Een beschaafde Noor antwoordde hem in het Duitsch "Emigranten."

Mannen en vrouwen met ernstig uiterlijk, gekleed in nieuw friesch

baai, togen voorbij. Kinderen hielden zij bij de hand, op den arm,

op den rug of wel aan de borst; eene schare van gezonde roodwangige

kleinen, die met heldere oogen verwonderd naar alles staarden, wat

op weg te zien was.

Aan al de spoorwegstations en op al de stoombooten, die de groote

binnenmeren bevaren, stonden kisten opgestapeld, voorzien van duidelijk

geschilderde adressen en namen in het Noorsch en in het Engelsch.

Op alles lag den stempel van een wel overwogen, langzaam gerijpt

besluit: knappe stevige bagage, nieuwe sterke kleederen, geene

nuttelooze kleinigheid in handen,--alleen kinderen, maar die werden

dan ook stevig vastgehouden; men kon zien, dat ze niet eerder zouden

losgelaten worden, vóór men goed en wel in de Nieuwe Wereld was

aangekomen.

Maar geene vreugde, zelfs niet dat wat men hoop kon noemen, stond op

die aangezichten te lezen; alleen lag om den mond een vast besloten,

zwaarmoedige trek en een zwaar verdriet sprak uit die oogen, die

tranen stortten of niet schreien konden.

Raadsheer Schultze uit Berlijn was een en al verwondering. Dat men

lust had uit Duitschland te emigreeren, kon hij zich begrijpen; daar

had men dienstplicht en eene militaire regeering, het socialisme,

Bismarck en alle mogelijke ellende meer. Maar hier--! in dit schoone

vreedzame land, met zijne welbekende vrijzinnige constitutie,--wat

kon hier den menschen ontbreken?

En het land zelf scheen te vragen: waarom gaat gij heen? De zon gaf

zulk een vriendelijk lachend uiterlijk aan de lichtgroene heuvels; de

stroom kabbelde zoo vreedzaam en uit het woud kwam van de pijnboomen

met de nieuw ontsproten naalden zulk een heerlijke geur!

Op het perron stonden familie en bekenden en zij weenden, wijl zoovelen

wegtrokken--allen weenden tot de arme daglooner toe, die schreide,

omdat hij geen geld had om mede op reis te gaan.

Toen de trein door het dal stoomde, zagen zij allen uit de nauwe

raampjes van den waggon en zij wisten, dat er geen schooner land op

de aarde te vinden is; dat nergens de zon zóo schijnt, dat nergens

de lucht met zulk een' geur, met zulk een gejubel vervuld is, dat

nergens de koekoek zoo vroolijk roept als in hun vaderland.

En heete tranen welden in de oogen op, en luid werd in die waggons

gesnikt; men vergat, waarom men zich hier bevond, en ieders oog scheen

dat des anderen de treurige vraag te doen: "waarom gaan we toch weg,

waarom?"

Intusschen nam de lente weldra afscheid met haar welluidend gezang,

met hare vechtpartijen en liefdesavonturen van de kleine kevers, die

in het gras aan hunne schoonen het hof maakten, van de groote beren,

die in de wouden vochten, tot er bloed stroomde. Natuurlijk waren

zooals altijd de kleinen door de grooten verslonden, dat valt niet

te ontkennen; doch het had nu meer als eene bijzaak plaats gehad:

't geschiedde min of meer gemoedelijk. Niemand behoefde veel voedsel;

wanneer men verliefd is, heeft men aan andere dingen te denken. De

strijd om het dagelijksch bestaan gaat, wanneer men verder in den zomer

en in den herfst is gekomen, op eene geheel andere wijze toe: men moet

dan voedsel zoeken voor het wijfje en eenen troep hongerige jongen.

Het voorjaar werpt een waas van ridderlijkheid over de materialistische

jacht naar het stoffelijke; de mannetjes doen hun best, zoo lieftallig

mogelijk te zijn, terwijl de wijfjes haren korten triomf genieten

door zooveel zij maar kunnen en naar hartelust te coquetteeren.

In het woud en op het veld weerklinkt de lucht van smachtend verlangen,

hopelooze klaagtonen en jubelend geluk, en vele kleine harten breken

van stil verdriet; vele kleine ongeregeldheden hebben onder het dikke

loof of op het eenzame veld plaats, en menig klein gevecht wordt er

op leven en dood gevoerd, terwijl de schoone onverschillig ter neder

zit en het spel aanziet.

Twee kwikstaartjes vochten zoo heftig met elkaar in de lucht tot

zij van vermoeienis in de sloot bij den molen vielen; doornat en

gehavend kwamen zij op het droge. Ondertusschen vloog zij, om welke

het gevecht plaats had, met eenen derde, die daar toevallig voorbij

kwam vliegen, weg. Het water bij den molen lag zoo blank en stil,

dat de twee mededingers er zich in konden spiegelen, toen zij bezig

waren, hun toilet in orde te brengen. De jonge kikvorschen hadden

zich van hunne toga puerilis met den hinderlijken staart ontdaan. Zij

vertoonden zich nu in al den glans van jonge kikvorschen, terwijl zij

met de achterpooten als geëxamineerde zwemmeesters krachtige slagen

in het water maakten.

Langs de geheele kust liep de zee; voorzichtig als eene kat, sloop zij

tusschen de talrijke klippen door. Daar, waar gedurende den winter bij

stormweer het schuimende water kon koken, bruisen en razen, gleden

nu de lichtgroene golfjes in en uit; de groote, blauwe, door de zon

zoo vroolijk beschenen zee vlijde zich zoo warm en koesterend tegen

het oude zoo barsch schijnende land aan, alsof zij nooit vijandig

tegen elkander gestemd waren geweest. Langs de naakte klippen en

steenen en in de kleine fjorden groeide het wier in roode, gele en

lichtgroene schakeeringen; het glansde gelijk een zijden dek. Op den

bodem der zee krioelde het van allerlei schaaldieren met lange armen

en voelhorens en stevige huisjes op den rug--eene wonderlijke wereld

van listige wapenen en sterke harnassen. Op de naakte, gladde klippen,

die dicht bij den blauwachtig witten zandigen grond gelegen waren,

zaten tusschen weelderig zeegras en andere zeegewassen, slijmdieren,

stekelige zeeëgels en prachtige roode zeesterren. Twee of drie zeealen

staken hunnen kop tusschen het in elkaar gegroeide wier in en beten aan

het een of ander; daar kwam onverwachts een dikke kabeljauw aanzwemmen,

door wiens komst zij zoo schrikten, dat zij ijlings trachtten weg te

komen. Deze stak nu den neus in het wier om te zien, wat er te koop

was. Vermoedelijk vond hij er niets, wat zijnen eetlust opwekte,

want met eenen verachtelijken zwaai keerde hij om, en zwom dood op

zijn gemak verder langs de klip.

De zonnestralen vielen met een blauwachtig en geheimzinnig schijnsel

op dat vreemdsoortige leven op den bodem der zee, zoowel als op de

licht grijs gekleurde zandplaten, die hier en daar onder het water

te zien waren, totdat zij eindelijk geheel verdwenen en slechts de

groote, diepe, oneindige, blauwe zee zich vertoonde.

Arbeiders: Roman · 第 19 / 34 题