X.

De opperloods had in den loop van den winter heel wat brieven voor

Njaedel te schrijven, nu aan Christine, en dan weer aan broer Anders

over die zaak, die nooit tot een eind scheen te komen. Een weinig

mistrouwen begon de opperloods te koesteren jegens dien broer Anders;

het kwam hem voor, alsof het met al die geldzendingen, en telkens

werd er meer gevraagd, niet recht in den haak was, en het minst van

allen stond hem aan, wat Anders in zijn laatsten brief over Christine

had geschreven.

Ook hielp het geen greintje of hij Njaedel zijne gedachten over

diens broeder al meedeelde; geen kwaad wou hij van hem hooren, en

waagde hij het ook al eens, dan werd Njaedel vreeselijk boos. Alles

wat Njaedel had opgespaard, moest Sechus naar Anders zenden, en toen

de spaarpenningen verdwenen waren, moest de opperloods hem op eene

andere manier geld zien te verschaffen.

Njaedel leefde slechts voor de zaak; hij stond er 's morgens mee op,

en ging er 's avonds mee naar bed. Elk oogenblik was hij overtuigd, dat

er bericht van den koning zou komen, en dat hij--Njaedel--gelijk had.

Vervolgens moest de opperloods, wanneer hij aan Christine schreef

haar raden en vermanen. Daar Anders altijd schreef, dat zij daaraan

behoefte had, stond Njaedel er op, dat het gebeurde. Anders had er

verstand van en wist voor alles raad. Daarom was het voor Christine

niet gemakkelijk de brieven van den opperloods recht te begrijpen;

zij kreeg er echter een voorgevoel van, dat de zaken thuis niet in

orde waren, ofschoon er altijd in de brieven stond, dat het Njaedel

in alles goed ging. Nog minder begreep zij, wat hij met al die wenken

en vermaningen aan haar adres meende. Op een dag in Februari, toen zij

juist weer een' brief van huis had gekregen, gaf een gedeelte haar veel

te denken. "Ik heb een lang leven achter den rug en veel verdriet en

veel honger heb ik zien lijden door de liefde en het bedrog van zulke

fijne jonge heeren, op wie geen meisje vertrouwen kan. Je moet God

bidden, dat je hart van het kortstondig genot der liefde afgetrokken

moge worden, en tot een verstandig man, al is die wat oud, dat maakt

niets uit, wanneer men er maar eenmaal over heen is, maar daarentegen

is het naar mijne gedachten niet te verwerpen, goed zijn brood te

hebben, en de grootste winst en het grootste voordeel op den duur."

Christine zat nog met den brief in de hand, toen zij juffrouw Hilda

voorbij zag komen en de poort ingaan. Wanneer Hilda uit was geweest,

liep zij altijd even de kelderwoning in, zoodat Christine, nog half

in gedachten verzonken, opstond, om de deur te openen.

Hilda wilde, naar het scheen, eerst voorbijgaan, maar na voorzichtig

naar alle kanten te hebben rondgezien, sloop zij naar binnen en trok

de deur schielijk achter zich dicht.

Christine zag haar zeer verwonderd aan.

"Zeg aan niemand, dat ik hier ben geweest, Christine. Mama heeft mij

verboden, je te bezoeken."

"Waarom?" vroeg Christine ernstig.

"Dat kan ik je niet zeggen," antwoordde Hilda, en zij draaide het

hoofd om, "maar ik ben zeker dat, wat mama mij heeft gezegd, niet

waar kan zijn."

"Wat heeft uwe moeder dan gezegd," vroeg Christine op denzelfden

ernstigen toon.

"Och... beste Christine... vraag mij daar niet naar," zeide Hilda,

en zij wilde weggaan.

"Ik wil het weten," zeide Christine en zij hield haar bij den arm vast.

"Mama zegt, dat wij te dikwijls komen?"

"Wie?"

"Ja, ik.... en.... en...."

"En?.... wie meer?"

"Mijn broers... Johan vooral, zegt mama, maar ik geloof er geen

woord van, hoor.... Ik ben maar zoo bang dat mama te weten zal komen,

dat ik hier toch ben."

Christine liet haren arm los, en daar oom Anders juist het vertrek

binnenkwam, sloop Hilda weg, verward en onrustig over hetgeen zij

had gedaan.

Christine stond doodsbleek en met vastgeknepen handen; ja nu begon

zij te begrijpen, dat men haar beschuldigde de zonen van den minister

tot zich te lokken. Manspersonen aan te halen was het schandelijkste,

wat zij zich denken kon, en dan... vooral Johan, had juffrouw Hilda

gezegd: de dokter... de oudste zoon van den minister.... en dat zou

zij hebben gedaan!

"Ik wil naar huis, oom Anders."

"Het zou er slecht uitzien, als zij gelijk hadden," antwoordde hij

bedaard.

"Weet u er ook van," riep Christine uit, "maar wat heb ik dan toch

gedaan?"

"Goddank, gij hebt nog niets gedaan lieve Christine.... en wees maar

niet bang. Ik zal wel voor je waken, dit heb ik ook aan den minister

gezegd."

"De minister.... weet hij het ook? Ik wil naar huis, och lieve,

lieve oom laat mij dadelijk naar huis gaan," smeekte Christine.

"Ik vrees maar, dat je vader het treurig zal vinden, wanneer je om

die reden terugkomt," zeide haar oom.

"Om die reden," herhaalde Christine, en al de wenken en vermaningen

van den opperloods schoten haar in de gedachten! Zij kon niet meer

geregeld denken, zij voelde zich zoo ontzettend eenzaam.

"Maar wat moet ik dan toch doen," riep zij eindelijk uit, en zij

wrong de handen.

"Je behoeft je volstrekt niet ongerust te maken, Christine! Ik ben

mans genoeg je tegen den minister en tegen mevrouw, ja, tegen wien ook

te verdedigen, en zoo iemand je wil beleedigen, of je te na komen,

vertel het mij dan maar;" terwijl hij deze woorden zeide, kwam hij

wat nader bij, en drukte hare hand recht hartelijk.

Dit bracht haar wat tot kalmte. Het was toch maar goed, dat zij oom

Anders had, op wien zij zoo volkomen kon vertrouwen; zij begon voor

iedereen bang te worden en besloot zich op een' afstand te houden.

Christine haalde den brief van den opperloods weer voor den dag en ging

zitten, om hem te antwoorden; zij wilde volstrekt niet hebben, dat men

t'huis zou kunnen meenen, dat er met haar iets niet in den haak was.

"Beste Vader en beste Opperloods! met mijne gedachten ben ik meest

altijd bij u, maar al verlang ik soms zeer naar huis, en ben ik wat

neerslachtig, zoo ben ik evenwel God er recht dankbaar voor, dat ik

het zoo goed naar lichaam en ziel heb. Eerst wil ik nu maar schrijven,

dat oom gezegd heeft, dat de zaak nu mooi op weg is; hij zal zelf

eerstdaags schrijven, maar hij heeft ontzaglijk veel te doen, en geeft

zich veel moeite voor vaders zaak, en zoo er meer geld voorhanden was,

zou alles zeker spoedig zijn beslag krijgen. Maar ieder zegt hier,

dat Oom Anders de voornaamste van allen aan het Departement is, en hij

is heel vriendelijk tegen mij, en het gaat met mij in alles heel goed.

Hier is in 't geheel geene zee te zien, veel geel water, dat leelijk

riekt, en niet zoo als de zee bij ons, maar ontelbaar veel schepen

en groote huizen van steen, en boomen, die zoo hoog zijn, als ik ze

nooit heb gezien. Maar nu moet ik eindigen, met de hartelijke groeten

aan mijnen goeden vader en den opperloods.

Uwe gehoorzame dochter,

Christine.

Bij Hilda Bennecken waren op denzelfden namiddag eenige jonge dames op

theevisite; ofschoon zij nooit veel zulke visites gaf, was zij er van

daag in 't geheel niet toe gestemd. Het speet haar zoo, dat het haar

verboden was bij Christine in te loopen; haar angst voor hare moeder

was echter zoo groot, dat zij, ofschoon zij reeds lang volwassen was,

als een klein meisje voor haar beefde.

Van hare vroegste jeugd af, had zij steeds moeten hooren, dat zij

een ongelukskind was.

Zij had zich gewend, het verdriet harer moeder over de leelijkheid

harer eenige dochter, meer te beschouwen als een verwijt, dat deze

er haar van maakte, dan als eene zaak, die voor haar zelf treurig was.

En hieraan was mevrouw Bennecken grootendeels zelf schuld. Want daar

zij er nog goed uitzag, en een goed voorkomen zeer op prijs stelde,

kon zij er zich soms bitter over beklagen, dat zij aan zulk eene

dochter het leven had moeten schenken; en vele malen had Hilda in

hare kinderjaren het moeten ondervinden, dat hare moeder, wanneer

deze haar zoo fraai mogelijk aangekleed had, ten laatste alles weer

uittrok en wegwierp, half schreiend zeggende: "waarvoor dient het? Je

bent eenmaal leelijk, en dat zal wel nooit anders worden."

Die tranen harer moeder brandden Hilda diep in de ziel, en al wat

in den loop der jaren bij haar tot beter ontwikkeling had kunnen

komen, kwam niet tot vollen wasdom, wijl zelfvertrouwen haar geheel

ontbrak. Voor hare moeder koesterde zij zulk eene vrees, dat zij,

wanneer deze tegenwoordig was, zich bijna niet durfde verroeren.

Juffrouw Hilda was nu drie en twintig jaar oud; om in het huishouden

wat te verrichten, had zij de gelegenheid niet; daar had men bepaald

iemand aangesteld, die over alles het oog hield, en in gezelschap

werd zij, wijl zij zoo leelijk was, slechts geduld; zij was daar

blootgesteld aan al die kleine bittere krenkingen, die zoo in ruime

mate aan leelijke en onbeduidende personen, die zich op zijde laten

schuiven, ten deel vallen.

In Johan stelde zij het meeste belang: de twee verschovelingen

steunden elkander. Toen zij ongeveer zestien jaar was, verkreeg

zij vergunning aan eene cursus voor onderwijzeressen deel te nemen;

de minister vond, dat men tot zekere hoogte het streven der vrouwen,

om meer kennis te verkrijgen, moest aanmoedigen. Toen zij echter, na

met ingespannen ijver gewerkt te hebben, want bijzonder begaafd was zij

niet, eindelijk klaar was om haar examen te kunnen afleggen, werd haar

dit niet toegestaan: dit paste niet voor de dochter van een' minister.

Hiermede was de zaak uit.

Hilda Bennecken was gelukkig, noch ongelukkig. Haar leven ging

kleurloos en eentonig daarheen, veel eentoniger nog, dan zulks

gewoonlijk het geval is met de dames uit haren stand. Wat haar

uiterlijk betrof, hierover konden de meeningen niet uiteenloopen,

zoodat zelfs die kleine triomfen en nederlagen, welke anders de jonge

jaren meêbrengen, voor haar ook niet waren weggelegd. Zij had eens

voor altijd eene groote nederlaag geleden, namelijk geboren te zijn,

zooals zij was. De kring, waartoe zij behoorde, kon haar verder

geenerlei vergoeding bieden. Daarom had Delphins houding gedurende

den winter zulk een sterken indruk op haar gemaakt. Nooit vergat hij,

wanneer zij elkaar op een bal ontmoetten, na het souper de Française

met haar te dansen, en zoo langzamerhand kwamen zij met elkander op

vertrouwelijken voet. Natuurlijk begonnen hare vriendinnen haar zeer

met den kamerheer te plagen, en Sophie Falck-Olsen begon, toen de dames

eindelijk rustig om de tafel zaten, het gesprek op Delphin te brengen.

"Hoe was het toch eigenlijk met dat engagement van Delphin? Jij Hilda,

weet er zeker wel alles van, hé?"

"Ik.... waarom zou ik dit zoo goed moeten weten," vroeg Hilda, en

zij werd bloedrood.

"Och, jij bent toch de eenige, onder ons jongere dames ten minste,

wie de eer ten deel valt met den kamerheer te mogen dansen!"

"Och geloof toch niet, dat ik er iets voor doe; ik zeg hem integendeel

telkens, dat hij zich niet behoeft op te offeren, met mij de Française

te dansen, wanneer hij er geen lust in heeft," verzekerde Hilda.

"Och ik begrijp heel goed, dat hij gelooft er mee te moeten voortgaan,

nu hij het eenmaal is begonnen."

"Overigens," voegde Sophie er op eenigszins boosaardigen toon bij,

"deed hij het voor de eerste maal een beetje uit gekheid, het was op

ons bal, als ik mij wel herinner."

"Ik weet, wat er eigenlijk van dat engagement van Delphin was," zeide

nu Caroline Hjelm, die in het begin het gesprek niet had gevolgd,

daar zij eene biecht van Louise, met welke zij op de sofa zat,

had aangehoord. "Hij raakte geëngageerd met eene nicht van mama,

maar acht dagen nadat het engagement publiek was geworden, dwong

hare familie haar, hem zijn woord terug te geven; zij is nu met een'

grondbezitter in Zweden getrouwd."

"Och, dat is eene oude geschiedenis," zeide Sophie op stekelachtigen

toon, "maar waarom wilde de familie volstrekt, dat zij haar jawoord

terugvorderde?"

Sophie stelde belang in het minste, wat Delphin betrof.

"Meent gij, dat ik dat ook niet weet," antwoordde Caroline, "het was

omdat het gerucht ging, dat Delphin in het Westland, waar hij een

tijd lang bij de rechtbank was aangesteld, met eene getrouwde dame

eene schandelijke betrekking had aangeknoopt. Zelfs kan ik vertellen,

zoo gij zulks wilt weten, met wie het was; het was met de eenige zuster

van den candidaat Hiorth.... daar hebt gij nu de gansche geschiedenis!"

"Van Hiorth! nu dat is een buitenkansje," riep Sophie uit, en zij

behandelde Caroline een weinig minder uit de hoogte, "dan kan ik

er alles van te weten komen, want hem kan ik geheel om mijn vinger

winden."

"Was het werkelijk zulk eene schandelijke geschiedenis," vroeg Hilda

aarzelende.

"Een van de allerverschrikkelijkste," antwoordde Caroline op beslisten

toon.

"Och, onzin," zeide Sophie, "zeker niet erger, dan andere dergelijke

histories. De heeren zijn elkander allen hierin gelijk, geloof mij

maar op mijn woord, en volstrekt niet zulke modellen van deugd... en

zoo zij dat waren, zou het ook al niet goed zijn."

"Wat zeg je daar Sophie," vroeg Louise op verschrikten toon in het

hoekje van de sofa.

"Och jij, met je deugdzamen Hans, dien reken ik niet! Ik meen, wat ik

heb gezegd, dat zulke onervarene, zulke model-brave heeren ontzettend

vervelend zijn en in gezelschappen alleronverdraaglijkst."

Deze woorden veroorzaakten eene heftige woordenwisseling, doch juist,

toen het gesprek het levendigst werd, stak mevrouw het hoofd door

de half weggetrokken porte-brisée, en zeide: "goeden avond jonge

dames! Nu, nu! gebrek aan discours is er, naar ik merk, niet, wees

voorzichtig Hilda.... dat kopje staat te ver op den kant, het zal

dadelijk vallen. Wanneer de dames het veroorloven, zouden twee jonge

heeren gaarne een kopje thee mede drinken."

De assistent-commiezen Hiorth en Bennecken kwamen achter mevrouw

aan. Zij hadden elkander plechtig beloofd, dat zij zouden trachten het

geliefde voorwerp te winnen onder volkomen gelijke omstandigheden,

en Alfred verzocht daarom Hiorth altijd mee naar zijn huis te gaan,

wanneer hij wist, dat Sophie bij zijne zuster was.

De avond was intusschen gevallen en mevrouw liet in het groote salon

de lampen aansteken, zoodat het licht door de half opengetrokkene deur

in het vertrek viel, waar de jongelui praatten en lachten. Alfred kon

zeer goed een gesprek voeren, en juffrouw Sophie speelde uitmuntend

de coquette.

Jonas Hiorth had daarentegen eene andere methode gekozen. Hij zat

zwijgend en in melancholieke houding in het meest schemerachtig

gedeelte van het vertrek; wanneer haar blik op hem viel, zag hij haar

aan op eene wijze, die zeggen moest: "valsche slang, ik heb u ondanks

alles innig lief."

Het gesprek was levendig, zonder dat er echter over een bepaald

onderwerp werd gesproken; men lachte, maakte toespelingen, was hatelijk

of wel lieftallig al naar het viel.

Dokter Bennecken kwam het verlichte vertrek binnen doch wilde,

toen hij het gepraat en gelach in de andere kamer hoorde, dadelijk

weer heengaan.

"Ben jij het Johan.... wil je geen kopje thee hebben?" riep Hilda hem

toe. De dokter zag zich wel genoodzaakt binnen te komen; hij groette de

jonge dames, maar verdween met zijn kopje thee weer in het salon. Hij

was niet best geluimd; in de poort had hij Christine ontmoet en zij was

hem voorbijgegaan, zonder de minste notitie van hem te hebben genomen.

"Mijn geleerde broer heeft vandaag veel trappen moeten klimmen,"

riep Alfred vrij luid.

"Wat meent gij hier mee" vroeg Sophie, die aan den toon, waarop

die woorden gezegd werden, merken kon, dat er iets bijzonders mede

bedoeld werd.

"Ja.... mijn broer is geen vriend van trappen klimmen; hij gaat het

liefst daar, waar de kamers gelijkvloers zijn; soms heeft hij er

echter niet op tegen een paar trapjes naar beneden te gaan."

"Het past al heel slecht voor eenen dokter bang voor trappen klimmen

te zijn," merkte een der dames aan, die den zin van Alfreds woorden

in het minst niet begrepen had.

"O, het is maar best de sympathieën en antipathieën van mijn broer

niet al te nauwkeurig te onderzoeken; in alle zaken heeft hij nog al

een' zonderlingen smaak. Kunt gij bijvoorbeeld raden, dames, hoe zijn

ideaal van eene vrouw er uit moet zien?"

"Neen, neen, volstrekt niet, vertel ons dat," riepen eenige der dames

hem toe.

"Alfred!" riep de dokter uit.

"Eerstens moet zij ten minste drie en een half el lang zijn.... op

hare kousen nog wel."

De dames lachten en amuseerden zich zeer, maar Hilda begreep, waar

hij heen wilde.

"Alfred!" zeide zij op half fluisterenden toon, "ga niet verder."

Hij stoorde zich echter niet aan hare woorden en vervolgde: "dan moet

zij ten tweede vuurrood haar hebben, dat vóór alles zoo stroef moet

zijn als de manen van een paard; ten derde moet zij in den boerenstand

zijn geboren en naar den koestal ruiken...."

"Alfred.... Alfred!" riep mevrouw hem half lachende, half knorrende

toe.

"O.... o, nu weet ik het!" riep Sophie uit, "je bedoelt Christine,

die lange Christine, die bij den conciërge woont, niet waar?"

De dokter zette zijn kopje zoo hard neer, dat het rinkelde.

"De hartsgeheimen van mijnen broeder verraad ik maar zóó niet,"

zeide Alfred.

"Nu, bedoelt gij niet Hilda's nieuwe kennis, die Christine," vroeg

Sophie, en zij boog haar hoofdje wat meer naar hem toe.

Zeer gevleid, dat hij de dames met zijn verhaal had kunnen boeien,

ging hij verder: "O, het is volkomen een roman, gij kunt mij op mijn

woord gelooven. De voorname minnaar en het eenvoudige maar buitengewoon

deugdzame boerenmeisje, dan de zuster als de vertrouwde...."

"Alfred!" riep Johan nu uit op eenen toon, dat allen er van schrikten.

"Maar Johan," zeide nu mevrouw, "wat beteekent zulk een gedrag,

ik verzoek je vriendelijk...."

"Ik heb het hem vroeger al gezegd mama, dat ik het niet langer dulden

wil," riep de dokter uit, en stampvoette van drift.

"Mama," vroeg Alfred op sarrenden toon aan zijne moeder, die met

Johan in het salon zat, "was het met het lange, of met het korte been?"

Nu kon Johan zich niet langer bedwingen; hij ging naar de deur

der kamer, waarin de dames zaten, doch mevrouw hield hem tegen:

"Maar Johan, ik geloof werkelijk, dat je vandaag niet recht bij je

verstand bent. Een beetje scherts moest je toch wel kunnen verdragen,

dunkt mij; je hadt beter gedaan, niet gekomen te zijn, dan hier zulk

eene kibbelpartij te maken; vóór je komst zaten wij zoo gezellig bij

elkaar!" Johan ging weg, maar het was zooals mevrouw had gezegd: hij

had den avond voor hen bedorven. De dames spraken op fluisterenden

toon tot hen die naast haar zaten, maar een gesprek wilde niet meer

vlotten; zelfs gelukte het Alfred niet de vroolijkheid weer aan den

gang te maken.

Toen mevrouw zich 's avonds gereed maakte naar bed te gaan,

vertelde zij haren man den twist, die tusschen de broeders had

plaats gegrepen. Heel slim wist zij de zaak zoo voor te stellen, dat

het scheen, alsof Johan alleen de schuld droeg, van het onaangename

voorval; zij schilderde overigens het tooneel in nog scherper kleuren

af, dan het in werkelijkheid was geweest.

"Komt het je nu ook niet voor, dat het tijd wordt dat zij het huis

uitkomt," vroeg zij.

"Ik geef toe, dat de zaak er bedenkelijker uitziet dan ik gemeend had,"

antwoordde de minister, "en zoo het werkelijk zoo ver gekomen is, ben

ik bang, dat haar heengaan, niet veel zal helpen; met een karakter,

als dat van Johan, vrees ik, dat de hindernissen, die men hem in den

weg wil leggen, hem des te meer zullen prikkelen om bij zijn besluit

te volharden; hij zal hare verblijfplaats trachten op te sporen,

en zoo hij haar vindt, zullen er misschien nog erger dingen gebeuren."

"O, dat heb ik al lang gezegd," riep mevrouw jammerend uit, "maar

nooit wilt ge naar mijnen raad hooren, altijd wilt ge...."

"Bedaard.... bedaard, lieve Adelaïde! Ziet gij... kunnen wij haar

niet van den hals schuiven, zoo.... zoo...." hier maakte hij eene

kleine diplomatieke pauze.

"Nu?" vroeg zij.

"Nu ja! zoo wij hem wegzenden."

Zulke kleine verrassingen verstond de minister meesterlijk. Mevrouw

zag hem aan. "Ja, Daniël.... dat zou misschien niet zoo heel gek zijn."

"Zooals ik altijd zeg, lieve Adelaïde... wees bedaard... overijling

deugt niet.... en bij kalm nadenken vindt men altijd eenen uitweg. Je

weet, dat Johan al zoo lang naar Weenen wenscht te reizen; ik wil

hem er nu verlof toe geven."

"En mag hij lang wegblijven?"

"Op zijn minst een jaar, zoo de reis hem, wat het wetenschappelijke

betreft, van eenig nut zal zijn."

"Wat het wetenschappelijke betreft! Schalk!" zeide mevrouw

schertsend. Een steen was haar van 't hart gevallen. Vóór te gaan

slapen moest de minister aan zijne vrouw de belofte afleggen, dat

hij, zoodra Johan was vertrokken, Mo er toe dwingen zou Christine

weg te zenden; zij was dan ver weg en vergeten, als Johan van zijne

buitenlandsche reis terugkwam.

Arbeiders: Roman · 第 16 / 34 题