XII.

In dichte scharen zaten aan den Nijl de vogels en blakerden zich in

de heete zon. Zij poetsten en plukten hunne veêren, vlogen een paar

slagen om de vleugels te beproeven, en hapten lui naar de vette wormen

waarvan het in het slijk wemelde. Maar er was àl te veel voedsel,

àl te veel warmte en àl te veel windstilte; zij reikhalsden naar

frisschen regen, grauwe lucht en stormweer.

Ontelbare troepen wilde ganzen en zwanen zwommen rond in de tamelijk

groote waterplassen, tusschen de biezen die het uitgestrekte

moeras vulden. Reigers en ooievaars staken hier en daar met den

kop boven de andere vogels uit; dicht in één gedrongen stonden

zij op één been en lieten den kop op zij hangen:--zij verveelden

zich allerverschrikkelijkst. Alle mogelijke soorten van snippen,

watervogels, kieviten, waterhoenders, wilde ganzen, kwartels,

zwaluwen--ja, zelfs tot gemeene spreeuwen toe--allen verveelden zich

zoo, dat hun de veeren bijna uitvielen.

De ibis maakte zich zeer kwaad op al dat grauw gevederde vreemde

gespuis en vergat zijne waardigheid zoo zeer, dat hij zich bij den

dommen flamingo, dien hij anders zoo diep verachtte, beklaagde.

De krokodillen knipoogden met hunne slijmachtige, lichtgroene oogen en

snapten nu en dan naar eene vette gans; dan ontstond er een geschreeuw

en gekrijsch, dat overal langs den stroom beantwoord werd, om eindelijk

heel, heel in de verte weg te sterven, en--de doodsche stilte van de

woestenij lag weer over het gloeiende landschap, terwijl de scharen

van vogels met slaperig uitzicht, weder ter neder zaten en wachtten--ja

zij wisten niet recht waarop.

Daar vloog een kleine grauwe vogel loodrecht de lucht in; een oogenblik

bleef hij zweven, en klapwiekte met de vleugels, terwijl hij eenige

tonen kweelde--dan vloog hij weer naar beneden en verschool zich

tusschen het riet.

Alle vogels hadden de koppen in de hoogte gestoken en geluisterd; nu

ontstond er een gesnater en een getjilp en een gedrang in elken hoek.

Jonge, verwaande kieviten vlogen hoog in de lucht en draaiden in alle

mogelijke bochten rond om aan de anderen te toonen, hoe goed zij

vliegen konden. Maar de oudste witte zwanen, die heel naar IJsland

zouden reizen, belegden eene groote vergadering om het voorgeslagen

reisplan van den leeuwerik te bespreken. Allen hadden toch den

leeuwerik dadelijk aan het geluid herkend, ofschoon hij, want het

gezang scheen nog niet goed uit de keel te willen, maar een paar

tonen had laten hooren. Terwijl de zwanen nog aan het beraadslagen

waren, werden zij door een hevig geplas in hunne debatten gestoord

en de lucht werd geheel donker. Het waren de wilde ganzen, die dit

leven maakten. In groote zwermen verdeelden zij zich, draaiden in de

lucht heen en weer, schaarden zich dan in lange rijen en verdwenen

in noordelijke richting, terwijl hun geschreeuw nog lang in de verte

werd gehoord.

In zwarte massa's vlogen de spreeuwen weg, de kieviten volgden hun

voorbeeld, de ooievaars stegen paarsgewijze loodrecht omhoog, tot zij

bijna geheel uit het gezicht waren, en trokken dan Noordwaarts. In de

algemeene verwarring en het leven dat er heerschte, konden de zwanen

niet rustig meer zitten te overleggen en daarom werd de vergadering

ontbonden; ieder wilde weg, tijd tot nadenken, gunde men zich niet

meer. Alle bezinning was verloren, telkens vlogen nieuwe scharen

over Noord-Afrika heen, en ieder begroette, naar dat hij gebekt was,

de blauwe Middellandsche zee, die onder hem lag.

De mannetjes-nachtegalen vlogen in stille kleine gezelschappen des

nachts weg; zij voelden zich getrokken tot de bekende plaatsjes in

de rozenstruiken van Provence of wel tot de beukenwouden van Seeland;

zij wilden hunne fraaiste melodieën instudeeren en ze kennen vóór de

aankomst der wijfjes.

De Noorsche leeuweriken wachtten het langst; toen de Deensche

wegtrokken, sloten zij uit oude vriendschap zich bij hen aan. De

reiskoorts maakte zich tot zulk eene hoogte van allen meester, dat

zelfs de zwaluwen en de koekoeken langer rust noch duur hadden; zij

wilden in allen gevalle toch over de Middellandsche zee,--daar kon

men zien hoe verder te handelen.

De ibis herkreeg zijne kalmte van gemoed, en als een bisschop zoo

deftig wandelde hij langs den oever; de roze-roode flamingo's maakten

voor Zijn Hoog Eerwaarde eerbiedig plaats, terwijl zij met vroom

vertoon den dommen kop met den krommen bek bogen.

Stiller en warmer werd het langs de oevers van den Nijl. De krokodillen

moesten zich nu met negervleesch tevreden stellen of een enkele

maal met dat van een taaien Engelschen toerist. Dag en nacht vlogen

de trekvogels naar het Noorden en naarmate zij de bekende plaatsen

naderden, verminderde het reisgezelschap; zij, die aan hun bekend te

huis waren gekomen, groetten hen, die nog verder moesten trekken,

en leven en vroolijkheid over het oude bevrorene Europa zouden

verspreiden, in bosch en veld, dicht bij de woningen der menschen en

ver weg in het riet van de groote stilstaande meren.

In Italië stonden de rozenstruiken in vollen knop; in 't Zuiden van

Frankrijk deden de bloeiende appelboomen denken, dat het zooeven

gesneeuwd had, en op de Boulevards in Parijs begonnen de bladeren der

kastanjeboomen hunne glanzende taaie knoppen te verbreken. De eerzame

burgers van Dresden stonden op het Brühlsche terras en warmden zich

in de zon, terwijl zij naar de ijsschotsen keken, die met den stroom

kwamen afdrijven, om zich tegen de bogen der brug bij torenhoog op

te stapelen.

Maar verder op in het Noorden bleef het nog koud; een scherpe,

snijdende wind woei over de Noordzee en hier en daar zag men sneeuw op

den grond. Hoe noordelijker men kwam, des te kleiner werd de schare

der leeuweriken. Een groot gedeelte nestelde zich op de vlakten om

Leipzig, en een ander op de Lüneburger heide; toen de overige in

Sleeswijk waren aangekomen, vroegen de Deensche leeuweriken aan hen,

die in het Noorden thuis behoorden, of zij geenen lust hadden een

weinig te wachten om het weer wat aan te zien.

De sneeuw lag nog op de velden en hekken in Jutland, en de

Noordwestenwind schudde de oude Deensche berken, welker bruine knoppen

nog voorzichtig de saamgehulde teere blaadjes omsloten. De vogels

verscholen zich achter groote steenen en in het heidekruid; sommige

waagden het zelfs heel dicht in de buurt der boerderijen te komen,

waar de musschen een leven maakten alsof alles hun behoorde.

Allen waren het er over eens, dat men al te vroeg op reis was gegaan,

en hadden zij hem, die hen van Egypte's vleeschpotten gelokt had,

hier beet kunnen krijgen, zij zouden hem zeker de veeren hebben

uitgeplukt. Eindelijk woei er een Zuidenwind; de reizigers naar het

Noorden namen afscheid, bedankten voor het aangename gezelschap en

vlogen de zee over.

Daar in Noorwegen zag het er bij hunne tehuiskomst treurig uit. De

sneeuw lag nog vele voeten diep in de dichte bosschen en zelfs in de

dalen. Daar bracht de Zuidenwind den zoo gewenschten regen en,--nu

niet trapsgewijze--neen, plotseling greep er eene omkeering plaats met

geraas en gebulder en sneeuwstortingen en schuimend neervallend water

en bruisende stroomen, zoodat het land veel op eenen reus geleek, die

zich wascht en die er van houdt het ijskoude water over de krachtige

leden te laten spatten. En een groen floers breidde zich over alles

uit; over de jonge berken op de hoogten, over de stranden, waar de

zee een inham maakt, over de vlakten in westelijke richting naar

zee en over heide en moeras, over klippen en bergkloven en over de

nauwe dalen tusschen de bergen. Op de toppen bleven de sneeuw en de

gletschers liggen, alsof de bergen geenen lust hadden den hoed voor

zulk een vluchtigen bezoeker als de zomer, af te nemen. De zon scheen

zoo heerlijk en warm, ook het koeltje voerde nog warmte van het Zuiden

aan, en eindelijk kwam de koekoek,--als opperceremoniemeester, om te

zien, of alles in orde was; hij vloog nu hier, dan daar, verschool zich

eindelijk in het dichtste loof van eenen jongen berkeboom, en riep:

"de Lente is daar!"

Het oude Noorwegen was eindelijk ontwaakt!

Daar lag het nu--zoo hoog en zoo verblindend schoon aan de blauwe

zee;--zoo arm en zoo mager en toch ook zoo frisch, gezond en lachend

als een flink gewasschen kind.

In de havens langs de kust heerschte nu groote bedrijvigheid; witte

zeilen vertoonden zich tusschen de klippen en verdwenen in zee. De

schaatsen werden aan den balk gehangen, de sledevellen, goed met

kamfer bestrooid, werden weggeborgen, en even als de beer, wanneer

hij uit zijn hol komt, zijne pels eens goed schudt, evenzoo schudden

nu de menschen, de loome leden, grepen de spade aan en begonnen met

vollen ijver den voorjaarsarbeid.

Groote houtvlotten dreven de stroomen af en plasten in het ijskoude

sneeuwwater; op de breede vruchtbare akkers sneed de ploegschaar lange

zwarte voren; hoog in het Noorden waren de lieden druk bezig kabeljauw

op de naakte klippen te drogen te leggen; op de vlakten in westelijke

richting naar het strand toe, zag men karren met wier beladen langs

de akkers rijden, en op de heide stond een kleine man met leepoogen,

peinzende over eene Isabella-merrie.

Hier was de lucht nog frisch en aangenaam, terwijl de lieden te Parijs

op straat door een zonnesteek getroffen werden en de bladeren der

boomen op de boulevards vol stof en half verschroeid waren.

Op het Brühlsche terras zaten de eerzame burgers van Dresden het

koeltje, dat de avond hun aanbracht, te genieten; zij dronken Meiwijn

en disputeerden zoo over Wagner's muziek, dat zij elkaar bijna in

het haar vlogen. Over iets anders mochten zij in het publiek niet

disputeeren en--disputeeren moesten zij.

Zij, die eene goed gevulde beurs bezaten, begonnen in Baedeker te

bladeren, en spoedig kwam er ook eene schare van krombeenige Duitschers

en Engelsche dames met lange tanden opzetten, die frissche lucht wilden

inademen, tusschen de bergen van Noorwegen, en later een weinig van

die frissche lucht naar het vaderland wenschten mede te nemen, te

gelijk met de goelijk gemeende karikaturen over het "Oude Noorwegen."

Terwijl die bonte menigte van reizigers zich in alle richtingen over

Noorwegen verspreidde, ontmoette zij op hunnen weg eenen anderen

stroom, die de kust trachtte te bereiken.

"Was sind das für Leute?" vroeg Raadsheer Schultze uit Berlijn.

Arbeiders: Roman · 第 18 / 34 题