Op den eersten Juli werd het huwelijk van den bode aan het Departement
Anders Mo en Mejuffrouw Christine Vatuemo in de Drieëenigheidskerk
gesloten.
Buiten degenen die uitgenoodigd waren de huwelijksplechtigheid in
de kerk bij te wonen, waren nog een groot aantal menschen aanwezig,
want de minister Bennecken bevond zich onder de bruiloftsgasten, en
buitendien was het een interessant paar om naar te kijken: de oude
man en het jonge meisje.
Eigenlijk geleek het niet zoo dwaas, als men gedacht had. Wanneer men
het witte haar niet meerekende, was Oom Anders in zwarten rok, stijve
witte das en gouden horlogeketting.... een huwelijksgeschenk van den
minister, werkelijk nog een deftig bruidegom. Christine was zoo lang en
forsch en zag er zoo boersch uit, dat het niet veel in het oog liep,
dat zij nog zoo jong was; ook was zij van daag zeer bleek en zag er
ernstig uit. De familie Bennecken woonde reeds buiten en mevrouw was
zoo vriendelijk geweest de eetzaal en het daaraan grenzende vertrek
aan de jonggetrouwden voor de bruiloft af te staan.
Toen de bruiloftsstoet uit de kerk kwam, dronk men eerst een glas
wijn in de woning van den conciërge en de minister hield eene korte
toespraak, waarnaar met groote belangstelling werd geluisterd;
daarna verliet hij het gezelschap, dat nu naar boven ging waar de
bruiloftstafel gedekt stond.
Het bruidspaar nam eerst plaats in het vertrek naast de eetzaal om
de gelukwenschen der gasten, naar de volgorde waarin zij kwamen,
te ontvangen, want buiten hen, die de plechtigheid in de kerk hadden
bijgewoond, waren er nog vele anderen genoodigd.
De Redacteur Mortensen, die na het vertrek van den minister de
voornaamste gast in het gezelschap was, voelde zich zeer op zijn
gemak in het salon, praatte luid en maakte geestige aanmerkingen;
de overigen zaten zwijgend en statig langs de wanden met de voeten
zoo ver mogelijk onder hunnen stoel.
Christine was verbaasd, dat haar man zooveel bekenden had, en
vooral dat zooveel deftige lui uit de stad de bruiloft met hunne
tegenwoordigheid vereerden. Eindelijk waren al de zitplaatsen door
de fraaie uitgedoste dames bezet, een paar jonge meisjes zaten zelfs
op elkanders schoot. De heeren keerden dadelijk, wanneer zij in de
kamer aan het bruidspaar hun compliment hadden gemaakt, naar de gang
terug. Er heerschte eene stilte als bij eene begrafenis en geen ander
geluid werd gehoord dan nu en dan een paar woorden van den Redacteur
of eenig gerammel met borden in de keuken.
Onder de bruiloftsgasten bevonden zich een paar boden van een ander
Departement, met hunne vrouwen en dochters, de politie-agenten Andersen
en Knudsen,--de laatste was nog niet voor vast aangesteld, en stond
onder Andersens toezicht; vervolgens was er de sergeant-majoor Knoff
in uniform en handschoenen, de schoorsteenveger Lunde met zijne vrouw
(eene zuster van den agent Andersen), de bode van het Gerechtshof,
Paalsen genaamd, bekend door zijn talent om het gezelschap aangenaam
bezig te houden, en madame Grüner, die voor den koning, wanneer deze in
de stad kwam, kookte. Voorts maakten nog deel van het gezelschap uit,
eenige sergeanten, een havenmeester en spoorwegbeambten in uniform
met hunne dames. De keukenmeid kwam telkens in de gang, en gaf den
bruidegom een teeken, dat alles klaar was; hij schudde dan echter
met het hoofd en keek op zijn horloge.
Eindelijk ontstond er eenige beweging onder de heeren, die bij de deur
stonden, en twee dames kwamen binnen. De eerste was een mooi slank
meisje met blond haar en groote glanzende oogen. Zij was in eene licht
zijden japon gekleed; bellen van filigran en eene zilveren ketting,
waaraan een groot medaillon was gehaakt, voltooiden haar toilet. De
dame, die haar vergezelde, was tamelijk gezet en kon zoo ongeveer
een veertig jaar oud zijn; zij had koolzwart en glanzig haar; aan
den eenen kant van haar kapsel stak eene donker roode roos en aan
den anderen eene kleine kolibrie half verscholen in een strikje van
Schotsch band. Zij was stijf geregen, zoodat hare weelderige vormen
zeer goed in het roodfluweelen lijf, dat van voren uitgesneden was,
uitkwamen; op haar boezem droeg zij eene gouden broche in den vorm van
een hoefijzer. De rok van de japon was van zwarte zijde, hier en daar
door kleine bouquetten van rozen opgenomen. De Redacteur Mortensen
slaakte een' kreet van bewondering, toen zij naar het bruidspaar
gingen waardoor de oudste der twee dames hem schertsend met haren
waaier sloeg.
"Lieve Christine," zeide nu de bruidegom op de hem eigenen deftigen
toon, "veroorloof mij u mejuffrouw Eveline Nielsen voor te stellen,
die ons wel de eer wil aandoen...."
"O, beste mijnheer Mo! de eer en het genoegen zijn geheel aan mij,"
antwoordde de jonge dame en zij glimlachte vriendelijk, waardoor hare
mooie witte tanden zich lieten zien.
Christine voelde zich dadelijk tot haar aangetrokken, ofschoon zij
wenschte, dat haar nieuwe kennis wat minder fraai gekleed was geweest.
Daarna presenteerde de bruidegom de andere dame: mijne veeljarige
vriendin, "madam Gluncke."
De kleine gezette dame omhelsde Christine hartelijk en drukte haar
een vochtigen kus op den mond, terwijl zij in een vloed van woorden
vertelde, dat zij de liefste bruid was, die zij ooit had gezien,
ja werkelijk zonder overdrijving, de allerliefste.
Nu zou men aan tafel gaan.
De Redacteur Mortensen maakte met den hoed in de hand eerbiedig eene
diepe buiging, voor juffrouw Nielsen.
"Onze gastheer heeft mij de eervolle opdracht gegeven u naar tafel
te geleiden, juffrouw Nielsen;" hij bood haar sierlijk den arm en
ging achter het bruidspaar de eetzaal binnen.
Daarna kwamen de sergeant-majoor Knoff en madam Gluncke, dan de
schoorsteenveger Lunde en madam Grüner benevens de bode van het
gerechtshof Paalsen met madam Lunde; de overigen van het gezelschap
gingen met hem of haar, van wie de naam op het kaartje geschreven
stond, dat zij van den koetsier van den minister een poosje geleden
in de gang hadden ontvangen.
De bruiloftstafel had den vorm van een hoefijzer. Aan de kortste
zijde zaten in het midden de jong getrouwden, links van hen Knoff
en madam Gluncke, rechts de redacteur en juffrouw Evelina. Midden in
het hoefijzer zaten Lunde en Paalsen met hunne dames, en de overigen
namen de andere plaatsen in.
De politieagent Andersen had het bijster druk, eer allen naar zijnen
zin geplaatst waren; en telkens maakte hij verschikkingen,--eindelijk
gelukte het hem Knudsen vlak over zich geplaatst te krijgen. "U moet
weten, madam Grüner," fluisterde hij haar in het oor; "dat hij nog maar
op proef genomen is, ziet u, en dat het mijn plicht is een oogje in
't zeil te houden."
Zijne dame liet zich niets aan zijne woorden gelegen liggen: zij was
ontevreden over hare plaats en over den cavalier, die men haar had
gegeven. Zij had er zoo zeker op gerekend naast de jonggetrouwden
geplaatst te zullen worden en door den sergeant-majoor naar tafel te
worden geleid. Toen zij een paar schepjes soep gegeten had, legde zij
den lepel neer en zeide half voor zich zelf op verachtelijken toon:
"Liebigs extract!"
In het begin van den maaltijd ging het doodstil toe; het gerammel
der lepels, die echter met groote voorzichtigheid werden gebruikt,
alsmede het half luide gefluister en gelach van den redacteur en
zijne dame, verbrak slechts de stilte.
"Mag ik de heeren verzoeken de glazen te vullen," zeide de bruidegom
op eenen toon, die zeer aan den minister Bennecken deed denken. "Mijne
vrouw en ik nemen de vrijheid de dames en heeren welkom aan tafel
te heeten!"
Het eerste glas rooden wijn werd met groote plechtigheid geledigd,
terwijl allen met eene lichte buiging van het hoofd naar den kant,
waar de jonggetrouwden zaten, groetten.
Christine liet haren blik langs de tafel en door de geheele zaal
gaan--'t was een oogverblindende pracht.
Buiten weten van hare moeder had Hilda het vertrek met groen en
bloemen versierd, en al het glas en zilver, dat niet mee naar buiten
was genomen, ten gebruike gegeven. Naar Christine's begrippen zag
de bruiloftstafel er bijzonder prachtig uit. Zoo haar vader haar nu
maar te midden van al die heerlijkheid had kunnen zien, dan bleef er
niets te wenschen over.
Intusschen hield de politieagent Andersen Knudsen scherp in het oog en
telkens wanneer deze eene beweging maakte om eene flesch of wel een
glas in de hand te nemen, riep hij op gedempten toon waarschuwend:
"Knudsen!"
"Present!" antwoordde Knudsen en nam dadelijk eene militaire houding
aan.
Madam Knoff, die een van de spoorwegbeambten tot buurman had,
zat zoo, dat zij volstrekt het oog niet kon houden op haren man,
den sergeant-majoor--ja, zij kon het toch, maar dan zat zij niet
behoorlijk. Deze houding was intusschen heel ongemakkelijk, zoowel
voor haar zelf, als voor haren buurman, want zij was eene corpulente
dame; hare gele gelaatskleur, gevoegd bij haar ongezond uiterlijk
gaf den Redacteur aanleiding te beweren dat Knoff's vrouw zeker aan
eene miltziekte leed. Daar bij het ronddienen van het eerste gerecht
de doodelijke stilte bleef voortduren, fluisterde Mortensen achter
Christine's rug om, den bruigom in: "Gij moet nu met de toasten
aanvangen Mo!"
"Ik meende, dat zulks niet gebruikelijk was vóór het vleesch...."
"Juist het tegendeel; het is nu smaak met de toasten bij de soep
te beginnen."
De Redacteur gaf een paar harde tikken tegen zijn glas en Mo stond
van zijnen stoel op.
"Dames en heeren! In dit gewichtige oogenblik gevoel ik diepe behoefte
uit te spreken, hoezeer ik het betreur aan deze tafel, waar zoovelen
aanzitten, die mij dierbaar zijn--hem te moeten missen, wien ik
inzonderheid van daag gewenscht had hier te zien. Ik meen den vader
mijner vrouw, den heer Niels Vandmo."
Christine haalde haren zakdoek voor den dag.
"Gij weet genoeg Christine hoe innig ik aan mijnen eenigen broeder
ben gehecht en welken prijs ik op het kleinood stel, dat hij aan
mijne hoede vertrouwt."
Hier kreeg madam Gluncke eene heftige hoestbui, wat hoogst ongepast
was. De spreker wierp haar snel eenen blik toe, en vervolgde:
"Daarom dames en heeren willen wij een glas ledigen op de gezondheid
van den vader mijner vrouw, ofschoon hij afwezig is; wij willen hem
toewenschen, dat God hem met Zijne vertroostingen nabij zij en hem niet
al te zwaar het gemis zijner lieve dochter doe gevoelen. Christine,
je vaders gezondheid!"
Toen de bruidegom weer ging zitten, fluisterde hij haastig madam
Gluncke eenige woorden in 't oor.
"Ik kon het waarachtig niet helpen," lispelde zij terug, "je waart
onbetaalbaar!"
Daarna verlangde de schoorsteenveger Lunde het woord. Hij was een
lang, mager man met grijs haar en spitsen neus. Met zijn beroep
hield hij zich, wat zijn eigen persoon betrof, niet veel meer
bezig: hij gebruikte daar "zijn volk" voor; in de voornaamste
deelen der stad bekleedde hij alleen nog officieel zijnen post
als schoorsteenveger. Hij had geld en zijne dochter was met eenen
telegrafist getrouwd.
"Als de oudste in dezen kring," zoo begon hij, "is het mij zeker
wel veroorloofd het gezelschap voor te slaan op de gezondheid van
het bruidspaar te drinken. Wij weten allen, dat wij in onze jeugd
geleerd hebben, dat de Heer heeft gezegd: "het is niet goed dat de
mensch alleen zij!"
De stilte, die nu aan tafel heerschte, was bijna benauwend. De
dienstmeisjes, die juist de borden wilden verwisselen voor het
rundvleesch, moesten staan wachten, terwijl de spreker de geschiedenis
van het huwelijk aan zijne hoorders verklaarde. Hij ging van Adam en
Eva, tot Abraham en Sara, en eindelijk tot Izaäk en Rebekka; behendig
sprong hij Jakob met zijne twee vrouwen over, evenmin sprak hij over
David en Salomo; geleidelijk kwam hij nu in zijne rede op het huwelijk
van den tegenwoordigen tijd en eindigde met 's Hemels zegen over het
bruidspaar af te smeeken.
De meesten der dames schreiden, Christine vooral. Juffrouw Evelina boog
wat naar voren en knikte haar vriendelijk toe. Die plechtige woorden
met aanhalingen uit den bijbel, het prachtige feest, alles maakte
zulk eenen indruk op Christine, dat zij een oogenblik bijna begon te
gelooven, dat dit huwelijk wellicht nog tot haar geluk kon dienen.
Juffrouw Evelina fluisterde Mortensen in: "het gaat mij toch werkelijk
aan mijn hart, dat arme kind!"
Eene lange pauze ontstond er na den toast van den schoorsteenveger,
waarin de dienstmeisjes eindelijk van de gelegenheid gebruik maakten
de borden te verwisselen.
Madam Knoff, die den geheelen tijd beweerde, dat haar man, die
afschuwelijke "Malle Bimbam" het hof maakte, had het ongeluk haar
bord van de tafel te stooten, juist toen zij door een onverwachten
zwenk den sergeant-majoor wilde verschalken. Het geraas, dat het bord
bij het vallen maakte, verschrikte Knudsen zoo, dat hij van zijnen
stoel opsprong, waardoor Andersen dadelijk op vermanenden toon riep:
"Knudsen!"
Madam Gluncke had veel pleizier; zij lachte zeer luid en
stootte haren buurman aan. Haar lachen maakte een begin aan de
vroolijkheid. Mortensen liet de karaffen met Sherry rondgaan en de
gasten lieten zich dien wijn goed smaken.
Toen stond de Redacteur op. "Dames en heeren! terwijl ik mijnen blik
over deze vergadering laat gaan, rijst onwillekeurig de gedachte
bij mij op, wat--zoo ik mij zoo mag uitdrukken,--wat eigenlijk de
vereenigingsband tusschen ons uitmaakt?"
Hij sprak op een pedanten toon en zijne zinnen waren volkomen in
courantenstijl geordend; daar hij voelde, dat hij de voornaamste man
was en allen met de grootste opmerkzaamheid naar de woorden luisterden,
die van zijne lippen vloeiden, gebruikte hij eene menigte latijnsche
volzinnen en vreemde bewoordingen; hij ontwikkelde de stelling, dat
allen, die hier vergaderd waren, deel van de groote staatsmachine
uitmaakten, schalmen in de keten der mannen, "tot wie de natie met
vertrouwen en eerbied opziet."
Zijne rede nam eene nog hoogere vlucht, toen hij in 't kort de
groote beteekenis van den ambtenaarsstand voor het land ontwikkelde;
altijd meer en meer stijgende, kwam hij eindelijk aan de spits van
het systeem en eindigde hij met een plechtig:
"Dames en heeren, ledig uwe glazen op de gezondheid van onzen
geëerbiedigden koning!"
De toast werd met geestdrift gedronken. Juffrouw Evelina keek den
redacteur van ter zijde even aan, maar zij kon er niet recht wijs
uit worden, of hij zelf werkelijk plechtig gestemd was dan dat hij
het gezelschap voor den gek hield.
Nu bracht de bode van het Hooge Gerechtshof een' toast uit op den
minister Bennecken, dien de bruigom beantwoordde met eenen toast op
het vaderland; een der spoorwegbeambten sloeg voor op 't welzijn van
het broederrijk (Zweden) te drinken en eindelijk stelde de havenmeester
voor op de gezondheid der dames een glas te ledigen.
Plotseling riep echter de sergeant-majoor met zijne commandostem: "Geef
acht! Geen gepraat in de gelederen vóór dat het rundvleesch van tafel
is! Men kan door al die toasten waarachtig niet aan 't eten komen!"
Deze woorden brachten de vroolijkheid geheel aan den gang en hartelijk
lachten allen over dezen uitval; Christine lachte ook. Toch keek
zij half angstig achter den rug van haren man om naar madam Gluncke,
die achterover in haren stoel lag en zóó van lachen schaterde, dat
de tranen langs den kleinen vetten neus rolden. Madam Grüner, die
tot nu toe van alles weinig had gegeten, deed zich aan het gebraden
vleesch duchtig te goed, wijl zij zag, dat niemand in het minst op
haar gedrag acht gaf. Toch bleef zij even slecht geluimd, waardoor
haar cavalier zich met onverdeelden ijver aan zijn toezicht op Knudsen
kon wijden. Wanneer hij dronk, fluisterde hij haar echter altijd op
geheimzinnigen toon in, wijl hij aan zijne dame zag, dat zij vond,
dat hij nog al dikwijls zijn glas vulde:
"Met mij ziet gij, loopt het geen gevaar! maar Knudsen, daar over
mij, hij is nog maar op proef, begrijpt gij.... en ik ben de persoon,
die op hem passen moet; "Knudsen!" riep hij dan, en hoe langer men
aan tafel zat, klonk het luider "Knudsen."
Bij het dessert heerschte algemeene vroolijkheid en het leven nam,
hoe meer de wijn het bloed verhitte, iedere minuut in luidruchtigheid
toe. Paalsen, die als humorist bekend stond, vergastte op verlangen
het gezelschap op eenige zijner komieke toeren; hij kon bijvoorbeeld
kraaien als een haan, zich op de wangen slaan, waardoor het scheen,
dat men eene flesch leeg schonk, de ooren naar alle zijden bewegen,
en meer van die zaken.
Het kwam Christine voor, alsof dit alles niet heel gepast was. Naar
haren smaak, moest het op eene bruiloft meer ernstig toegaan.
Toen de gastheer Paalsen bedankte, betitelde hij hem uit scherts:
Mijnheer de President van den Hoogen Raad. Van die aardigheid maakte
de Redacteur dadelijk gebruik en hij riep luid: "Generaal Knoff! gun
mij de eer met u te klinken."
Eerst waren de gasten er wat over verwonderd, maar spoedig vond dit
voorbeeld navolging. De schoorsteenveger Lunde werd als inspecteur
aangesproken en de bruigom kreeg den titel van minister. Christine
verheugde zich, dat het gezelschap zich zoo weinig met haar bemoeide;
zij kon echter volstrekt niet begrijpen, waarom bijna alle gasten
het van lachen uitproestten, toen Paalsen zich tot juffrouw Eveline
Nielsen wendende, zeide: "Mag mij de eer ten deel vallen, met de gade
van den President te klinken?"
"Gaarne! mijnheer de President;" antwoordde Evelina, en bloosde even;
kort daarna lachte zij echter weer en fluisterde met Mortensen.
De inspecteur Lunde wilde volstrekt, dat madam Gluncke met eenen
titel zou aangesproken worden, maar zij hield de handen voor de ooren
en riep, dat zij daar niets van wilde hooren. Generaal Knoff, wilde
met den politieagent Andersen klinken, die steeds met glazige oogen
naar Knudsen staarde. Toen de generaal er hem niet toe kon krijgen
naar zijne zijde te zien, nam hij op militaire wijze zijn toevlucht
tot een afdoend middel: hij wierp hem een stukje van een sinaasappel
over de tafel toe.
Ongelukkigerwijze trof het madam Grüner juist in het aangezicht:
"zuur bij zuur!" riep Paalsen uit. Madam Grüner wilde dadelijk--hetgeen
niemand natuurlijk bevreemden kon--de zaal verlaten en hare buren, de
politieagent en de spoorwegbeambte hadden heel wat werk haar op hare
plaats te houden. Dit kleine onaangename tooneel vergat men echter
spoedig, wijl juffrouw Evelina op den goeden inval was gekomen het
roode papiertje, dat om eene pistache gewikkeld was geweest, in het
knoopsgat van den Redacteur te hechten.
Alles wat er aan gekleurde papiertjes en lintjes op de tafel te
vinden was, werd nu gebruikt om de heeren te decoreeren waardoor
het gezelschap er bij het einde van den maaltijd zeer schitterend
uitzag. Met algemeenen bijval nam men den voorslag van Mortensen aan
om de koffie rond te dienen, terwijl men aan tafel zat, en dan tevens
eene sigaar aan te steken, "juist zoo als zulks te Parijs mode is!"
Het ging nu zoo levendig aan tafel toe, dat hooren en zien verging
en men bijna zijne eigene woorden niet kon verstaan. Wild schreeuwden
allen over de tafel heen. De woorden "Generaal" "Minister" "Inspecteur"
enz. werden slechts afgewisseld door het op brullenden toon uitgeroepen
"Knudsen" van Andersen, die zijnen vriend, die den proeftijd nog niet
door gemaakt had, tot orde wilde vermanen.
Christine gevoelde zich hoe langer hoe minder op haar gemak. Zij
zag de beide zijden van de tafel langs en schaamde zich dat het
er zoo slordig uitzag. Groote roode wijn- en bruine sausvlekken,
verwelkte bloemen en komkommersalade, rozijnentakjes, tabaksasch,
sinaasappelschillen, verkreukte servetten en kruimels van gebak en
bitterkoekjes, alles lag door elkaar tusschen de glazen en flesschen
in. Alle gezichten waren rood als pioenen, de dames lachten luidkeels
en de heeren schreeuwden elkander bijna doof, terwijl zij over de
tafel heenlagen; de dikke rook der sigaren vermengde zich met de
etenslucht en den geur van den wijn en de koffie.
Meer dan eens zag zij haren man vragend aan, maar hij lachte
haar geruststellend toe, en fluisterde haar iets in wat zij niet
begreep--hij sprak weer zoo erg onduidelijk.
Toen de gasten eindelijk van tafel opstonden, bleek het spoedig te
benauwd in het vertrek, voor de eetzaal. Madam Gluncke ging daarop
heel familiaar door de keuken en het voorhuis en opende de deuren,
die naar het andere gedeelte der woning geleidden.
Deze kamers waren, wijl de familie nu buiten woonde, maar half
gemeubileerd. De spiegels en lichtkronen waren met wit linnen bedekt,
en de ruiten had men met krijt besmeerd, maar dit half donker en de
aangename koelte, die er heerschte, vonden de gasten juist aangenaam
en weldra hadden zij zich overal verspreid. De piano werd opengesloten
en de jongste juffrouw Lunde speelde: "Zij ging naar het strand," enz.
Men kon duidelijk hooren, dat zij het zingen naar de nieuwste methode
had geleerd, zooals hare moeder dan ook het gezelschap mededeelde,
want zij zong:
Zij gi... ng na... a... r h... 't stra... nd" enz.
Maar nu ontstond er bij de piano een klein geschil, doordien
madam Gluncke er eigenzinnig op aandrong, dat men zou zingen:
"Daar stonden twee meisjes en zij plantten kool," terwijl de
jongejuffrouw Lunde op beslisten toon weigerde zulk soort van liedjes
te accompagneeren. Gelukkig dreef het onweer voorbij, doordien de
President van den Hoogen Raad, de heer Paalsen, den arm om Malle Bimbam
heensloeg en de polka met haar begon te dansen. Het bal nam nu een'
aanvang, een buitengewoon vroolijk bal, dat tot laat in den nacht in
de naakte halfdonkere vertrekken werd voortgezet.
Achter eene deur zat madam Grüner te luisteren naar de klaagliederen
van madam Knoff, die heete tranen schreide over het gedrag van haren
man. Beiden waren het eens, dat het volstrekt geen fatsoenlijke
bruiloft was en dat "Malle Bimbam" nooit in 't gezelschap van
fatsoenlijke lui moest toegelaten worden.
Christine liep van het eene vertrek naar het andere; zij voelde zich
geheel verlaten en ongelukkig; maar toen zij laat in den nacht haren
man in eenen donkeren hoek op zeer vertrouwelijke wijze met madam
Gluncke zag zitten, werd het haar benauwd om het hart--zij verliet
de groote woning, ging naar beneden en draaide den sleutel van hare
kamerdeur om.
Toen de laatste gasten afscheid hadden genomen, scheen het
schemerachtige daglicht door de ondoorzichtig gemaakte vensters. De
redacteur had reeds een paar uur geleden juffrouw Eveline Nielsen naar
huis gebracht; de politie-agent Andersen stond in eene zeer onbeholpen
houding tegen de leuning der trap en fluisterde: "Knudsen!" hij
kon niet meer spreken en evenmin kon hij alleen naar huis komen. De
bruigom tuimelde de paar trapjes naar zijne woning af en toen hij
Christines deur op slot vond, begon hij met geweld te kloppen en te
roepen. Christine blies het licht uit en opende de deur.