In April zou dokter Bennecken op reis gaan. Toen zijn vader hem
meedeelde, dat hij hem toestond naar Weenen te reizen, was hij er
zoo blijde over, dat hij in het eerst er niet aan dacht, hoe zwaar
het hem zou vallen Christine in langen tijd niet te zien. Nog minder
viel het den goedhartigen dokter in er over na te denken, waarom dat
hem de groote gunst eene reis te mogen maken, was toegestaan.
Toen hij zijn examen als candidaat in de medicijnen had afgelegd,
was het zijn vurigste wensch geweest voor een jaar buitenslands
te gaan. Zijn vader had het te kostbaar gevonden en zijne moeder
had hem ronduit gezegd, dat het vrij belachelijk zou zijn, hem
voor zijne studiën naar het buitenland te zenden; daar waren zijne
examens niet schitterend genoeg voor geweest; hij kon best thuis voort
studeeren. Johan had dus al die reisplannen op zijde gezet. Toen hij
nu zoo onverwachts verlof kreeg naar het buitenland te reizen, was hij
zoo vervuld van dankbaarheid, dat hij er volstrekt niet aan dacht, hoe
hij eigenlijk zijn eigen meester was en zelf zijne reis kon bekostigen.
Hoe meer de dag van het vertrek naderde, des te onrustiger werd hij. Er
was zooveel, dat hij vóór zijn heengaan volstrekt aan Christine moest
zeggen. Vóór alles wilde hij haar op de eene of andere wijze te kennen
geven, hoeveel hij van haar hield, en dan wilde hij haar vragen, ja,
dat was het eigenlijk, hij wilde haar vragen aan hem te denken in zijne
afwezigheid. Met dit denkbeeld was hij zeer ingenomen, want hij vond,
dat aldus veel met weinig woorden kon gezegd worden, en de dokter
oefende zich voortdurend op welke wijze den zin samen te stellen, als
bijv.: "zoo gij wildet...." of "zoo gij zoo goed wildet zijn...." of
"zoo ik kon gelooven, dat gij zoo vriendelijk zoudt willen zijn een
weinig aan mij te denken." Zou hij "een weinig", of zou hij het wagen
"veel" te zeggen, of misschien "dikwijls?" En ééne zaak bovenal woog
hem zwaar op het hart: hij wilde haar voor Alfred waarschuwen. Dat
hij haar alleen met Alfred moest laten, gaf hem de meeste onrust. Hij
kende al te goed, ja hij bewonderde zelfs de behendigheid van zijnen
broeder in het maken van intriges, en hij kon zich best voorstellen,
hoe licht een onervaren meisje als Christine zich door Alfreds aardige
manieren zou laten medesleepen.
Maar men kon Alfred niet vertrouwen, en het was zijn plicht, zijn dure
plicht Christine voor hem te waarschuwen. Heel gemakkelijk ging het
echter niet, eene geschikte gelegenheid te vinden haar te spreken. Zoo
dikwijls mogelijk ging hij in de laatste dagen vóór zijn vertrek
langs hare vensters of bleef even in de poort staan; de twee of drie
treden durfde hij echter niet af te gaan. Tweemaal ontmoette hij haar,
maar hij voelde zich zoo beklemd en de stem stokte hem zoo in de keel,
dat hij blijde was toen zij voorbij was. Zij zag er ook zóó niet uit,
dat het hem aanmoedigde, haar aan te spreken.
Eindelijk was de dag, die voor zijn vertrek bestemd was,
aangebroken. Nu moest hij dus trachten haar te spreken te krijgen;
toen hij in de poort was, verschoof hij het oogenblik nog wat: hij
kon eerst toch wel boven gaan afscheid nemen. Hij was zoo verstrooid,
dat allen er een weinig om lachten, uitgenomen Hilda, die hem schreiend
beloofde, te zullen schrijven.
Toen hij uit het kamertje van den conciërge de weinige treden, die naar
Christine's kamer voerden, afging, draaide alles voor zijn oogen, en
hij viel bijna in de kamer. Gelukkig was er niemand, maar Christine,
die iemand met zoo'n leven had hooren binnen komen, kwam dadelijk
uit de keuken.
"Ik ben het maar," stamelde de dokter, "ik struikelde over de
mat.... ik ga op reis."
Ja, Christine had het reeds gehoord.
"Ik kom nu afscheid nemen."
Christine droogde de rechterhand wat aan haren boezelaar af.
"Ik.... ik wou u vragen," maar verder kwam het niet. Al de mooie
wendingen van den zin, dien hij had willen uitspreken, waren als
weggevaagd.
Onwillekeurig moest Christine even glimlachen. Dit gaf hem moed. "Ik
wou zoo graag, dat gij veel.... een weinig meen ik.... aan mij dacht,
wanneer ik zoover weg ben." Al het bloed steeg hem naar het hoofd;
hij wilde zoo gaarne den zin nog eens gezegd hebben, maar vond zulks
wat heel gek. Christine was ook rood geworden, zij zag voor zich neer,
maar glimlachte tevens.
Toen werd de dokter zelfs vermetel; "en zoo wilde ik u zeggen, dat
gij voor Alfred op uwe hoede moet zijn."
Deze woorden moest Johan Bennecken niet hebben gezegd; ternauwernood
was de zin aan zijne lippen ontgleden of Christine richtte zich
trotsch in hare volle lengte op, kwam eene schrede nader en vroeg:
"Wat meent gij hiermede?"
Zij sprak in het dialect, dat zij anders in de stad afgelegd had,
toen hij haar aanzag, ging hij een paar schreden achteruit en vroeg:
"Ja, neem mij niet kwalijk, ik meende maar...."
"Ik ben oud genoeg, om op mij zelf te kunnen passen," beet Christine
hem kortaf toe.
"Ja.... ja.... zoo meende ik het niet. Vaarwel!" en Johan strompelde
de twee, drie treden weer op. Toen hij weg was, wierp Christine zich
op haar bed en weende bittere tranen; dat hij ook zulke slechte dingen
van haar kon gelooven!
De arme dokter werd door duizenden verwarde gedachten geplaagd;
eindelijk geloofde hij vast en zeker, dat zij Alfred beminde.
De kruier die op het bestemde uur kwam om voor zijne bagage te zorgen,
kon uit mijnheer niet recht wijs worden: hij sprak zoo verward. Een
paar vrienden kwamen even bij hem aanloopen om hem eene goede reis te
wenschen; hij dronk een glas wijn met hen, gaf hen allerlei verkeerde
antwoorden, zag hen beurtelings aan alsof hij hun wat wilde vragen,
en zei, als het er op aankwam, geene syllabe.
Zij lachten hem hartelijk uit, en vertelden hem, dat hij aan een
harden aanval van reiskoorts leed.
In die gemoedstemming verliet hij Christiania.
Een paar dagen later, vond de minister het maar het best nog eens
met Mo over de zaak te spreken. Alle dagen had hij den verwijtenden
blik, waarmee zijne vrouw hem aanzag, te doorstaan, waardoor hij
zich niet op zijn gemak gevoelde. Toen hij dan ook op zekeren morgen
met Mo alleen in zijn kamer aan het Departement was, zeide hij:
"Ja Mo.... je nicht moet je toch wegzenden."
"Het spijt mij zeer, Excellentie, maar...."
"Zeg mij toch eens, waarom je haar volstrekt bij je wilt houden?"
"Ja,.... Excellentie, ik heb het mijn heele leven lang zoo eenzaam
gehad, en...."
Nu ging den minister eensklaps een licht op; hij zag den kleinen
glimlachenden man, die voor hem stond aan en zeide eenigszins toornig:
"Neen, maar Mo, hoe kunt gij aan zoo iets denken?.... op jouw
leeftijd.... en buitendien...."
"Buitendien, Excellentie!" vroeg Mo, en hij zag hem zijdelings aan.
"Ja, dat is een zeer onaangenaam onderwerp om over te spreken, maar
daar gij er mij naar vraagt zoo, zoo.... een paar malen zijt gij
zwaar ziek geweest.... Mo!"
"Maar één maal, den anderen keer leed ik aan roos in het gezicht."
"Ja, ja, ik ben niet van plan mij in uwe zaken te mengen, maar ik vind,
dat gij, wanneer ik je er om verzoek, het meisje weg kondt zenden."
"Uwe Excellentie zal, hoop ik, volstrekt niet aan mijne onderdanigheid
en aan mijne volstrekte gehoorzaamheid twijfelen," gaf Andreas Mo ten
antwoord, en hij boog heel diep, "maar ik meen dat uwe Excellentie
zelf weet, hoe sterk dit gevoel bij den mensch is, en hoe...."
De minister gaf hem door een ongeduldig gebaar met de hand te
kennen, dat hij het gesprek niet wenschte voort te zetten. Hij liep
de kamer op en neer maar de vingertoppen werden niet tegen elkaar
aangelegd. Wanneer hij uit zijn humeur was, en dus niet als diplomaat
optrad, stak hij de handen in den zak en rammelde met zijne sleutels.
Hij dacht aan al de onaangenaamheden, die hem t'huis te wachten
stonden wanneer Christine niet weg ging en hij was niet zoo bang voor
de geheele pers der oppositie, als voor zijne vrouw, wanneer zij
eenen veldtocht, geheel naar den regel, aanving. Zij snuffelde dan
overal naar alles, wat haar licht over de zaak zou kunnen geven, en
bespiedde alle zijne gangen; veel kon er aan den dag komen, dat nu voor
haar bewaard en verborgen was en zou blijven, zoo lang de verhouding
vriendschappelijk bleef en hij zijne vrouw in goeden luim hield.
Terwijl de minister heen en weer liep, pookte Mo heel voorzichtig in
de kachel het vuur wat op, en hij was er, om den minister wat tijd
te geven, heel lang mede bezig.
Van tijd tot tijd keek deze Mo eens aan; na over alle punten van deze
onaangename zaak goed te hebben nagedacht, kwam hij tot het besluit,
dat een huwelijk tusschen Mo en die nicht in den grond eigenlijk de
beste uitweg zou zijn.
Zonder twijfel zoude die Adelaïde tevreden stellen en tot kalmte
brengen, en dat was de hoofdzaak. Verder zou Mo, wanneer de minister
zich tegen het huwelijk niet verder aankantte, nog meer verplichting
aan hem hebben, en het was toch zijn plicht niet er acht op te geven,
dat de lieden, die wilden trouwen, gezond waren.
En eindelijk--zoo Mo wilde gaan trouwen, wat had hij daarmede te
maken? Kon hij,--de minister--het hem misschien verbieden? Hoe kon
hij zoo dom zijn zich er boos over te maken?
De minister legde nu de vingertoppen weer tegen elkaar, en vroeg
op den toon, dien hij gewoonlijk tegen Mo aansloeg: "Hebt ge met je
nicht over eene zoodanige verbintenis gesproken?"
"Rechtstreeks heb ik de zaak nog niet aangeroerd; ik wilde mij van
de toestemming van uwe Excellentie verzekeren alvorens er met haar
over te praten."
"Wat? mijne toestemming! het is eene zaak, die jou alleen aangaat,
en waarin ik niets heb te zeggen."
"Ik zou mij toch nooit zulk eenen stap hebben willen veroorloven,
zonder eerst...."
"Goed.... goed!" viel de minister hem boos in de rede, "zoo gij
gelooft, dat het meisje je nemen wil, zoo...."
"Duizendmaal dank, Excellentie!" riep Mo uit en hij wilde de hand des
ministers grijpen, "ik twijfel er niet aan, dat nu ik de toestemming
van uwe Exc...."
"Geen woord wil ik meer over die zaak hooren Mo, hebt gij mij
begrepen?"
De minister zag er zoo verschrikkelijk boos uit, dat Mo het maar het
best vond hem alleen te laten; met een dankbaren glimlach om den mond
verliet hij het vertrek.
De minister kon zich niet dadelijk aan den arbeid zetten--dit tooneel
had hem zeer ontstemd; nog lang liep hij hoofdschuddend in zijn kamer
heen en weer, en slaakte vele malen eenen diepen zucht.
Des avonds zeide hij tot zijne vrouw: "Beste Adelaïde, het spijt mij
zeer voor je, maar Mo is maar niet van zijn besluit af te brengen om
het meisje bij zich te houden."
"Zoo, werkelijk Daniël," antwoordde zij vrij heftig, "ja, ik begin
inderdaad te gelooven, dat gij op de eene of andere wijze in de macht
van dien man zijt."
"Wees toch bedaard, Adelaïde, wees toch bedaard!" zeide haar man,
en hij gesticuleerde even met zijne mooie hand, "zij--ja, ik meen
dat meisje, kan geheel onschadelijk worden gemaakt, zonder dat het
noodig is, dat wij haar wegzenden."
"Zoo, en hoe? als ik mag vragen?"
"Zij kon bij voorbeeld gaan trouwen?"
"Hier aan huis?"
"Ja zeker, beste, met haren oom."
"Met Mo! dat jonge meisje met dien ouden vent?"
"Ja, zie je," antwoordde haar man, en hij deed zijne das voor den
spiegel wat los, "dat is nu eene zaak, die ons eigenlijk niet aangaat."
"Neen, daar kunt ge gelijk aan hebben," antwoordde mevrouw eenigermate
aarzelend, "maar ik vind toch...."
"Door dit huwelijk zou zij voor ons onschadelijk worden," ging
hij voort.
"Ja, dat zou zeker het geval zijn; maar met dien akeligen Mo! en hebt
ge mij buitendien niet eens verteld, dat hij...."
"Officieel is daar niets van bekend, en buitendien! zoo men bij ieder
huwelijk nauwkeurig wilde gaan onderzoeken of...."
"Ja, je hebt gelijk, Daniël, ja, gij mannen....! en zoo als gij ook
zegt, het gaat ons eigenlijk niet aan!"
"Ja, lieve Adelaïde, zoo denk ik over de zaak, het gaat geheel buiten
ons om."
Toen mevrouw een poosje had nagedacht, kwam zij ook tot het besluit,
dat een huwelijk de beste uitkomst was.
"Zijt gij op dat denkbeeld gekomen, Daniël," vroeg zij hem op
schalkschen toon.
"Nu.... dat wil ik juist niet beweren.... hm!"
"Je bent toch een slimmerd, Daniël," zeide mevrouw, en zij trok hem
naar zich toe.
Christine begon te begrijpen, waarvan eigenlijk sprake was. Oom Anders
had, na haar zeer voorzichtig te hebben voorbereid, haar ronduit
gezegd, dat de minister wenschte, dat de geruchten, die zooals zij zelf
wist in omloop waren, op eene duidelijke wijze werden gelogenstraft.
Een huwelijk met Oom Anders was naar hare begrippen eene goede
partij. In den stand, waartoe zij behoorde, waren zoogenaamde "mariages
de raison" eene gewone zaak; wanneer er nu nog bijkwam, dat haar
vader het ook zoo gaarne zag, kon zij er niets op tegen hebben.
Nooit had zij eenig man aangemoedigd; zij was volkomen vrij, en
daarom maakte zij er zich dubbel boos over, dat men haar daarvan had
kunnen beschuldigen. Inzonderheid ontvlamde haar toorn, wanneer zij
aan dokter Bennecken dacht, en--die toorn deed meer pijn, dan zij
vroeger ooit had gevoeld.
Ofschoon zij dus geene liefde behoefde te offeren, schreide zij echter
den ganschen nacht, die op den avond volgde waarop Oom haar gevraagd
had of zij zijne vrouw wilde worden. Na goed uitgeweend te hebben, werd
zij kalm en verstandig; de gedachte dat zij, trouwende met haren oom,
allen zou kunnen bewijzen--en den dokter in de eerste plaats,--welk
onrecht men haar had aangedaan, scheen haar kracht te verleenen.
Den volgenden morgen kreeg haar oom het jawoord.