In dichte scharen zaten aan den Nijl de vogels en blakerden zich in
de heete zon. Zij poetsten en plukten hunne veêren, vlogen een paar
slagen om de vleugels te beproeven, en hapten lui naar de vette wormen
waarvan het in het slijk wemelde. Maar er was àl te veel voedsel,
àl te veel warmte en àl te veel windstilte; zij reikhalsden naar
frisschen regen, grauwe lucht en stormweer.
Ontelbare troepen wilde ganzen en zwanen zwommen rond in de tamelijk
groote waterplassen, tusschen de biezen die het uitgestrekte
moeras vulden. Reigers en ooievaars staken hier en daar met den
kop boven de andere vogels uit; dicht in één gedrongen stonden
zij op één been en lieten den kop op zij hangen:--zij verveelden
zich allerverschrikkelijkst. Alle mogelijke soorten van snippen,
watervogels, kieviten, waterhoenders, wilde ganzen, kwartels,
zwaluwen--ja, zelfs tot gemeene spreeuwen toe--allen verveelden zich
zoo, dat hun de veeren bijna uitvielen.
De ibis maakte zich zeer kwaad op al dat grauw gevederde vreemde
gespuis en vergat zijne waardigheid zoo zeer, dat hij zich bij den
dommen flamingo, dien hij anders zoo diep verachtte, beklaagde.
De krokodillen knipoogden met hunne slijmachtige, lichtgroene oogen en
snapten nu en dan naar eene vette gans; dan ontstond er een geschreeuw
en gekrijsch, dat overal langs den stroom beantwoord werd, om eindelijk
heel, heel in de verte weg te sterven, en--de doodsche stilte van de
woestenij lag weer over het gloeiende landschap, terwijl de scharen
van vogels met slaperig uitzicht, weder ter neder zaten en wachtten--ja
zij wisten niet recht waarop.
Daar vloog een kleine grauwe vogel loodrecht de lucht in; een oogenblik
bleef hij zweven, en klapwiekte met de vleugels, terwijl hij eenige
tonen kweelde--dan vloog hij weer naar beneden en verschool zich
tusschen het riet.
Alle vogels hadden de koppen in de hoogte gestoken en geluisterd; nu
ontstond er een gesnater en een getjilp en een gedrang in elken hoek.
Jonge, verwaande kieviten vlogen hoog in de lucht en draaiden in alle
mogelijke bochten rond om aan de anderen te toonen, hoe goed zij
vliegen konden. Maar de oudste witte zwanen, die heel naar IJsland
zouden reizen, belegden eene groote vergadering om het voorgeslagen
reisplan van den leeuwerik te bespreken. Allen hadden toch den
leeuwerik dadelijk aan het geluid herkend, ofschoon hij, want het
gezang scheen nog niet goed uit de keel te willen, maar een paar
tonen had laten hooren. Terwijl de zwanen nog aan het beraadslagen
waren, werden zij door een hevig geplas in hunne debatten gestoord
en de lucht werd geheel donker. Het waren de wilde ganzen, die dit
leven maakten. In groote zwermen verdeelden zij zich, draaiden in de
lucht heen en weer, schaarden zich dan in lange rijen en verdwenen
in noordelijke richting, terwijl hun geschreeuw nog lang in de verte
werd gehoord.
In zwarte massa's vlogen de spreeuwen weg, de kieviten volgden hun
voorbeeld, de ooievaars stegen paarsgewijze loodrecht omhoog, tot zij
bijna geheel uit het gezicht waren, en trokken dan Noordwaarts. In de
algemeene verwarring en het leven dat er heerschte, konden de zwanen
niet rustig meer zitten te overleggen en daarom werd de vergadering
ontbonden; ieder wilde weg, tijd tot nadenken, gunde men zich niet
meer. Alle bezinning was verloren, telkens vlogen nieuwe scharen
over Noord-Afrika heen, en ieder begroette, naar dat hij gebekt was,
de blauwe Middellandsche zee, die onder hem lag.
De mannetjes-nachtegalen vlogen in stille kleine gezelschappen des
nachts weg; zij voelden zich getrokken tot de bekende plaatsjes in
de rozenstruiken van Provence of wel tot de beukenwouden van Seeland;
zij wilden hunne fraaiste melodieën instudeeren en ze kennen vóór de
aankomst der wijfjes.
De Noorsche leeuweriken wachtten het langst; toen de Deensche
wegtrokken, sloten zij uit oude vriendschap zich bij hen aan. De
reiskoorts maakte zich tot zulk eene hoogte van allen meester, dat
zelfs de zwaluwen en de koekoeken langer rust noch duur hadden; zij
wilden in allen gevalle toch over de Middellandsche zee,--daar kon
men zien hoe verder te handelen.
De ibis herkreeg zijne kalmte van gemoed, en als een bisschop zoo
deftig wandelde hij langs den oever; de roze-roode flamingo's maakten
voor Zijn Hoog Eerwaarde eerbiedig plaats, terwijl zij met vroom
vertoon den dommen kop met den krommen bek bogen.
Stiller en warmer werd het langs de oevers van den Nijl. De krokodillen
moesten zich nu met negervleesch tevreden stellen of een enkele
maal met dat van een taaien Engelschen toerist. Dag en nacht vlogen
de trekvogels naar het Noorden en naarmate zij de bekende plaatsen
naderden, verminderde het reisgezelschap; zij, die aan hun bekend te
huis waren gekomen, groetten hen, die nog verder moesten trekken,
en leven en vroolijkheid over het oude bevrorene Europa zouden
verspreiden, in bosch en veld, dicht bij de woningen der menschen en
ver weg in het riet van de groote stilstaande meren.
In Italië stonden de rozenstruiken in vollen knop; in 't Zuiden van
Frankrijk deden de bloeiende appelboomen denken, dat het zooeven
gesneeuwd had, en op de Boulevards in Parijs begonnen de bladeren der
kastanjeboomen hunne glanzende taaie knoppen te verbreken. De eerzame
burgers van Dresden stonden op het Brühlsche terras en warmden zich
in de zon, terwijl zij naar de ijsschotsen keken, die met den stroom
kwamen afdrijven, om zich tegen de bogen der brug bij torenhoog op
te stapelen.
Maar verder op in het Noorden bleef het nog koud; een scherpe,
snijdende wind woei over de Noordzee en hier en daar zag men sneeuw op
den grond. Hoe noordelijker men kwam, des te kleiner werd de schare
der leeuweriken. Een groot gedeelte nestelde zich op de vlakten om
Leipzig, en een ander op de Lüneburger heide; toen de overige in
Sleeswijk waren aangekomen, vroegen de Deensche leeuweriken aan hen,
die in het Noorden thuis behoorden, of zij geenen lust hadden een
weinig te wachten om het weer wat aan te zien.
De sneeuw lag nog op de velden en hekken in Jutland, en de
Noordwestenwind schudde de oude Deensche berken, welker bruine knoppen
nog voorzichtig de saamgehulde teere blaadjes omsloten. De vogels
verscholen zich achter groote steenen en in het heidekruid; sommige
waagden het zelfs heel dicht in de buurt der boerderijen te komen,
waar de musschen een leven maakten alsof alles hun behoorde.
Allen waren het er over eens, dat men al te vroeg op reis was gegaan,
en hadden zij hem, die hen van Egypte's vleeschpotten gelokt had,
hier beet kunnen krijgen, zij zouden hem zeker de veeren hebben
uitgeplukt. Eindelijk woei er een Zuidenwind; de reizigers naar het
Noorden namen afscheid, bedankten voor het aangename gezelschap en
vlogen de zee over.
Daar in Noorwegen zag het er bij hunne tehuiskomst treurig uit. De
sneeuw lag nog vele voeten diep in de dichte bosschen en zelfs in de
dalen. Daar bracht de Zuidenwind den zoo gewenschten regen en,--nu
niet trapsgewijze--neen, plotseling greep er eene omkeering plaats met
geraas en gebulder en sneeuwstortingen en schuimend neervallend water
en bruisende stroomen, zoodat het land veel op eenen reus geleek, die
zich wascht en die er van houdt het ijskoude water over de krachtige
leden te laten spatten. En een groen floers breidde zich over alles
uit; over de jonge berken op de hoogten, over de stranden, waar de
zee een inham maakt, over de vlakten in westelijke richting naar
zee en over heide en moeras, over klippen en bergkloven en over de
nauwe dalen tusschen de bergen. Op de toppen bleven de sneeuw en de
gletschers liggen, alsof de bergen geenen lust hadden den hoed voor
zulk een vluchtigen bezoeker als de zomer, af te nemen. De zon scheen
zoo heerlijk en warm, ook het koeltje voerde nog warmte van het Zuiden
aan, en eindelijk kwam de koekoek,--als opperceremoniemeester, om te
zien, of alles in orde was; hij vloog nu hier, dan daar, verschool zich
eindelijk in het dichtste loof van eenen jongen berkeboom, en riep:
"de Lente is daar!"
Het oude Noorwegen was eindelijk ontwaakt!
Daar lag het nu--zoo hoog en zoo verblindend schoon aan de blauwe
zee;--zoo arm en zoo mager en toch ook zoo frisch, gezond en lachend
als een flink gewasschen kind.
In de havens langs de kust heerschte nu groote bedrijvigheid; witte
zeilen vertoonden zich tusschen de klippen en verdwenen in zee. De
schaatsen werden aan den balk gehangen, de sledevellen, goed met
kamfer bestrooid, werden weggeborgen, en even als de beer, wanneer
hij uit zijn hol komt, zijne pels eens goed schudt, evenzoo schudden
nu de menschen, de loome leden, grepen de spade aan en begonnen met
vollen ijver den voorjaarsarbeid.
Groote houtvlotten dreven de stroomen af en plasten in het ijskoude
sneeuwwater; op de breede vruchtbare akkers sneed de ploegschaar lange
zwarte voren; hoog in het Noorden waren de lieden druk bezig kabeljauw
op de naakte klippen te drogen te leggen; op de vlakten in westelijke
richting naar het strand toe, zag men karren met wier beladen langs
de akkers rijden, en op de heide stond een kleine man met leepoogen,
peinzende over eene Isabella-merrie.
Hier was de lucht nog frisch en aangenaam, terwijl de lieden te Parijs
op straat door een zonnesteek getroffen werden en de bladeren der
boomen op de boulevards vol stof en half verschroeid waren.
Op het Brühlsche terras zaten de eerzame burgers van Dresden het
koeltje, dat de avond hun aanbracht, te genieten; zij dronken Meiwijn
en disputeerden zoo over Wagner's muziek, dat zij elkaar bijna in
het haar vlogen. Over iets anders mochten zij in het publiek niet
disputeeren en--disputeeren moesten zij.
Zij, die eene goed gevulde beurs bezaten, begonnen in Baedeker te
bladeren, en spoedig kwam er ook eene schare van krombeenige Duitschers
en Engelsche dames met lange tanden opzetten, die frissche lucht wilden
inademen, tusschen de bergen van Noorwegen, en later een weinig van
die frissche lucht naar het vaderland wenschten mede te nemen, te
gelijk met de goelijk gemeende karikaturen over het "Oude Noorwegen."
Terwijl die bonte menigte van reizigers zich in alle richtingen over
Noorwegen verspreidde, ontmoette zij op hunnen weg eenen anderen
stroom, die de kust trachtte te bereiken.
"Was sind das für Leute?" vroeg Raadsheer Schultze uit Berlijn.