uitvorschenden blik aan,
toen hij zulks mededeelde, en hij kon niet nalaten, haar op zijne
beurt scherp in de oogen te zien. Het was eene groote verlichting
voor hem, toen zij op deelnemenden toon zeide: "Die arme Christine,
soms maak ik mij angstig, dat zij de zware rheumatiek, waaraan zij
lijdt, opgedaan heeft in de kelderwoning; niet lang geleden vernam ik,
dat die zoo ongezond moet zijn."
Nooit werd de naam van Oom Anders door Christine en Johan genoemd,
en oom paste, zooveel hij kon, op, niet t'huis te zijn wanneer hij
vermoedde, dat de jonge dokter er was.
Over het geheel spraken zij weinig met elkander.
Wanneer hij echter de windsels had verwisseld, en alles, wat hij kon,
gedaan had om haren toestand te verzachten, wilde zij, dat hij een
poosje bij haar aan het bed kwam zitten. Doodstil lag zij dan en zag
hem aan, maar had niet gaarne, dat hij haar aankeek, ofschoon hij haar
telkens verzekerde, dat zij in zijne oogen dezelfde van vroeger was.
Christine had den angst voor het hospitaal, die zoo diep bij den
eenvoudigen burgerman wortel heeft geschoten, en dikwijls maar al
te gegrond is; eindelijk liet zij zich door hem overhalen zich er te
laten heenbrengen.
Op den dag, die hiertoe bepaald was, was het heerlijk zonnig weêr;
in den morgen kreeg zij eenen brief van huis, dien zij slechts met
groote inspanning kon lezen.
"Lieve Christine!
"De Lensmand zeide, dat ik eene schriftelijke klacht moest indienen,
en dat heb ik gedaan, en nu is dat papier weer naar mij teruggezonden,
en ge kunt niet half gelooven, hoe het er uitzag, door naamteekeningen
en aanteekeningen als: "Aan den korporaal ter inzage, terug aan den
ambtman en den ingenieur der openbare wegen en eene menigte proosten
hebben er ook wat opgeschreven en ten laatste was er op de laatste
zijde nog maar een klein onbeschreven plaatsje over, en daar schreef
ik: "Juist zoo als ik verwacht heb,--Sechus," maar de ambtman moet
daarom heel boos op mij zijn.
"Maar dat is nu niet het ergste, maar het is goed, dat gij het goed
hebt, zooals ge laatst schreeft, want wij hebben het niet goed,
wat ik je eerst niet heb willen vertellen, daar ik je niet treurig
wilde maken, maar nu moet het uit mijne pen, want nu staan de zaken
geheel verkeerd. Je vader is zoo arm als een bedelaar geworden, ja,
hij is doodarm, hij bezit niets meer, alles is weggegaan aan die zaak,
waarmede je man te doen heeft, en buitendien is het nog zoo gesteld,
dat hij niet meer werkt, dus nu kunt ge wel denken hoe het gaat;
hij zit maar op zijnen stoel, en tuurt naar den muur. Dat moest ik u
nu vertellen, want gij moet t'huis komen en de zaken hier wat aan den
gang helpen, het gaat mijn verstand te boven, en ik begin te gelooven,
dat hij er krankzinnig van kan worden, maar zoo je niet kunt komen,
schrijf hem dan ten minste iets goeds, liefst van de zaak.
Uw oude vriend,
Lauritz B. Sechus.
Christina legde het hoofd in 't kussen en schreide. Gedurende den
geheelen winter had zij haar best gedaan zoo vroolijk mogelijk
naar huis te schrijven en de opperloods had haar op denzelfden toon
geantwoord: nu begreep zij, dat zij de waarheid voor elkaar verborgen
hadden en een vreeselijk heimwee kreeg zij naar het ouderlijk huis
en de kust in het westen. Een brief met goede tijding wilde zij,
zooals de opperloods had verzocht, dadelijk aan haren vader schrijven;
zij ging dus rechtop in bed zitten en begon.
"Lieve Vader!
"Nu ik hoor, dat het u zoo slecht gaat, ben ik er in mijn hart innig
bedroefd over en schaam ik mij ook, want nu begrijp ik, dat het leelijk
van mij was van u weg te gaan. Maar nu moet gij het mij maar vergeven,
en er van overtuigd zijn, dat ik u in mijn hart zoo innig lief heb. Ik
kan niet naar huis komen, want ik ben niet recht gezond, maar anders
heb ik het heel goed." Christine hield even op om wat uit te rusten:
het schrijven vermoeide haar zeer, en het kostte haar veel inspanning
op dien toon te vervolgen. Zij dacht, dat God haar wel zou vergeven,
dat zij, om haren vader niet te bedroeven, de volle waarheid niet
schreef--hij had reeds genoeg te dragen.
Een rijtuig reed door de poort. Het dienstmeisje kwam binnen en zeide
fluisterend: "de dokter."
De wagen van het hospitaal kwam haar halen.
Eene huivering voer haar door de leden en toen zij de pen weer ter
hand nam, was het haar niet langer mogelijk de waarheid te verzwijgen!
"Neen, lieve vader, het is niet waar, dat het mij goed gaat; het is met
mij naar gesteld, zoo naar als het maar kan; nu komen zij mij halen,
want ik ga sterven; ik zal u nooit weer zien en ook niet meer de zee
en ons huisje; groet den opperloods.
Vaarwel! Uw
Christine."
Zij was zoo uitgeput, dat de dokter, toen hij aan het bed trad, met
naphta de levensgeesten moest opwekken. Hij schreef het adres op den
brief en hielp haar in den wagen tillen. Ofschoon het vervoer met
de meest mogelijke voorzichtigheid had plaats gehad, was de zieke,
toen zij in het oude hospitaal weer te bed lag, geheel uitgeput.
Zeer lang lag zij met gesloten oogen; toen zij ze eindelijk opende,
gleed er een glimlach over haar gelaat. Door het raam zag zij de
heldere, blauwe voorjaarslucht; de zonnestralen vielen in het nette,
vriendelijke vertrek, dat haar door zijne zorg was afgestaan.
Christine wendde het gelaat naar hem toe: "Hartelijk dank voor alles,
Johan. Hier zal het sterven mij niet moeielijk vallen." En zij strekte
zich uit tusschen de helder witte lakens en sloot de oogen.
Maar de glimlach bleef liggen op het uitgeteerde gelaat, dat door
de ziekte zoo geheel veranderd was, en die glimlach maakte haar in
zijne oogen weer even schoon als in vroegere dagen.