De opperloods had in den loop van den winter heel wat brieven voor
Njaedel te schrijven, nu aan Christine, en dan weer aan broer Anders
over die zaak, die nooit tot een eind scheen te komen. Een weinig
mistrouwen begon de opperloods te koesteren jegens dien broer Anders;
het kwam hem voor, alsof het met al die geldzendingen, en telkens
werd er meer gevraagd, niet recht in den haak was, en het minst van
allen stond hem aan, wat Anders in zijn laatsten brief over Christine
had geschreven.
Ook hielp het geen greintje of hij Njaedel zijne gedachten over
diens broeder al meedeelde; geen kwaad wou hij van hem hooren, en
waagde hij het ook al eens, dan werd Njaedel vreeselijk boos. Alles
wat Njaedel had opgespaard, moest Sechus naar Anders zenden, en toen
de spaarpenningen verdwenen waren, moest de opperloods hem op eene
andere manier geld zien te verschaffen.
Njaedel leefde slechts voor de zaak; hij stond er 's morgens mee op,
en ging er 's avonds mee naar bed. Elk oogenblik was hij overtuigd, dat
er bericht van den koning zou komen, en dat hij--Njaedel--gelijk had.
Vervolgens moest de opperloods, wanneer hij aan Christine schreef
haar raden en vermanen. Daar Anders altijd schreef, dat zij daaraan
behoefte had, stond Njaedel er op, dat het gebeurde. Anders had er
verstand van en wist voor alles raad. Daarom was het voor Christine
niet gemakkelijk de brieven van den opperloods recht te begrijpen;
zij kreeg er echter een voorgevoel van, dat de zaken thuis niet in
orde waren, ofschoon er altijd in de brieven stond, dat het Njaedel
in alles goed ging. Nog minder begreep zij, wat hij met al die wenken
en vermaningen aan haar adres meende. Op een dag in Februari, toen zij
juist weer een' brief van huis had gekregen, gaf een gedeelte haar veel
te denken. "Ik heb een lang leven achter den rug en veel verdriet en
veel honger heb ik zien lijden door de liefde en het bedrog van zulke
fijne jonge heeren, op wie geen meisje vertrouwen kan. Je moet God
bidden, dat je hart van het kortstondig genot der liefde afgetrokken
moge worden, en tot een verstandig man, al is die wat oud, dat maakt
niets uit, wanneer men er maar eenmaal over heen is, maar daarentegen
is het naar mijne gedachten niet te verwerpen, goed zijn brood te
hebben, en de grootste winst en het grootste voordeel op den duur."
Christine zat nog met den brief in de hand, toen zij juffrouw Hilda
voorbij zag komen en de poort ingaan. Wanneer Hilda uit was geweest,
liep zij altijd even de kelderwoning in, zoodat Christine, nog half
in gedachten verzonken, opstond, om de deur te openen.
Hilda wilde, naar het scheen, eerst voorbijgaan, maar na voorzichtig
naar alle kanten te hebben rondgezien, sloop zij naar binnen en trok
de deur schielijk achter zich dicht.
Christine zag haar zeer verwonderd aan.
"Zeg aan niemand, dat ik hier ben geweest, Christine. Mama heeft mij
verboden, je te bezoeken."
"Waarom?" vroeg Christine ernstig.
"Dat kan ik je niet zeggen," antwoordde Hilda, en zij draaide het
hoofd om, "maar ik ben zeker dat, wat mama mij heeft gezegd, niet
waar kan zijn."
"Wat heeft uwe moeder dan gezegd," vroeg Christine op denzelfden
ernstigen toon.
"Och... beste Christine... vraag mij daar niet naar," zeide Hilda,
en zij wilde weggaan.
"Ik wil het weten," zeide Christine en zij hield haar bij den arm vast.
"Mama zegt, dat wij te dikwijls komen?"
"Wie?"
"Ja, ik.... en.... en...."
"En?.... wie meer?"
"Mijn broers... Johan vooral, zegt mama, maar ik geloof er geen
woord van, hoor.... Ik ben maar zoo bang dat mama te weten zal komen,
dat ik hier toch ben."
Christine liet haren arm los, en daar oom Anders juist het vertrek
binnenkwam, sloop Hilda weg, verward en onrustig over hetgeen zij
had gedaan.
Christine stond doodsbleek en met vastgeknepen handen; ja nu begon
zij te begrijpen, dat men haar beschuldigde de zonen van den minister
tot zich te lokken. Manspersonen aan te halen was het schandelijkste,
wat zij zich denken kon, en dan... vooral Johan, had juffrouw Hilda
gezegd: de dokter... de oudste zoon van den minister.... en dat zou
zij hebben gedaan!
"Ik wil naar huis, oom Anders."
"Het zou er slecht uitzien, als zij gelijk hadden," antwoordde hij
bedaard.
"Weet u er ook van," riep Christine uit, "maar wat heb ik dan toch
gedaan?"
"Goddank, gij hebt nog niets gedaan lieve Christine.... en wees maar
niet bang. Ik zal wel voor je waken, dit heb ik ook aan den minister
gezegd."
"De minister.... weet hij het ook? Ik wil naar huis, och lieve,
lieve oom laat mij dadelijk naar huis gaan," smeekte Christine.
"Ik vrees maar, dat je vader het treurig zal vinden, wanneer je om
die reden terugkomt," zeide haar oom.
"Om die reden," herhaalde Christine, en al de wenken en vermaningen
van den opperloods schoten haar in de gedachten! Zij kon niet meer
geregeld denken, zij voelde zich zoo ontzettend eenzaam.
"Maar wat moet ik dan toch doen," riep zij eindelijk uit, en zij
wrong de handen.
"Je behoeft je volstrekt niet ongerust te maken, Christine! Ik ben
mans genoeg je tegen den minister en tegen mevrouw, ja, tegen wien ook
te verdedigen, en zoo iemand je wil beleedigen, of je te na komen,
vertel het mij dan maar;" terwijl hij deze woorden zeide, kwam hij
wat nader bij, en drukte hare hand recht hartelijk.
Dit bracht haar wat tot kalmte. Het was toch maar goed, dat zij oom
Anders had, op wien zij zoo volkomen kon vertrouwen; zij begon voor
iedereen bang te worden en besloot zich op een' afstand te houden.
Christine haalde den brief van den opperloods weer voor den dag en ging
zitten, om hem te antwoorden; zij wilde volstrekt niet hebben, dat men
t'huis zou kunnen meenen, dat er met haar iets niet in den haak was.
"Beste Vader en beste Opperloods! met mijne gedachten ben ik meest
altijd bij u, maar al verlang ik soms zeer naar huis, en ben ik wat
neerslachtig, zoo ben ik evenwel God er recht dankbaar voor, dat ik
het zoo goed naar lichaam en ziel heb. Eerst wil ik nu maar schrijven,
dat oom gezegd heeft, dat de zaak nu mooi op weg is; hij zal zelf
eerstdaags schrijven, maar hij heeft ontzaglijk veel te doen, en geeft
zich veel moeite voor vaders zaak, en zoo er meer geld voorhanden was,
zou alles zeker spoedig zijn beslag krijgen. Maar ieder zegt hier,
dat Oom Anders de voornaamste van allen aan het Departement is, en hij
is heel vriendelijk tegen mij, en het gaat met mij in alles heel goed.
Hier is in 't geheel geene zee te zien, veel geel water, dat leelijk
riekt, en niet zoo als de zee bij ons, maar ontelbaar veel schepen
en groote huizen van steen, en boomen, die zoo hoog zijn, als ik ze
nooit heb gezien. Maar nu moet ik eindigen, met de hartelijke groeten
aan mijnen goeden vader en den opperloods.
Uwe gehoorzame dochter,
Christine.
Bij Hilda Bennecken waren op denzelfden namiddag eenige jonge dames op
theevisite; ofschoon zij nooit veel zulke visites gaf, was zij er van
daag in 't geheel niet toe gestemd. Het speet haar zoo, dat het haar
verboden was bij Christine in te loopen; haar angst voor hare moeder
was echter zoo groot, dat zij, ofschoon zij reeds lang volwassen was,
als een klein meisje voor haar beefde.
Van hare vroegste jeugd af, had zij steeds moeten hooren, dat zij
een ongelukskind was.
Zij had zich gewend, het verdriet harer moeder over de leelijkheid
harer eenige dochter, meer te beschouwen als een verwijt, dat deze
er haar van maakte, dan als eene zaak, die voor haar zelf treurig was.
En hieraan was mevrouw Bennecken grootendeels zelf schuld. Want daar
zij er nog goed uitzag, en een goed voorkomen zeer op prijs stelde,
kon zij er zich soms bitter over beklagen, dat zij aan zulk eene
dochter het leven had moeten schenken; en vele malen had Hilda in
hare kinderjaren het moeten ondervinden, dat hare moeder, wanneer
deze haar zoo fraai mogelijk aangekleed had, ten laatste alles weer
uittrok en wegwierp, half schreiend zeggende: "waarvoor dient het? Je
bent eenmaal leelijk, en dat zal wel nooit anders worden."
Die tranen harer moeder brandden Hilda diep in de ziel, en al wat
in den loop der jaren bij haar tot beter ontwikkeling had kunnen
komen, kwam niet tot vollen wasdom, wijl zelfvertrouwen haar geheel
ontbrak. Voor hare moeder koesterde zij zulk eene vrees, dat zij,
wanneer deze tegenwoordig was, zich bijna niet durfde verroeren.
Juffrouw Hilda was nu drie en twintig jaar oud; om in het huishouden
wat te verrichten, had zij de gelegenheid niet; daar had men bepaald
iemand aangesteld, die over alles het oog hield, en in gezelschap
werd zij, wijl zij zoo leelijk was, slechts geduld; zij was daar
blootgesteld aan al die kleine bittere krenkingen, die zoo in ruime
mate aan leelijke en onbeduidende personen, die zich op zijde laten
schuiven, ten deel vallen.
In Johan stelde zij het meeste belang: de twee verschovelingen
steunden elkander. Toen zij ongeveer zestien jaar was, verkreeg
zij vergunning aan eene cursus voor onderwijzeressen deel te nemen;
de minister vond, dat men tot zekere hoogte het streven der vrouwen,
om meer kennis te verkrijgen, moest aanmoedigen. Toen zij echter, na
met ingespannen ijver gewerkt te hebben, want bijzonder begaafd was zij
niet, eindelijk klaar was om haar examen te kunnen afleggen, werd haar
dit niet toegestaan: dit paste niet voor de dochter van een' minister.
Hiermede was de zaak uit.
Hilda Bennecken was gelukkig, noch ongelukkig. Haar leven ging
kleurloos en eentonig daarheen, veel eentoniger nog, dan zulks
gewoonlijk het geval is met de dames uit haren stand. Wat haar
uiterlijk betrof, hierover konden de meeningen niet uiteenloopen,
zoodat zelfs die kleine triomfen en nederlagen, welke anders de jonge
jaren meêbrengen, voor haar ook niet waren weggelegd. Zij had eens
voor altijd eene groote nederlaag geleden, namelijk geboren te zijn,
zooals zij was. De kring, waartoe zij behoorde, kon haar verder
geenerlei vergoeding bieden. Daarom had Delphins houding gedurende
den winter zulk een sterken indruk op haar gemaakt. Nooit vergat hij,
wanneer zij elkaar op een bal ontmoetten, na het souper de Française
met haar te dansen, en zoo langzamerhand kwamen zij met elkander op
vertrouwelijken voet. Natuurlijk begonnen hare vriendinnen haar zeer
met den kamerheer te plagen, en Sophie Falck-Olsen begon, toen de dames
eindelijk rustig om de tafel zaten, het gesprek op Delphin te brengen.
"Hoe was het toch eigenlijk met dat engagement van Delphin? Jij Hilda,
weet er zeker wel alles van, hé?"
"Ik.... waarom zou ik dit zoo goed moeten weten," vroeg Hilda, en
zij werd bloedrood.
"Och, jij bent toch de eenige, onder ons jongere dames ten minste,
wie de eer ten deel valt met den kamerheer te mogen dansen!"
"Och geloof toch niet, dat ik er iets voor doe; ik zeg hem integendeel
telkens, dat hij zich niet behoeft op te offeren, met mij de Française
te dansen, wanneer hij er geen lust in heeft," verzekerde Hilda.
"Och ik begrijp heel goed, dat hij gelooft er mee te moeten voortgaan,
nu hij het eenmaal is begonnen."
"Overigens," voegde Sophie er op eenigszins boosaardigen toon bij,
"deed hij het voor de eerste maal een beetje uit gekheid, het was op
ons bal, als ik mij wel herinner."
"Ik weet, wat er eigenlijk van dat engagement van Delphin was," zeide
nu Caroline Hjelm, die in het begin het gesprek niet had gevolgd,
daar zij eene biecht van Louise, met welke zij op de sofa zat,
had aangehoord. "Hij raakte geëngageerd met eene nicht van mama,
maar acht dagen nadat het engagement publiek was geworden, dwong
hare familie haar, hem zijn woord terug te geven; zij is nu met een'
grondbezitter in Zweden getrouwd."
"Och, dat is eene oude geschiedenis," zeide Sophie op stekelachtigen
toon, "maar waarom wilde de familie volstrekt, dat zij haar jawoord
terugvorderde?"
Sophie stelde belang in het minste, wat Delphin betrof.
"Meent gij, dat ik dat ook niet weet," antwoordde Caroline, "het was
omdat het gerucht ging, dat Delphin in het Westland, waar hij een
tijd lang bij de rechtbank was aangesteld, met eene getrouwde dame
eene schandelijke betrekking had aangeknoopt. Zelfs kan ik vertellen,
zoo gij zulks wilt weten, met wie het was; het was met de eenige zuster
van den candidaat Hiorth.... daar hebt gij nu de gansche geschiedenis!"
"Van Hiorth! nu dat is een buitenkansje," riep Sophie uit, en zij
behandelde Caroline een weinig minder uit de hoogte, "dan kan ik
er alles van te weten komen, want hem kan ik geheel om mijn vinger
winden."
"Was het werkelijk zulk eene schandelijke geschiedenis," vroeg Hilda
aarzelende.
"Een van de allerverschrikkelijkste," antwoordde Caroline op beslisten
toon.
"Och, onzin," zeide Sophie, "zeker niet erger, dan andere dergelijke
histories. De heeren zijn elkander allen hierin gelijk, geloof mij
maar op mijn woord, en volstrekt niet zulke modellen van deugd... en
zoo zij dat waren, zou het ook al niet goed zijn."
"Wat zeg je daar Sophie," vroeg Louise op verschrikten toon in het
hoekje van de sofa.
"Och jij, met je deugdzamen Hans, dien reken ik niet! Ik meen, wat ik
heb gezegd, dat zulke onervarene, zulke model-brave heeren ontzettend
vervelend zijn en in gezelschappen alleronverdraaglijkst."
Deze woorden veroorzaakten eene heftige woordenwisseling, doch juist,
toen het gesprek het levendigst werd, stak mevrouw het hoofd door
de half weggetrokken porte-brisée, en zeide: "goeden avond jonge
dames! Nu, nu! gebrek aan discours is er, naar ik merk, niet, wees
voorzichtig Hilda.... dat kopje staat te ver op den kant, het zal
dadelijk vallen. Wanneer de dames het veroorloven, zouden twee jonge
heeren gaarne een kopje thee mede drinken."
De assistent-commiezen Hiorth en Bennecken kwamen achter mevrouw
aan. Zij hadden elkander plechtig beloofd, dat zij zouden trachten het
geliefde voorwerp te winnen onder volkomen gelijke omstandigheden,
en Alfred verzocht daarom Hiorth altijd mee naar zijn huis te gaan,
wanneer hij wist, dat Sophie bij zijne zuster was.
De avond was intusschen gevallen en mevrouw liet in het groote salon
de lampen aansteken, zoodat het licht door de half opengetrokkene deur
in het vertrek viel, waar de jongelui praatten en lachten. Alfred kon
zeer goed een gesprek voeren, en juffrouw Sophie speelde uitmuntend
de coquette.
Jonas Hiorth had daarentegen eene andere methode gekozen. Hij zat
zwijgend en in melancholieke houding in het meest schemerachtig
gedeelte van het vertrek; wanneer haar blik op hem viel, zag hij haar
aan op eene wijze, die zeggen moest: "valsche slang, ik heb u ondanks
alles innig lief."
Het gesprek was levendig, zonder dat er echter over een bepaald
onderwerp werd gesproken; men lachte, maakte toespelingen, was hatelijk
of wel lieftallig al naar het viel.
Dokter Bennecken kwam het verlichte vertrek binnen doch wilde,
toen hij het gepraat en gelach in de andere kamer hoorde, dadelijk
weer heengaan.
"Ben jij het Johan.... wil je geen kopje thee hebben?" riep Hilda hem
toe. De dokter zag zich wel genoodzaakt binnen te komen; hij groette de
jonge dames, maar verdween met zijn kopje thee weer in het salon. Hij
was niet best geluimd; in de poort had hij Christine ontmoet en zij was
hem voorbijgegaan, zonder de minste notitie van hem te hebben genomen.
"Mijn geleerde broer heeft vandaag veel trappen moeten klimmen,"
riep Alfred vrij luid.
"Wat meent gij hier mee" vroeg Sophie, die aan den toon, waarop
die woorden gezegd werden, merken kon, dat er iets bijzonders mede
bedoeld werd.
"Ja.... mijn broer is geen vriend van trappen klimmen; hij gaat het
liefst daar, waar de kamers gelijkvloers zijn; soms heeft hij er
echter niet op tegen een paar trapjes naar beneden te gaan."
"Het past al heel slecht voor eenen dokter bang voor trappen klimmen
te zijn," merkte een der dames aan, die den zin van Alfreds woorden
in het minst niet begrepen had.
"O, het is maar best de sympathieën en antipathieën van mijn broer
niet al te nauwkeurig te onderzoeken; in alle zaken heeft hij nog al
een' zonderlingen smaak. Kunt gij bijvoorbeeld raden, dames, hoe zijn
ideaal van eene vrouw er uit moet zien?"
"Neen, neen, volstrekt niet, vertel ons dat," riepen eenige der dames
hem toe.
"Alfred!" riep de dokter uit.
"Eerstens moet zij ten minste drie en een half el lang zijn.... op
hare kousen nog wel."
De dames lachten en amuseerden zich zeer, maar Hilda begreep, waar
hij heen wilde.
"Alfred!" zeide zij op half fluisterenden toon, "ga niet verder."
Hij stoorde zich echter niet aan hare woorden en vervolgde: "dan moet
zij ten tweede vuurrood haar hebben, dat vóór alles zoo stroef moet
zijn als de manen van een paard; ten derde moet zij in den boerenstand
zijn geboren en naar den koestal ruiken...."
"Alfred.... Alfred!" riep mevrouw hem half lachende, half knorrende
toe.
"O.... o, nu weet ik het!" riep Sophie uit, "je bedoelt Christine,
die lange Christine, die bij den conciërge woont, niet waar?"
De dokter zette zijn kopje zoo hard neer, dat het rinkelde.
"De hartsgeheimen van mijnen broeder verraad ik maar zóó niet,"
zeide Alfred.
"Nu, bedoelt gij niet Hilda's nieuwe kennis, die Christine," vroeg
Sophie, en zij boog haar hoofdje wat meer naar hem toe.
Zeer gevleid, dat hij de dames met zijn verhaal had kunnen boeien,
ging hij verder: "O, het is volkomen een roman, gij kunt mij op mijn
woord gelooven. De voorname minnaar en het eenvoudige maar buitengewoon
deugdzame boerenmeisje, dan de zuster als de vertrouwde...."
"Alfred!" riep Johan nu uit op eenen toon, dat allen er van schrikten.
"Maar Johan," zeide nu mevrouw, "wat beteekent zulk een gedrag,
ik verzoek je vriendelijk...."
"Ik heb het hem vroeger al gezegd mama, dat ik het niet langer dulden
wil," riep de dokter uit, en stampvoette van drift.
"Mama," vroeg Alfred op sarrenden toon aan zijne moeder, die met
Johan in het salon zat, "was het met het lange, of met het korte been?"
Nu kon Johan zich niet langer bedwingen; hij ging naar de deur
der kamer, waarin de dames zaten, doch mevrouw hield hem tegen:
"Maar Johan, ik geloof werkelijk, dat je vandaag niet recht bij je
verstand bent. Een beetje scherts moest je toch wel kunnen verdragen,
dunkt mij; je hadt beter gedaan, niet gekomen te zijn, dan hier zulk
eene kibbelpartij te maken; vóór je komst zaten wij zoo gezellig bij
elkaar!" Johan ging weg, maar het was zooals mevrouw had gezegd: hij
had den avond voor hen bedorven. De dames spraken op fluisterenden
toon tot hen die naast haar zaten, maar een gesprek wilde niet meer
vlotten; zelfs gelukte het Alfred niet de vroolijkheid weer aan den
gang te maken.
Toen mevrouw zich 's avonds gereed maakte naar bed te gaan,
vertelde zij haren man den twist, die tusschen de broeders had
plaats gegrepen. Heel slim wist zij de zaak zoo voor te stellen, dat
het scheen, alsof Johan alleen de schuld droeg, van het onaangename
voorval; zij schilderde overigens het tooneel in nog scherper kleuren
af, dan het in werkelijkheid was geweest.
"Komt het je nu ook niet voor, dat het tijd wordt dat zij het huis
uitkomt," vroeg zij.
"Ik geef toe, dat de zaak er bedenkelijker uitziet dan ik gemeend had,"
antwoordde de minister, "en zoo het werkelijk zoo ver gekomen is, ben
ik bang, dat haar heengaan, niet veel zal helpen; met een karakter,
als dat van Johan, vrees ik, dat de hindernissen, die men hem in den
weg wil leggen, hem des te meer zullen prikkelen om bij zijn besluit
te volharden; hij zal hare verblijfplaats trachten op te sporen,
en zoo hij haar vindt, zullen er misschien nog erger dingen gebeuren."
"O, dat heb ik al lang gezegd," riep mevrouw jammerend uit, "maar
nooit wilt ge naar mijnen raad hooren, altijd wilt ge...."
"Bedaard.... bedaard, lieve Adelaïde! Ziet gij... kunnen wij haar
niet van den hals schuiven, zoo.... zoo...." hier maakte hij eene
kleine diplomatieke pauze.
"Nu?" vroeg zij.
"Nu ja! zoo wij hem wegzenden."
Zulke kleine verrassingen verstond de minister meesterlijk. Mevrouw
zag hem aan. "Ja, Daniël.... dat zou misschien niet zoo heel gek zijn."
"Zooals ik altijd zeg, lieve Adelaïde... wees bedaard... overijling
deugt niet.... en bij kalm nadenken vindt men altijd eenen uitweg. Je
weet, dat Johan al zoo lang naar Weenen wenscht te reizen; ik wil
hem er nu verlof toe geven."
"En mag hij lang wegblijven?"
"Op zijn minst een jaar, zoo de reis hem, wat het wetenschappelijke
betreft, van eenig nut zal zijn."
"Wat het wetenschappelijke betreft! Schalk!" zeide mevrouw
schertsend. Een steen was haar van 't hart gevallen. Vóór te gaan
slapen moest de minister aan zijne vrouw de belofte afleggen, dat
hij, zoodra Johan was vertrokken, Mo er toe dwingen zou Christine
weg te zenden; zij was dan ver weg en vergeten, als Johan van zijne
buitenlandsche reis terugkwam.