Des zomers woonde de familie Bennecken in een klein in Zwitserschen
stijl opgetrokken huis op het Ladegaardseiland dicht aan het
strand. Het was gebouwd op den grond die aan Falck-Olsen behoorde;
de villa van deze familie was eenige honderden schreden verder op
eene hoogte gelegen.
Wijl de afstand tusschen de twee villa's dus gering was, kwamen
de familiën veel bij elkaar; inzonderheid ging de familie van den
minister dikwijls naar de fraaie, ruime villa van de Falck-Olsens,
omdat hunne woning vrij klein was.
Mevrouw Bennecken had de economie bestudeerd en dus een open oog
voor de voordeelen, welke deze manier van huishouden aanbood; van
haren kant was mevrouw Falck-Olsen er zeer mee ingenomen, dat hare
buren zoo dikwijls kwamen, daar zij wat afwisseling, waarop zij zeer
gesteld was, aanbrachten.
Zoo hadden de beide familiën jaren lang den zomer doorgebracht tot
wederzijdsch genoegen en voordeel, maar van 't jaar scheen er iets
aan te haperen: de ellendige Actiën-Bank was er schuld van.
De algemeene vergadering was op den twintigsten Augustus
vastgesteld. Zooals men reeds vermoedde, had de oude raadsheer Falbe
zich niet weer verkiesbaar gesteld, en nu wilde de heer Falck-Olsen
bepaald, dat de minister bij de keuze voor eenen Directeur zijne stem
op hem zou uitbrengen. Bennecken daarentegen beweerde hardnekkig,
dat Falck-Olsen slechts onder zekere voorwaarden op zijne stem zou
mogen rekenen.
Den geheelen zomer zat deze quaestie in de lucht en bedierf aller
genoegen. De dames bespraken de zaak ook dikwijls en werden er soms
zenuwachtig van.
Mevrouw Falck-Olsen vond, dat de minister heel goed haren Ole
Johan zijnen zin kon geven en mevrouw Bennecken beweerde, dat de
groothandelaar het best zou doen naar den raad van eenen man als
haren Daniël te luisteren.
In den namiddag van dien zoo gewichtigen verkiezingsdag zaten de
beide dames, ieder in haar eigen huis op het stoombootje te wachten,
waarmede de heeren gewoonlijk uit de stad kwamen.
Mevrouw Bennecken was slecht geluimd. Al hare overredingskracht had
zij aangewend om haren man tot andere gedachten te brengen, maar
te vergeefs. De minister had zoo gewichtig mogelijk gezegd: "ik kan
het niet Adelaïde!.... ik durf het niet!" en wanneer hij dien toon
aansloeg, wist mevrouw bij ervaring, dat er niets aan te doen was. Nu
zat zij in de huiskamer, die, wijl het huis alleen voor zomerverblijf
was ingericht, volstrekt op geen comfort aanspraak kon maken; den
ganschen dag zich hier te moeten ophouden, was allertreurigst; het
regende dat het goot en de etenslucht drong door de dunne wanden uit
de keuken tot in de zitkamer door.
De regen werd minder en mevrouw Falck-Olsen besloot haren man van de
aanlegplaats af te halen, toen zij de boot den hoek zag omkomen.
De twee heeren kwamen van de boot, liepen samen een eindje op en
toen barstte de toorn van den groothandelaar over het hoofd van den
minister los. Hij had niet eerder gelegenheid gehad zijn hart te
luchten, want de boot was stampvol geweest.
"Ja, dat had ik volstrekt niet kunnen denken," riep hij op bitsen
toon uit, "ik ben verwonderd, ja waarachtig verbaasd ben ik.... dat
gij het hebt durven wagen, Bennecken....."
"Het doet mij leed, Olsen, maar ik heb het u vooruit gezegd; ik heb
niet anders kunnen handelen; consideraties van hooger belang...."
"Consideraties!--mij dunkt, dat gij mij vrij wat meer consideratie
verschuldigd zijt,.... ja vrij wat meer...."
"Nu, nu, Ole Johan!.... maak je niet zoo driftig," zeide mevrouw,
die hen ontmoette.
"Ik weet niet, waarom jij je in de zaak mengt, moeder! hij daar,"
en met het stompje van zijne sigaar wees hij naar den minister,
"hij bracht zijne stem op Consul Lind uit, en dat niettegenstaande
hij weet, dat, zoo ik wil, zoo.... maar wat hij van daag heeft gedaan,
zal hem berouwen, daar kan hij op rekenen."
"Luister een oogenblik naar mij.... Falck-Olsen," sprak de
minister. Hij was buitengewoon bleek en de hoeken van zijnen mond zag
men zenuwachtig heen en weer gaan, toen hij beproefde te glimlachen,
"hebt gij er nooit aan gedacht, dat het volstrekt noodig is.... dat u
hier iets ontbreekt," en de minister legde met waardigheid den vinger
op den linker omslag van de jas des heeren Falck-Olsen.
"Loop naar den d..... met die mooie praatjes, denkt gij mij aan
het lijntje te houden. Goddank scheelt het mij nog niet in het
hoofd.... dat zult gij spoedig genoeg ondervinden."
Na deze woorden geuit te hebben sloeg hij haastig den weg naar huis
in. Mevrouw Falck-Olsen had de woordenwisseling van de heeren met
belangstelling gevolgd. Zij wisselde eenen beteekenisvollen blik met
den minister en hij knikte bevestigend.
"Kunnen wij er zeker van zijn?" vroeg zij.
"Geheel zeker, als hij zich verstandig gedraagt; dat is te
zeggen.... na verloop van eenigen tijd."
"Nu dan zal ik de zaak wel opknappen," antwoordde zij.
"Ja, zoo gij dat kondt beste mevrouw," riep de minister met warmte
uit. Hij wilde hare hand grijpen maar die zat onder den regenmantel
zoodat zij met een hoofdknik afscheid moesten nemen.
Toen Mevrouw Falck-Olsen t'huis was gekomen, vond zij haren man met
den hoed op in zijne kamer schrijven, zij hoorde de pen krassen.
"Je schrijft.... Ole Johan!" vroeg zij op schijnbaar onverschilligen
toon.
"Ja.... ik schrijf naar het kantoor, dat de rekening van Bennecken
van middag opgemaakt moet worden, dadelijk.... geen oogenblik mag
het verschoven worden."
"Ja, dat kan ik mij voorstellen, want je bekommert je natuurlijk
niets om zijn aanbod."
"Aanbod! welk aanbod?"
"Och, je hebt toch altijd den gek geschoren met al die
kinderachtigheden," ging mevrouw voort, terwijl zij haren regenmantel
afdeed.
"Maar wat bazel je dan toch? wat meen je?"
"Begreep je het werkelijk niet?" vroeg mevrouw, en zij deed of zij
een en al verbazing was.
"Wat begreep ik niet? wat praat je toch voor domme dingen?" riep hij
uit, en draaide naar haar toe.
"Wel heb ik van mijn leven, begreep je werkelijk niet, Ole Johan
wat de minister meende. Sloeg je er geen acht op, dat hij hier zijne
hand legde?"
"Begin jij mij nu ook met die praatjes? neen, neen.... ik
zal...." Verder kwam hij niet, want vol verbazing staarde hij zijne
vrouw aan die het uitproestte van 't lachen.
"Och, jij verstandige Ole Johan! Hoe zou het met je gaan, zoo gij
mij niet hadt. Wat is dat?" en zij hield hem bij den linker omslag
van de jas vast. "Wat hebben voorname groote mannen hier gewoonlijk
zitten, wat ontbreekt daar? Nu?" Mijnheer de groothandelaar, Ole Johan
Falck-Olsen, tuimelde drie schreden achteruit en bleef eindelijk voor
den spiegel staan; hij keek beurtelings in den spiegel en naar zijn
linker jasomslag, terwijl hij wat aan het knoopsgat friemelde.
"Denk je werkelijk, dat hij dit meende?"
"Natuurlijk! maar dan moet gij je aan eene bepaalde partij aansluiten,
zoo als hij zegt en dat wil je toch niet."
"Dan kon je de bal wel eens leelijk misslaan," riep hij uit en
draaide op zijne hakken rond, "de eene dienst is de andere waard,
verlangt hij niets anders van mij, zoo..."
"Maar beste man, wanneer je dat vroeger had willen doen, zoudt gij
Directeur hebben kunnen worden."
"Och wat, wat maal ik om dien ellendigen post van Directeur! denk je
dat ik daar een zier om geef? Maar dit.... zie je, is heel wat anders;
dat is werkelijk iets. Zoo het maar vlug in zijn werk kon gaan!"
"Niet lang geleden stak je den draak met de Gele Vereeniging, en ik
zag dadelijk, dat de minister daar over uit zijn humeur was."
"Bravo, Malene! Ik zal den minister vragen mij in de Gele Vereeniging
op te nemen. Ja, ja Malene, Salomo heeft het bij het rechte eind,
wanneer hij zegt: hij die eene goede huisvrouw.... of zoo iets."
"Ik vind niet, dat jij je, wat huwelijkszaken betreft, juist aan Salomo
zoudt houden," antwoordde mevrouw, terwijl zij zich door haren goed
geluimden man liet omhelzen.
Toen Hilda Bennecken, die met dezelfde boot uit de stad was gekomen, de
kamer binnenkwam, was het dienstmeisje bezig de tafel te dekken in de
woonkamer. Eene afzonderlijke eetzaal hield men er buiten niet op na.
"Nu ben je daar eindelijk.... doornat natuurlijk. De Hemel mag weten
waarvoor je eigenlijk in zulk weer naar de stad moest gaan, maar zoo
doe je altijd."
"Ja maar mama, van morgen was het zulk helder mooi weer, en...."
"Och het mocht wat.... je bent nooit gelukkig in je plannen, dat
is nu eenmaal zoo en daarom verwek je slechts ergernis. Is Alfred
niet meegekomen?"
"Neen, hij heeft mij gevraagd t'huis te zeggen, dat hij in een
restaurant met den zwager van Hiorth, geloof ik, zou eten."
"Die gemeene Hiorth!" zeide mevrouw zuchtend en zag naar de stoomboot,
die weer van wal ging.
Hilda was aan zulke uitvallen gewoon. Zij deed haren hoed en mantel
af en hing die in den gang te drogen. Toen zij weer binnen was,
waagde zij te zeggen: "Die arme Christine! zij is volstrekt niet
gezond. Zou het niet goed zijn, zoo wij dokter Rohde eens vroegen,
naar haar te gaan kijken?"
"Hoor, Hilda!" zeide mevrouw, en rood van kwaadheid stond zij vóór hare
dochter, "het verveelt mij geducht, dat je mij altijd plaagt door over
dat mensch te spreken. Eens vooral, zeg ik je nu, dat ik haren naam
niet meer wil hooren noemen.... geen enkele maal, begrijp je me? Wij
hebben meer voor haar gedaan, dan de meesten in onze positie zouden
doen, en je weet zelf, hoe onze woning in de stad er na die bruiloft
uitzag. Nu is het, dunkt mij, genoeg en ik verbied je een' voet over
haren drempel te zetten, hoor je? Altijd, bij alles wat jij uitvoert,
verwek je ergernis en onaangenaamheid."
De minister kwam nu binnen, doch ziende dat er onweer aan de lucht
was, vluchtte hij naar de slaapkamer en maakte er toilet, tot dat
hij aan tafel werd geroepen. Toen zij goed en wel aanzaten, zei hij
vriendelijk tot Hilda, want hij zag, dat zij zich de woorden harer
moeder erg aantrok: "Hadt gij al lang met den kamerheer gewandeld,
toen ik je met hem ontmoette?"
"Met den kamerheer," viel mevrouw boos in, "heb je hem nu weer je
gezelschap opgedrongen! je stelt je zoo belachelijk mogelijk aan,
Hilda, door hem na te loopen ja, wat erger is, je maakt hem min of
meer belachelijk...."
"Neen, maar Adelaïde," waagde mijnheer voorzichtig in het midden
te brengen.
"Je kunt toch zelf wel begrijpen, Daniel, dat het voor iemand, zoo
gefêteerd als Delphin, vreeselijk gênant is voortdurend in gezelschap
gezien te worden met eene dame, die.... om eene zachte uitdrukking
te gebruiken.... zoo weinig gedistingueerd uitziet, als Hilda. Dat
is klaar als de dag, naar het mij voortkomt."
Hilda kon het niet langer aan tafel uithouden; zij stond op en vloog
de trap op. Toen zij haar laag dakkamertje had bereikt, [9] deed zij
de deur op slot en verborg snikkend het gezicht in het kussen. Dat
was toch het vreeselijkst van alles! Zoo leelijk te zijn, dat een
man zich belachelijk maakte als hij met haar wandelde. Hield Delphin
haar misschien voor den gek? En zij, die dacht, dat hij gaarne met
haar praatte....! Mevrouw Bennecken schreide ook.
"Het is alles jouw schuld Daniel; waren wij niet door jou met de
familie Falck-Olsen gebrouilleerd geraakt, zoo zou alles goed gaan,
maar nu...."
"Bedaar toch.... beste Adelaïde.... wees toch bedaard. De verzoening
zal niet lang op zich laten wachten en...."
"Och, zeur me toch niet met dat: bedaar toch Adelaïde! ik vind die
woorden onuitstaanbaar," zeide mevrouw en nam het deksel van de schaal
af, waarin kalfsvleesch met eene pikante saus was.
Juist toen mevrouw er zich van bediende, hoorde men voetstappen op
de kleine veranda; zij had bijna niet meer den tijd het deksel weer
op de schaal te doen, of de groothandelaar Falck-Olsen stond reeds
in de kamer.
"Aha! dat tref ik gelukkig," riep hij uit en zijn gelaat straalde van
tevredenheid, "de familie is nog niet aan het eten? Ik kom speciaal om
u mevrouw met eene boodschap van mijne vrouw. Het zou haar genoegen
doen, indien gij dadelijk mee wildet gaan om bij ons het middagmaal
te gebruiken. Zij heeft een paar kuikens laten braden, die bijzonder
goed uitgevallen zijn en zij wil absoluut, dat u ze komt proeven. En
niet waar, Excellentie, gij wilt mij bij een glas witten portwijn wel
gezelschap komen houden," voegde hij er bij, en stak hem de hand toe,
"wij beiden hebben van daag wel eene extra hartsterking noodig." De
minister drukte hem hartelijk de hand.
Mevrouw was een en al verbazing en haar man kon niet nalaten
fluisterend te vragen: "heb ik het je niet gezegd, dat de verzoening
spoedig zou plaats hebben?" Zij zag bijna met eerbied naar hem op en
gewillig ging zij met den heer Falck-Olsen mee. Haar man riep aan de
trap Hilda toe dat zij zich zoo spoedig mogelijk gereed moest maken,
om naar de familie Falck-Olsen te gaan.
Het herstel der vriendschappelijke betrekking tusschen de beide
familiën werd door eene rij van feesten gevierd. Het waren nu echter
niet meer "de groote spijzigingen," zooals Delphin altijd zeide,
maar meer kleine heerendiners, waarbij men lang aan tafel zat en waar
veel gesproken werd. Delphin kwam spoedig op de hoogte, hoe de vork
eigenlijk aan den steel zat en amuseerde er zich in stilte mede. Tegen
den Redacteur Mortensen, die nu een zeer geziene gast bij den Heer
Falck-Olsen was, was hij zoo beleefd, dat deze er geheel confuus
door werd. Ook vond hij er groot genoegen in, "madam Olsen" zooals
hij haar in intieme kringen noemde, doodelijk te verschrikken, door
haar voor vast en zeker te vertellen, dat de een of ander der nieuwe
gasten een Nihilist was, die altijd met een revolver in den zak liep.
De groothandelaar zelf vertoonde zich thans in een geheel nieuw licht;
stijf en terughoudend was hij nu in zijn optreden. Niets ondernam hij
vóór den minister geraadpleegd te hebben en op zijne soirées noodigde
hij slechts die personen, die hij met hoog verlof mocht inviteeren.
Het groote bal in "Olsens danslokaal" dat ieder jaar in den herfst
werd gegeven, werd vervangen door een uitgezocht "thé dansant," en
de heer Falck-Olsen gaf zijne dochter een wenk om den jongen Hiorth
wat vriendelijk te behandelen.
Sophie had daar volstrekt geen lust in, vooral daar haar vader niet
duidelijk kon zeggen waarom zij zulks eigenlijk moest doen. Over het
geheel was zij misnoegd: met den kamerheer Delphin was zij geen stap
verder gekomen, en te moeten kiezen tusschen Hiorth en Bennecken, was
waarlijk niet iets om zich in te verheugen, of mede te pralen. Deze
beide vrienden hadden gedurende den zomer veel van hunne krachten
moeten vergen. Buiten hunnen diensttijd was hun de taak opgelegd eenen
zwager van Hiorth, den groothandelaar Garman, te amuseeren. Deze heer
woonde wel niet te Christiania zelf, maar dicht bij de stad, in de
badplaats Grefsen; zij hadden zich met zulk eenen ijver van de hun
opgedragen taak gekweten, dat zij niet den tijd hadden gehad zich aan
hunne hartsaangelegenheden te wijden. Toen nu het winterseizoen begon,
waren zij van plan de zaak met ernst aan te vatten. Inzonderheid was
Alfred voornemens alle pogingen in het werk te stellen in de gunst te
geraken van de jonge vrouw van den conciërge. Mevrouw Bennecken had
echter op zekeren dag in hare slaapkamer een gesprek onder vier oogen
met hem, en het gevolg van die conferentie was, dat hij Christine
met rust liet. Het bevreemdde overigens bijna iedereen, dat deze in
haar uiterlijk zoo veranderd was. Het glanzende roode haar was nu
stroef, en begon uit te vallen; gedurende den geheelen winter was zij
ziekelijk geweest, zij had dikwijls keelpijn en klaagde over loomheid
in de leden.
Haar man ging even glimlachend en even onhoorbaar als vroeger zijnen
gang. Van de bruiloft af had zij een' inwendigen afkeer van hem
gekregen; hun leven vloot echter kalm en eentonig daarheen en hij
behandelde haar goed. Met den opperloods wisselde Mo voortdurend
brieven, en nu en dan ontving hij een bankbillet. Maar tegen Kerstmis
ontving hij den volgenden brief.
"Mijnheer Mo, nu kan het niet langer meer zoo gaan, want hij heeft
niets anders dan schulden, daarom schrijf ik nu in mijnen eigenen
naam, en Njaedel weet er niets van, want ik begin te gelooven dat
het niet recht in den haak zit met al dat geld dat nu 950 kronen
beloopt. Wanneer voor het dienstpersoneel bij den koning al dat geld
gebruikt is, dan zijn wij niet beter dan de Russen in Rusland en in
Petersburg en ik zal er over in de kranten schrijven, want de man
is arm en behoeftig geworden, en zijn bloed is ziek, omdat hij zich
over dat wier zoo heeft moeten boos maken, en de sloot ligt bijna
weer dicht en het is treurig, hem aan te zien, waarom ik het je,
daar gij zijn broer zijt, schrijf, opdat je om Gods barmhartigheid
een eind aan die zaak maakt, die nu al voor twee jaar opgezonden is
aan den koning zonder dat er antwoord komt, maar alleen onkosten. Ook
verlangt hij zeer naar eenen brief van zijne dochter Christine, die
nu je huisvrouw is, en hij is er verwonderd over dat zij nu niets te
schrijven heeft, daar gij dikwijls aan ons hebt geschreven, dat zij
gaarne je vrouw zou willen worden, maar dat zij om het verschil van
leeftijd er zich over schaamde waarom wij haar ook schreven zooals
gij ons vroegt te doen, om haar te overreden en meer zulke zaken,
maar ik geloof er nu niets meer van.
Met achting:
Lauritz Boldemann Sechus.
Oom Anders las dit epistel in de wachtkamer van den minister aan het
Departement. Hij vouwde den brief dicht en wierp hem in de kachel,
terwijl hij het hoofd schudde en glimlachte.
De minister opende de deur. "Ben je doof?..., Mo! ik heb je tweemaal
gescheld."
Anders Mo stond op en zag den minister met denzelfden niets zeggenden
suffen glimlach aan.
"Maar Mo! wat scheelt je!" riep de minister, "ik begin waarachtig te
gelooven, dat je oud en suf begint te worden."